Part 5
Hoe sneller bij gevolg het vliegwiel rondwentelt des te sneller draait ook de regulateur rond, waarbij de kogels zich weer van de spil verwijderen, en hierdoor eene overeenkomstige verandering in den stand van de smoorklep, bij A fig. 1 aangewezen, veroorzaakt; zoodat iedere verandering in snelheid van het vliegwiel de stelling van den smoorklep daarna wijzigt. De lezer zal hierbij gemakkelijk kunnen opmerken hoe eene versnelling in de beweging van het werktuig' boven den vereischt wordenden gang, weder afneemt, daar de smoorklep dan naar gelang sluit, en de hoeveelheid stoom in den cilinder doet verminderen, waardoor de snelheid van het werktuig vertraagt; de kogels door vertraging van beweging nader bij de spil vallende, zal de smoorklep meer geopend en meer stoom ingelaten worden, hetwelk eenen versnelden gang ten gevolge heeft.
De stoom, langs de smoorklep gevloeid, valt in de stoomschuifkast. Onze afbeelding op fig. 1 is op eene te kleine schaal, om de zamenstelling van alle deelen behoorlijk te kunnen aantoonen; doch door het nagaan van de afzonderlijke beschrijving, boven gegeven, zal men het een en ander volledig kunnen begrijpen. In deze afbeelding wordt de stang, waaraan de zaamgestelde stoomschuif bevestigd is, door B aangewezen; deze stang is, op en neer beweegbaar, door eene stoom- en luchtdigte pakkingbos in het bovendeel der stoomschuifkast geplaatst, waardoor de stoomschuif de stoomdoortogten naar den cilinder beurtelings opent en sluit.
§ 43.
Door de opvolgende beurtelingsche toe- en afvloeijingen van den stoom naar en van den stoomzuiger, ontvangt deze laatste de vermogende op- en nedergaande beweging, welke aan de bovengelegene balans medegedeeld, de kruk van het vliegwiel omvoert. Het vliegwiel is van gegoten ijzer en in deszelfs buiten omtrek of velling belangrijk zwaar, waardoor, gelijk gezegd is, aan het geheele werktuig eenen gelijkmatigen gang in beweging gegeven wordt. Het valt in het oog, dat er een stilstand moet plaats hebben telken reize, als de zuiger den top of den bodem van den cilinder genaderd is, dat is bij deszelfs keerpunten, zoodat daardoor de balans met de daaraan verbondene kruk en het vliegwiel, en in het algemeen alle deelen van het werktuig een ondeelbaar oogenblik stil staan; de kruk nogtans, met eenparige snelheid doorgaande, brengt te weeg: dat bij de keerpunten des stoomzuigers, geene schokking plaats vindt. De doorgaande beweging van deze kruk wordt door het voortvliedend vermogen van het vliegwiel te weeg gebragt, en het is klaar, dat, zonder dit, de beweging van het gansche werktuig zoude ophouden, zoodat het vliegwiel hierin te gemoet komt. Wanneer namelijk een ligchaam eens in beweging is, dan heeft het in zich zelf geen vermogen, om die beweging te staken, of om tot den staat van rust over te gaan, en hetzelve zoude onafgebroken met denzelfden graad van beweging aanhouden, indien niet een of andere tegenstand van buiten, die beweging tegenhield. Deze stelling zal voor vele onzer lezers vreemd schijnen, daar wij geen ligchaam in beweging zetten, hetwelk niet na korteren of langeren tijd tot den staat van rust komt. Wanneer wij namelijk eenen kogel met eene zekere kracht over een vlakte voortwerpen, dan is het ons allen bekend, dat het ligchaam, na welligt eenige honderd ellen te zijn voortgerold, eindelijk tot rust komt. Zoo wij intusschen dien kogel, over eene gelijke oppervlakte b. v. over glad ijs werpen, dan zullen wij zien, dat de kogel tot op eenen grooteren afstand zal voortrollen, dan wel over eene oneffene oppervlakte, eer dezelve in rust komt. De oorzaak van dit verschil in den doorgeloopenen afstand bij de twee gevallen bestaat alleen daarin, dat de kogel in het eerste geval op den ruwen grond meer hinderpalen ondervond, dan wel op het gladde ijs, en zoo men in staat ware, om alle oneffenheden van den kogel en het ijs uit den weg te ruimen, dan zou dit voorwerp nog oneindig grooteren afstand afleggen,--ja, zoo de omringende lucht mede geenen tegenstand in den weg stelde, of zoo de mogelijkheid bestond, om dezen tegenstand geheel te vernietigen, dan zou de geringste kracht reeds toereikende zijn, om den kogel eene voortdurende beweging mede te deelen. Dit vermogen der ligchamen, om in den staat van rust, of in die van beweging te volharden, noemt men traagheidkracht, _inertie_.
