Verloving en Huwelijk in vroeger dagen
Part 10
Naar Germaansche rechten gaf overspel der vrouw aanleiding tot hare verdrijving uit de echtelijke woning en dus tot scheiding. Zij had inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van den man. De man daarentegen had geene gelijke verplichtingen, zijn omgang met andere vrouwen leidde niet tot echtscheiding. Hij kon alleen inbreuk maken op het eigendomsrecht van een anderen echtgenoot en dáárvoor worden gestraft. »De man kon alleen vreemd, de vrouw alleen eigen echt breken.« Voorts kon--wij laten ons leeren door Fockema Andreae--het huwelijk worden ontbonden door vredeloosheid van een der echtgenooten, door onderlinge overeenkomst, door verstooting door den man op zekere gronden als b.v. onvruchtbaarheid.
De roomsche kerk stelde daartegenover haar volstrekt verbod: slechts de dood snijdt den huwelijksband door; toch heeft het tot de elfde eeuw geduurd vóór zij haar stelsel zonder beperking vermocht in practijk te brengen. Tegelijk werd hare rechtspraak in gevallen van echtscheiding telkens gehoorzamer gevolgd, ook in ons vaderland, waarmede wij hier vooral te maken hebben. Daarbij moeten wij onderscheiden tusschen scheiding van tafel en bed èn echtscheiding. De eerste was, natuurlijk ook alleen met medewerking van het kerkelijk gezag, geoorloofd. Toen de geestelijke rechtbanken hunne bevoegdheid in wereldlijke zaken verloren hadden, sprak de lagere rechter de scheiding van tafel en bed uit, soms ook een Hof, op grond van overspel, ziekte, kwaadwillige verlating of ook na onderlinge toestemming. In Amsterdam, kort vóór de Reformatie, las de pastoor van de St. Jacobs-kapel aan den Nieuwendijk de vonnissen der overheid in zake scheiding van bed en samenwoning van den kansel af. Daarna gingen partijen uit de kerk, de een door de hoofddeur, de ander door die in de Hasselaarsteeg, daarom ook Trouweloossteeg genoemd. Zoo althans vertelt Lelong.
Over andere redenen heerschte niet overal gelijkheid van rechtspraak. Scheiding van goederen was er altijd het gevolg van. Maar de huwelijksband bleef bestaan en naar hereeniging moest worden getracht. Echtscheiding daarentegen was toegelaten op grond van overspel en van verlating. De toestand bij den aanvang van de nieuwe bedeeling ten onzent was dus, naar de woorden van Huig de Groot: »Volgens Christus' vermaninge wordt in dese landen geen scheydinge des egtbandts toegelaten, dan door de doodt van een der egtgenooten ofte door overspel. Alle andere willige ofte regtelijke scheydinge konnen den egtbandt nogte de regten daar uyt ontstaande niet verbreeken.«
Vragen wij thans naar de houding der gereformeerde kerk en naar haren invloed te dezen. Men kan zeggen: zij heeft huwelijksscheiding zeer moeielijk gemaakt en aarzelend toegelaten. De gezaghebbende Geneefsche theoloog Beza gaf wel toe, dat wat God vereenigd had door den mensch niet mocht worden gescheiden, maar hij liet dit niet gelden voor zulke verbintenissen, die tegen Gods eigen wetten waren aangegaan. Daartoe rekent hij, als na het huwelijk blijkt van eene ongeneeselijke ziekte, geslachtelijk onvermogen, en voorts overspel, verlating en verwisseling (zie boven blz. 125).
