Verloving en Huwelijk in vroeger dagen

Part 12

Chapter 123,207 wordsPublic domain

Als de 18de eeuw echter hare intrede heeft gedaan, rijzen er talrijke klachten over de ontheiliging des huwelijks, die wij als betrouwbaar moeten erkennen. Voor een deel is hier de invloed van eene weelde, die geen tegenwicht meer vond in vroegere robuuste kracht en energie, wat te erkennen nog iets anders is, dan de 18de eeuw, naar ouden trant, in haar geheel eene eeuw van verval te noemen, wat zij zeker niet was. Voor een ander deel zijn hier buitenlandsche invloeden, wat (wederom) te erkennen niet hetzelfde is, als alle zedenbederf uit het buitenland te laten indringen. Frankrijk gaf in sommige kringen den toon aan, maar voor Engelsche invloeden was het 18de-eeuwsche vaderland ook bijzonder gevoelig. En in Frankrijk was het alsof alles tegen het huwelijk samenspande. »Il a contre lui les relâchements, les accommodements de la morale sociale, la liberté chaque jour plus grande des habitudes privées«. Aldus De Goncourt en aldus het getuigenis o. a. van de talrijke mémoires van het tijdperk. En deze voorbeelden vonden hier navolging, het werd mode. Justus van Effen, in het tweede kwart der eeuw, zegt terecht (in een van zijne vroegere, Fransche geschriften): »La politesse des manières, qui distingue si avantageusement l'Europe des autres parties du monde, a introduit comme une mode le mépris de l'amour conjugal. Dans nos villes capitales un homme, qui y tient quelque rang se croiroit deshonoré s'il ne préféroit pas aux caresses légitimes de la plus aimable femme la tendresse étudiée et artificielle de quelque salope dont tout le mérite est dans les jambes ou dans le gosier«. Hetzelfde verschijnsel, maar anders verklaard, omschrijft de vrijheer Knigge, wiens »Ueber den Umgang mit Menschen«, 1788, hier reeds het volgende jaar eene vertaling vond: »de schuld zal voorzeker bijna altijd aan de vrouw liggen, wanneer een man, die in andere opzichten geen slegt man is, den kus, welken hij van getrouwe, zuivere en warme lippen, op eene eerlijke wijze en gemakkelijk in zijn huis zou kunnen ontvangen, met verwaarloozing van pligt en betamelijkheid bij vreemden haalt«.

Wie ten onzent meer geneigd waren om zich naar Engelsche mode te richten vonden gelijke toestanden. Het voorbeeld der Georges (zoo meesterlijk door Thackeray geteekend) deed veel kwaad, en Hogarth's stukken, die ons Engelsch huwelijksleven schilderen op zijn ergst, geven geene uitzonderingen. Ook moeten wij het schandelijk leven gedenken, dat aan vele kleine Duitsche hoven geleid werd, zeker ook van invloed ten onzent, toen wij in den loop der eeuw voor Duitsche letterkunde en Duitschen geest toegankelijker gingen worden, dan vroeger het geval was. Onze Spectatoren, al zijn zij als zedenmeesters ietwat eenzijdig, overtuigen ons toch, dat het kwaad niet gering was en de juffrouwen Wolff en Deken geven ons in hare romans de beelden van gelukkige huwelijken, als bedoelde tegenhangers tegen de vele bedorven echtvereenigingen harer dagen. Van haar is ook een woord als dit: »In ons altoos drok, woelig Amsterdam zelf schijnt het niet meer zeer zeldzaam te zijn, getrouwde mannen veel meer met hun maitressen, dan met hunne vrouwen te zien... klaagde gij mij onlangs zelf niet, dat gij in een balcon (van de komedie) gezeten had naast de gemaintineerde van een getrouwd man, die zich niet schaamde haar te verzellen?« Dit alles drijft ons oordeel in de ongunstige richting. En uitspraken in dezen geest klinken van alle kanten. In eene verhandeling van Dirk van Hinloopen, 1793, lees ik (wel met den gewonen waan, dat oudtijds alles beter was, maar toch) weêr het zelfde: »Kuisheid bij jongelieden en getrouwheid aan den huwelijksband (waarop onze oude Batten en de voorige Nederlanders zoo met recht konden roemen) worden niet meer geacht«. Hoe voorzichtig echter wij bij voortduring moeten zijn, blijkt, als wij b.v. het ééne bericht door een ander kunnen controleeren. De patriotsche hoogleeraar Y. van Hamelsveld vertelt ons ergens: »In onze voornaamste koopsteden zijn huizen, in welken in eene kamer de pourtraiten van vrouwen, die zich ter omhelzing aanbieden, zijn opgehangen, uit welke men ééne naar welgevallen uitkiest. Hier zou het meer dan eens gebeurd zijn, dat de man zijn eigen vrouw ontmoette«. Dit werd gezegd 1790. Maar twee jaar later merkt Grabner op, een Duitsch officier, die ons land goed kende en onze boeken las: »..Van Hamelsveld vertelt wel, dat een Amsterdammer zijne vrouw in een bordeel vond, maar die geschiedenis heb ik wel 10 maal gehoord in 7 jaar. Dan is ze zeldzaam. In Londen, Parijs of Berlijn had men ze in de eerste 8 dagen voor 10 andere gevallen vergeten«. Dat is niet onverstandig geredeneerd.