§ 44.
Om nu de werking van het vliegwiel te verklaren, moet men op het volgende bijzonder acht geven. Wanneer namelijk twee ligchamen in beweging zijn, van hetwelk het gewigt van het eene A, gelijk is aan dat van het andere B, terwijl beiden eene snelheid van eenen voet wegs in de minuut hebben, dan zal er even veel kracht vereischt worden om het eene als om het andere tegen te houden. Zoo echter het gewigt van het eene ligchaam A twee ponden is, en het andere B slechts een pond weegt, terwijl de snelheid van beide dezelfde is, dan zal men de dubbele kracht, die men aan het ligchaam B besteedt, noodig hebben, om het ligchaam A tegen te houden. Indien het ligchaam A driemalen het gewigt hadde van het ligchaam B, dan zou er bij het stoppen van het eerste eene drievoudige kracht vereischt worden,--en zoo naar evenredigheid. Wanneer nogtans de gewigten van beide dezelfde bleven, doch de snelheid van A het dubbele werd van die van B, dan zou er eene dubbele kracht vereischt worden, om A, dan wel om B tegen te houden; en zoo A driemalen de snelheid van B had, dan zou de kracht, om A te stoppen, ook driemalen zoo groot moeten zijn. De werktuigelijke uitwerking, of het zoogenaamd moment van het in beweging zijnde ligchaam, hangt derhalve af van het gewigt en van de snelheid: zoodat een ligchaam A, van het dubbele gewigt als een ander B, en met de tweevoudige snelheid voortgaande, eene viervoudige uitwerking of momentum (hoeveelheid van beweging) uitoefent; of, met andere woorden, eene vierdubbele kracht vereischt, om tegengehouden te worden, dan wel tot het ophouden van B noodig is.
Daar nu het vliegwiel een aanmerkelijk gewigt heeft, en door de kruk wordt in beweging gezet, zoo zal er eene zeer vermogende kracht vereischt worden om deszelfs beweging tegen te houden of te stoppen. De onregelmatige drukking, welke de kruk van het vliegwiel ter omvoering mogt ondergaan, wordt overwonnen door de inertie van het vliegwiel, zoodat de ongelijkheden der beweging door de gelijkmatigheid in gang van het vliegwiel worden verholpen, alzoo bij de keerpunten van den stoomzuiger het vliegwiel evenwel deszelfs gelijkmatige beweging volgt en gevolglijk de kruk van deszelfs as, boven en beneden doet doorgaan. Wel wordt er eene aanmerkelijke krachtuitoefening van den zuiger vereischt, om het vliegwiel eerst in gang te zetten; doch eenmaal in beweging zijnde, is er ook slechts eene geringe kracht noodig, om die ronddraaijende beweging te onderhouden; het vliegwiel kan men beschouwen als een' ontvanger van ongelijkmatige beurtelings werkende kracht, doch ook als een' gelijkmatigen verspreider van dezelve.
Wij hebben gezegd, dat, bijaldien het vliegwiel eenmaal aan den gang gebragt is, er verder zeer weinige kracht vereischt wordt, om die beweging te onderhouden; dit zoo in het oog loopende voordeel bij het gebruik van een vliegwiel, heeft velen in den waan gebragt, dat dit middel als eene bron van kracht te beschouwen is; doch zulks is geheel en al onjuist. In het vliegwiel wordt, om zoo te spreken, de hoeveelheid van beweging van eenig deel, slechts opgegaard, om aan een ander gedeelte eenparig af te geven, waardoor de onregelmatigheden of stootingen in het werktuig worden voorkomen. Het vliegwiel moet derhalve slechts als eenen regulateur van kracht beschouwd worden, en is dus, even als alle andere werktuigelijke toestellen, alleen een middel, om de kracht regelmatig te onderhouden, en geenszins, om die te vergrooten.
§ 45.
