Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 2

Chapter 23,754 wordsPublic domain

»Ik heb trou van sijn hant! Wacht maar wat, ik sal iens binnen treden En halen de penning en latense voor je oogen sien.«

En nog in 1748 deze dialoog:

Hans: Aenvaerdt dees penningh. Stijn: En gij dees ring op trou. Nu sijn wij alsoo vast gelijck als man en vrouw.

Het oude rechtssymbool--zelf weêr herinnering aan nog ouder toestanden--had alle beteekenis en schoonheid verloren: het deed nog slechts zijn ontadelden dienst bij een huwelijk over den puthaak. Aan den anderen kant werd het overhandigen van den penning eene onschuldige bruiloftsaardigheid. Bruidegom en bruid hingen elkander de helft van een dukaton om den hals, als het kon een, waarop de beeltenis van Ferdinand en Isabella, omdat die elkander aanzagen--onbedoelde hulde aan deze hoogstaande vrouw. En de goudbestikte neusdoek van Heimerich van Rossem is niet anders dan de »knotte« van fijn neteldoek, met geldstukken er in, soms met amoureuse rijmpjes er op--het Friesch museum te Leeuwarden bezit er aardige--door den bruidegom der bruid aangeboden.

Zoo vonden wij dan bij den aanvang onzer periode het katholiek-kerkelijke en het vormlooze huwelijk. Doch daarmede is het terrein der volgende geschiedenis nog allerminst voldoende verkend. In de derde plaats moeten wij melding maken van veelvuldig ongehuwd samenleven, of van wat wij daarvoor aanzien. Want de onderscheiding tusschen concubinaat en vormloos huwelijk zien wij niet altijd duidelijk, wat zelfs de betrokken personen niet altijd deden. Van de lagere geestelijkheid geldt dat niet. Wat men ten dage van Karel V hun concubinaat noemde, was dat ook voor het kerkelijk recht, maar voor het geweten der meesten was het een huwelijk met al de verplichtingen van dien, gelijk o. a. blijkt uit de testamenten en erflatingen, waarin zulke geestelijken vrouw en kinderen hunne goederen vermaakten. Natuurlijk leefden er in wezenlijk coelibaat, maar de meerderheid van den lageren clerus was »gehuwd« en »ofschoon zij«--naar de treffende woorden van den martelaar Angelus Merula--»hunne concubinen geen echtgenoot durfden noemen, hielden zij haar toch als zoodanig in eere«, of, om met een hedendaagsch grondig kenner der middeleeuwen te spreken, Mr. S. Muller Fz., »de vrouwen, met wie de middeleeuwsche lagere geestelijken leefden, waren niet de slachtoffers eener oogenblikkelijke zwakheid, neen, zij waren in waarheid de levensgezellinnen dier priesters, en de kerk mocht ze in voorbijgaande vlagen van rechtzinnige strengheid »concubijnen« schelden, de term »clerici uxorati« (gehuwde priesters) wijst op een geheel anderen band«. Hier is bovendien nog eene onderscheiding te maken. De majorist, d. i. de geestelijke, die de hoogere orden ontvangt, vooral diaconaat en priesterschap, kan geen geldig huwelijk aangaan. Zijn kind is dus een »filius sacrilegus« (in misdaad geboren). Maar de minorist, die de lagere orden ontvangt, legt geene gelofte van kuischheid af, hij mag een huwelijk sluiten en vandaar tal van »clerici conjugati« gehuwde, niet tot priester gewijde, theologen, die wel b.v. aan het hoofd eener parochie-kerk mochten staan, maar geen mis lezen en biecht hooren. Zoo was b.v. Rudolf Agricola (geb. 17 Februari 1444) de »filius naturalis« van zulk een lageren clericus, maar--ongehuwd, en daarom was Rudolf toch buitenechtelijk geboren, wat toen niet zoo groote smet werd geacht. Voor ons doel is het genoeg vast te stellen, dat bij den overgang naar den nieuwen tijd ten onzent tal van (niet kerkelijk) gehuwde geestelijken gevonden werden. Gingen zij tot de nieuwe leer over, dan haastten zij zich nog niet altijd wettig te huwen. Wel gold de bepaling, dat zij niet tot den kerkedienst zouden toegelaten worden, tenzij zij »hunne concibinen of onechte vrouwen zullen getrouwd hebben«, maar nog in 1601 bereikt ons eene klacht uit classis Nijmegen, dat »sommige predikanten nog niet legitime met haeren wijven getrouwd« zijn.

