Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 3

Chapter 33,310 wordsPublic domain

In dit raam van algemeenheid passen nu de tallooze vormen. De aard der vrijage staat onder den invloed van plaatselijke zeden en gewoonten, zooals in het noorderkwartier en op Texel nog tot ver in de 18de eeuw de nachtelijke bezoeken, het kweesten, wat eigenlijk reeds niet meer is »vrijen om«, maar »vrijen met«, waarbij het »Galathea, zie de dag breekt aan«, uit hoofscher (en Hooft-sche) kringen, ook menige boersche nymf opschrikte, waarom het ook krieken heette en Grabner, een Duitsch reiziger ten onzent aan 't einde der eeuw, deftig zeggen mocht: »Nicht Hesperus sondern der Morgenstern ist daselbst der Stern der Liebe«. Overigens is het duidelijk, dat dit kweesten, waarbij de vrijer bij het meisje te bed ligt, door een deken gescheiden, samenhangt met de Duitsche »Kommnächte«, »Probenächte«, zooals ze vooral in Zwaben, in het Zwarte woud voorkomen, zede, die den minnaar vergunt om, tegen het venster harer slaapkamer opgeklommen, enkele uren van de nacht bij de geliefde door te brengen, zede, die op haar beurt wederom gelijkenis heeft over de gansche aarde en reeds door den Pruisischen raadsheer F. C. Fischer (1780) is onderzocht, door Grupen (1748) en vele anderen. Van eerbaarder en zediger vrijage bewaart de geschiedenis menig getuigenis. Hoe bescheiden en ingetogen is Johan Schoorl de schilder (1495-1562), die als leerling werkzaam is bij Mr. Jacob Cornelisz. van Amsterdam. Deze meester had een »seer fraey dochterken van twaelf jaer. Ende alhoewel deses vrouwmenschen aerdighe bevallijckheid Schoorels herte in liefde verwonnen hadde«, hij bedwong zich om haar jeugd, reist naar verre landen, en laat de kans op een goed huwelijk voorbijgaan, omdat het »Amsterdamsche dochterken hem geschildert was van der liefde godt in 't herte, waervan hij altijt de prickelinge bevoelende, niet en dacht dan om in consten volcomender te worden, opdat hij eyndlinghe tot sijn begheerte mocht comen: door welcke vijericheyt hij veel ghevordert heeft, schijnende of liefde consten doet leeren«. Helaas, toen hij na vele jaren terugkeerde, was het meisje de vrouw van een ander.

