Verloving en Huwelijk in vroeger dagen
Part 11
Wij besluiten met eene soortgelijke geschiedenis anno 1624. In Dordrecht woonde iemand, wiens vrouw aan eene ongeneeselijke ziekte leed. Hij was toen naar Leiden gegaan en had daar eene vrouw »aengeslagen«, die in tien jaren van haren man, een matroos, niets had vernomen. Na eenigen tijd kregen zij bericht van den dood, zoowel der zieke vrouw als van den zeevaarder, waarop zij te Delft waren getrouwd, maar te Leiden blijven wonen. De man, door den kerkeraad te Leiden van het avondmaal geweerd, verzocht thans weêr daartoe te mogen worden toegelaten. En hij verklaart, dat »soo hij de vrouw verlaeten moet om te moogen saligh werden, dat hij liever haer, dan sijne salicheyt verlaeten wil, hoewel hij liever bij haer blijven soude, indien het buyten verlies sijner salicheyt conde geschieden«. Omdat nu het huwelijk reeds was gesloten, werd goedgevonden »dat men desen man, hem vroom dragende, met leetwesen ende schultbekenninge sal mogen aennemen.« De lezer heeft bespeurd, dat deze en dergelijke gevallen van verlating natuurlijkerwijze overgaan in gevallen van overspel. Deze dordtrechtsche overtreder had niet mogen trouwen. Want immers, wie bij het leven zijner vrouw met eene andere had geboeleerd, mocht na den dood zijner vrouw geene geboden met die andere laten gaan. Met deze overweging hebben wij ons meteen den weg gebaand tot ons laatste hoofdstuk.
HOOFDSTUK VIII.
HUWELIJKSLEVEN.
Wij wenschen ten besluite eenig licht te laten vallen op het huwelijksleven der vaderen, het goede en het booze, maar mogen de belijdenis niet achterhouden, dat wij daarin maar zeer gebrekkig slagen zullen, met name wat betreft de eigenlijke huwelijksverhoudingen. Want vooreerst dient daartoe nog allerlei ruw materiaal te worden bewerkt; en vooral ontsnapt het beste ervan aan onze waarneming, omdat het intieme geluk geen openbaarheid wil en wilde, het slechte daarentegen zich aan ons opdringt en (b.v. door processtukken) brutaal aan den dag treedt.
De rechtstoestand der gehuwde vrouw herinnerde (in hare ondergeschiktheid en minderwaardigheid) in onze periode nog sterk aan vroeger eeuwen. Naar Oudhollandsch recht was de vrouw haren echtgenoot onbeperkte gehoorzaamheid schuldig, hij beheert hare goederen, hij kan roerend goed vrij vervreemden, zijne schulden binden ook haar. Voor het drijven van koopmanschap behoeft zij zijne toestemming; daarentegen mag zij bepaalde goederen (b.v. speldegeld gelijk wij zagen) van het beheer door den man uitsluiten en heeft zij ook vrije beschikking over de benoodigdheden voor de huishouding. Zij mag niet in rechte verschijnen zonder toestemming van haren echtgenoot en mag als regel ook geen eed afleggen. Ook mist zij de ouderlijke macht. Aanvankelijk had zij bij den dood van haren man ook niet het recht van boedelafstand. Maar later kwam men haar hierin te hulp, en om te vóórkomen, dat de man den gemeenen boedel met schulden bezwaren zou, welke de baten overtroffen, kon de vrouw, bij overlijden van den man, de gemeenschap verlaten en den doode met de schade alleen laten blijven. Daartoe had zij slechts de sleutels op de doodkist te leggen en het huis uit te gaan, of een korenhalm weg te werpen als zinnebeeld van boedelafstand, waarna zij voor de betaling der schulden niet meer aansprakelijk was. Nog later was eene verklaring voor schepenen en twee getuigen voldoende met het in bewaring geven van den sleutel. In al deze dingen hebben Romeinsch, Germaansch en kanoniek recht eendrachtig samengewerkt. Want wel had de katholieke kerk verboden, om de vrouw bij overspel te dooden, wel had zij het verstootingsrecht beperkt, maar de minderwaardigheid der vrouw had ook zij, mede op bijbelsche gronden, haren leden ingeprent.
