Part 6
Doch geven wij den ketel in den top eene opening, die met eene klep gedekt is, dan zal de stoom daardoor kunnen ontvlieden, wanneer dezelve genoeg vermogen bezit, om de zwaarte van die klep te ligten. Daar nu op deze klep natuurlijkerwijze de dampkring mede drukt, zoo overwint in dit geval de ontvliedende stoom niet alleen het gewigt der klep, maar ook dat des dampkrings: bij het gemiddeld gewigt van den dampkring zal men dus het gewigt van de klep moeten tellen, om te weten, met welke spanning de stoom van onder de opgeligte klep ontvliedt.
Zij gesteld, dat de klep 10 pond weegt, en eene opening dekt, welke 10 vierkante duimen doortogt geeft, dan zal die klep op elken vierkanten duim dier opening, met 1 pond drukken, of zooveel tegenstand bieden; de gemiddelde druk des dampkrings per vierkante duim 1.033 pond zijnde, zal de stoom eenen druk moeten uitoefenen van iets meer dan 2.033 ponden per vierkante duim, om de klep te ligten, of om door de daarmede gedekte opening, te kunnen ontvlieden; want de klep drukt per vierkante duim met 1 pond en de gemiddelde dampkring met 1.033 pond, hetgeen te zamen 2.033 pond uitmaakt; de klep zwaarder of meer beladen zijnde, zal gevolglijk ook hooger gespannen sloom eischen, om opgeligt te worden.
Van de zwaarte van zoodanige klep, boven reeds onder den naam van veiligheidsklep bekend, hangt dus de spanning van den in den ketel voortgebragten stoom af; de zwaarte van die klep moet dus geregeld zijn naar de vereischte stoomspanning, die voor de machine benoodigd is. In stoomwerktuigen van lagen druk gaat die zwaarte, welke men belading der veiligheidsklep noemt, geen 51.7 Ned. looden per vierkante Ned. duim der gedekte openingen te boven, zoodat de totale stoomspanning (met in begrip van den gemiddelden druk des dampkrings à 103.3 lood) uiterlijk 155 lood op eenen vierkanten duim bedraagt.
§ 52.
Hoe hooger de stoom gespannen is, des te meer met warmtestof verbonden water daarin vervat is, bij gevolg is hooger gespannen stoom zwaarder; eene kubieke Ned. el stoom, welke in spanning aan den gemiddelden druk des dampkrings gelijk is, weegt 59 Ned. looden; een dampkring hooger gespannen of op twee dampkringen, dan weegt eene kubieke el 111 looden; op vier dampkringen gespannen (de gemiddelde dampkringsdruk altijd daaronder begrepen) 209 looden, en op acht dampkringen gespannen 392 looden. Men ziet hier uit, dat stoom van dubbele spanning nabij de dubbele zwaarte bezit, en daar de warmtestof op zichzelve geene te bemerkene zwaarte heeft, zoo is het gewigt van stoom ook het gewigt van het daarin begrepen water, zoodat eene kubieke Ned. el stoom, in spanning aan den gemiddelden druk des dampkrings gelijk, niet meer dan 59 Ned. looden weegt, omdat daarin 59 looden water zijn begrepen.--Volgens bepaling is in stoomwerktuigen van lagen druk de uiterste spanning van den stoom, een halve dampkring boven den gemiddelden dampkringsdruk, eene kubieke Ned. el zoodanige stoom weegt 85 Ned. looden; veelal echter bezigt men in die werktuigen eene stoomspanning, welke den gemiddelden dampkringsdruk slechts een vierde deel overschreidt, en die per kubieke Ned. el 72-1/4 Ned. looden weegt, of zooveel gewigt aan water inhoudt.
§ 53.
Wij weten dat stoom, welks spanning aan den gemiddelden druk des dampkrings gelijk is, 212 graden Temperatuur op den Thermometer teekent; een dampkring hooger gespannen, dat is: op twee dampkringen, dan is deszelfs temperatuur 250.5 graden; op vier dampkringen (de gemiddelde dampkringsdruk altijd daaronder begrepen) 293.8 graden, en op acht dampkringen gespannen 342.5 graden; men ziet dus dat stoom, op twee dampkringen gespannen, 38.5 graden temperatuur meer teekent, dan op een' dampkring gespannen, op vier dampkringen 43.3 graden meer dan op twee, en op acht dampkringen 48.7 graden meer dan op vier dampkringen.
