Part 9
Met de beschouwing van die figuren, zich de verklaring der gronden herinnerende, zal men na weinige overweging de overtuiging bekomen, dat de schikking der hoofddeelen van een stoomwerktuig voor vele verandering vatbaar is; zoo kan bijvoorbeeld de dienst, welke eene enkele boven de machine gelegene balans doet, verrigt worden door twee balansen, welke benedenwaarts ter wederzijden van de machine liggen, gelijk uit deze afbeelding van eene stoombootmachine te zien is; ook behoeft de condensor met de luchtpomp niet altijd in eenen gevulden waterbak gesteld te zijn, terwijl het injectiewater door eene pijp in den condensor kan worden gebragt; vervolgens zal men ook inzien, dat het geen vereischte is, om door tusschenkomst van balansen de kruk van eene hoofdas te doen omwentelen, maar dat de stoomzuiger, zonder dien, met zulk eene kruk op eene boven of onder gelegene hoofdas te verbinden is; zelfs kan men liggende of hellende stoomcilinders, in diervoege met de hoofdaskruk verbonden, aanwenden; of ook op sterke assen heen en weder slingerende stoomcilinders, waar van de zuigerstang-einden de rondgaande beweging der hoofdaskrukken direkt volgen; men is ook niet gehouden, om eenen enkelen stoomcilinder te gebruiken: de aanwending van twee of meer cilinders kan soms geschikt voorkomen; onder anderen heeft men stoomwerktuigen met twee stoomcilinders van verschillende grootte, voorzien van stoomketels voor zoogenaamden middelbaren of hoogen stoomdruk, waaruit hoog gespannen stoom eerstelijk in den kleinen cilinder vloeit en daarin zonder ontspanning werkt, vervolgens daaruit in eenen grooten cilinder stroomt, en in dezen laatsten ontspannende, beide zuigers gelijktijdig doet op- en neder bewegen.
Onder de vele soorten van stoomwerktuigen treft men wel eens zoogenaamde rotative machinen aan, waarin de rondgaande beweging dadelijk, dat is zonder tusschenkomst van eenen heen en weder gaanden stoomzuiger plaats vindt. Deze bestaan uit eenen hollen ronden ring of uit eene soort van ronden trommel, waarbinnen een vleugel doorgaande rondgevoerd wordt (bij wijze van digt sluitenden zuiger) door den druk van meer of minder gespannen stoom; deze machinen zijn zeer eenvoudig en beslaan weinig ruimte, doch tot heden hebben dezelve nog niet kunnen voldoen, de oorzaak daarvan is niet gelegen in onjuiste grondbeginselen, maar alleen in het moeijelijke, dat voor als nog als onverwinbaar te beschouwen is, om daaraan eene goede duurzaamheid, of bestendig goede werking te geven.
Onder de deelen van een stoomwerktuig, welke voor onderscheidene wijzingen vatbaar zijn, behoort in het bijzonder de zoogenaamde stoomschuif, die de geheele beweging van het werktuig regelt, gelijk wij in § 38 hebben aangetoond. Dat regelend deel bestaat vrij algemeen uit eene enkele lange schuif, die de beide stoomdoortogten dekken kan, in werktuigen van lagen druk doorgaande hol en open, om doortogt van den op den zuiger gediend hebbenden stoom naar den condensor te geven, waarvan de afbeelding van de stoombootmachine een voorbeeld levert; in die zelfde soort van werktuigen treft men ook wel stoomschuiven aan, die in twee deelen gescheiden zijn, waarbij dan den gediend hebbenden stoom, van wederzijden des zuigers, langs de uiterste einden der dus zamengestelde stoomschuif, eenen bijzonderen weg naar den condensor gegeven wordt; dusdanige aaneengekoppelde stoomschuifdeelen zijn dan, of afgekorte digte lange stoomschuiven, of hebben den vorm van zuigers; voor dat zelfde einde gebruikt men ook doosvormige schuiven, welke door den druk des stooms aansluiten, en geene aandringende pakking behoeven, in sommige stoomwerktuigen worden kranen of valkleppen ter regeling van de toelating des stooms in den cilinder gebezigd; in werktuigen, die met hooger gespannen stoom werken, gebruikt men tot datzelfde einde, en bij voorkeur, lange of korte schuiven, welke geene pakking behoeven, dat is, die zich zelven door den druk van den stoom aansluiten. Ter vermijding van pakking in hennep of vlas bezigt men ook uit- en inveerende metalen of ijzeren ringen, welke wijze van sluiting ook meermalen voor stoomzuigers gebruikt wordt. Daar de vorm en regeling van beweging der stoomschuif een uiterst belangrijk onderwerp is, zoo hebben vele deskundigen aanhoudend daarin naar verbetering getracht.