* * * * *

In de geschiedenis der predikkunde zijn de voorbeelden bekend van predikers, die het eerste gedeelte hunner leerrede altijd zetten in den toon van »o wee, o wee!«, maar bij het tweede gedeelte geregeld overgingen in dien van het »hoezee, hoezee!« Het zal den schijn wekken, alsof ik in de nog restende bladzijden van dit boekje dat laakbaar voorbeeld volg. Het is maar schijn. Want niet uit oppervlakkig optimisme, maar wezenlijk op grond, van wat de geschiedenis mij schijnt te leeren, houd ik mij overtuigd, dat in het huwelijksleven ten onzent als regel het goede het booze overtrof. Het kwaad, waarvan wij getuigen waren, is dat van bepaalde kringen. Landgenoot en vreemdeling bewijzen ons dat in tal van berichten, bevestigd door wat de geschiedenis van de maatschappij, de kunst, de wetenschap, de familie ons leert. De breede middellaag, wij zeiden het reeds in ander verband, der natie biedt het schouwspel van zuiverder zeden, »die gelukkige middenstand«, zegt Betje Wolff in haar »Proeve over de opvoeding«, »waarvan ik welverzekerd ben, dat ik daar het grootste getal brave vrouwen en tedere moeders zal vinden«. Het is het schouwspel van het huiselijke, het ingetogene, schoon niet altijd bevallige. Dezelfde Van Effen van daareven getuigt ook: »Le mariage, qui ouvre la carrière de la galanterie aux Françoises la ferme d'ordinaire aux belles de ce pays. La mode n'a pas encore réussi à falsifier chez nous les idées de l'amour conjugal... Les maris et les femmes s'aiment bourgeoisement et de toute leur âme.. ce sont des baisers perpétuels... et si indiscrets qu'on les entendroit quand on ne les verroit pas.. Nos coeurs ressemblent assez à nos tourbes, ils brulent lentement et longtems.. Les femmes de Hollande n'ont pas assez de vanité pour polir les agrémens brutes qu'elles ont reçu de la nature, qui n'embellit jamais tout à fait et qui laisse toujours quelque chose à faire à l'industrie..« Dit werd geschreven 12 September 1718. Men ziet het: het burgerlijke, het rustige, het weinig romantische, maar het eerbare. Reeds de Engelsche gezant Sir William Temple (1668.1672) had dien indruk van onze huisgezinnen, waar de vrouw het bestuur heeft, waaraan man en kinderen zich gaarne onderwerpen, waar het leven rustig, onbesproken voortvloeit. Gelijk uit diezelfde jaren, 1664, een ons overigens niet goed gezind Engelsch pamflettist getuigt van de mannen in Holland: »Chast and modest to their women, being strangers to the two formentors of lust, idleness and courtship; alwayes doing less then they speak and speaking less then they think«. Goed gezind was ons zeker ook niet Oliver Goldsmith, maar zijn getuigenis (1759) is met dat al van waarde: »De Engelschen« (ik geef de vertaling van dr. Barnauw) »hebben hunne vrouwen lief met veel hartstocht, de Hollanders met omzichtigheid. De Engelschen geven met hun hand hun hart, de Hollanders geven hun hand, maar houden wijselijk hun hart achterwege. Er schijnt weinig verschil tusschen een Hollandschen bruidegom en den Hollandschen echtgenoot. Beiden kenmerken zich door een zelfde koele, niet te overrompelen kalmte. Zij verwachten Elysium noch Paradijs achter het bedgordijn en »Yiffrow« is zoomin eene godinne in den huwelijksnacht als na tien jaren huwelijksintimiteit«. Dit is boosaardig en wezenlijk onwaar. Maar het is hetzelfde verschijnsel, van het koele, het weinig bevallige, maar het hechte en solidene, dat uit de schampere woorden kan worden opgemaakt.