Al noemden wij de onderscheiding tusschen een vormloos huwelijk en ongehuwd samenleven niet immer gemakkelijk, dat er ook veelvuldig uiterst losse verbintenissen voorkwamen, waarvoor de naam concubinaat te goed is, ligt voor de hand. Want maar zeer langzaam hebben de neigingen tot veelwijverij van den man zich door wet en gewoonte tot monogamie laten dwingen, en herhaaldelijk ontsprong de onderdrukte natuur nog aan den band der maatschappelijke orde. Ter toelichting geef ik weder een paar bladzijden uit de Nijkerksche doop- en trouwboeken, wel wat later dan den eigenlijken aanvang onzer periode, nl. 1597 en volgende jaren, maar in hare simpelheid zeer teekenachtig. Aldus:

3 Februari 1597 gedoopt: Wolter, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers. 6 Mei 1599: Wolter, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Lamberts; 25 Nov. 1599: Tijs, vader Maes Wolters, moeder Geert Reimers; 30 Juli 1601: Coep, vader Maes Wolters, moeder Aertgen Claes; 5 Aug. 1602: Reimer, vader Maes Wolters, moeder Niesgen Reimers.

Van deze vier vrouwen is Aertgen Claes de verkoren bruid, met wie Maes, 26 Juni 1603, huwelijksgeboden laat gaan. Echter staat daar in het boek achter: »non fuere copulati« (zij werden niet getrouwd). Dit is later weêr doorgeschrapt, »mogelijk,« teekent de uitgever dezer bescheiden terecht aan, »na eene echtverbintenis op het sterfbed«. Van zoo mogelijk nog losser zeden spreekt deze eenigszins ingewikkelde geschiedenis: 30 November 1595 huwelijksproclamaties tusschen Elbert Claes en Rickge Hertgens; 17 April te voren was hun zoon Claes gedoopt. 30 Augustus 1596 weder een kind en 31 December 1598 een derde. 18 Februari 1599 gaan nu de geboden tusschen deze Rickge Hertgens en Reynier Hendricksz. te Putten, wat niet verhindert, dat in 1601 en 1603 twee kinderen gedoopt worden van dezelfde Rickge en (weder van) Elbert Claes. Daarna huwt deze laatste eene rijke weduwe, die hem een zoon Thomas en daarna nog vier kinderen schenkt. 16 Aug. 1607 staat dan Reynier te Putten bij den doop als vader van Paul, zonder vermelding van de moeder, maar 9 Augustus 1612 staat hij te Nijkerk in dezelfde hoedanigheid over een zoon Nael, waarbij thans als moeder wordt aangeteekend zoowaar alweder Rickge Hertgens. Zoo hield dan, zegt de uitgever ook van dit stuk, dit wisselzieke vrouwmensch het tweemaal met den een en tweemaal met den ander. Genoeg intusschen van deze dingen. Nog korter kan ik zijn over de eigenlijke prostitutie, over de deernen, »die in 't gemeene leven zaten, om goede gezellen te gerieven«, meestal dicht bij de stadswallen, gelokaliseerd, door tal van keuren beperkt, nooit bedwongen. Het onderwerp, op zichzelf van belang en met veel literatuur, eischt hier geene nadere beschrijving.