Op de as van het vliegwiel is eene ronde schijf uit middelpuntig geplaatst, dat is: het middelpunt van deze schijf komt met het middelpunt van deze as niet overeen, maar wijkt in zekere mate naar de eene zijde af, zoodat het middelpunt der schijf bij het rondwentelen van het rad eenen cirkel beschrijft. Deze schijf wordt kolderschijf of excentriek genoemd en bezit op den buitenkant eene omgaande groef, waarom eenen ring beweegbaar is gevoegd, zoodat wanneer deze kolderschijf, met de vliegwiel-as omgevoerd wordende, met dezen ring, waaraan weder een raam verbonden is, aan dat raam eene heen en wedergaande beweging mededeelt. Dit raam is verbonden met eenen hefboomtoestel en daarmede met de stoomschuif, zoodat de heen en weder beweging van de kolderschijf ook de stoomschuif op en neder doet bewegen, naar eene bepaalde maat, ter opening en sluiting van de stoomdoortogten des stoomcilinders; in fig. 1 is dit raam, dat zich van de vliegwiel-as tot aan den voet van de stoomschuifkast uitstrekt, afgebeeld.
Genoemd raam, kolder of excentriek raam, ook wel roede geheeten, kan op eene eenvoudige wijze van de stoomschuif ontkoppeld worden, bloot door afligten van eene pen, hetwelk door den bestuurder van het werktuig gedaan wordt, wanneer de beweging van de machine moet ophouden; want het is klaar, dat wanneer de stoomschuif stilstaat, en er alzoo geene beurtelingsche toegang van den stoom naar den stoomzuiger meer plaats vindt, alsdan de beweging van het geheele werktuig noodzakelijk ophoudt. Zoo lang dus het kolderraam met den hefboomtoestel, dat de stoomschuif in beweging brengt, gekoppeld blijft, zal de beweging van het werktuig aanhouden, geheel in zich zelf, zonder dat men noodig heeft daaraan de behulpzame hand te leenen, het onderhouden van het vuur zal alleen noodig zijn; het werktuig regelt dus zich zelf in beweging, met hetgeen lager nog gezegd zal worden.
De balans ontleent dus deszelfs beweging van den stoomzuiger, met zich voerende eenen aangekoppelden luchtpompzuiger, voor de geheele uitwerking van het vermogen des stooms noodzakelijk; de andere arm van deze balans, drijft eene as met vliegwiel rond, hetwelk eigenlijk als het uitvoerend deel, ter toepassing op een of ander te verrigten werk, moet beschouwd worden; ook wordt nog aan die zijde eenig pompwerk daardoor in beweging gebragt, dat voor de aanvoering van het injectie of koelwater voor den condensor moet dienen, zoowel als tot het ontbrekende voedingwater des ketels. Ten aanzien van het injectie of koelwater moet gezegd worden, dat de condensor I E met de nevensgestelde luchtpomp, te zamen in eenen en denzelfden digten bak zijn vervat, welke door de koudwaterpomp J met water gevuld wordt gehouden, en dat dit zelfde water voor injectie binnen den condensor I E dient, tot welk einde eene kraan door den bestuurder naar vereischte wordt geopend; eene kleine pomp, in deze figuur, om verwarring te vermijden, niet afgebeeld, dient, om uit den warmwaterbak I in de voeding van den ketel te voorzien.
§ 46.
Dat wij nu overgaan, om naar de grootte der hoofddeelen het vermogen van het werktuig te bepalen, en de hoeveelheid brandstoffen, welke voor de vereischte hoeveelheid stoom noodig is, mitsgaders: hoeveel water men voor den verbruikten stoom weder in den ketel moet aanvullen, en wat aan koelwater voor de condensatie moet worden geleverd.
Men is gewoon, het vermogen van een stoomwerktuig uit te drukken in paardenkrachten, dat is: in het vermogen van een zeker getal paarden, welke voorondersteld in den rosmolen te werken, hetzelfde werk zouden doen, dat met het werktuig verrigt wordt: maalt men bij voorbeeld 100 mudden graan met het werktuig in een uur tijds, dan zal het vermogen van hetzelve gelijk zijn aan het getal paarden, welke in den rosmolen die zelfde hoeveelheid graan in gelijke tijd vermalen; dat is, gelijk aan zooveel paardenkrachten. Maar dewijl de paarden allen niet even krachtig zijn, heeft men eenen gemiddelden term daarvoor moeten aannemen, welke volgens de ondervinding met het gemiddeld vermogen van een paard overeenkomt. De groote verbeteraar der stoomwerktuigen de Engelsman J. Watt, heeft gesteld, dat een paard van middelbare sterkte 4562-1/3 ned. ponden, eene ned. el hoog kan opvoeren in den tijd van 1 minuut; of hetgeen hetzelfde is, het dubbeld van dit gewigt, een halve ned. el hoog in denzelfden tijd, of ook, zoo men wil, de helft van dit gewigt of 2781-1/6 ned. ponden, twee ellen hoog in eene minuut.