Latere, Nederlandsche theologen oordeelden strenger. »Ons wordt«, zegt prof. Van Renesse in een insgelijks reeds genoemd boek, »geen keur gegeven, wij mogen deze banden onzes Gods niet verscheuren en zijne touwen van ons werpen.« En met verontwaardiging maakt hij melding van »dat beklaaglijk spreekwoord«: 't geene Venus t'zamen voegt, dat scheid de knuppel. Het spreekwoord luidt ook, o. a. bij Campo Weyerman, den beruchte: »Dat Venus voegt scheidt de knuppel«. En mr. Joan de Brune houdt er deze bespiegeling over: »Te veel hitte verbrant en bederft de vlaede. Een matighe stokinghe maeckt het beste mout. 't Is wel gezeght: mint mij niet veel, maar mint mij langh. Heete liefde is haast kout.« Welke oudvaderlandsche huwelijksfilosofie Cats, al rijmend, aldus uitdrukt:
»Eedt te sweren op de pluymen, Dat en sijn maar minne-luymen.«
Ook prof. à Limborch is onverbiddelijk en zou alleen om echtbreuk scheiding toestaan. Als eene vrouw den man verlaat b.v. om des geloofs wille, mag, zegt hij, de man geen nieuw huwelijk sluiten; het oude is niet gebroken. In dezen geest nu, mag men zeggen, spraken ook de synoden zich uit. Al van den beginne oordeelen zij, dat een echt bevestigd met consent van ouders of voogden en ook van de jongelieden, niet mag verbroken worden. En als dan de overheid in een bepaald geval geen uitspraak wil doen (wat dikwijls voorkwam b.v. uit vrees voor een der partijen) dan mogen de consistories toch de echtgenooten niet veroorloven een nieuw huwelijk aan te gaan. Opdat niet, zeide eene synode in 1575 zeer correct, de hertrouwden zich op het oordeel der kerkeraden in plaats van op de sententie der overheid zouden gaan verlaten. Van ditzelfde, juiste beginsel blijkt telkens.
In 1577 besloot de Alkmaarsche kerkvergadering, dat, zoo iemand wegens overspel geene echtscheiding van den magistraat verkrijgen kon en toch hertrouwen wilde, de predikanten dat huwelijk zouden mogen sluiten, omdat (overspel ook voor de kerk als scheidingsgrond gold en) de overheid er zich niet mede verkoos in te laten. Maar de volgende, Hoornsche, synode vernietigde dat besluit, omdat kerkedienaren niet den schijn op zich mochten laden zich in overheidszaken te mengen. En ook hierover waren de kerken het eens--altijd strijdende voor de vastheid des huwelijks--dat zij in geen geval lichtzinnige verlatingen zou bevorderen door--waar zij te beslissen had--echtscheiding te vergemakkelijken. In Noord-Holland stelde een oud plakkaat f300 boete op het uitééngaan van getrouwde personen, waarvan velen natuurlijk gaarne gebruik maakten, liever die som verliezend, dan in onvrede samenblijvend. Doch de kerk, streng, onverbiddelijk, beginselvast, eenzijdig wilde op geenerlei manier dit lichtvaardig bedrijf in de hand werken, zij vroeg H.H. Staten opheldering omtrent dit afkeurenswaardig stuk en gebood haren dienaren middelerwijl zulke personen te blijven beschouwen als nog gehuwd, en een nieuw huwelijk als overspel.
En dit alles was niet maar theorie. De Haarlemsche predikant Lucas Hespius verhaalde eens ter synode zijner woonplaats, hoe onlijdelijk en hoe bedroefelijk het hem was met eene onvreedzame huisvrouw te moeten leven en tegelijk zijnen kerkedienst te betreden. Heeren burgemeesteren, voor deze zaak ter vergadering gekomen, adviseerden, liever gezegd schreven voor, dat Lucas drie maanden met verlof buiten Haarlem zou gaan. Kwam in dien tijd geene verzoening tot stand, dan zou hij moeten scheiden van... zijn ambt.