De noodzakelijke regtlijnige leiding des stoomzuigers, is ook door andere middelen, als door het veel te wijzigen toestel der zoogenaamde evenwijdige of parallelle beweging (gelijk in § 41 uiteengezet is) te verkrijgen; zoo ziet men die leiding ook wel uitgevoerd door eenvoudig den top der stoomzuigerstang in een, ter wederzijden gelegen, regtlijnig raamwerk te doen rollen of schuiven, waardoor aan den eisch dier leiding juist voldaan wordt.
Groote verschillen van zamenstelling en inrigting vindt men in stoomketels, alles met oogmerk, om met weinige brandstoffen veel stoom te leveren, want de kosten aan brandstof, is eigenlijk de prijs van het vermogen, dat het werktuig uitoefent. Een goede ketel behoort bovendien zoo duurzaam mogelijk te zijn, op dat dezelve niet na een kort tijdsverloop onbruikbaar gerake: gezamentlijke redenen, waarom men onophoudelijk nog naar verbeterde constructie van stoomketels zoekt.
§ 84.
Om den Lezer met de historie van de opkomst en den voortgang in verbetering van het stoomwerktuig kort en zakelijk bekend te maken, zal de vermelding van de meest belangrijke uitvindingen en verbeteringen, naar volgorde van tijd gerangschikt, het best geschikt wezen.
De kennis der stoomkracht dagteekent van zeer vroegen tijd, want van zekeren Hero, die ongeveer 120 jaren voor de christelijke jaartelling leefde, vindt men reeds zamenstellen beschreven, die daarvan tot bewijs strekken. Dan het schijnt, dat in die vroege tijden het vermogen van den stoom minder, of in het geheel niet, tot nuttige einden is gebezigd geworden, maar veeleer om de hoofdleiders van het bijgeloof behulpzaam te zijn, in het onderworpen houden van het ligt geloovige volk, door voorgewende wonderen daarmede te verrigten. Eene reeks van eeuwen zijn vervolgens verloopen, waarvan men berigten betreffende toepassing van stoomkracht mist, maar uit welks gemis met geene zekerheid besloten kan worden, of de beoefening en de aanwending der stoomkracht gedurende dat tijdsverloop niet gevorderd is, hoewel het als zeker moet gehouden worden, dat de ouden daarvan meer wisten, dan ons tot heden van hen is bekend geraakt.
Van niet vroeger dan 1543 weet men, uit spaansche archieven, dat in dat jaar Blasco de Garray in de haven van _Barcelona_ proeven met een vaartuig heeft genomen, om hetzelve zonder zeilen of riemen door het water te bewegen; van het daartoe gebezigde middel staat alleen vermeld, dat het vaartuig eenen grooten ketel met kokend water bevatte, en uitwendig met beweegbare raderen was voorzien; dit kan dus welligt het eerste stoomvaartuig geweest zijn, doch waarvan men verder niet veel bijzonders weet.
Het was den Italiaanschen Ingenieur Giovanni Branca, die in 1629 eene afbeelding met beschrijving leverde, hoe snel uitstroomende stoom een wiel, met vleugels voorzien, kan doen omdraaijen en kracht uitoefenen, om er een of ander werk mede te verrigten; vóór hem had Cardan ook daarvan gewag gemaakt, en de Caus, hoe men water door stoom kan opvoeren.
In 1663 gaf Edward Somerset, _Marquis van Worcester_, een werk in het licht, hetwelk een honderdtal korte en zeer oppervlakkige beschrijvingen van even zoo vele uitvindingen bevat, en waaronder eene voorkomt, waarin hij zegt uitgevonden te hebben, om op eene wonderlijke en allerkrachtdadigste wijze, water door vuur op te voeren, en wel met geslotene sterke vaten, die beurtelings, door het vuur, van water geledigd worden: de _Marquis_ moet op die gronden ook een werktuig hebben doen oprigten, dat inderdaad verwondering baarde.