Met welgevallen herinnert men zich de vrijage van Dirk Rafels Camphuysen, den remonstrantschen predikant, den dichter, den later zoo rampzaligen balling. Wij bezitten van hem eene biografie, door zijne vrouw gedicteerd en dr. Rademaker, die hem vóór enkele jaren afdrukte, maakte de menschkundige opmerking, dat de inhoud de wezenlijke schrijfster aanwijst: hare vrijage en haar huwelijk teekent zij uitvoerig, aan dien gelukkigen tijd dacht zij gedurende haar 41-jarig weduwschap herhaaldelijk terug. Camphuysen dan studeerde te Leiden, in 1608, en sloot daar vriendschap met Joh. van Alendorp, een Dordtschen predikantszoon. »Het gebeurde«, aldus dicteert de weduwe, »dat Johannis soude vertrecken, en sijn suster Anneke komt tot Leyden, om het goet van haren broeder bij een te pakken... op dese tijd kright C. de eerste kennis aen dese Anneke en hij sedert die tijd al te met eens na Dorderegt trock, om te besoeken hetgeen hij beminde... en hij brengt het soo verde, dat hij met haar in beloften raakt, sulcks dat C. 's morgens eerst ernstig naar sijne wijse den Alderoppersten gesmeeckt en gebeden hadde op sijn kamer om wijsheit in dese hoog wigtijge saack; hij quam bij Anneke haar aanpresenteerende seekeren penning, die hij haar op trou gaf«. Dan wordt hij gouverneur bij Gideon van Boetselaar, heer van Langerak, »wat hij niet soude gedaen hebben had hij sijn huwelijck moogen voltrekken met de verloofde«. Want de moeder onthield haar toestemming, omdat C. arminiaansch was. Hij was bij de Boetselaars geacht »als Jozef in 't hof van Farao« en zij trachtten hem uit te huwelijken aan »een joffer van groot qualyteit«. »Maar alsoo het knagende geweeten van C. nog niet geheel en was verstorven (gelijk sommige ongestadige minnaers niet veel passchen op haar woorden en beloften, die sij aan eenige vrous persoonen gedaan hebben), soo is hij oock in desen een exempel geweest van volstandigheit in sijne woorden. Hij ondertusschen, denckende op middelen om te met een oog als woort te hebben van het geliefde, quam het juist te gebeuren, dat de gouvernante van 't hof quam te trouwen ende, mevrouwe verlegen sijnde, conseleerde met C., die sijn slag in dese waar nam en zeyde: kont gij die dogter krijgen (noemende Anneke van Alendorp) ik meen, dat gij 'n contentement in haaren dienst sout nemen; de joffer staat het toe en belast C. een brief daer na toe te senden, daer toe hij hem met weynig woorden liet bewilligen. Sij, den brief ontfangende en den inhoud verstaande, resolveert om voor goevernant te dienen, want de moeder viel haar vrij hard en was haar dagelijks aan, om het huwelijk te beletten. Maar gelijk een welgebouwd hof voor geen stormwind en plasregen komt te buigen,« (denkt Anneke hier aan C.'s »Uytbreydingh over Ps. CXXV«:

Wat winden dat er ruyschen, wat regen dat er plast, Het hooge huis van Sion staet onbeweeght en vast..?)

»soo heeft hem ook de ongeveinsde liefde gedragen. De heer en ook de anderen, om geen dink minder denckende, krijgen ondertusschen groot behaagen in dese dienstmaagd en C. had een groote lof behaalt, in voegen hem den heer nog een rosenobel vereerde voer zijn moeyten.« De rest laat zich denken. De stille minnehandel wordt ontdekt, men poogt de gelieven tegen elkander op te zetten, C. vraagt om uitlegging en doet of hij niets meer van haar weten wil »singende overluid een deuntje gelijk de jonge minnaers ende hovelyngen gewend waren«. Maar zij gaat hem na, »vernieuwende hem alles wat se om sijnentwil al had geleeden en uitgestaen, daer van sijn gemoet ten volle overtuigd was«. De verzoening is volkomen, hij verlaat het kasteel, zij »passeert van den dienst« en na nog een aantal lotgevallen, waarbij C. »vol moets en coragije is, denckende dat geen see te hoog gaan en mogt, als hij maar dat mogt genieten, daar alle hartstogten op gevallen scheenen«, trouwen zij eindelijk den 11den April 1613. Het is een verhaal als een sprookje, deze toch zuiver historische vrijage, al kan men er helaas niet bijvoegen, dat zij »daarna nog lang en gelukkig hebben geleefd«.