In dezen zelfden tijd, 1597, vroeg een vrouw aan de synode van Schoonhoven om scheiding, zij was getrouwd met een man, die weleer furieus (d. i. krankzinnig) geweest, maar ten dage des huwelijks kloek van zinnen was. Nu was hij echter weêr furieus. Haar verzoek werd afgewezen en zij moest met den krankzinnige blijven leven--tenzij de overheid ingreep. Deze strengheid der kerk ontaardt in rigorisme. Want van haar is ook deze beslissing. Gevraagd »oft yemandt, eene onsinnige oft rasende partuere hebbend, na veel jaeren, als de saeck, na menschenoordeel, tot beteringe desparaet is, nyet en sal mogen scheyden en eene andere trouwen«, antwoordt de kerk: »men vindt nyet, dat sulx toegelaten moge worden ende daeromme sal deghene diet aengaat vermaent worden sijn cruys met gedult te dragen ende te wachten op Gods verlossinge«. Tot eene andere verlossing vond zij geene vrijmoedigheid mede te werken.
Dit is zeker hard. Toch hebben wij voor dit rigorisme nog meer bewondering dan voor eene slapheid als die der roomsche geestelijkheid in de dagen van haar verval onder Karel V. Te Cats in Zeeland, laat ik mij door dr. J. S. Theissen vertellen in zijn boek over de regeering diens keizers, verslingerde zekere Pieter Yemants zich aan een meisje van slechte zeden. Zij trouwden voor deken en provisor van Walcheren, die hun echter later samenwoning verboden en te Utrecht een proces tot scheiding tegen hem aanhangig maakten, toen hij niet gehoorzaamde. Ook sloegen zij hem met den ban, toen hij de hem opgelegde boete weigerde te betalen. Pieter beriep zich toen op de wereldlijke overheid, want »die provisoer ende deken, tselve considereerende ende souckende nyet alleen die salicheyt vanden sielen vanden voorsz. contrahenten, maar oick mede die gecruyste sielen, daarmen die roode butter omme coopt« (nl. het geld; maar de juiste beteekenis ontsnapt mij) »ende verhopende geen schade, maer groote bate hier uyt te gecrigen, hebben middelen gesocht omme den contrahenten wederomme te onttrouwen.«
* * * * *
Hoogst eigenaardige practijken treffen wij in de 16de en nog in de 17de eeuw aan bij de doopsgezinden ten onzent, de eenig overgebleven, maar talrijke, groep van de vele anabaptistische uit het tweede en derde tiental jaren der 16de eeuw. Maar ook deze doopsgezinden waren nog in talrijke grootere en kleinere groepen gesplitst. Onder deze waren er, die met strengheid den ban toepasten d. i. de uitwijzing uit de gemeente en daaraan, even streng, verbonden den eisch tot echtmijding. Wanneer nl. een man of vrouw uit de gemeente gebannen was, dan moest zelfs de echtgenoot hem of haar met de gemeente mijden. De ban bracht dus (voor 't minst tijdelijke) echtscheiding met zich. Ik haast mij er bij te voegen, dat er ook zeer milde secten en personen onder hen waren, die (als Matthijs Servaes) niet wilden, dat echtgenooten elkander zouden »schouwen ende mijden«, omdat zij één vleesch zijn, en die, mèt de Hoogduitsche broeders op een convent van 1557, zeiden: »dat gebodt des Echtstants draeght veel meer (heeft grooter gezag) dan de mijdinghe«.