Voor eene verdubbeling in stoomspanning teekent dus de Thermometer slechts weinig meer dan eene zelfde vermeerdering in graden; oppervlakkig beschouwd, zoude men dus zeggen: dat, om stoom in spanning te verdubbelen, men slechts weinig meer warmtegraden heeft toe te voegen, dan het verschil in graden met deszelfs halve spanning; maar ten dezen zich herinnerende, wat in § 5 over den aard der stoomwording gezegd is, zal het blijken dat, om stoom van dubbele spanning voort te brengen, men veel meer warmtegraden voor eene zelfde volume stoom noodig heeft; want de grootere hoeveelheid water, welke hooger gespannen stoom inhoudt, kost ter overgang in stoom, veel aan de zoogenaamde verborgene warmte; het zijn dus de inbegrepene verborgene warmtegraden hoofdzakelijk, en niet alleen die, welke de Thermometer te meer aanwijst, welke voor de daarstelling van gelijke volumen hooger gespannen stoom, vereischt worden.
Het temperatuur van den stoom in stoomwerktuigen van lagendruk zoude volgens de bepaling, uiterlijk 233.9 graden zijn; doch derzelver spanning is in die werktuigen veelal minder, en bij gevolg, overeenkomstig hetgeen in § 52 gezegd is, slechts nabij 224 graden.
§ 54.
In § 5 hebben wij gezegd, dat stoom, die in spanning aan den gemiddelden druk des dampkrings gelijk is, eene plaats beslaat, of eene volume heeft, die 1700 malen grooter is, dan die van het water, dat denzelven heeft daargesteld, dat is: eene kubieke Ned. el zoo gespannen stoom bevat 1/1700 gedeelte water; stoom op de dubbele spanning of van twee dampkringen (de gemiddelde dampkring altijd daaronder begrepen) bevat, volgens § 52 meer water, of is, anders gezegd, digter, en is bevonden 900 malen de volume water uit te maken; op vier dampkringen gespannen 478 malen, en op acht dampkringen gespannen 255 malen de volume van het water dat denzelven heeft daargesteld. Men kan dit ook nog anders uitdrukken. Een kubieke palm water levert 1700 kubieke palmen stoom, op een' dampkring gespannen; 900 kubieke palmen op twee dampkringen, en 478 kubieke palmen op acht dampkringen gespannen, de gemiddelde druk des dampkrings daaronder begrepen. In stoomwerktuigen van lagen druk is de hoogst bepaalde stoomspanning een halve dampkring boven de gemiddelde, zoodanige stoom is 1168 malen de volume van het water; doch bij de veelal gebruikelijke stoomspanning in die werktuigen, volgens § 52, is die volume nabij 1385 malen de volume, die het water bezit op de standaardtemperatuur van 62 graden.--De volume, welke stoom van dubbele spanning bezit, is dus omstreeks de helft; waarom dan zoodanige stoom, overeenkomstig hetgeen ten dien aanzien hooger gezegd is, de dubbele zwaarte heeft, dat is: eene kubieke el stoom, bij voorbeeld: op eene dampkring gespannen, weegt omstreeks half zoo zwaar als eene kubieke el stoom, die op twee dampkringen gespannen is.
§ 55.
In ruwe schatting volgt de digtheid of het gewigt van hooger gespannen stoom, omstreeks dezelfde verhouding, als de hoeveelheid der daarin opgehoopte warmte; zoodat hooger gespannen stoom ongeveer eene gelijkmatige hoeveelheid meerdere warmtegraden met zich verbindt; daar het nu klaar is, dat de met eenige hoeveelheid brandstoffen ontwikkelde warmte, evenredig is aan derzelver hoeveelheid, (want 4 ponden steenkolen zullen tweemaal zooveel warmte ontwikkelen als 2 ponden) zoo volgt: dat men voor het daarstellen van hooger gespannen stoom, ook omstreeks eene in gelijke verhouding staande vermeerdering van brandstoffen noodig zoude hebben; in de praktijk of in het werkdadige is zulks echter niet zoo, en men heeft bijvoorbeeld: voor eene kubieke el dubbel gespannen stoom meer dan het dubbel der brandstoffen noodig, want onder andere: hooger gespannen stoom heeter zijnde, zoo is deszelfs afkoeling of verlies van warmte door de zijden van den ketel of van de vaten, welke die stoom bevatten of ontvangen, belangrijker; welk warmteverlies dus door meerder verbruik van brandstoffen moet worden aangevuld; de voortbrenging van hooger gespannen stoom is dus kostbaarder; hoe men die kostbaarheid, door zekere wijze van stoomaanwending in stoomwerktuigen deels te gemoet komt, zal later worden verklaard.