Al verder had de man het recht zijne vrouw te tuchtigen en de bepalingen daaromtrent zijn van de uiterste ruwheid, niet slechts in middeleeuwsche keuren en handvesten, maar in ordonnanties tot op 't einde der republiek: eene donkere bladzijde in onze beschavingsgeschiedenis. Strafbaar was slechts zware mishandeling d. i. »enormelicken slaen mit vuysten, stocken ende diergel., met hooftwonden of andere merckelijcke quetsingen, indien daer bloet na volchde.«
Hoe Leidsche burgers in den aanvang der 16de eeuw van dat recht gebruik maakten, heb ik lang geleden uit de vonnissen van de schepenbank te Leiden aangetoond. Vrouwenmishandeling (buiten de grenzen van het toen geoorloofde) scheen daar wel aan de orde van den dag, en voor woestaards, die zich daaraan schuldig maakten, was de toren Eversteen aan der stede veste bezuiden de Witte poort bestemd: »... sal geleyt worden beneden in eversteen ende dair blijven liggen den tijt van 14 dagen ten exemple van alle degenen, die hoir huysvrouwen slaen...« Hier is Cornelis Huygen, die »mit sijne huysvrouwe seer qualicken geleeft heeft, hair smitende, treckende bij den hair ende onder de voet werpende ende hair clederen ontwien snijende.« Hier verschijnt Cornelis Florisz. alias Toet, die »wel droncken wesende up eenen heylighen dach omtrent de middach thuys gecomen is vindende een huspot opt vier staan om te coecken ende heeft dieselve huspot vant vier genomen ende mitte potte over thuys (over den vloer) geworpen, zijne huysvrouwe zeer qualicken toesprekende ende haer mitte schaerde vande selve pot enige gaten in haer hooft gesmeten ende qualicken mit hair geleeft...«
Natuurlijk is dit niet de maatstaf voor den tijd: het zijn de rauwheden van eene door armoede gedemoraliseerde weversbevolking in eene Leidsche achterbuurt. Maar al ging dit de maat te buiten, ook tegen echtelijke tuchtiging was de vrouw de gansche periode der republiek door maar weinig beschermd. Wat de toestand althans niet beter maakte, was, dat de gereformeerde kerk, die in veel opzichten eene tuchtmeesteresse geweest is der onbesnoeide schare, te dezen opzichte, schoon hare dienaren mishandeling straften, toch ook de onderworpenheid, de onwaardigheid der vrouw leerde. Zij maakte de Oudtestamentische moraal van ettelijke eeuwen vóór Christus zonder meer gezaghebbend voor Westersche toestanden van 16 en 17 eeuwen n. C., en het is stuitend voor ons zedelijk gevoel te bespeuren, hoe b.v. de moraal van Genesis III: 16 als onomstootelijk bewijs geldt voor de leer, dat de man de meester, de vrouw de dienaresse is. De theorie, zoowel van staat en kerk, stond dus laag, al willen wij niet blind zijn voor kerkelijke uitspraken van hooger allooi, als daar is, dat de dienaren twistenden zullen trachten wederom in trouw, liefde en eenigheid te doen samenleven; dat een man, die met tirannie of fortse zijne huisvrouw van 't avondmaal afhoudt, tot beter zal vermaand houden.
Om ook van elders iets te noemen: Van Limborch zegt, dat het vrouweplicht is haars mans gezag tegenover derden hoog te houden en om, als zij haren man iets verstandigs heeft aangeraden, te doen alsof het van hem uitging. En Barlaeus: »Acht voor een man niets liefelijker, niets welgevalliger, dan met eene vrouw samen te wonen, met wie hij het bedde en de dagelijksche gesprekken deelt, wie hij alles toevertrouwt, zijne hartsgeheimen vertelt, zoodat het zijne het hare en het hare het zijne is,« gelijk ds. Franc. Martinius van Epe, als hij uitweidt over het huwelijk, zegt, dat het er vooral om te doen moet zijn, dat de man eene andere helft voor zijne ziel vinde.