Ook Menno Simons was aanvankelijk tegen de echtmijding. In een brief van 12 November 1556 aan de broeders te Emden over de geruchtmakende zaak van Swaantje Rutgers, die weigerde haren man, schoon uit de gemeente gebannen, aan tafel en in bed te mijden, koos Menno de partij der vrouw en van wie haar gelijk gaven. Hij oordeelde, dat de afzondering uit de gemeente tot betering niet tot verderving gegeven is. »Daervoor wil mijn de bermhertighe Heere verhoeden, dat ick dat toestaen soude«, dat wie elkander jaren lang als echtelieden toebehoord hebben, alzoo zouden gescheiden worden. »Ende is derhalve mijn siel een groote smerte... dat men Swaan Rutgers... daarom den duivel overgeven sal.« Hij begeerde, ook in deze zaak, een evangelie te leeren, dat bouwt en niet breekt, dat wèl en niet kwalijk riekt. Later is Menno echter, onder allerlei invloeden, tot de strenge partij overgegaan, ofschoon hij in zijne laatste ziekte daarvan weder berouw had en zeide: »Hoe leet is mij, dat ick die echtmijdinge hebbe geconsenteerd«. Wij echter hebben met die strenge richting onder de doopsgezinden alleen te doen.
Wanneer bij hen een huwelijk besloten was, ondervroegen de dienaars bruidegom en bruid vooral over den ban, of zij bij geval elkander mijden zouden? Zeiden zij neen, dan mocht het huwelijk niet doorgaan. De echtmijding, in zichzelve al bedenkelijk, voerde tot allerlei ellende en tot misdadige practijken, die ook buiten doopsgezinde kringen haren invloed gelden deden. Vooreerst--gelijk de tegenstanders opmerkten--wie de gave der onthouding niet heeft »ende nochtans tot afscheydinge gedrongen wert, hoe can die sonder sonde ende besmettinge leven?« Echtmijding voert tot ontucht.
Dan geschiedde het menigmaal, dat man en vrouw gewelddadig gescheiden werden, »dat wijf van haren gebanden man heymelick ende subtijlick, buyten weten en willen van denselven haren man, vervoert ende verborgen... waardoor eenige totter doodt toe van hare huysvrouwen deerlijck sijn berooft ghebleven.« Uit wanhoop sloegen zij dan vaak de hand aan zich zelven, waarvan verscheiden voorbeelden tot ons gekomen zijn, of, kalmer, maar niet minder tragisch, men deelde kinderen en goederen en zag elkander niet weder.
De ellende, door dit barbaarsche stelsel veroorzaakt, treedt ons duidelijk voor oogen in de geschiedenis van Dionies van Walle, grijnwever van beroep, wonende in de korte Koppenhincksteeg te Leiden. Deze man was getrouwd met eene doopsgezinde vrouw en hare geloofsgenooten »hadden haar mèt hare kinderen ontvoerd en nu al 14 maanden bij zich gehouden«. Zóó luidde zijne klacht voor de Schiedamsche synode in 1588. Zelfs zouden zij verklaard hebben, dat Dionies zijne vrouw niet zou terug zien, zoolang zij vruchtbaar was. De synode, niet ten onrechte vertoornd over deze »menschendiverie«, gaf den man zooveel troost als zij kon: de magistraat te Leiden had al besloten, dat de vrouw met klokslag zou worden ingeroepen. Ook spreekt het van zelf, dat de schout de zaak onderzocht, waarbij hij den indruk kreeg, dat Maaiken van Rebaus, zoo heette de vrouw, minder was weggeroofd dan wel haar man had verlaten, zooals zij vroeger ook al eens te Haarlem had gedaan »omme vant kinde daer mede zij swanger was heymelijken te geleggen ten eynde tselve haer kint niet en soude worden gedoopt«. Zij wilde terugkeeren, als de man beloven wilde het kind niet gereformeerd te doopen--en daarop is de zaak afgestuit. Het verder verloop der geschiedenis is ons niet overgeleverd, maar duidelijk blijkt welk eene verwoesting de echtmijding in de gezinnen bracht, waarbij het er weinig toe doet of Maaiken is ontvoerd, dan wel in overleg met hare geloofsgenooten zelve is gegaan. Wel begrijpelijk zeide nog Jan Vos in een zijner puntdichten:
»Gij bant het wijf als 't met haar echte man wil eeten, Zoo 't bannen duivels is, zoo moet gij duivels heeten.«
Ook was het natuurlijk, dat de overheid deed wat zij kon, om het kwaad tegen te gaan, wat zeer moeielijk viel, omdat het 't inwendig leven der gemeenten raakte. De Staten van Friesland namen b.v. 8 April 1597 deze resolutie aan: »Alsoe eenige mennonyten hen onderwynden niet alleen echteluyden te scheyden, maar oock (afvalligen).. te scheyden, bannen ende den duyvel overgeven...« verbieden zij de toepassing van den ban, die tot echtscheiding voert, waarvan ook echtbreuk, wanhoop en dergelijke het gevolg zijn en bedreigen leeraren en vermaners, die er toe medewerken, de eerste maal met geldboete, daarna met eeuwige verbanning.