Wat ons derhalve te doen staat, om het vermogen van een stoomwerktuig in paardenkrachten te bepalen, bestaat daarin, dat wij onderzoeken, hoeveel ponden door het werktuig in den tijd van eene minuut een el hoog kunnen worden opgeligt. Hiertoe zal van den kant onzer lezers slechts eene geringe oplettendheid, bij het nagaan van het volgende, vereischt worden.
§ 47.
Telkens als de stoomzuiger eenen slag op- of neer doet, wordt dezelve gedrukt met een vermogen, dat met de spanning van den toegevloeiden stoom aan eene zijde des zuigers gelijk is, min den tegenstand, welken de zuiger aan de andere zijde door het onvolmaakt ijdel in den condensor ondervindt; de stoom, welke in stoomcilinders van lagen druk gewoonlijk werkt, gaat den gemiddelden druk des dampkrings omstreeks een vierde deel te boven; dat is bedraagt ongeveer 129 Ned. looden op eenen vierkanten Ned. duim; doch door het nimmer volmaakt ijdel binnen den condensor, heerscht aan de tegenzijde des stoomzuigers nagenoeg een tegendruk van 9 Ned. looden per vierkante Ned. duim, welke dus van de stoomspanning moet worden afgetrokken, waardoor elke vierkante duim van den stoomzuiger ter beweging voortgedrukt wordt met 120 looden per vierkante duim. Het geheele oppervlak des zuigers zal dus gedrukt worden met zoo veel maal 120 looden, als dat oppervlak vierkante duimen bevat. Het vinden van het getal vierkante duimen, welke het oppervlak van eenen ronden zuiger van eene gegevene middellijn bevat, geschiedt naar den volgenden regel: vermenigvuldig het getal duimen, waaraan de middellijn van den zuiger gelijk is, met zich zelf, en het produkt weder met 0.7854, dan zal het laatste produkt het gevraagde getal vierkante duimen zijn, waaraan het oppervlak des zuigers gelijk is.
Bij voorbeeld: laat de middellijn des zuigers 57 duimen wezen, dan geeft 57 maal 57; voor produkt 3249 dat, weder 0.7854 malen genomen, 2551-3/4 vierkante duimen voor het oppervlak des zuigers oplevert, zoo veel maal 120 looden zal dus de totale druk zijn, waardoor de stoomzuiger bewogen wordt, dat is 2551-3/4 maal 120 geeft 306210 Looden of ruim 3062 Ned. ponden.
Maar nu is de vraag: met welke snelheid zal zoodanige zuiger, die door 3062 ponden gedrukt wordt, zich bewegen, ten einde derzelver vermogen daarnaar te kunnen berekenen; hierover moet gezegd worden, dat hoe langer de slag des zuigers is, hoe meer snelheid dezelve zal kunnen aannemen, altijd in de veronderstelling, dat genoegzame hoeveelheid stoom door den ketel geleverd wordt; aan stoomzuigers van bovengemelde middellijn wordt, voor landmachinen, veelal het dubbel der middellijn tot lengte van slag gegeven, dus hier 114 duimen, die, zoo wel dalende als rijzende, door den zuiger worden afgelegd; de voegzaamste snelheid voor zoodanige slaglengte is gelijk aan het afloopen van 60 ellen in eene minuut, waarvoor deze zuiger ruim 26 dalingen en even zoo vele rijzingen moet volbrengen; of omdat eene daling en eene rijzing, met eene omgang van het vliegwiel overeenkomt, ruim 26 vliegwielomgangen. Wanneer dan werkelijk deze zuiger 60 ellen wegs in eene minuut afloopt, dan komt het vermogen van den stoomzuiger overeen met 3062 ponden 60 ellen hoog opgebragt in eene minuut, of met 183720 Ponden 1 el hoog in denzelfden tijd. Daar nu eene paardenkracht aan 4562-1/3 ponden, 1 el in een minuut opgevoerd, gelijk is, zoo volgt dat het vermogen van dezen zuiger in paardenkracht gevonden wordt, wanneer men 183720 door 4562-1/3 deelt, hetgeen tot quotiënt nagenoeg 40 paardenkrachten oplevert.