Omstreeks 1685 hield de Franschman Denis Papin, zich met plannen bezig, om de kracht van den stoom nuttig aan te wenden. Het eerste denkbeeld, om den stoom in eenen cilinder tegen eenen daarin passenden zuiger te doen drukken, schijnt men aan hem verschuldigd te zijn, als ook de veiligheidsklep voor stoomketels, en de eigenschap dat de stoom te condenseren is. Papin met zijne onderzoekingen voortgaande, werkte daarin ten laatsten nagenoeg gelijktijdig met Thomas Savery in Engeland, die aldaar gelukkiger was, want in 1698 verkreeg Savery een patent of octrooi, op eene door hem uitgedachte zoogenaamde vuur-machine, voor opvoering van water geschikt.
Thomas Newcomen met John Cawley waren te _Dartmouth_ weder volgende verbeteraars; deze gaven het stoomwerktuig of de zoogenaamde vuur-machine eenen cilinder met zuiger, onder dien zuiger werd, rijzende, stoom in den cilinder gelaten, en vervolgens gecondenseerd, waardoor de zuiger met een vermogen aan den dampkringsdruk gelijk weder daalde; dit condenseren van den sloom geschiedde aanvankelijk door uitwendige verkoeling van den cilinder, doch later op eene eenvoudiger wijze, dat is: door inspuiting van koud water binnen den cilinder zelven;--dewijl Savery vroeger een octrooi voor het condenseren van stoom door verkoeling verkregen had, zoo werd hij in 1705 met Newcomen en Cawley, deelgenoot in een nieuw octrooi;--in den beginne moesten in deze werktuigen, door eenen persoon, op de juiste tijdstippen de kranen of kleppen, die voor toelating en afsluiting van stoom en ter invloeijing van het condenserend injectie-water dienen, met de hand worden bewogen; de overlevering wil, dat een daarmede belaste jongeling, Humphrey Potter genaamd, die eentoonige bewerking moede, bedacht, om die kranen in verbinding te brengen met den op en neder bewegende hefbalk of balans, hetgeen later verbeterd werd, waardoor alzoo de machine zelve de toelating van stoom en water regelde op eene veel betere wijze, dan met de hand kan worden verrigt.
Zoodanige vuurmachinen of stoomwerktuigen, later nog verbeterd door Henry Brighton en vervolgens door John Smeaton, en die men Athmospherische noemt, zijn vervolgens veel in gebruik gekomen, hoofdzakelijk voor het oppompen van water. De stoom, welke daarin werkte, ging in spanning den druk des dampkrings maar weinig te boven. In 1720 gaf de Duitscher Leupold eene eenvoudige zamenstelling aan de hand, om den meer vermogenden stoom van hoogeren druk aan te wenden.
In 1736 verkreeg Jonathan Hulls, in Engeland, een octrooi op eene door hem uitgevondene machine, die door stoom zou bewogen worden, om vaartuigen uit en in havens of rivieren te voeren, tegen wind en stroom of in kalmte; doch hij ondervond, hoewel hij daarvan eene beschrijving in het licht gaf, weinige aanmoediging; daar hij voorstelde, om door middel van eenen op- en nedergaanden stoomzuiger, voortstuwende ronddraaijende vleugelwielen of raderen te bezigen, zoo deed hij zien, hoe van heen en wedergaande beweging tot zijn oogmerk partij te trekken was.
Omstreeks 1750 begon het Athmospherische stoomwerktuig meer en meer voor algemeene beweegkracht gebruikt te worden, en zich verspreidende, in plaats van de gewone water- en paarden- of rosmolens te komen, hoewel het werken daarmede toen kostbaarder was dan het gebruik van paarden, alleen voordeeliger op plaatsen, alwaar de brandstof weinig geld kost, zoo als in de nabijheid van kolenmijnen; de verwisseling dezer werktuigen voor paarden gaf aanleiding, dat men het vermogen eens stoomwerktuigs, met zoogenaamde paardenkrachten vergeleek.
In 1757 stelde Keane Fitzgerald voor, om ter regeling van eene rondgaande beweging, door eene heen- en wedergaande verkregen, het vliegwiel te bezigen.
James Brindley werd in 1759 geoctrooijeerd, voor het verwarmen van stoom-leverend water, door middel van een geheel met water omringd fornuis, in eenen beslotenen houten of steenen bak.