Even zedig, even eerbaar was een eeuw later de »burgerlijke vrijage« tusschen Kobus en Agnietje, ons door Justus van Effen verhaald in zijn »Hollandschen Spectator«, vertoogen, die aan hun levendigen verhaaltrant de eer danken van hunne plaats in tegenwoordige bloemlezingen. De bescheiden en schuchtere vrijage van den braven Kobus, die met een grachtje om en een paar bange kusjes al den koning te rijk is (voorloopig!), is zeker een aardig schilderijtje van 18de-eeuwsche, burgerlijke zeden, waaruit de vroegere, dartele en onbeschroomde vrijpostigheid, die wij nog in de 17de eeuw bij den vrijer bespeuren, geweken is--voorzoover wij dat nu nog kunnen uitmaken. Zeker vermeed men in de 18de, in de kringen ook der patriciërs, de grove uitingen eener bloedrijke verliefdheid, en de wijze, waarop een galante petit-maître vrijt om de charmante godin van zijn hart, in de saletten, bij het speeltafeltje, is van eene onnatuurlijke gemanierdheid. Degelijk, oprecht, maar wat statig en koel is de vrijage in de kringen, die 't hart hebben van de juffrouwen Wolff en Deken, zooals van den kolonel Uto van Sytsama om de bedachtzame Coosje Veldenaar, die voorloopig zijn aanzoek afwijst: »Mijn hart is vrij« antwoordt zij hem, »maar ik heb geene de minste overhelling om van staat te veranderen en dat wel, al vorm ik mij van een op goede gronden voltrokken huwelijk geene schrikbeelden. Maar mijne waardige ouders kunnen mij onmogelijk missen.« Hij, door zoo bezonnen redeneering geenszins ontmoedigd, schrijft terug: »Mijne waardste! Kunt gij mij met uwe bezitting niet zegenen, schrijf mij dan nooit meer; voor zulke verdiensten, voor zulke begaafdheden is mijne rede niet bestand. En echter, alles wat gij schrijft is zoo billijk. Ja mijn Coosje (o, mag ik u zoo eenmaal noemen) mijn hart klopt van gevoel, mijne oogen vloeien over, als ik uwen brief lees. Edel meisje, kunt gij de mijne niet worden?« Zeker klinkt dit uiterst statig--maar wij moeten altijd bedenken, dat de draagkracht, de juiste strekking der woorden bij de voorgeslachten ons al te vaak ontsnapt. Ook waren zij in hunne spreektaal veel ongegeneerder dan wij thans voegzaam zouden achten. Wat bovendien dit bepaalde geval betreft, Betje Wolff was in hare jeugd bijna het slachtoffer geworden van eene zeer brutale vrijage, waartegen zij deze eerbare overstelt. In geen geval was een taal als die van kolonel van Sytsama toen onwezenlijk. Ook in het vrijen om de bruid openbaarden de vaderen eene bedaarde bedachtzaamheid, die wel nationaal moet zijn. Juist in dezen zelfden tijd, 1782, schreef de dichter H. van Alphen aan zijn vriend mr. J. P. Kleyn: »Haast niet, maar wikt. Laat de keuze van eene levensgezellin de vrugt zijn van een rijp beraad en van een ernstig, aanhoudend, opregt en vertrouwend gebed. Laat zelfs de tijd aan God over.« Het is dit nationale flegma, dat zich ook in de vrijage uit, dat vreemdelingen zoo opvalt. »Der Bataver ist nur thätig, wo er es sein musz«, schrijft een Pruisisch reiziger in ons land, anno 1797, en in een Fransch rapport van twee jaren vroeger luidt het, met wat dieper ingaan in het wezen: »son caractère est flegmatique, mais sensible et si ses affections ont moins d'essor et d'éclat, elles n'en sont que plus profondes et plus durables«. In ons laatste hoofdstuk komen wij hierop nog terug. Thans hebben wij over den aard der vrijage nog iets op te merken.