§ 56.
In de vier laatste paragraphen is getracht, in het kort goede denkbeelden te leveren wegens den regten aard van den stoom op verschillende spanningen, gegrond op hetgeen in den aanvang van dit werkje in beginselen opgegeven staat; het is nu van belang te weten, wat de stoomwerkkracht aan brandstoffen, het element dier beweegkracht, kost.
De hoeveelheid brandstoffen, die voor het in beweging houden van een stoomwerktuig noodig is, hangt geheel af van de spanning en de hoeveelheid stoom, welke men daarin verbruikt. Het is klaar, dat de stoomcilinder van een werktuig boven deszelfs zuiger, zooveel stoom zal kunnen bevatten als de ruimte bedraagt, die tusschen den zuiger bij laagsten stand en het cilinderdeksel bestaat, of onder den zuiger bij hoogsten stand, even zooveel als de ruimte tusschen den zuiger en den cilinderbodem uitmaakt, zijnde de ruimte boven en onder den zuiger nagenoeg aan elkander gelijk, dewijl alleen de zuigerstang aan eene zuigerzijde daarvan een klein gedeelte inneemt; de uitgebreidheid van zoodanige cilindervormige ruimte voor den ontvang van stoom, valt gemakkelijk te berekenen, want men behoeft slechts het oppervlak des zuigers te vermenigvuldigen met de lengte van deszelfs slag. In § 47 is geleerd, hoe het oppervlak van eenen ronden zuiger in vierkante duimen gevonden wordt, en hetzelfde daarin behandelde voorbeeld volgende, dan heeft men voor eenen zuiger van 57 duimen middellijn 2551-3/4 vierkante duimen oppervlakte, hetgeen vermenigvuldigd met de gegevene slaglengte van 114 duimen, 290900 kubieke duimen voor de ruimte boven of onder den zuiger oplevert; men heeft dus voor eenen dalenden en rijzenden zuigerslag, of voor eenen omgang van het vliegwiel, tweemaal die ruimte, dat is 581800 kubieke duimen, welke met stoom uit den ketel gevuld kan worden. Gelijk gezegd is, neemt de zuigerstang eenige ruimte in, doch sluit ook de zuiger bij hoogsten en laagsten zuigerstand, niet juist tegen het cilinderdeksel en den bodem, maar laat eenige ruimte over, terwijl nog de boven en beneden stoomdoortogten met stoom te vullen ruimten bieden, zoodat de vullende volume stoom, over het geheel genomen, eigenlijk een weinig meer is, daarom zullen wij dezelve hier in een rond getal, voor eenen omgang van het vliegwiel, op 600000 kubieke duimen stellen, gelijk aan 600 kubieke palmen of aan 6/10 kubieke el. Wanneer nu 26 vliegwielomwentelingen in eene minuut geschieden, dan zullen er 26 maal 6/10 kubiek el, of 15-6/10 kubieke ellen stoom, van de vereischte spanning, gedurende dien tijd noodig zijn, dat is in het uur 936 kubieke Ned. ellen.
In sommige gevallen, wanneer meer op het verkrijgen van een groot vermogen, dan wel op de bezuiniging van brandstoffen gelet wordt, vult men de cilindervormige ruimte boven en onder den zuiger zoo geheel met stoom overeenkomstig de gedane berekening. Verreweg in de meeste gevallen echter, en juist omdat Economie in brandstoffen eene hoofdzaak is, laat men zooveel stoom niet in den cilinder vloeijen, maar sluit de stoomvloeijing, op een zeker gedeelte van den zuigerslag, door middel van de daarvoor doelmatig gevormde stoomschuif af; de hoeveelheid ingelatene en aldus afgeslotene stoom, breidt zich alsdan in de toenemende ruimte, welke de bewegende zuiger verder oplevert, uit; langs dien weg verkrijgt men met eene bepaalde hoeveelheid brandstof een betrekkelijk grooter vermogen; dusdanige uitbreiding van afgesloten' stoom in eene steeds vergrootende ruimte, wordt stoomontspanning genoemd. In stoomwerktuigen van lagen druk wordt veelal de stoomtoevloeijing afgesloten, wanneer de zuiger omstreeks drie vierde gedeelte van deszelfs slag heeft afgelegd, het overige vierde deel van den zuigerslag wordt vervolgens met den zich ontspannenden stoom volbragt; in eene volgende paragraaf zal reden gegeven worden, waarom zoodanige handelwijze Economie oplevert. Met ons voorbeeld uit § 47 zoude dus het stoomwerktuig van lagen druk met eenen stoomcilinder van die gegevene grootte, en gemelde stoom-ontspanmaat, in plaats van 936 slechts 702 kubieke Ned. ellen stoom per uur behoeven.