Voorts hebben calvinistisch-gereformeerden en remonstrantsch-gereformeerden (want op dit punt trokken zij één lijn) de echtmijding bestreden met de pen. Petrus Bloccius veroordeelt (1567) »sommige, die willen verstandt hebben van den ban, drijven die so tyrannisch als dat se man ende wijf scheyden tegen de leer Christi, Matth. V, Rom. VIII..« Ook theologen als à Limborch en Episcopius veroordeelen de echtmijding op bijbelsche gronden; Episcopius wijdt er 20 November 1633 eene gansche predikatie aan, later door à Limborch gebruikt voor zijn boek, waarin hij opsomt, waarom zij te veroordeelen is, de argumenten en teksten der doopsgezinden vóór de echtmijding uitvoerig weêrlegt en dan zegt: Wij zouden nog veel andere dingen kunnen noemen, »maar de tijt en onse krachten en laten het niet toe«. Dit gelooven wij gaarne. Zelfs het uithoudings- en verduwingsvermogen der vaderen voor lange predikatiën werd door dit (juiste, maar) al te lange vertoog op te zware proef gesteld.
* * * * *
De gevoelens over hertrouw hangen met die over scheiding samen. Hertrouw was volgens staats- en kerkrecht geoorloofd onder zekere voorwaarden. Het Romeinsche zoowel als het Germaansche recht staan het tweede huwelijk toe met een treurtijd van een jaar, het rouwjaar, opdat er geen »bloedsverwarring« zou plaats hebben en er geene onzekerheid zou zijn, wie de vader was van het, na den dood des eersten mans, geboren kind, voorts ook om het openbare eerbaarheidsgevoel te eerbiedigen. De protestantsche theologen beriepen zich, om het geoorloofde van eene »huwelijksherhaling« te bewijzen op Jozef, die weduwnaar was, toen hij zich met Maria verloofde, zoodat God heeft gewild, dat Zijn Zoon uit een tweede huwelijk werd geboren! Ook de stamvader van David was immers uit Ruth's tweede huwelijk gesproten? Zoo het geestelijker ware bij één huwelijk te blijven, dan ware het coelibaat nog geestelijker. Als God zegt: 't is niet goed, dat de mensch alleen zij, of: vermenigvuldigt u, dan geldt dit ook voor een weduwnaar enz. enz. Niet-kerkelijke schrijvers ontleenen hunne argumenten insgelijks aan het goddelijk en menschelijk recht. Jacob Cats zegt, dat veroordeeling van het tweede huwelijk roomsch is en dus onder ons niet behoeft te gelden:
»'k En wil nogh evenwel geen menschen wederhouwen, Van weder als het dient of andermaal te trouwen, Al wat hier tegen wrocht is oude ketters werck, Dat noyt en heeft behaeght aan Godes ware kerck,«
maar hij raadt toch groote voorzichtigheid aan:
»Het is van outs gelooft, dat veeltijts nieuwe trou Gedijt tot nieuwen twist of tot een nieuwen rou.«
Een schoen, gevormd alreede naar den eersten voet, voegt zich met moeite aan den tweeden.