Weinig tijds daarna ving de Engelschman James Watt zijne onderzoekingen aan ter verbetering van stoomwerktuigen; hij verkreeg, in 1769 een octrooi, dat zeer belangrijke zaken inhield: 1^e om den stoom in den stoom-cilinder zoo min mogelijk van deszelfs warmte te doen verliezen; 2^e om den stoom, niet in den cilinder, maar in een afgezonderd vat, daar buiten, te condenseren; 3^e om het aldus gecondenseerde water en de mede ontwikkelde lucht, door middel van pomptuig uit den condensor te trekken; 4^e om den stoom slechts voor een gedeelte in den cilinder te laten, en verder zich daar binnen te laten ontspannen; 5^e om wanneer direkte rondgaande beweging verlangd werd, den stoom te doen werken tusschen gewigten, welken in eenen hollen cirkelronden ring of band, sluitend beweegbaar zijn, en kleppen passeren, in zoodanige manier, dat die ring of band daardoor op eene horizontale as ronddraait, het zij met of zonder stoom condensatie; 6^e om eene machine te doen werken, door beurtelingsche inkrimping en uitzetting van stoom; en 7^e in plaats van water, olie, was en dergelijke vette stoffen, kwik of andere metalen in vloeibaren staat, te bezigen voor het digt houden van zuigers en andere deelen. Groote verbetering van het stoomwerktuig was daarvan het gevolg.
In Frankrijk deed Périer in 1775 mislukte proeven op de rivier de _Seine_, om een vaartuig door middel van stoomkracht voort te stuwen.
James Watt vond in 1776 den zoogenaamden tubulairen condensor uit, dat is: een' zoodanigen, waar binnen de stoom in enge, uitwendig verkoelde, pijpen gecondenseerd wordt.
Aan James Pickard te _Birmingham_ werd in 1780 octrooi verleend, voor de aanwending van het vliegwiel met aanverbondene kruk; dienende, om op eene aller eenvoudigste wijze, de heen- en wedergaande beweging eens stoomzuigers in eene regelmatige omwentelende of ronddraaijende te veranderen; James Watt bedacht tot dat zelfde einde, welligt ter vermijding van dit uitsluitend regt, onder anderen, de zoogenaamde zon- en planeet raderen, waardoor het vliegwiel met dubbele snelheid door de drijfstang wordt omgevoerd.
In 1781 en 82 werden aan James Watt nog andere octrooijen verleend, waaronder bovenal de uitvinding uitmunt, om den stoom beurtelings ter wederzijden van een' zelfden zuiger te doen drukken; eene uitvinding, welke gepaard aan zijne vroegere, om den stoom buiten den cilinder te condenseren, van het grootste nut is geworden, door het stoomwerktuig de eigenschap te geven, om het vermogen van tweemaal zoo veel stoom in denzelfden tijd nuttig te doen werken.
Jonathan Hornblower verwierf in 1781 een octrooi op de uitvinding, om stoom van hoogen druk eerst in een kleinen en daarna in eenen grooten cilinder ontspannende gecombineerd te doen werken.
In 1782 was het de _Marquis_ de Jouffroy, die eene stoomboot zamenstelde, welke op de rivier _Saone_ nabij _Lyon_ ongeveer vijftien maanden in werking is geweest.
Onder de geoctrooijeerde uitvindingen van James Watt was in 1784 het, door hem uitgedachte, toestel der zoo genaamde evenwijdige of parallelle beweging begrepen; deze en andere opvolgende uitvindingen van James Watt in het stoomwerktuigelijke, zijn over het algemeen zeer verdienstelijk geweest en hebben een uitmuntend gevolg gehad; zoo dat hij te regt als een der grootste verbeteraars kan aangemerkt worden. Om de fabrijkmatige uitvoering zijner machinen te bevorderen, vereenigde hij zich met Boulton, welken met de daarvoor vereischte middelen eenen gewenschten invloed en daarbij doorzigt bezat, zoodat de fabrijk van Boulton, Watt & Comp. te _Soho_, zeer vele goede stoomwerktuigen heeft opgeleverd.
In Amerika stelde Fitch in 1787 eene stoomboot op de rivier _Delaware_ te werk, welke niet bleef voldoen; ook in dat zelfde jaar werkte Rumsey aldaar eene stoomboot af, die, door voor ingezogen en achter uitgeperst water, moest werken, doch die mislukte.
In 1788 en 89 deed Patrick Miller met eene stoomboot op het _Forth-_ en _Clide_ kanaal in Schotland proeven, waaraan geen verder gevolg werd gegeven.
Bramah en Dickinson ontvingen in 1790 octrooi op een zoogenaamd rotatief stoomwerktuig, en in 1791 Sadler op een dergelijk, doch welke buiten gebruik zijn gebleven, even als dit met de daartoe betrekkelijke vroegere uitvindingen van James Watt het geval is.