Te midden nu van deze van ouds bestaande huwelijkstoestanden verschijnt als nieuwe macht het protestantisme. De Hervorming heeft zeker niet, als bij tooverslag, alle dingen vernieuwd, laat staan verbeterd--op ons gebied heeft zij ingrijpende veranderingen tot stand gebracht. Ook dienen wij oog te hebben voor het verschil tusschen de onderscheidene protestantsche groepen, lutherschen, anabaptisten, zwitsersche gereformeerden, nederlandsche sacramentisten, calvinisten--maar op één gewichtig punt stemmen zij allen overeen: zij breken met den ongehuwden als verheven boven den gehuwden staat en dus ook met het priestercoelibaat. Zij ontnemen aan het huwelijk zijn sacramenteel karakter, maar prijzen het meteen als den door God gewilden staat voor ieder. Een van de schoonste en treffendste pleidooien voor het huwelijk door een hervormer is de brief, waarin Heinrich Bullinger in 1527 aanzoek doet om de hand van Anna Adlischweiler, een brief dien men niet zonder ontroering en bewondering lezen kan. Dit is inderdaad van verreikende gevolgen geweest, wat te erkennen niet blind behoeft te maken voor de schaduwkanten. Luther--zijn invloed in ons land bleef trouwens tot kleine kringen beperkt--gaf in 1519 zijne »Sermon über den Ehestand« (2de Zondag na Epifaniën, Joh. II 1-11, bruiloft te Kana), waarin hij nog geen partij kiest voor of tegen den ongehuwden staat, maar reeds de zedelijke waarde des huwelijks ziet in het niet slechts verwekken van kinderen, maar ook hen opvoeden tot Gods eer. Van 1522 is zijn »Sermon vom ehelichen Leben«, van 1523 zijne uitlegging van 1 Kor. VII en van 1524 zijn geschrift »Dat ouders hunne kinderen niet tot een huwelijk dwingen mogen«. Hier veroordeelt hij den ongehuwden staat, als mogelijk alleen voor enkele hooge geesten, voor verreweg de meesten is hij bron van alle kwaad. De natuurlijke drang der beide geslachten tot elkander vindt in het huwelijk op Gode welgevallige wijze voldoening en is even onergerlijk als eten en drinken. Al heeft Luther's plastische wijze van uitdrukking hem onwaardige beoordeeling op den hals gehaald, het is waar, dat hij de voldoening der geslachtsdrift als huwelijksdoel zeer op den voorgrond stelt, dat hij, in zijn polemiek tegen het huwelijk als sacrament, te weinig waarde hecht aan de officiëele huwelijkssluiting, het vormloos huwelijk toelaat, al is het ook waar, dat hij later strenger de openbare verloving en huwelijksverklaring eischt. Uitspraken, waaruit blijkt, hoe hij de vrouw achtte, zijn er vele; toch handhaaft hij in krasse termen de onderdanigheid van de vrouw aan den man. In dat opzicht overtreft Calvijn hem nog. Ook hij prijst het huwelijk boven het coelibaat, maar tegelijk is de vrouw den man onderworpen, in zijne macht gegeven, zij blijft in de schaduw, oefent geen invloed in het openbaar. Zijn warme aanhanger en leerling John Knox gaat nog verder in zijne veroordeeling van »the imperfections of women, their naturall weaknes and inordinat appetites«. Anastasius Veluanus, de zuiverste vertegenwoordiger van de Nederlandsch-reformatorische richting, zegt in zijn »Der leken wechwijzer« (1554) vooreerst, dat uit den bijbel duidelijk de heiligheid van dezen staat blijkt. Het doel des huwelijks is ook hem het verwekken van kinderen, die »kynder Godes unde erffgenamen des hemels sijn sollen«; voorts het middel om onkuischheid te mijden, want de »bekorende natuyr« laat zich niet verdringen; eindelijk is ook hem het huwelijk »een figuir des geestelicken echten staets tusschen Christus und onse gelovige sielen«. Over het huwelijk geeft hij voortreffelijke voorschriften, vol fijne gedachten, hij is gekant tegen het huwen »in heymelicken winckelen« (hoeken), daar men er toch in 't openbaar in leven moet, fel bestrijdt hij het priestercoelibaat: »het is God hoichlic bekoren« en verdedigt den gehuwden predikantenstand. De denkbeelden van Veluanus zijn van groot belang en zeker in deze landen van invloed geweest. Maar reeds een dertig jaar vroeger, in 1525, hoor ik den Noordnederlandschen martelaar »Dirck die rode cuper« dezelfde beginselen over de heiligheid des huwelijks ook voor den priester verdedigen, als hij verlangt, dat »een priester een echte wijff met kynde hebben moet eer dat hij ten outare gaen mach ende een bisschop seven jaeren in den echtelicken staet sal geweest sijn eer hij bisschop werden mach«. Wat eindelijk de anabaptisten aangaat, in ons land zulk eene machtige protestantsche strooming, de meeste hunner secten en groepen hebben het eerbaar, monogamisch huwelijk met kracht voorgestaan en in hunne kringen in practijk gebracht. Slechts de beruchte, dweepzieke munsterschen en naast hen de davidjoristen en de batenburgers hebben in den aanvang d. i. om en bij 1535 tot 1545 de veelwijverij in theorie verdedigd en in de practijk toegepast, aldus naar de woorden van Obbe Philipsz., »die Echte op rollen« zettende. Maar dit was eene korte verdwaasdheid.