Toen wij boven verhaalden van Authari's bruidswerving, herinnerden wij ook aan de dienaren, die de vermomde koning mede nam en die door hunne heldendaden zijn aanzoek kracht bijzetten. Dezen trek der oude sage vinden wij de eeuwen door terug. In belangrijke aangelegenheden laat men zich door helpers ter zijde staan, voor de rechtbank, bij een koopcontract, bij een tweegevecht. Desgelijks bij de vrijage. De vrijer zendt zijne boden vooruit, om het terrein te verkennen, om den eersten aanval te wagen. In de Ommelanden heette zulk een paranymf de maakman, in sommige streken van Friesland werd eene oude vrouw uitverkoren, om de gevoelens van het meisje te polsen. Het is opmerkelijk, hoe deze vrijage bij volmacht in krassen vorm bij de oude Friesche doopsgezinden voorkwam. Een, die tot hen behoord had en hen goed kende, schreef (het geldt het derde kwart der 16de eeuw): »dat niemandt onder haer, een huysvrouwe begeerende, de persoone selfs aenspreecken noch versoecken en mach, maer moet sulcks den Dienaren aengeven ende raedt vragen ende denselven voor hem aensoecken laten.« Ja zelfs moet hij er vrede mede hebben, als die dienaar »'t selve houwelijck haer afriedt ende een anderen in den sinne bracht.« Deze gewoonte moet onder de doopsgezinden vastgeworteld zijn geweest. Niet alleen vindt men haar nog veel later in ons land (gelijk immers Reynier Adriaansz, in Asselijn's blijspel, een paar bemiddelaars op Saartje Jansz. afzendt en eerst daarna zelf zich »eerbiediglijk« komt aanbieden), maar ook treft men haar aan bij buitenlandsche doopsgezinden. Zoo verhaalt Alfred Michiels van de doopsgezinden in de Vogezen anno 1858, dat zij bij huwelijksaanzoeken zich richten naar het voorbeeld van Abraham en Eliëzer (Genesis XXIV) en naar dat van den jongen Tobias, in het apocryfe boek van dien naam, die immers ook met behulp van den engel vrijde om Sara, de dochter van Raguel. Want als een jonkman bij hen huwen wil, neemt hij een diaken in zijn vertrouwen. Deze (hij heet »der steckelmann«) stijgt te paard en rijdt tot bij den put van de woning van het meisje. Die komt naar buiten met eene kruik in de hand, schept er water in en biedt hem te drinken (gelijk immers Rebekka het Eliëzer deed). Zegt zij verder niets, dan weet hij genoeg en rijdt weêr terug. Maar zegt zij: »kom wat dichterbij en laat ik ook uw paard te drinken geven,« dan haalt hij de meêgegeven geschenken voor den dag en vraagt tot hare ouders toegelaten te worden. Op deze wijze voeren deze menschen hunne vrijage naar bijbelsch voorbeeld.

Wij keeren naar ons vaderland terug en hebben nog slechts te herinneren, dat een 18de eeuwsch Spectator (niet zeer geestig) voorstelt, om in plaats van deze helpers publieke makelaars in huwelijkszaken aan te stellen, die de vrijage tusschen twee jongelieden tot een goed einde zouden brengen. Overigens was hier te lande (anders dan b.v. in Frankrijk) de vrijage de zaak der gelieven-zelven. Wel was het prijselijk als »jonckheyt lieft met ouders raat«, zooals het oude rijmpje zegt, maar de ouders bedisselden het geval toch niet onder elkander, zij lieten het vrij, wat natuurlijk niet buitensloot, dat sommigen, als het eene goede partij gold, een zachten drang uitoefenden. Wat den bekenden Adolf, vrijheer Knigge in zijn, ook in onze taal overgezet »Ueber den Umgang mit Menschen«, 1785, de weinig hoffelijke uitroep ontlokt: »Het koppelen en bekuipen van huwelijken late men over aan den hemel en aan zekere klasse van oude wijven!« Wij hoorden daareven Anneke van Alendorp gewagen van die »ongestadige minnaers, die niet veel passchen op haar beloften.« Van zulke trouwelooze vrijers zijn onze oude liederenboekjes vol:

[Illustratie: Huwelijkscontract.

Naar een schilderij van Jan Steen.]

»Dog vrijers zijn vol list en loze streken, Hun woorden zijn wel honing-zoet, Terwijl zij dragen in 't gemoet Den angel, om te steken Haar, die hen mind.«

Trots deze booze ervaring verlangen de vrijsters toch naar hun gezelschap:

»Dit bosje weet, Dat ons is leet, Dat gij niet t'alle-tijdetjens, Ons met uw kout Gezelschap hout En zit aan onze zijdetjens. Uw zoet gevrij En boerterij Met velerhande klugjens Ons zo verleyd Dat, als gij scheyd U volgen veele zugjens.«

Had echter de vrijage het gewone, gewenschte verloop, bleek het meisje niet onvermurwbaar, liet zij zich eindelijk verbidden, om van staat te verwisselen (»wat haast hebben wij meisjes,« vraagt Alida Leevend in haren overmoed; »als wij getrouwd zijn, zijn onze blijde daagjes uit?«), dan kan de verloving, straks het huwelijk plaats hebben. Wij vragen allereerst naar het karakter van het wettig huwelijk, zooals het zich onder de Republiek aan ons voordoet.