Aan Edmund Cartwright te _Middlesex_ werd in 1797 onder anderen octrooi verleend, om stoomwerktuigen, voor stoom van spiritus of alcohol bekwaam te maken, waardoor veel brandstoffen zouden worden geëconomiseerd.
In 1798 werd in Amerika aan Livingston octrooi gegeven, om door middel van stoomkracht, vaartuigen voort te stuwen, doch dat aanvankelijk geen gevolg opleverde.
Mathew Murray beweerde in 1799, dat het bezigen van horizontale of liggende stoomcilinders voordeel zoude aanbrengen.
Een octrooi van 1801 verzekerden aan Joseph Bramah het uitsluitend gebruik van zoogenaamde vierwegkranen in stoomwerktuigen.
Ten jare 1802 voleindigde William Symington eene sleepstoomboot, die met ijsbrekende werktuigen zoude voorzien zijn; tenzelfden tijde vervaardigde Richard Trevethick en Alexander Vivian in Engeland een stoomwerktuig van hooge drukking, dat beknopt, vervoerbaar en voor stoomrijtuigen geschikt zoude zijn.
In 1803 erlangde Arthur Woolf een octrooi voor zoogenaamde tubulaire stoomketels, dat zijn de zoodanige, waarin het vlammende gaz uit het vuur door enge pijpen stroomt, en alzoo het water verwarmt. In dat zelfde jaar heeft Fulton, onder aanmoediging van Livingston, op de rivier de _Seine_ nabij _Parijs_, proeven genomen met eene door hem zamengestelde stoomboot, waaruit de mogelijkheid, om stoomkracht op vaartuigen nuttig toe te passen, bleek.
Omstreeks 1804 begon Olivier Evans zich in Amerika bezig te houden met het vervaardigen van stoomwerktuigen van hoogen druk. In 1805 deden Trevethick en Vivian in Engeland, op eenen spoorweg te _Merthyr Tydvil_, vrij voldoende proeven met een stoomrijtuig, dat eenen liggenden stoomcilinder bezat.
In 1807 bragt Fulton het eerste welgeslaagde stoomvaartuig te _Newyork_ in Amerika in werking, hetwelk naar zijne plannen met machinen voorzien was, die in de Engelsche fabrijk van Boulton, Watt & Comp. vervaardigd waren.
Blinkensop bekwam in 1811 een octrooi, om de wielen van stoomrijtuigen en de sporen waarover dezelve rollen, met in elkander werkende tanden te voorzien, ten einde het vermeend doorglijden te voorkomen.
In Amerika werden omstreeks 1812 op de rivier _Missisippi_ stoomboten gezien, die werkelijk goede dienst deden; in dat jaar werd aan Chapman een octrooi verstrekt, voor het bezigen van eenen tusschen de sporen gelegene ketting, die om eenen trommel geslagen, ter voortbeweging van een stoomrijtuig moest dienen.
De eerste stoomboot, welke in Engeland eenigzins voldeed, was in 1812 die van Bell en Thomson, waarvoor Wood te _Glascow_ de machine vervaardigde; zij voer op de rivier _Clide_ in Schotland.
In 1813 werd in Engeland octrooi verstrekt, om stoomrijtuigen door middel van stooters of voeten, in plaats van drijfwielen, op den weg voort te stuwen.
Stephenson te _Kellingworth_ voleinde in 1814 een stoomrijtuig met twee in den stoomketel besloten verticaal staande stoomcilinders, waarvan de drijfwielen effene vellingen of buiten omtrekken hadden, die zich daarmede op effene sporen voortbewogen.
Het octrooi van 1816 aan John Neville te _Londen_, behelsde onder andere: de aanwending van zoogenaamde occilerende stoomcilinders, dat is: cilinders, welke op eene as beweegbaar zijn, en waarvan de stang des daarin werkenden stoomzuigers, aan de kruk van eene omdraaijende hoofd-as gekoppeld is. In dat zelfde jaar bekwam Muntz een octrooi voor het verbeterd verbranden der rook ter economisering van brandstof; William Brunton in 1819 voor draaijend roosterwerk in de vuurplaatsen van stoomketels, waarover zich de brandstof gelijkmatig verspreidde, en Josiah Parkes in 1820 voor bijzondere toelating van lucht in vuurplaatsen van stoomketels ter betere verbranding van den rook en ter bezuiniging van brandstoffen. In 1822 verkreeg Jakob Perkins octrooi, om stoom van zeer hoogen druk op eene bijzondere wijze voort te brengen.