De practijk liet zich door deze waarschuwing echter zelden tegenhouden. Er zijn zeker voorbeelden, van wie na een eerste huwelijk weduwnaar bleven, zeer bekend zijn die van Vondel en van Constantijn Huygens, welke laatste in zijne gedichten daarvan uitleg geeft en zegt, dat hij geene opvolgster wil geven aan wie met geene te vergelijken was, en dat zijne vrienden hem niet langer moeten aanraden te hertrouwen: hij wil geen slechte vrouw en een goede niet opnieuw verliezen. Het zijn verzen van 6 Januari 1641, 14 Februari 1642 (in 't Latijn): den 13den Maart 1637 was Susanna van Baerle van eene dochter bevallen, den 30sten ziek geworden en 10 Mei overleden. Maar regel was toch de hertrouw. De vaderen, die zoo nadrukkelijk als huwelijksargument zich beriepen op het paulinisch woord, dat trouwen beter is dan branden, voerden dit ook voor het tweede huwelijk aan.
Dit zijn geen dingen, waarover men heden ten dage openlijk spreekt; er was een tijd, dat men er eerlijk voor uitkwam. En wel zelden heeft iemand dit nobeler en treffender gedaan dan prins Willem I. In 1575 was hij voor de derde maal gehuwd met Charlotte van Bourbon, die hem door hare lieftalligheid, trouwe zorg en weinig-voor-zich-zelve-eischen zeer gelukkig maken en de ellende van zijn tweede huwelijk zou vergeten doen. Welnu, het was 7 Juli 1575 dat de prins (kort dus na zijn bruiloftsdag) uit Dordrecht aan zijn broeder Jan schreef: »Car, quand à ce que vous alléguez qu'en priant Dieu et m'efforçant j'eusse bien peu obtenir plus longtemps la graçe et le don de continence sans prendre le soubdain conseil de me marier--je ne veulx pas le desbattre; mais puisque le dilay n'eust peu remédier à aucuns inconvéniens par vous alléguez et aux aultres y eust peu beaucoup nuire, j'estyme que ce seroit esté peine perdu de pourchasser ceste requeste de Dieu, lequel ne m'a jamais promis de le donner..«
Wat in de tweede plaats ook niet mag vergeten worden is de groote en droevige sterfte onder de vrouwen toenmaals. Wie eenmaal geleerd heeft op dit verschijnsel te letten, ziet het onze gansche geschiedenis door: de kraamvrouwensterfte is groot door de slechte verloskunde, en daarnaast putten de talrijke bevallingen de moeders uit. Vandaar, dat wij bij al die mannen, die maar eenigszins voor ons uit de vergetelheid in 't licht treden, staatslieden, geleerden, kunstenaars en dergelijken, vinden, dat zij (in den regel) twee- driemaal gehuwd zijn geweest. Langer kan ik bij dit punt hier niet stilstaan, omdat het niet tot ons eigenlijk onderwerp behoort, maar »De Rijn« van Borger bezingt, wat in tal van gezinnen oorzaak was van diepen rouw... én oorzaak meteen van eene nieuwe verbintenis.
Voor de goede orde nu kwam het vooral aan op de vaststelling van den tijd, die tusschen eerste en tweede huwelijk verloopen moest. In 1619 nog was het noodig te vragen, of het niet goed zou zijn, dat men eene orde beraamde op het hertrouwen, opdat er een goede tijd tusschen afsterven en hertrouwen zijn mocht? Reeds in 1583 was er bij de Staten van Holland en West-Friesland aangedrongen op eene wet »op 't punt der weduwen, die te vroeg hertrouwen«. Want wel gold, gelijk wij zeiden en om nog eens met Cats te spreken: »een jaar is voor den rou, dat is een oude wet«, maar hij laat er terecht op volgen:
».. of immers naar de keuren, Die yder lantschap heeft als eygen om te treuren.«
En zoo was het ook. In Groningen gold ten jare 1639 de rouwtijd voor de vrouw één jaar en zes weken, of zóólang als zij van haren eersten man zwanger ging. Tegelijk werden dan beschermende maatregelen getroffen voor de kinderen uit het eerste huwelijk. In de Ommelanden mochten de geboden voor het tweede huwelijk niet gaan, vóórdat voor die kinderen gezorgd was. Desgelijks bepaalde ook het Drenthsche landrecht. Bij hertrouw moesten de voorkinderen door voormombers verzorgd en hun de goederen van eigen vader of moeder gewaarborgd worden, bij gebreke waarvan man of vrouw hunne bezittingen uit het eerste huwelijk verloren en tien goudguldens boete hadden te betalen. »Ende de predikant, die hier tegens de kundiging mogte doen, vijf goutguldens«.