§ 48.
De lezer zal echter dadelijk opmerken, dat die 40 paardenkrachten niet geheel door het werktuig zullen kunnen worden uitgevoerd, want de zuiger ondergaat in den cilinder wrijving, die overwonnen moet worden, dit kost een gedeelte kracht. Even zoo als het met den zuiger gesteld is, zoo kosten ook alle andere bewegende deelen van het werktuig kracht, om derzelver wrijving te overwinnen; als de wrijving des luchtpompzuigers, der zuigerstangen in de pakkingbossen, der parallelle beweging, der koudwater- en voedingpompen, balans en vliegwiel-assen met krukpen, en dit alles nog, behalve het gewigt van het water, dat de lucht-koudwater- en voedingpompen moeten opbrengen, enz. Hieraan nu gaat een aanmerkelijk gedeelte van het primitieve gevondene vermogen des stoomzuigers verloren, zoo zelfs, dat dit verlies op ongeveer 3/5 deelen van het eerst gevondene vermogen des zuigers geschat moet worden; de overblijvende 2/5 deelen van dat vermogen, zullen alzoo de eigenlijke nuttige uitwerking van dit stoomwerktuig zijn.
§ 49.
Het is niet mogelijk, met juistheid op te geven, welk gedeelte van het primitieve vermogen aan de onderscheidene wrijvingen enz., in eenig stoomwerktuig verloren gaat; door navorsching en berekening kan men wel tot een nabijkomend getal komen, doch tot uiteenzetting hiervan is het bestek van dit schrijven te beperkt. In het algemeen maakt men van eene zoo berekende grootheid, voor krachttoekenning aan een stoomwerktuig geen gebruik, maar bezigt eenvoudige regelen, waardoor men het aantal zoogenaamde nominale paardenkrachten vindt, welke het werktuig voor eenig te verrigten werk oplevert; die regelen geven wel is waar geen strenge of juiste uitkomst, maar voldoen zeer wel in de praktijk; de meestgebruikelijke regel is de volgende:
Men vermenigvuldigt het getal ned. duimen, waaraan de middellijn des stoomzuigers gelijk is met zich zelf, het komende product met het getal ned. ellen, hetwelk de stoomzuiger in eene minuut tijds doorloopt, en deelt dit laatste product door 11016; dan zal het quotient het gevraagde getal nominale paardenkrachten wezen, welke het werktuig zal kunnen uitoefenen; elke paardenkracht gelijk aan een vermogen als in § 46 staat uitgedrukt. Boven is gezegd, dat de gevoegelijke snelheid van eenen stoomzuiger tevens afhankelijk is van de lengte van deszelfs slag; in het onderstaande tafeltje staan die snelheden tegenover de zuigerslaglengten opgeteekend[4].
+----------------------+-------------------------------+ | ZUIGERSLAGLENGTEN. | SNELHEDEN VAN DEN | | | ZUIGER. | |----------------------+-------------------------------| | N. Palmen. | N. Ellen per minuut. | | 4 | 49.8 | | 6 | 52.7 | | 8 | 55.5 | | 10 | 58.2 | | 12 | 60.7 | | 14 | 62.3 | | 16 | 65.5 | | 18 | 67.6 | | 20 | 69.7 | +----------------------+-------------------------------+
Zij nu tot voorbeeld ter berekening genomen dezelfde zuigermaat en slaglengte, welke wij in § 47 bezigden.--De middellijn des zuigers is 57 duim, dus 57 maal 57 geeft 3249, dit weder vermenigvuldigd met 60, omdat de zuigerslaglengte 11.4 Palmen bedraagt, levert voor produkt 194940 op, hetwelk gedeeld door 11016, tot quotient 17-7/10 geeft, dat is: een stoomwerktuig van lagen druk met eenen cilinder voorzien, waarin zoodanige zuiger werkt, wordt een vermogen van 17-7/10 nominale paardenkrachten toegeschreven.
[4] Naauwkeurige en uitgebreide tafelen dezer gevoegelijke snelheid vindt men in het werkje, getiteld: _Nominaal vermogen van Lagendruk-stoomwerktuigen, gespecificeerd door D. van den Bosch_; te Amsterdam bij _Gebroeders Diederichs_, 1839.
§ 50.