In 1825 ontving Timothy Burstal octrooi, en in 1826 gezamentlijk met John Hill, voor stoomrijtuigen op spoor- en gewone wegen toepasselijk; die machinen waren voorzien met twee regtop staande stoomcilinders.
De verbeteringen van het stoomwerktuig maakte gestadig vorderingen en bij gevolg ook de locomotieven zoo wel te water als te land op spoor- en gewone wegen. In 1829 werden in Engeland op den _Manchester_ spoorweg, welke in dat jaar geopend werd, vergelijkende proeven genomen met stoomrijtuigen van de toen als meest ervaren geachte werktuigkundigen en fabrijkeurs als van Robert Stephenson, Braithwaite en Ericson, Hackworth, Burstal en Brandreth; van die allen was dat van Stephenson het meest voldoende, wien dan ook de uitgeloofde premie werd toegewezen. Dit werktuig bezat twee stoomcilinders, die ter wederzijden van den ketel in liggende rigting gesteld waren; later plaatste Stephenson de stoomcilinders geschikter onder den ketel, waar zij beter besloten en meer tegen afkoeling beschermd waren; de ketel was een zoogenaamde tubulaire. Voor gewone wegen, die met geene sporen voorzien zijn, hebben de stoomrijtuigen ook allengs verbetering bekomen, doch zijn den anderen in dat opzigt altijd ten achteren gebleven, dewijl voor gewone wegen zich zeer veel moeijelijkheden opdoen. In Engeland hebben, onder anderen, Gurney en Hancock, in verschillende manieren meer of min voldoende proeven daarvan geleverd.
Aan den Engelschman Thomas Howard werd in 1835 octrooi verleend, voor het voortbrengen van waterstoom op verhitte kwik.
§ 86.
Alzoo bevat de voorgaande § eene opvolging van de meest belangrijke uitvindingen en verbeteringen het stoomwerktuig betreffende, waarop weder andere zijn gegrond geworden, of zich zullen vestigen. Men heeft daarbij kunnen opmerken, dat de vordering in het stoomwerktuigelijke aanvankelijk langzaam, doch later met versnelde schreden is vooruitgegaan, en tegenwoordig blijft men onvermoeid bezig, daaraan de hand te houden. Maar het moet ook gezegd worden, dat de verbeteringen hoe langer hoe meer van de juistheid in werkdadige uitvoering, dat is van nette vervaardiging, afhankelijk geraken, waarin men allengs vordert. In verschillende landen wedijvert men thans met elkander, in verbetering, zoo ten aanzien van inrigting als uitvoering, waarvan de drukpers ons gestadig de bewijzen levert. In ons land is de uitvoering almede tot eene groote hoogte geklommen, zoo dat men zich in geenen deele meer tot vreemden behoeft te wenden, om eene zoo volmaakt mogelijke uitvoering te verkrijgen; ook kunnen wij, wat de betrekkelijke prijzen aangaat, onder de begunstiging van het Gouvernement, met buitenlandsche fabrijken wedijveren, iets dat, om reden wij het grootste gedeelte grondstoffen van elders moeten trekken, zonderling moge voorkomen, doch niettemin waar is.
§ 87.
Wij zullen dit werkje besluiten met de opgaven der verhouding van eenige _Engelsche_ maten met de _Nederlandsche_ en omgekeerd; niet alleen, om dat die vreemde maat, buiten Engeland ook in vele fabrijken gebezigd wordt, maar ook, om de vergelijking van betrekkelijke afmetingen te kunnen doen, bij uitvoeringen en opgaven dier, in het stoomwerktuigelijke zeer bedrijvige, natie.
Vervolgens hebben wij twee tafelen toegevoegd, waarin men met eenen oogopslag kan zien, welke maat de middellijn van een stationair stoomwerktuig van lage drukking behoort te hebben, hetwelk met eenen zuigerslag, aan het dubbel van den zuiger-middellijn gelijk, een bepaald vermogen in nominale paardenkrachten zal opleveren, en omgekeerd; zijnde een zuigerslag, die aan het tweevoud van de zuiger-middellijn gelijk is, de verkiesselijkste; een stoomzuiger zal grooter middellijn moeten bezitten, om hetzelfde getal nominale paardenkrachten op te leveren, wanneer deszelfs slag kleiner is dan in de tafelen wordt voorondersteld; en tegenovergesteld, zal de zuiger kleiner middellijn moeten hebben, ingeval de slag meer bedraagt dan volgens de tafelen.