Na deze algemeenere beschouwingen trachten wij thans tot enkele bijzonderheden te komen en beginnen met iets te zeggen over de tegenzijde van het huwelijk, de ontucht. »Eyntlicken nae dien oock klaerlick blijckt, dat die hoererie ende overspellen swaerlicken in swanghe gaen die welcke sonden Godt soo ernstelick in sijn woort verboden heeft. Wort verklaert, dat dieselve inconformiteyt van Godes uytgedruckte woort voort na keyserlicke ende andere des landes ende stede rechten, nae die grouwelickheyt des feits sonder eenige conniventie andere ten exempel gestraft sullen worden: alsoo anders daer door alle tucht, ehr ende eerbaerheyt, mitsgaders die hillicheyt ende onoploselijcke verknuppinghe ende bant des houwelijcken staets vergeten ende met voeten ghetreden wort..« Aldus in eene Overijselsche ordonnantie anno 1603.
Bepalingen van dezen aard (maar niet altijd zoo goed gesteld) komen in alle gewestelijke en stedelijke keuren en plakkaten in onafzienbaar aantal voor. Het trekt daarbij onze aandacht, dat die plakkaten telkens strenger worden. De ordonnantie voor Holland en Zeeland in 1580 herinnert er aan, dat de schandelijke zonde der ontucht den toorn Gods verwekt en dus moet bestreden worden. De man, in overspel betrapt, is verder tot alle ambten onbevoegd. Op overspel tusschen twee getrouwden volgde eerverlies en 50-jarig bannissement; op overspel tusschen een gehuwd man en eene jonge dochter stond voor de eerste maal eene boete van honderd caroli en bij herhaling ook 50-jarige verbanning, terwijl de vrouw 14 dagen te water en te brood geleid werd; zondigde een jongman met eene gehuwde vrouw, dan moest hij aldus 14 dagen gevangen zitten en werd de vrouw gebannen.
In Zeeland boette hij het nog bovendien met de verbeurte van de helft zijner goederen. Bovendien verscheen in dat gewest in 1666 eene aanvulling, waarbij overspel tusschen twee getrouwden gestraft werd met publieke schavotteering voor beiden, eeuwig bannissement en verbeurdverklaring van een groot deel der goederen. Weder zeven jaren later namen die van Zeeland nog strenger maatregelen: thans straften zij ook overspel met de ongetrouwde vrouw met bannissement, voor de tweede maal met publieke schavotteering.
De Staten van Holland verviervoudigden in 1677 de boete op overspel, voor twee getrouwden bedroeg zij toen f1000. En daar het delict van overspel toenam, omdat »oock officieren van den gerechte met de schuldigen composeeren of transigeeren« (de oude en ingekankerde kwaal!) werden deze schouten bedreigd met eene boete gelijk aan het dubbel der genoten som, bij herhaling het viervoud en afzetting. Veel erger nog, dat zij herhaaldelijk overspel uitlokten, om daarna met afdreiging groote sommen te verdienen, euvel, dat tot den tijd onzer inlijving heeft voortgeduurd, zoodat de Fransche hooge ambtenaren, die er de weêrzinwekkende voorbeelden van zagen, het openlijk brandmerkten en op afschaffing aandrongen.
De kerk, van hare zijde, bestreed het kwaad door streng vast te houden aan het oude beginsel, dat echtbreuk een huwelijksbeletsel vormt tusschen de schuldigen en door dezulken nimmer tot den trouw toe te laten. Namen zij daarmede geen genoegen, dan verwees de predikant hen naar de overheid. Voorts ontzegde--wij zagen het reeds in ander verband--de kerk het avondmaal aan wie in overspel leefden en liet dit verbod afkondigen ter plaatse, waar de misdaad was gepleegd. Hadden echter »soedanige persoonen, die bij malcanderen in onecht geseten hadden, kynderen bij malcanderen gecregen«, dan, besloot de kerk, moest men hen wel »oepentlijcken bestraffen van haer schandelijcke ergernisse«, maar, om der wille der kinderen, »evenwel in den huwelijken staet bevestigen«. De kerk doopte voorts de onechte kinderen als de anderen, maar dikwijls in afzonderlijke beurten.