§ 57.
De tot heden voor stoomwerktuigen gebezigde brandstoffen zijn steenkolen; men weet, dat die brandstof van zeer onderscheidene kwaliteit is, zoodat de eene soort meer en de andere soort minder warmte ontwikkelt. Onderscheidene andere brandstoffen bestaan er, waaronder hout weder uitmunt. Om over de strikte en betrekkelijke hoeveelheid warmte te handelen, welke verschillende soorten van steenkolen en andere brandstoffen opleveren, ontbreekt hier ruimte, waarom het voldoende zal wezen op te geven, wat in de gewone omstandigheden de meest gebruikelijke brandstof, steenkolen namelijk, aangaat; de volgende tafel geeft niet dat doel de gemiddelde consumptie per uur op, van goede steenkolen, voor goed ingerigte stoomwerktuigen van lagen druk, die met stoomontspanning werken, en zulks naar gelang derzelver nominaal vermogen in paardenkrachten.
|NOMINALE |CONSUMPTIE ||NOMINALE |CONSUMPTIE | |PAARDENKRACHT.|PER UUR. ||PAARDENKRACHT.|PER UUR. | |--------------|------------||--------------|------------| | |Ned. Ponden.|| |Ned. Ponden.| | 5 | 21 ||110 |358 | |10 | 37 ||120 |389 | |20 | 70 ||130 |420 | |30 |102 ||140 |451 | |40 |135 ||150 |482 | |50 |167 ||160 |513 | |60 |199 ||170 |543 | |70 |231 ||180 |574 | |80 |263 ||190 |604 | |90 |295 ||200 |634 | |100 |326 ||250 |784 |
§ 58.
Bovenstaande consumptie steenkolen per uur is gezegd de gemiddelde te zijn, en geldt in het bijzonder de tegenwoordig meest bestaande stationnaire stoomwerktuigen van lagen druk, namelijk de zoodanige, welke, werkende, niet van plaats veranderen; van die soort bestaan er enkele, die minder aan brandstoffen kosten, doch over het algemeen kan men, de in de tafel opgegevene hoeveelheden aannemen; daarentegen is meestal die consumptie grooter met Locomotive stoomwerktuigen van lagen druk, dat zijn, de zoodanige, welke, werkende, met derzelver omvatting van plaats veranderen, gelijk met stoomvaartuigen het geval is; want daarin geeft men aan de stoomketels de kleinst mogelijke uitgebreidheid, omdat de ruimte binnen een vaartuig zeer beperkt is; en hoewel men daarin gewoon is, alles aan te wenden, wat tot de goede werking der vuren en de doelmatige leiding van het vlammende gaz met de heete rook, dienstig kan zijn voor de verhitting van het water, dat den stoom voortbrengt, zoo gaat nogtans veel warmte met een gedeelte onverteerde brandstoffen door den schoorsteen verloren; hierbij komt nog, dat deze werktuigen minder voor de verkoelende werking der buitenlucht zijn te beschermen.
In stoomvaartuigen bezigt men stoomwerktuigen van lagen druk, zelden minder dan van 16 nominale paardenkrachten; de consumptie steenkolen is dan nabij 5 ponden voor elke paardenkracht gedurende een uur werkens; van grooter nominaal vermogen komt met tot nabij 4 en 3-1/2 ponden per paardenkracht in een uur; zoodat voor een werktuig van 16 paardenkrachten 80 ponden en voor een van 100 paardenkrachten circa 350 ponden steenkolen per uur zouden noodig wezen; altijd in de vooronderstelling, dat men goede steenkolen gebruikt en dat ketels en werktuigen van eene goede constructie zijn.--In werktuigen van hooge drukking is de consumptie steenkolen, volgens § 55, grooter, dan in die van Lage drukking, doch men komt daarin veel te gemoet door den stoom in de stoomcilinders met veel ontspanning te laten werken, waarover lager zal gehandeld worden.
§ 59.