Ik geef ook nog een Franschman het woord, Diderot, ons beter gezind, maar de uitkomst is dezelfde. Hij dan schrijft (1773): »Presque toutes les femmes y (in Holland) étant sages, il y a peu d'hommes dérangés et de mauvais ménages. L'intérêt, le travail, l'amour du gain, l'assiduité aux affaires et le gout du commerce amortissent les passions; une femme m'a dit qu'il y avait beaucoup d'indolents, mais presque point d'amoureux. Le libertinage vague des hommes mariés est sévèrement puni«. Vriendelijk is dit ook niet, maar altijd hetzelfde beeld. Eindelijk, weder twintig jaren later (1792) een Duitscher, de reeds genoemde Grabner: »De grond voor de echtelijke gelukzaligheid ligt in de Nederlanden in den welstand, gelukkig temperament, zacht gedrag der echtgenooten. De mannen laten den vrouwen het huisregiment, behandelen haar met teederheid. De vrouwen zijn zorgvuldig, van onbevlekte trouw en maken zich aan ijdele verspilling niet schuldig«. En dan laat hij volgen: »worin Sie eben so sehr durch ihr gemässigtes Temperament als die herrschenden Sitten unterstützt werden«. Hoe gelukkig hun echt is, blijkt wel uit hun zilveren en gouden bruiloften. Ik sluit de rij met weder een landgenoot, onzen raadpensionaris Schimmelpenninck, die, het was 1803, op een gezegde van Napoleon: »ik weet dat gij gelukkig getrouwd zijt«, antwoordde: »In dat opzicht doen wij ons best trouw te blijven aan onze bataafsche zeden«.