In de Generaliteitslanden waren de vroedvrouwen onder eede gehouden binnen een etmaal aangifte te doen van de geboorte van bastaards, met naam en woonplaats der moeder (zoo die protestantsch was), vermoedelijk opdat zij niet door den nooddoop roomsch zouden gemaakt worden. Maar ook in de protestantsche provinciën komt deze bepaling voor (in Zeeland stond op overtreding door de vroedvrouw 100 gulden en zelve-het-kind-moeten-houden), met het doel, dat niet door de kans op geheimhouding der buiten echt geborenen, verleiding of buiten huwelijk samenwonen zouden toenemen.
Toen wij vroeger handelden over huwelijksbeletselen hebben wij ook gesproken van het »ten huwelijk nemen of geld betalen, ducere aut dotare«. Hier ter plaatse voegt nog de herinnering, dat het onderzoek naar het vaderschap, in het Oudgermaansch recht toegelaten, in het kanoniek verboden, in de Nederlandsche rechten was toegestaan, opdat de vader niet ontkomen zou aan de verplichting om zijne kinderen te onderhouden. »De kinderen buyten egt geteelt zynde«, zegt Huig de Groot, »moeten onderhouden worden tot gemeene kosten van vader en moeder«. Tot dat onderhoud werden gerekend de kraamkosten, ook de begrafeniskosten. Welke middelen men soms gebruikte, om den vader tot de betaling dier kosten te dwingen verhaalt ons Heerma van Vos met dit burleske geval. Laurens Mauritsz. Doucy, hoedenmaker te Amsterdam, kreeg een onecht kind, dat met de moeder in de kraam stierf. De verwanten der overleden vrouw lieten hem aanzeggen, dat, als hij niet aanstonds de begrafeniskosten voor zijne rekening nam, zij het volgend begrafenisbriefje zouden doen drukken en verspreiden: »Tegens Saterdag den 5den Maart 1661 wort UE. ter begraffenisse gebeden met Teuntgen Claes en het craemsoontgen van Laurens Mauritsz. Doucy«. De onderhouding moest duren tot het 18de jaar bij jongens, tot het 14de bij meisjes. Werd nog in de late middeleeuwen de vader vaak door een godsoordeel aangewezen, in onze periode was de weg aldus. De ongehuwde moeder mag eene actie instellen tegen den verleider, tenzij (reeds aanstonds) zij blijkt geweten te hebben, dat hij gehuwd was. Bij die actie legt zij de verklaring af, dat de aangewezene de vader is van haar kind, waartegen de man zich bij eede verzetten kan. Soms verzette hij zich daartegen inderdaad, als in een proces voor de rechtbank te Gouda, in hooger beroep door het Hof behandeld, waar de gedaagde, Govert Govertsz. Dubbelt, door de eischeresse Grietje Soutmans aangesproken om betaling van f50 voor kraamkosten en f1 wekelijks voor alimentatie, zegt, dat hij tot niets gehouden is, omdat eischeres is eene openbare lichtekooi en dus geen geloof verdient en hij niet gehouden is »zoo schandaleusen geraepten kindt van een openbare hoer naar rechten te alimenteeren«. Hij weigert den eed en het Hof ontzegt aan eischeresse haren eisch. Bekende de man omgang met haar gehad te hebben, dan werd hij als vader erkend, als de moeder hem het kind opzwoer. Zulk een eed legde zij ook vaak reeds aan de vroedvrouw af. Er zijn echter ook keuren, die slechts geloof hechten aan de verklaringen van den man. Dat onder dit stelsel--hoeveel er ook vóór pleit--afdreiging veelvuldig voorkwam, ligt voor de hand, vrouwen spraken drie mannen om hetzelfde kind aan, enz. De beslissing werd den rechter overgelaten, die wel vaak over Salomo's wijsheid mag te beschikken gehad hebben. Het onderzoek naar het vaderschap is, zooals men weet, eerst door de invoering van den Code Napoléon (1 Maart 1811) opgeheven. Dit weinige zij voor ons doel genoeg.