Al hebben wij, zij 't zeer in 't kort, op deze wijze recht laten wedervaren aan de verschillen onder de protestanten, wij zijn verantwoord, zoo wij nu ook ten slotte nog eens samenvatten en onderstreepen wat zij gemeenschappelijk als nieuwe beginselen en invloeden brachten op het terrein van het 16de-eeuwsche huwelijk, dat wij thans, al was 't vluchtig, hebben verkend. De hervorming brengt de afschaffing van het priestercoelibaat. De gehuwde staat is edeler dan de ongehuwde. De vrouw wordt in haar eer hersteld; zij is niet langer, naar middeleeuwsche kerkleer, eene verlokking tot het booze: haar lichaam als een vuur, uit haar oogenvensteren gluurt de dood; zij is niet langer, als voor de strenge devoten, de belichaming der zonde, verderfelijk boven alles, de poort der hel--wel te verklaren uit die ascese, die is angst om der ziele zaligheid, welke men op geen beter wijze wist te redden dan door de natuur in haat te hebben, met dat al de vrouw verlagend tot een minderwaardig schepsel van lagere natuur. Het protestantisme schept den gehuwden geestelijke, bouwt de pastorie als middelpunt van het gemeenteleven, waaruit in de volgende tijden (alsof de natuur zich wreken wilde over zoo langdurige verguizing en terugzetting) zoo tal van groote mannen zijn voortgekomen, het brengt de vrouw den man nader, tot zijn hulp geroepen. En het is, alsof zij zich aanstonds opmaakt, om de plaats, haar ingeruimd, te bezetten. Zij zijn opgeheven uit de lagere wereld der zondige dingen, welnu zoo willen zij naast hare echtgenooten staan in den strijd. Het is opmerkelijk, hoe vele vrouwen men tegenkomt op de bladzijden onzer martelaarsboeken, in de doopersche het meest. Toen Felistis Jansdr. in 1553 te Amsterdam zou verbrand worden »sag mense opt schavot komen suyver in de kleederen en een wit schortekleed voor... also heeft zij hare offerhande gedaan«. Het is mij als een zinnebeeld van de vreugde, waarmede zij haar aandeel in het lijden voor nieuwe goederen op zich namen. Roemt vrij de naïeve godsvrucht, de geduldige zelfverzaking van de vrouwen der moderne devotie in de vóór-reformatorische eeuw! Hooger staan prediking en practijk der hervorming, waardoor het der vrouw vergund werd in gezond en natuurlijk samenleven naast den man te staan en zij, uit de duisternis der vernedering, treden mocht in het licht van voller waardeering.

Ons eerste hoofdstuk is ten einde. Wij hebben het terrein verkend, zooals het zich in ons vaderland van de 16de eeuw ten opzichte van het huwelijk aan ons voordeed. Oude en nieuwe elementen, theorieën en rechtspractijken, gebruiken en idealen zijn te zamen gekomen. Wat zal uit die mengeling geboren worden? Tegenover welke taak staat het nieuwe geslacht? Welke vormen zullen staat en kerk de verloving en het huwelijk doen aannemen? Zietdaar vragen, waarop de volgende bladzijden het antwoord zullen moeten geven.

HOOFDSTUK II.

DE VRIJAGE.

Tot alle vereeniging, van het wettig huwelijk af tot de losse verbintenis toe, leidt de vrijage. Het is de werving van den man om de begeerde vrouw. Vrijen beteekent ook het minnelijk omgaan met elkander van twee gelieven, maar ieder voelt in de taal het verschil tusschen »vrijen om« en »vrijen met«, gelijk bij Petrus Stastok's eerste minnekoozerij, zoo wreed door Rudolf van Brammen verstoord, de jongeling _met_ Koosje van Naslaan vrijde en misschien wel den moed zou gehad hebben later _om_ haar te vrijen, als de jonge wijnkooper uit de naburige stad hem niet vóór geweest ware. Wie eene stad wil innemen moet haar belegeren, wie de bruid voor zich wil innemen moet om haar vrijen en aan de vrijage ontkomt alleen hij, die met voorbedachten rade het huwelijk mijdt. Zóó waren er ook onder de vaderen, die hun goeden raad te berde brachten en uitriepen: »gij, o, geluckige, die noch buyten dien grouwelijcken staat zijt, schrik voor dezelve. Schu een vrou veel meerder als de vissen den angel!« Onze letterkunde bewaart--het is waar niet op hare fraaiste bladzijden--lange, berijmde samenspraken tusschen een »huwelijksbeminnenden Jacob« en eene »echthatende Maria« en andere grove en zoutelooze polemiek tegen het huwelijk. Maar gelukkig hield de natuur het tegen het »contra« met het »pro« en de grove scherts van het voorgeslacht spaarde zelfs de verlangende, oude vrijster niet, die op 5 December vroeg:

»O, Sunter klaasje, goed-heylig-man Trek erais je beste, moye tabbert an! Wat was ik in mijn schik...«

volgt eene plastische omschrijving van den huwelijken staat. Althans leeft hier nog de, sedert verloren, herinnering aan den H. Nicolaas als den »hijlic-man«, den huwelijkssluiter, sinds tot »heilig man« verbasterd.