Ziethier een wolk van getuigen. Welnu, thans laten wij (om naast dit grovere nu ook aan het fijne en verhevene recht te doen) de geslachten der menschen langs ons geestesoog voorbijgaan, eene lange, lange rij, en telkens wordt onze liefderijke aandacht getrokken door wie in gelukkig huwelijk vergaard waren, ziel met ziel te zaam gesmolten door dat »krachtigste cement, dat harten bindt, waar muren breken tot puin in 't end«. De martelaarsbrieven der oude doopsgezinden uit de jaren 1535 tot 1570, geschreven in het aangezicht des doods (vergelijk boven blz. 29), uit den kerker, gunnen ons een diepen blik te slaan in het geestelijk leven dezer »slachtschaapkens Christi«, hoe deze echtgenooten elkander liefhebben, door de scheiding op het pijnlijkst gekweld, elkander opbeuren en in het geloof opbouwen. Hoe zij elkander raad geven voor den tijd, dat zij er een van beiden niet meer zijn zullen, over de opvoeding der kinderen, over het weduwschap, waarbij soms van de zijde van den man zich de natuurlijke en menschelijke jaloezie openbaart in den wensch, dat de vrouw niet moge hertrouwen, hoe zij naar hun kinderen verlangen en telkens vragen b.v. »kus mijn lief Susanneke...« inderdaad, aan de edelste, echtelijke gevoelens zijn onze martelaarsboeken rijk! En hier is ten jare 1566, in hervormde kringen, te Souburg op Walcheren het echtpaar Adriaan de Decker en Petronella Pieters. De vrouw had op drastische wijze een Maria-beeld beleedigd (door het met haren pantoffel te slaan) en moest daarom sterven. De man bleef haar trouw, wilde haar niet verlaten en zou met haar gehangen worden, zij echter het eerst, omdat zij het feit had gepleegd. Toen haar de strik om den hals werd gelegd, sloeg hij de oogen tot haar omhoog en zeide: »O, Nelle, waertoe hebst dij ons in onze oude daghen gebracht«. Enkele oogenblikken later was hij haar in den dood gevolgd.

Van trouwe huwelijksliefde bewaart aldus onze geschiedenis menig treffend voorbeeld, waarvan wij er onzen lezers nog een enkel in herinnering brengen. Het eerste is verbonden aan de Haarlemsche burgemeestersvrouw Brecht Engbertsdr. Proosten, die wel verdiend heeft, zegt Hooft (dien ik hier ga navertellen) haren naam uit het graf der vergetelheid te houden. Het was 1573, Haarlem overgegeven en uitgemoord, maar na den slag op de Zuiderzee bood de Spanjaard uitwisseling van gevangenen aan. Burgemeester Pieter Kies, Brechtjes man, op zijn eerewoord losgelaten, zou daarover met Verdugo te Amsterdam gaan onderhandelen. Zijne vrouw vergezelde hem. Zij voeren in een open schuit, en bij de waterpoort schoten eenige soldaten, bij ongeluk of met opzet, op hen. Een kogel trof Brechtje in den arm en bleef in 't been steken. Zij, die haren man kende als dapper en oploopend, verbeet zich »zonder hagh oft wagh te zeggen« bevreesd, dat hij woedend worden en, zich aan den schutter vergrijpend, in zijn gewissen dood loopen zou. Eerst toen haar 't bloed bij de kleederen neêrliep, ontdekte haar man wat was geschied, stoof op, wilde aan land... maar toen was de schuit al ver genoeg.

Het tweede voorbeeld verplaatst ons naar 't slot Loevestein. Daar was in 1624 als gevangene binnengebracht Arnold Geesteranus, remonstrantsch predikant, omdat hij, tegen den wil der bovendrijvende partij, was voortgegaan met voor zijn vervolgde geloofsgenooten te prediken. Loevestein was vol, dus sloot men hem in een nauw en rookerig vertrek in een der torens. Nu was Arnold vroeger verloofd geweest met Susanna Oostdijk, uit eene deftige Brielsche familie, maar had haar heur woord teruggegeven, omdat hij haar niet aan zijn leven van zorgen en gevaren wilde binden. Zij van haren kant werd bovendien nog tegengehouden door de zorg voor eene ziekelijke moeder. Maar toen deze gestorven was en Susanna hoorde, dat Arnoldus levenslang op Loevestein gevangen zitten zou, aarzelde zij niet, snelde naar hem toe en bood hem aan, als zijne vrouw, zijn kerker met hem te deelen. De Staten gaven toestemming, de geboden werden gelezen en de oude dominee Jodocus Geesteranus van Gorinchem, Arnolds vader, maar contra-remonstrant, zegende het huwelijk in. Velen hebben het geval bezongen, o. a. Tollens:

. . . . . . . . . . . . . . . . . »En na een vlugtig aantal dagen Werd in de slotkerk op het koor Een huwelijksouter aangedragen En 't jeugdig bruidspaar knielde er voor. Een diepe stilte daalde neder; Geen wapen kletterde in 't portaal, Geen grendelslot ging heen en weder, Geen adem fluisterde in de zaal. 't Was alles aandacht....... Wie ooit dat grijs kasteel beziet, Waar zooveel achtbre schimmen zweven Waar zooveel wonders is bedreven, Verzuim' hij Sannaas kerker niet! En wie den voet zet op den drempel, Hij tree de cel met eerbied in, Want liefde en trouw en huwlijksmin Had eens dien kerker tot haar tempel.«

Het is ouderwetsche dichtkunst, deze ballade, daarom niet zonder bekoring. Tot onze vreugde valt ons te binnen, dat Geesteranus met zijne lotgenooten 19 Juli 1631 heeft kunnen ontvluchten en dat zijne dappere vrouw verlof kreeg hem te volgen.

Eindelijk nog uit dezen zelfden tijd vermeld ik de Rispa-rol door de vrouw van Hendrik Slatius gespeeld. Deze gewezen predikant had een werkzaam aandeel genomen in de befaamde samenzwering tegen prins Maurits, was te Rolde gevangen genomen (nog is de spreekwijze niet onbekend: »Slatius laat zijn kan bier staan«) en 5 Mei 1623 in Den Haag onthoofd. Men kan er in de romanliteratuur Lodewijk Mulders »Jan Faessen« op nalezen. Het lichaam werd op het galgenveld bij Rijswijk op een horizontaal rad gelegd, waaraan ook zijne rechterhand, door den beul, met het hoofd, afgehouwen, gespijkerd werd. Zes dagen later, in den nacht tusschen 11 en 12 Mei kwam Slatius' weduwe, de zuster van een der andere veroordeelden Cornelis Gerritsz., en stal het lijk van het rad. Dit »kraaienaas« (zeggen de gelijktijdige historici) begroef zij in een akker bij de Geestbrug omtrent eene spade diep onder de aarde. Maar nog vond het geen rust. Den 16den Mei ontdekte een boer het bij het ploegen, hij waarschuwde het gerecht en toen sleepte men het lijk weder naar 't galgenveld, gelijk staat afgebeeld, in akelige ruwheid, op de prent uit dien tijd »Slatius komt uyt het graf«. Maar ten tweeden male stal de weduwe het lichaam van het rad. Toen voerde zij het per schuit »eenen grooten stanck van zich gevende« door Leiden naar Warmond en begroef het daar in een boomgaard, waar het niet meer werd verontrust en »mogelijk sal leggen tot d'opstanding uit de dooden«. Wat Slatius' vrouw aangaat, haar trouw is niet minder groot dan van Maria van Reigersberch, al werd zij aan onwaardiger voorwerp geschonken.

En nu, om enkele bekender gestalten langs den lezer heen te voeren, hier zijn Jacobus Arminius en Elisabeth Reaal, Johannes Bogerman en Grietje Piers, Vondel met zijn Maaike Wolff, in de aandoenlijkste verzen herdacht:

»Hoe veer dees voeten moghten dwalen, 'k Sal derwaert mijn bedruckt gesicht Noch slaan, daar voor het rijsend licht Uw bleeke star ging onderdalen..«

en Rembrandt met Saskia, op onsterfelijk doek vereeuwigd. Langs ons heen gaan Dirk Volkerts Coornhert en Neeltje Simonsdr., wier »herten elkander liefhadden«, en Huig de Groot met Maria van Reigersberch, en Oldenbarnevelt met Maria van Utrecht. Daar schrijden voort, hand in hand, Huygens met Susanne van Baerle, zijne »sterre« (»nu 't den hemel soo gepast heeft, dat mijn ziel aan d'uwe vastleeft«) en Balthasar Bekker met Froukje Fullenius,