Bij wijze van tegenstelling met dit zeer stoffelijke, herinneren wij aan iets zeer geestelijks: de dichterhuwelijken uit de dagen der sentimentaliteit, van Feith's »Julia« en dergelijke. Zulk eene poëtische verbintenis »zonder togt van diersche zinnen«, louter in »vernuftsvereeniging« om »hersenpopjes te teelen« sloten in 1772 te Assen mr. L. Trip en jonkvr. Barbara van Lier.
Wijzen nu de telkens strengere bepalingen op een ook telkens slechter wordend huwelijksleven? Het is buitengemeen moeielijk tot een, ook maar bij benadering juist, oordeel te komen. Berichten zijn er genoeg, het komt er op aan ze te wikken en te wegen. De berichtgevers zelven zijn immers zoo verschillend. De strenge moralisten en de predikanten in hunne boetpredikatiën zijn uiteraard geneigd zeer donkere verven te gebruiken, waartegen men op zijne hoede moet zijn, maar min of meer oppervlakkige naturen, van wie wij ook mededeeling ontvangen, zien weêr te weinig van het kwaad, glijden er luchthartig overheen en, vooral, onthouden ons wat zij zelven niet zagen. Reizigers kunnen slecht zijn ingelicht, zij kunnen (waarvoor b.v. Diderot in zijne reisbeschrijving door ons land zeer goed oog had) het bijzondere voor het algemeene houden. Al verder zal een schrijver, die Franschgezind is, den invloed van Fransche zeden minder gevaarlijk achten en het booze ervan eer ontkennen, dan een, die Frankrijk houdt voor de bron van alle kwaad ook op huwelijksgebied. De Franschgezinde zal geneigd zijn daarentegen op b.v. Engeland te wijzen en te zeggen, dat de hang zijner tijdgenooten, om Engelsche manieren na te bootsen, ook hun huwelijksleven schade heeft berokkend. De patriot zal van nature geneigd zijn om bij den prinsgezinde donkere vlekken te speuren, en de oranjeman op zijne beurt het er voor houden, dat de radicale meeningen van den kees hem ook losser van zeden moeten maken. De patriciër zal smalen op het »samenhokken als beesten« van den proletariër en van den rondzwervenden vagebond, en de kleine man zal met grimmigheid wijzen op het bederf in paleizen en kasteelen. En allen zullen zij gelijk hebben en ongelijk; zij zullen, schoon eenzijdig, bevooroordeeld, toch stukken der waarheid opmerken en aan 't licht brengen. Middelerwijl moet de tegenwoordige onderzoeker maar zien, hoe hij den weg vindt met zooveel gidsen en hij mag, vooral, bij het luid rumoer der aanklagende stemmen, nimmer vergeten, dat het vredige, eerbare, gelukkige huwelijksleven stil en bescheiden is, opspraak vreest en ook geen opspraak geeft en meest toevallig zich ons openbaart. Wij voor ons kunnen niet meer doen, dan de indrukken weêrgeven, door eene waarneming, zoo nauwkeurig als ons mogelijk was, op ons gemaakt. Wij beginnen met het slechte en eindigen met het goede.