De vrijage dan, de bruidswerving, in haren wezenlijken aard zichzelve door de eeuwen heen gelijk gebleven, vertoont in hare vormen eene oneindige wisseling. Wij zwijgen van den grijzen vóórtijd, waarin volgens de meesten nog geen huwelijk, waarin de agamie was, de volstrekt ongeregelde geslachtsmenging, waarbij vrijage en huwelijk in één oogenblik samenvielen en in één oogenblik ook weêr voorbij gingen. Wij spreken evenmin van het roofhuwelijk, waarbij ook moeielijk aan voorafgaande vrijage te denken valt, zeker niet bij dien ouden vorm, dien wij nog kennen uit het verhaal van den roof der meisjes van Sjilo door de Benjaminieten, of uit dat van den Sabijnschen maagdenroof door de mannen van Romulus, in beeld gebracht door Bologna en later door Begas, of uit de verzen van Homerus, als hij zingt, van wat Hephaistus' kunst op het gedreven metaal van het schild van Achilles aanbracht:

»Bruiden, bij 't vlammende licht van de fakkels geroofd uit de slaapzaal, Werden gevoerd door de stad.«

Al even weinig sprake van vrijage in onzen zin is er bij het koophuwelijk in dien ruwen vorm, waarin het zich o. a. vertoont--mogen wij Herodotus gelooven--in de dorpen van het oude Babylonië, waar de huwbare meisjes werden bijeen verzameld op de markt, de mannen om haar heen. Een heraut bood ze te koop aan, bij de schoonste te beginnen. Zij werden verkocht om te huwen (dus niet als slavinnen). En zoovelen als er rijk waren onder de trouwlustigen joegen elkander op en kochten de schoonsten. De leelijken werden toegewezen, aan wie met de kleinste som te tevreden waren. Ruwer en wreeder kan het bezwaarlijk. Daarentegen treedt de vrijage duidelijk naar voren bij de »Jacobshuwelijken«, zoo genoemd naar Jacob, die tweemaal zeven jaren diende om Rachel, want hier moest de vrijer dienen om de bruid, of proeven afleggen van kracht of behendigheid. Onze Oudgermaansche sagen bewaren ons den dichterlijken trek, dat de koninklijke vrijer zich vermomt en zich uitgeeft voor den bode zijns konings, aldus het paleis der begeerde prinses betreedt en zich door eigene heldendaden en die zijner dienaren, of door een lied of een geestig woord openbaart en de koningsdochter tot vrouw krijgt. In de longobardische sage van »Authari's bruidswerving« maakt de vermomde koning zich bekend door de kracht, waarmede hij zijn bijl in een boom vastwerpt. In de latere, op deze steunende, Thidhrekssage behaalt de (weder vermomde) koning Osantrix een reeks van overwinningen op koning Melias van Hunnenland. Dan wordt diens dochter Oda vóór hem gebracht. »Toen zette de koning Osantrix haren voet op zijn knie en deed er een zilveren schoen aan en hij paste, alsof hij voor haar gemaakt ware.« Hetzelfde geschiedt met een gouden schoen. »Toen streek de prinses zich over haar been en zeide, terwijl zij opzag: o God in den hemel, wanneer zult gij mij zoo genadig zijn, dat ik mijnen voet alzoo op den troon van koning Osantrix zetten mag? Toen lachte de koning en zeide: heden reeds is het de dag, waarop God u zoo genadig is, dat gij uwen voet op den troon van Osantrix, den koning van Wilkinenland, zetten moogt. Toen bespeurde zij dat koning Osantrix zelf gekomen was en ontving hem vriendelijk.« Om mijn kort bestek kan ik hier nog slechts één voorbeeld van zulk een vrijage bijvoegen, de allerbekoorlijkste anecdote van Theudelinde, de jonge weduwe van den genoemden Longobardenkoning Authari. Zij zal hertrouwen, en reist haren aanstaanden gemaal Agilulf tegemoet. Zelve reikt zij hem den welkomstbeker. »Toen hij den beker van haar aannam en daarbij eerbiedig zijne lippen op hare hand drukte, lachte de koningin en bloosde en zeide: hij behoefde hare hand niet te kussen, daar hij haar wel een kus op den mond geven mocht.« Wel terecht heeft Gibbon het in Boccacio gelaakt, dat hij in eene zijner vertellingen, den naam dezer Theudelinde bezoedeld heeft. Maar genoeg van deze oude vrijages.