»hertlieve seer getrouwe, Vernoegde deelgenoot in voorspoed als in rouwe..«

en Jacobus Fruytier, de heftige voetiaan, maar trouw en zacht tegenover zijne »zeer waarde en veel geliefde huisvrouw«, Agneta Sassenraat, en burgemeester de Beyer van Nijmegen, die zijne gestorven vrouw zoo bitter beweent, en (in dat zelfde midden der 18de eeuw) de ouders der bekende Belle van Zuylen, en de Amsterdamsche koopman Jacob de Clercq, van wien zijn Zweedsche gast Ferrner getuigt, dat hij nooit gelukkiger getrouwd man zag...

Zoo glijdt de stoet der »zwevende gestalten« voor onze oogen voorbij. En als op zijne verheven geleidsters zien wij op de vorstinnen, die het leven van de twee grootste Oranjevorsten hebben gewijd: Charlotte van Bourbon en Louise de Coligny èn Maria, de vrouw des konings-stadhouders, die, in dagboek en brieven hare reine ziel ons openlegt en die haren echtgenoot, met zijne zonden en afwijkingen, heeft bemind met eene liefde, zooals er inderdaad »geene Gods liefde naderkomt«. Zoet is ons de gedachte, dat, toen Willem III, groot bij zijne niet geringe fouten, in den morgen van 19 Maart 1702, stierf, hij op zijn borst bleek te dragen een zijden lint met een haarlok en een gouden ring der vrouw, die eindelijk ook zijne liefde gewonnen had.

Geen beteren naam dan den haren konden wij schrijven aan het einde van dit hoofdstuk over het huwelijksleven der vaderen, het einde meteen van het gansche boekje, dat over hun verloven en trouwen den toegenegen lezer eenige kennis moge hebben aangebracht.

7 Maart 1914.

+----------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: Inleiding 3 | | C: Voorrede 1 | | B: ons een ooggetuige. »twee | | C: ons een ooggetuige, »twee | | B: Anna Adlischweiler, brief dien men | | C: Anna Adlischweiler, een brief dien men | | B: dravers komt voor of de | | C: dravers« komt voor of de | | B: gezelschapsspelen, vrijer en osser | | C: gezelschapsspelen, vrijer en losser | | B: ende anders voirdeel te hebben) | | C: ende anders voirdeel te hebben«) | | B: gemeente.« »Dat nochtans, ook | | C: gemeente.« Dat nochtans, ook | | B: wife Jane was »»about the | | C: wife Jane was »about the | | B: den ondertrouw diende partijen | | C: den ondertrouw dienden partijen | | B: geneigd het een »abonimabel | | C: geneigd het een »abominabel | | B: huwelijk vader was van Ariaantje. | | C: huwelijk vader was van Arriaantje. | | B: Philogamos in Cat's »Weduwenhouwelijk« | | C: Philogamos in Cats' »Weduwenhouwelijk« | | B: nog eerder Rembrandt's »Joodsche | | C: nog eerder Rembrandts »Joodsche | | B: ende vooght A.A.?«« Beyde geantwoort | | C: ende vooght A.A.?« Beyde geantwoort | | B: wijders aldus: »»Ende belooft malcander | | C: wijders aldus: »Ende belooft malcander | | B: doot scheyden sal?«« Weder geantwoort | | C: doot scheyden sal?« Weder geantwoort | | B: armen.« | | C: armen.«« | | B: officieële inschrijving wel op prijs | | C: officiëele inschrijving wel op prijs | | B: But thou, foul Cupid, sire | | C: »But thou, foul Cupid, sire | | B: En dit alles niet maar theorie. | | C: En dit alles was niet maar theorie. | | B: alleguéz et aux aultres | | C: alléguez et aux aultres | | B: losgelaten, zoo daarover met Verdugo | | C: losgelaten, zou daarover met Verdugo | | | +----------------------------------------------+