Het monogame huwelijk--dat is ons wel gebleken--is de vrucht van eene eeuwen en eeuwen lange worsteling tegen de polygame neigingen van den man; het gelukkige, man en vrouw naar stof en geest gelukkig makende, huwelijk is bovendien het gevolg van de beste eigenschappen van karakter, gemoed, van zedelijke beginselen, van godsdienstige gevoelens. Over dit laatste punt is lezenswaard (wij maken er bij uitzondering melding van, waar wij in dit boekje uitsluitend onze aandacht aan het verledene schenken) de in 1881 door het Haagsch genootschap bekroonde verhandeling van dr. Carl Thönes, »Die christliche Anschauung der Ehe und ihre modernen Gegner«. Maar, om tot ons onderwerp terug te keeren, wat wonder, dat in de door ons beschouwde periode dat pleit nog niet was beslecht, aan al die voorwaarden nog niet was voldaan. Dat geldt niet van ons land alleen, het was overal zóó. Maar één factor, die ten onzent zeer bijzonder in rekening moet worden gebracht, is de invloed der gereformeerde en doopsgezinde moraal op dit punt, die bij een goed deel der natie zoo al geen verhevene, dan toch strenge, huwelijkszeden had bevorderd. In dit opzicht mochten gereformeerde theologen vrijmoedig hun stem verheffen, mocht de doopsgezinde W. de Vos, leeraar bij de Lam-isten, in 1771 eene prijsverhandeling over het huwelijk schrijven. Maar, gelijk hun invloed door rigoristische gestrengheid niet onverdeeld gezegend was, was hij ook noch algemeen noch volstrekt en zij zelven trouwens waren den tijdgeest onderworpen. Overziet men het tijdperk van Karel V tot aan koning Willem I dan neemt men zeker eene verfijning van zeden waar, gekuischter taal, ingetogener manieren, wat men vooral toetsen kan aan het karakter van de kluchten en blijspelen en van de liederen. Dat wil niet zeggen, dat ook de zedigheid en de eerbaarheid in gelijke mate waren voortgeschreden. Wat men niet meer zegt, kan men nog wel denken en willen, en preutschheid is nog geen zuivere ingetogenheid. Het huwelijksleven onderging ook den invloed van de stijgende weelde, maar altijd treffen wij hier bij de middellaag der kleine en gezeten burgerij toch liefde voor het rustig, echtelijk samenwonen. Zeker was onder hen, die het betalen konden, het hebben van wat Campo Weyerman kamerkatjes noemt niet ongewoon en ook niet zoo fel veroordeeld, terwijl, wie het niet betalen konden (zooals b.v. de sententieboeken der schepenbanken ons verraden) al te vaak buurmans huis met kwaad begeeren betraden. Voorts boden de groote en drukke steden te dezen meer gelegenheid tot zondigen dan de kleine en de dorpen; daarom en niet om de grooter onschuld van het platte land vinden wij ginds meer ontucht dan hier. Wat ook geldt van de prostitutie, die zich in de steden rauw en (wel gereglementeerd, maar) onbeteugeld vertoonde.
Over ongelukkige huwelijken in den dieperen zin van 't woord valt het moeielijk te oordeelen; wij kennen allerlei voorbeelden van bazige of spilzieke of luie vrouwen, van brutale, zelfzuchtige, grove mannen, en wij maken onze gevolgtrekkingen, maar tot de fijnere oorzaken van mislukte echtvereenigingen dringen wij moeielijk door. Kleine trekjes ontbreken niet. Constantijn Huygens de zoon, in zijn rijtuig op weg van Den Haag naar Leiden, werd aangereden door de karos van den raadsheer van der Goes. Zijne vrouw, naast hem, snauwde hem toe »soo bruy je altijt maar toe«, en met dezen nijdigen trek om de lippen staat zij nu voor ons--misschien onverdiend. Want Huygens, zelf geen hoogstaand man, zag de kleine dingen eer dan de groote. Het door hem, gedurende den tijd dat hij secretaris van Willem III was, gehouden dagboek geeft ons een donkeren kijk op het huwelijksleven in zijne kringen, maar hij was de man niet, om er het goede en verhevene naast te zien en te teekenen. Zoodat wij ook hier tot eenige voorzichtigheid gemaand worden. De opzienbarende gevallen, waarin een huwelijk tot openbaar schandaal werd en burengerucht veroorzaakte, vormen natuurlijk uitzonderingen, maar er zijn toch te veel voorbeelden, om ons niet ietwat pessimistisch te stemmen. Hier heeft zeker het overvloedig drinken zijn boozen invloed doen gelden. Wie de pamfletten bestudeerd heeft, welke zijn uitgegeven over de gedragingen van professor Adriaan Heereboort van Leiden (1648), door hemzelven, zijne ongelukkige vrouw en zijnen zwager, die behoudt voorgoed de herinnering aan de bittere ellende, door de zeldzame ruwheid en walgelijke dronkenschap van dezen man over zijn huis gebracht. Maar, als wij alles te samen vatten, dan vertoont, in de beide eerste eeuwen der Republiek, het huwelijksleven zich, bij veel ruwheid, bij veel nog ongebreidelden hartstocht, toch onder de groote massa als een geordend en eerbaar samenleven van het gezin. Wij zullen daar zoo aanstonds nog voller licht over laten vallen.