Voor brandstof bezigt men ook nog uitgebrande steenkolen, coke of cooks geheeten; deze leveren eene grootere echter meer plaatselijke hitte op, doch zijn in vergelijking der kosten, minder voordeelig; voor Locomotiven, stoomwerktuigen op wielen, dat is voor stoomrijtuigen, is deze brandstof bijzonder goed geschikt, voornamelijk omdat men daar in een klein bestek veel warmte moet ontwikkelen, en omdat zoodanig vuur voor de daarmede in aanraking zijnde keteldeelen minder schadelijk is; deze locomotiven of stoomrijtuigen werken over het algemeen met stoom van hooge drukking en met weinig stoomontspanning, zoodat ook van die zijde de Economie weinig wordt begunstigd. De Pleegwagen, die van geene groote uitgebreidheid is, en welke het stoomrijtuig onmiddelijk volgt, bevat behalve eenen voorraad zuiver water voor de voeding des ketels, de coke, en moet van tijd tot tijd met eenen nieuwen voorraad dezer brandstof voorzien worden, voor het volbrengen van uitgestrekte togten.
§ 60.
Voor en aleer tot de verklaring over te gaan van het voordeel, dat in de ontspanning van den stoom gelegen is, is het noodig zich te herinneren, wat in § 54 over de uitgebreidheid van verschillend gespannen stoom aangeteekend staat: zoo heeft stoom, op acht dampkringen gespannen, eene uitgebreidheid van 255, op vier dampkringen 478, op twee dampkringen 900 en op eenen dampkring 1700 malen die van het water; hieruit moet, gelijk gezegd is, besloten worden, dat stoom, welker spanning de helft van andere bedraagt, ongeveer de dubbele uitgebreidheid bezit; want bijvoorbeeld: 478 de volume zijnde van stoom op vier dampkringen gespannen, zoo is tweemaal die volume of 956 slechts weinig meer dan 900, de volume van den stoom op twee dampkringen gespannen. Daar nu stoom van halve spanning weinig meer dan de halve zwaarte bezit, of weinig meer dan de halve hoeveelheid water inhoudt, met andere woorden gezegd, nagenoeg de halve digtheid heeft; zoo komt men tot het besluit: dat bijaldien eene ruimte, bijvoorbeeld: eene kubieke el groot, met stoom van zekere spanning volkomen gevuld is, en deze ruimte verdubbeld, dus twee kubieke ellen wordt, zonder dat meer stoom wordt ingelaten, de aldus in dubbele ruimte uitgebreide stoom, weinig minder dan de halve spanning, welke dezelve eerst bezat, zal bezitten; zooveel zal dus die stoom ontspannen zijn.
Om stoom naar die maat te doen ontspannen, moet echter gezorgd worden, dat dezelve in de vergroote ruimte geene verkoeling ondergaat, of in temperatuur daalt beneden de juiste temperatuur, die met de uitbreiding in de vergroote ruimte overeenkomt; zoo zulks plaats vond, zoude men een gedeelte van dien stoom condenseren, en in water doen overgaan, gevolgelijk den stoom nog meer in spanning doen verminderen, gedurende, dat deszelfs ontspanning plaats vond.
§ 61.
Ten einde op eene eenvoudige wijze aan te toonen, welk voordeel in de stoomontspanning gelegen is, zullen wij van de eenvoudige lijnen der nevensstaande figuur ons bedienen.
[Illustratie: Een schematische voorstelling van een cilinder met zuiger.]
Laat A B C D eenen cilinder verbeelden waarin de zuiger door de lijn E F aangetoond wordt. Wanneer wij dien zuiger van deksel tot bodem doen dalen, bijvoorbeeld met stoom van 6 ponden spanning, dan zal men eene volume zoo gespannen stoom noodig hebben, die aan den inhoud van den cilinder gelijk is; wanneer wij echter, dien zuiger met stoom, welke slechts op een vierde of op 1-1/2 pond gespannen is, even zoo doen bewegen, dan zal men eene gelijke hoeveelheid stoom, hoewel minder hoog gespannen, behoeven; in het tweede geval zal gevolgelijk het vermogen van den zuiger vier malen kleiner zijn dan in het eerste, en zal de stoom ook circa vier malen minder digtheid bezitten, of een vierde deel van den stoom op 6 ponden gespannen, zal nagenoeg voldoende wezen, om evenzoo den cilinder te vullen met stoom op 1-1/2 pond gespannen.