HOOFDSTUK III.

HET WETTIG HUWELIJK.

Tegenover welke taak stond het nieuwe geslacht, vroegen wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk, nadat wij de toestanden, zooals zij in de 16de eeuw heerschten, geschilderd hadden? Roepen wij ons duidelijk de moeielijkheid voor den geest. Van wien zou het gezag uitgaan in huwelijkszaken, zoodat de bestaande verwarring en onzekerheid zouden ophouden? Van de Staten der gewesten? Van de jonge, gereformeerde kerk, zelve nog nauwelijks (immers eerst sinds 1572 in het noorderkwartier, van lieverlede ook in de overige provinciën) geordend en ingericht? Zeker had zij nog geen wijdstrekkende autoriteit, maar van den beginne heeft zij zich met groote energie aan deze zaak laten gelegen liggen. Omdat voor haar, gelijk voor alle protestantsche Kerken, het sacramenteel karakter des huwelijks vervallen was, heeft zij van den aanvang af geijverd voor het burgerlijk, algemeen karakter der instelling. Wat Huig de Groot zegt, dat door het aannemen van den gezuiverden godsdienst alle voorrechten van geestelijken, zoo in rechtspleging als in andere zaken, het bijzonder burgerrecht rakende, ophouden, heeft zij reeds vroeger erkend ook voor 't huwelijk. Zij volgde daarin slechts de denkbeelden harer groote theologen: Calvijn achtte het huwelijk een ding, den wereldlijken rechter competeerend. Reeds de oudste provinciale synoden spreken zich uit, zoowel over de verhouding tusschen kerk en staat in 't algemeen als over het huwelijksrecht in 't bijzonder. Die van Rotterdam, anno 1575, begrenst het wederzijdsch gebied en spreekt uit, dat »onse kerckelijke regieringe geenszins usurpatie van het ambt van den magistraat medebrengt, maar dat de politische (burgerlijke) ende kerkelijcke regieringe« door God zijn ingesteld, zoodat het er verre van af is, dat »dit gheestelick ende kerckelick regiment enichsins soude het ampt ende de hoocheit der overheit tegenstriden ofte vercorten, dat in tegendeel 't selfde veelmeer dient tot befestinge vande autoriteit derselver, gelijck oock wederom der overheit ambt is door haar autoriteit der kerckelicke regieringe te beschermen ende te handthaben«. Reeds een jaar vroeger had art. 5 der Dordtsche kerkorde voorgeschreven: »die dienaren ende ouderlingen sullen wel toesien, dat sij in hare consistorische, classische ende sinodische vergaderinge niet en verhandelen dan 't gene kerckelick is«. Welnu dezelfde vergadering spreekt het uit: »Overmidts d'officiaelen des Antichrists int pausdom d'autoriteyt ende recht der overheijden in den echtscheydinghen aen sich getrocken hebben, soo sal de magistraet van den ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent worden, datse dien helpen, welcke in soodane saecken hare hulpe behoeven«. En nog algemeener de oudste gereformeerde synode hier te lande, die van Edam in 1572: ieder streve er naar dat »dese saecke des huwelijcx tot ontlastinge der kercken gebracht wordt in het burgerlijke regiment«. Omdat echter de berechting van huwelijksgeschillen voor de overheden nog nieuw was en, bij de nieuwe bedeeling, het geestelijk gerechtshof had »afgedaen«, heeft de kerk reeds in 1581 het wenschelijk geacht, dat de Staten een »houwelicxgericht« zouden instellen, »daeraen alle twistige houwelicxsaken« zouden opgedragen worden.