Zoo ging het ook met Nederlanders in den vreemde. In het oud-notarieel archief te Rome bevindt zich o. a. (volgens vriendelijke mededeeling van prof. Hensen te Warmond) eene door notaris Cusano opgemaakte akte, waarbij twee gevolmachtigden »Guiseppe Campo« d. i. à Camper en Guglielmo Blomaerts, burgers van 's-Hertogenbosch opkomen voor het kindsgedeelte uit de nalatenschap van Gerrit Ameyden, vader van den grooten advocaat en journalist te Rome, Dirk Ameyden (1586-1656). De moeder, Maria à Camper, wilde hertrouwen en deze beide burgers zorgden voor de belangen van het voorkind.
Om naar het vaderland terug te keeren: in de ordonnantie op den houwelijken staat in Overijsel van 18 Juni 1603 staat voorgeschreven, dat als de »verknuppinghe des houwelijcks« door den dood of wettelijke oorzaken wordt verbroken, de hertrouw geoorloofd is, voor den man na drie maanden, voor de vrouw na zes. In Utrecht gold als treurtijd twintig weken. In Leiden mocht de weduwe niet trouwen vóór zes maanden na haars mans dood, tenzij zij binnen dien termijn was bevallen. Maar trouwde zij, zwanger zijnde van haren eersten man, dan werden zij en hare getuigen »arbitralijck gecorrigeerd«. In Amsterdam golden dezelfde zes maanden, in de generaliteitslanden moesten de weduwen negen maanden geduld hebben, in Zeeland (niet van overheidswege, maar volgens kerkelijke bepalingen) achttien weken voor weduwen, acht voor weduwnaars... maar vier en twintig weken, zoo zij predikant waren. Die moesten wat meer zelfbeheersching toonen.
Omdat echtscheiding werd toegestaan o. a. bij verlating, moest ook hertrouw bij verlating geregeld worden. In de generaliteitslanden moest de verlaten vrouw vijf jaar met een ander huwelijk wachten. Zoo ook in Zeeland. Elders korter, maar in Overijsel ook vijf jaar. Echter geschiedde ook andersom: vrouwen, die van haar mannen wegliepen. In zulke gevallen placht de kerkeraad bij de magistraat ter plaatse verlof tot hertrouw te vragen, bij weigering zich te wenden tot het Hof. In Enkhuizen deed zich in 1599 't volgend geval voor. Daar was een manspersoon komen wonen, die »in Brabant sijn huysvrou int leven heeft gelaten... ende heeft hier 14 jaren in overspel bij een andere geseten, hoewel hij te vooren devoir hadde gedaan om sijn huysvrou bij hem te ontbieden. De vrouwe, die hij in Brabant verlaten heeft, heeft getoeft 7 jaren, daerna is sij in 't pausdom met eenen anderen getraut, daer sij vijf kinderen bij heeft.« Nu had intusschen de man te Enkhuizen zijne »bijzittige« door den dood verloren en vroeg te mogen hertrouwen, »voorgevende niet te hebben donum continentiae«. De kerkeraad besloot toen voor hem bij de overheid verlof te vragen.