Zij nu gedacht, dat men stoom, die op 6 ponden gespannen is, slechts voor een vierde deel van den zuigerslag in den cilinder laat vloeijen, dat is: wanneer de zuiger tot bij 1 gedaald is, de toevloeijing afgesloten wordt, dan zal, wanneer onder den zuiger geen tegenstand maar een voldoend ijdel heerscht, dezelve door den ingelaten' en afgesloten' stoom, nedergedrukt worden door ontspanning van den stoom, dat is door eenen stoomdruk die gestadig afneemt naar gelang de ruimte boven den zuiger grooter wordt, derwijze, dat de stoom, wanneer de zuiger bij 2 gekomen zal zijn, slechts de halve spanning van drie ponden bezit, bij 3 zal die spanning weder minder en wel een derde of 2 ponden wezen, en bij 4 zal de stoom niet meer dan een vierde of 1-1/2 pond spanning behouden hebben. Zoo men nu de stoomspanning bij den zuigerplaatsen 1, 2, 3 en 4 bij elkander telt, dat is 6, 3, 2 en 1-1/2, verkrijgt men tot som 12-1/2, welke door 4 gedeeld, eene nabijkomende gemiddelde spanning van 3-1/8 pond oplevert, waarmede men denken kan, dat de zuiger van deksel tot bodem is naar beneden gedrukt; met eenen rijzenden zuigerslag kan dit even zoo plaats vinden en behoeft geene verklaring.
Door vergelijking van dit laatste geval met het voorgaande, waarin wij den zuiger, van deksel tot bodem doorgaande met stoom van 1-1/2 pond spanning deden dalen, en waarvoor de noodige hoeveelheid stoom ook weinig verschilt met een vierde deel van den inhoud des cilinders met stoom van 6 ponden spanning, wordt het voordeel der stoomontspanning duidelijk: met ontspanning ondergaat de zuiger natuurlijkerwijze den afklimmenden druk van 6 tot 1-1/2 pond, terwijl zonder ontspanning met 1-1/2 pond doorgaanden stoomdruk, de druk tegen den zuiger nimmer grooter is, maar altijd dezelfde blijft; vandaar dat met ontspanning, de gemiddelden druk meer dan de helft van den primitieve, dat is: 3-1/8 pond bedraagt.
§ 62.
Het voordeelige der stoom-ontspanning zoude bij het berekenen, nog meer uitgekomen zijn, indien wij de ruimte, waarin de stoom opvolgende ontspant in kleinere onderdeelen hadden verdeeld; want onze gemiddelde druk is gevonden, naar de stoomspanning, die met de zuigerplaatsen 2, 3 en 4 overeenkomt, hoewel de stoomspanning tusschen 1 en 2 hooger dan op 2, tusschen 2 en 3 hooger dan op 3 en tusschen 3 en 4 hooger dan op 4 is; eigenlijk neemt de stoom vloeijend in spanning van plaats 1 tot plaats 4 af; hetgeen dan oorzaak is, dat de gevondene gemiddelde stoomspanning in ons gekozen voorbeeld nog kleiner schijnt dan zij is; met meer nauwkeurigheid is de gemiddelde stoomspanning voor den geheelen zuigerslag, met behulp van het volgende tafeltje te vinden, dat voor achtste deelen van den stoomzuigerslag geldt.
+----------------+----------------+ | ACHTSTE DEELEN | | | ZUIGERSLAG- | FACTOREN | | LENGTE. | | +----------------+----------------+ | 1 | 0.385 | | 2 | 0.597 | | 3 | 0.743 | | 4 | 0.847 | | 5 | 0.919 | | 6 | 0.966 | | 7 | 0.992 | | 8 | 1.000 | +----------------+----------------+
Het gebruik van deze tafel is eenvoudig; want tegenover het getal achtste deelen van den zuigerslag, gedurende welke de stoomtoevloeijing naar den zuiger aanhoudt, staat de Factoor of het getal, waarmede de spanning van den toegevloeiden stoom moet vermenigvuldigd worden, om de gemiddelde stoomspanning te verkrijgen, waarmede gerekend kan worden, dat de geheele zuigerslag is volbragt. Zoo is in ons voorbeeld het gedeelte zuigerslag, gedurende welke de stoomtoevloeijing duurt, 1/4, of 2 achtsten, hier tegenover staat nu in de tafel de factoor 0.597, waarmede de spanning van den ingevloeiden stoom, 6 ponden, vermenigvuldigd zijnde 3.582 geeft; de gemiddelde stoomspanning voor den geheelen zuigerslag is dus bijna 3-6/10 pond, gevolglijk meer dan wij boven vonden.
§ 63.