Het ligt voor de hand, dat hoe meer de vrouw steeg in de achting der mannen, hoe verder zij zich bevrijdde (of bevrijd werd) uit den staat harer slavernij, hoe meer zij zich harer waarde bewust werd, ook de vrijage grooter inspanning, fijner overleg, geduldiger toewijding eischte, terwijl zij bovendien haar aandeel verkreeg van de zachter wordende zeden. Maar altijd behield zij naar haren aard het karakter van voor-zich-willen-veroveren, als het belegeren van eene vesting, als (naar het woord van prof. Van der Vlugt) »eene taktische kunst met hare duizend regelen en conventiën«. Zoo spreekt Breêro van de vrijage:

»... Dan wert benadert en becingelt stracx de stee Met loopgracht en met schans, met weeren en bolwerken...«

en Johan de Witt laat zijn neef Jacob de Graaff den raad geven, dat hij zijne uitverkorene »met een jeuchdich ende brandendt hardt sal moeten comen aborderen, niet negligerende all 't gene de jeucht wat in 't ooge loopt als van cierlijcke kleederen etc.« Dit laatste behoefde niemand hun te raden: in zijn beste plunje gaat de vrijer tot den aanval over, wandelt langs het huis zijner godin, bindt, te schemeravond, ter sluik bloemen aan den deurklopper, staat bij het uitgaan der kerk aan de deur om (mocht het zijn!) liefjes groet te ontvangen. Hij kent de kracht van kleine geschenken, vergezeld van briefjes en verliefde rijmpjes, en soms waagt hij openlijker aanval en huurt een troepje speelluiden en brengt eene serenade voor het gesloten huis in de maanverlichte straat: schuift eene kleine hand daar even het gordijntje ter zijde en zien de oogen zijner koningin met welgevallen op den verlangenden jongman neder? Voorts behoeft niemand hem te leeren, dat hij de ouders zijne hulde betoonen moet, dat hij, als zij des avonds op de stoepbank onder de luifel een luchtje scheppen, met breeden armzwaai den geveerden hoed lichten en met een hoffelijk woord hen aanspreken zal. Misschien kan hij, als één hunner hem reeds genegen is, daardoor ook het hart des anderen vermurwen, gelijk wederom Johan de Witt van zijne eigene vrijage om Wendela Bicker vertelt, dat hij door »de genegentheydt van de vaeder 't geluck gehadt (heeft) de groote scrupule van de moeder te surmonteren«. Is de lieve lente in 't land gekomen, dan vraagt de minnaar het meisje een ganschen dag met hem uit spelevaren te gaan, vriendinnen en vrienden zijn van de partij, de wagen met de »dappere dravers« komt voor of de schuit wordt afgehuurd, en dan is er, in de vrije natuur, naar 's lands zeden, overvloedig gelegenheid den aanval te wagen op het hart van Dafne of Amaryl, met harten snijden in gladden beukenstam, met grasjes knoopen als symbool van den huwelijksband, met letters vlechten uit buigbare bloemstengels. Voor handtastelijker vrijage deinsden de 17de-eeuwsche jongelieden niet terug, bij iederen eenboogsbrug of heul klonk het »heulen, heulen« en was er het zoet gespeel van graag gezochte en niet te spijtig toegelaten kussen, en aan het zeestrand greep de vrijer het meisje om het middel en droeg haar een eindweegs de golven in, om het »soete, onnoosele dier« daarna met »sant te zouten«, weinig arcadische galanterie naar onzen smaak in het Batavisch arcadia der vaderen, niet door allen goedgekeurd, maar als proeve van kracht en behendigheid toch wel heimelijk toegejuicht. Helaas, dat »Draag Roosje nu in zee« het arme kind, in Bellamy's bekend gedicht, het jonge leven kostte. Binnenshuis, bij winteravond, waren de kansen niet minder schoon en tal van gezelschapsspelen, vrijer en losser dan onze preutscher tijden zouden toestaan, gaven aanleiding tot niet te misduiden liefdesverklaring en tot, bij vooruitbetaling, al vast ontvangen van het loon.