Wij hebben overal bij het berekenen van den druk van stoom en ook van den dampkring eenen vierkanten Ned. duim tot eenheid gebruikt, maar men kan ook den druk op eenen cirkelronden Ned. duim daarvoor bezigen, hetwelk eenig gemak in de berekeningen voor het oppervlak van ronde zuigers met zich brengt.--Een vierkant, dat eenen duim tot zijde heeft, grooter oppervlak bezittende, dan een cirkel van eenen duim middellijn, zoo is noodwendig de druk op eenen ronden of cirkelvormigen duim kleiner dan op eenen vierkanten duim; om dan den druk op eenen vierkanten duim tot den druk op eenen ronden duim te herleiden, moet men den eersten vermenigvuldigen met 0.785; bij voorbeeld: de gemiddelde dampkringsdruk op eenen vierkanten ned. duim bedraagt 103.3 lood, dit met 0.785 vermenigvuldigende, zoo bekomt men 81.1 lood voor den gemidd. dampkringsdruk op eenen cirkelvormigen Ned. duim. Op deze wijze den druk op een cirkelvormig oppervlak van één duim middellijn gevonden hebbende, is het gemakkelijk den geheelen druk op grootere oppervlakten, die cirkelrond zijn te bepalen: men vermenigvuldige slechts het aantal duimen van de middellijn eerst met zich zelf en dan met dien gevondenen herleiden druk op eenen cirkelvormigen duim. Hoewel wij in dit geheele werkje ons bij dezelfde oppervlakte eenheid, het vierkant op den duim namelijk, zullen houden, is het echter niet overbodig het gebruik van den cirkelvormigen duim tot dat zelfde einde te kennen, om reden er soms opgaven gedaan worden, welke op die eenheid gebaseerd zijn. Overigens komt voor het spoedig vergelijken van ronde oppervlakten, het rekenen met cirkelvormige duimen, bijzonder te pas.
§ 51.
In het begin van dit werkje hebben wij gezegd, dat water, onder de gemiddelde drukking van den dampkring aan het koken gebragt zijnde, stoom ontwikkelt op de temperatuur van 212 graden volgens Fahrenheits Thermometer, en dat de dus gevormde stoom eene spanning of veerkracht bezit, die gelijk staat met de drukking van eenen dampkring of atmospheer, dat is: eenen druk uitoefent van 103.3 Ned. looden op eene oppervlakte, die een vierkante Ned. duim groot is; daar nu het koken van water in eenen openen ketel en in de vrije lucht, eigenlijk niets anders is dan het ligten van den dampkring door den daaruit opstijgenden stoom, en de dampkring, blijkens de aanwijzing van den Barometer, eene verschillende zwaarte kan hebben, zoo volgt: dat het water des te gemakkelijker zal koken, hoe ligter de dampkring is. De ondervinding heeft zulks ook bewezen, want bij een' lagen stand van het kwik in den Barometer, dat is: bij eenen ligten dampkring, kookt het water beneden 212 graden; maar staat het kwik in den Barometer hoog, en is dus de dampkring zwaar, dan worden er meerdere warmtegraden voor het koken van het water vereischt. Op hooge bergen, alwaar de kwikkolom in den Barometer, door verminderde dampkringshoogte aanmerkelijk lager staat, kookt het water op veel lager temperatuur, dan op plaatsen aan het oppervlak der aarde of aan het gemiddeld oppervlak des Oceaans gelegen; zelfs kunnen de dagelijksche veranderingen in den druk des dampkrings op eene zelfde plaats het kooktemperatuur van water, circa 2 graden hooger of lager doen zijn; de druk op de kokende vloeistof dezelfde blijvende, zal het kooktemperatuur niet veranderen.
Maar wat gebeurt er, wanneer de ketel, welke het water bevat, gesloten wordt?
In eenen gesloten' ketel moet de uit het water opstijgende stoom zich daar binnen zamendringen, en bij gevolg eenen meerderen druk op het water uitoefenen, zoodat het water meer verhit zal moeten worden, om volgenden stoom te leveren; doch tegelijk neemt de spanning van den stoom binnen den ketel, door de opvolgende zamendringing weder toe, hetwelk, daar het druk vermogen bij de aanhoudende verhitting aanwast, te weeg brengt: dat het water in eenen geslotenen' ketel nimmer aan het koken raakt, ofschoon het vuur daaronder onophoudelijk blijft werken; hierbij moet natuurlijkerwijze voorondersteld worden, dat de ketel sterk genoeg is, om dien veel vermogenden zamengedrongen' stoom wederstand te bieden, dat is: dat hij niet kan bersten.