Men bespeurt waarom het gaat: aan den Staat moet komen de regeling van, de uitspraak in huwelijksgevallen, de wetgeving in 't algemeen over alle huwelijkszaken. Zonder zijne sterke hand zal de verwarring nooit ophouden, aangezien, zegt wederom Huig de Groot, het huwelijk is de grondwet der burgerlijke gemeenschap en omdat, naar de woorden van den remonstrantschen hoogleeraar Simon Episcopius, als er geen vaste huwelijksordening is, »is de policie niet als eene wildernisse ende de familiën zijn niet als verckensschotten«. Wenschte de gereformeerde kerk aldus, dat het huwelijk burgerlijk zou zijn, dit hield niet in, dat zij afstand begeerde te doen van haar recht op huwelijkssluiting. Opvolgster van de oude, roomsche kerk, in zekeren zin erfgename harer functiën, overtuigd, dat het huwelijk voor zijne wettigheid de wijding der kerk behoeft--had zij reeds in de jaren der vervolging, vóór zij nog gevestigd was, huwelijken gesloten. Hare rondreizende predikanten »celebreerden houwelijcken volgende de voirs. religie« en »vougden na den sermoenen oik eenige persoenen als in echten t'saemen«. In 1566, toen Margaretha hun vrije godsdienstoefening had toegestaan en zij enkele kerken in gebruik namen, was het dáár, dat men »bruyden troude«. Thans, als gevestigde kerk, handhaaft zij dit recht van huwelijkssluiting. Hare leden kunnen binnen hare muren een wettig, christelijk trouwverbond aangaan, al is men in 1573 in Noord-Holland zóó vrijzinnig, dat men een lidmaat toestond buiten de kerk te trouwen. Men moest het hem wel afraden, maar gebeurde het nochtans, dan was het huwelijk als echt te erkennen. Nu begon echter de moeielijkheid. Niet alleen toch begeerde de kerk van de overheid goedkeuring van hare huwelijksregeling op eigen terrein, maar, volgens het in haar midden sterker wordend calvinistisch beginsel, dat de wereldlijke en geestelijke macht samen moeten arbeiden aan den bloei der christelijke gemeenschap, eischte zij telkens nadrukkelijk, dat de overheid zich in alles, dus ook in huwelijkszaken, door die calvinistisch-gereformeerde gedachte zou laten leiden. Waar nu de staat zich verzet, ontstaat de strijd. En als wij bespeuren, dat de kerk voortdurend poogt eene algemeene huwelijksordonnantie te verkrijgen naar hare beginselen, dan zien wij daarin duidelijk een onderdeel van die worsteling om de oppermacht tusschen Kerk en Staat, ook in onze vaderlandsche geschiedenis zoo belangrijk. Het gaat op een loven en bieden. De kerk vraagt en de overheid, zeker gewillig het advies en de medewerking der kerkelijken in te roepen, geeft, maar ten halve. De kerk vraagt weêr en de overheid staat ook iets toe, maar geeft de teugels nimmer uit de hand en houdt aan zich het oppergezag. Zeker gevoelen wij bewondering voor deze »dienaren des Woords«, die, in hunne volstrekte afhankelijkheid van regenten en magistraten, toch rusteloos aanhouden om wat zij voor een heilig huwelijk noodig achten. Maar begrijpelijk vinden wij het evenzeer, dat de overheid op hare hoede was tegen een heerschzucht, die wezenlijk bedoelde der kerk het gezag over den staat te schenken. Ware het anders geweest, men zou kunnen wenschen, dat zij nog ruimer gelegenheid gehad hadde, haar onmiskenbaar organiseerend talent, ook op het gebied der huwelijksregeling, met de stukken te toonen. Laat ons dan zien wat langzamerhand in de Republiek tot stand kwam, door gewestelijke of stedelijke overheid gegeven, maar onder voortdurenden invloed der kerk.