Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking.

Part 10

Chapter 102,652 wordsPublic domain

+--------------------------------------------------------------+ | _Engelsche Maten._ | _Nederlandsche_ | | | _Maten._ | |--------------------------------------+-----------------------| |1/8 Duim is nagenoeg gelijk aan| 3.17 Strepen. | |1 " " " | 2.54 Duimen. | |1 Voet " " | 3.05 Palmen. | |1 Statuut Mijl " " |1609.3 Ellen. | |1 Vierkante Duim " " | 6.45 Vierk. Duimen. | |1 " Voet " " | 9.29 " Palmen. | |1 Kubiek Duim " " |16.386 Kub. Duimen. | |1 " Voet " " |28.315 " Palmen. | |1 Avoir du Pois (pond) " " |45.36 Looden. | |1 Trooisch Pond " " |37.32 " | |1 Gallon " " | 4.54 Kannen. | |1 Chaldron " " |13.09 Mud. of Vat. | |1 Buchel " " | 0.36 " " | +--------------------------------------------------------------+

+--------------------------------------------------------------+ | _Nederlandsche Maten._ | _Engelsche_ | | | _Maten._ | |---------------------------------+----------------------------| |1 Duim is nagenoeg gelijk aan| 0.39 Duimen. | |1 Palm " " | 3.94 " | |1 El " " | 3.28 Voeten. | |1 Mijl " " |3280.9 " | |1 Vierkante Duim " " | 0.16 Vierk. Duimen. | |1 " Palm " " |15.50 " " | |1 " El " " |10.76 " Voeten. | |1 Kubiek Duim " " | 0.061 Kub. Duimen. | |1 " Palm " " |61.027 " " | |1 " El " " |35.317 " Voeten. | |1 Pond " " | 2.205 A. d. Pois (pond) | |1 " " " | 2.679 trooische " | |1 Kan of Kop " " | 0.22 Gallon. | |1 Mud of Vat " " | 0.076 Chaldron. | |1 " " " " " | 2.75 Buchels. | +--------------------------------------------------------------+

Eene Geographische mijl van 60 in eenen gemiddelden graad, eene Engelsche zeemijl, is gelijk aan 6076 Engelsche voeten of aan 1852 Nederlandsche ellen;

Eene Geographische mijl van 20 in eenen gemiddelden graad, of een Hollandsch uur gaans, is gelijk aan 18227 Engelsche voeten of aan 5555.6 Nederlandsche ellen.

Eene Geographische mijl van 15 in eenen gemiddelden graad, dat is eene Duitsche mijl of eene Hollandsche zeemijl, is gelijk aan 24303 Engelsche voeten of aan 7407-1/2 Nederlandsche ellen.

BIJVOEGSEL.

Eene zoogenaamde Paardenkracht is gelijk aan 33000 Engelsche A. d. P. (ponden), in den tijd van 1 minuut, 1 voet hoog opgebragt; overeenkomende met 4562-1/2 Nederlandsche ponden, in den zelfden tijd, 1 Nederlandsch el hoog opgevoerd, (zie § 46).

De gemiddelde hoogte van den kwikkolom in den Barometer, bedraagt 30 Engelsche duimen, overeenkomende met 76.2 Nederlandsche duimen, (zie § 10).

* * * * *

Het gebruik der beide volgende tafelen is eenvoudig, bij voorbeeld: welke middellijn behoort een stoomzuiger te hebben, voor eene machine van 100 nominale paardenkrachten? Hiertoe bezigt men de eerste tafel, waarin tegen over dat getal der eerste kolom, in de tweede kolom 122.2 Ned. duimen voor de gevraagde zuigermiddellijn gevonden wordt, in de derde kolom is daar nevens, het dubbel, of de slaglengte 2.44 ned. ellen gesteld, en in de vierde kolom het aantal dubbele zuigerslagen, 15.1, in eene minuut.

Ten andere willende weten, hoeveel nominale paardenkrachten overeenkomen met de middellijn van eenen stoomzuiger van 120 ned. duimen? zoo vindt men in de tweede tafel in de vierde kolom tegenover dit getal duimen, 96 N. paardenkrachten; de dubbele slaglengte, 2.40 ned. el., wordt in de tweede, en het aantal dubbele zuigerslagen per minuut, 15.3, in de derde kolom daar nevens gevonden.

+-----------------------------------------------------------+ | Z U I G E R. | | | +-----------------------------------------------------------+ | NOMINALE MIDDELLIJN. SLAGLENGTE. DUBB. SLAGEN | |PAARDENKRACHTEN. PER MINUUT. | | _Nederl. duimen._ _Ned. ellen._ | |-----------------------------------------------------------| | 1 15.1 0.35 80.5 | | 2 21.0 0.42 59.6 | | 4 29.0 0.58 45.2 | | 6 34.9 0.70 38.7 | | 8 39.9 0.80 34.7 | | 10 44.1 0.88 32.2 | |-----------------------------------------------------------| | 12 47.9 0.96 30.0 | | 14 51.3 1.03 28.4 | | 16 54.5 1.09 27.2 | | 18 57.4 1.15 26.2 | | 20 60.2 1.20 25.3 | | 25 66.5 1.33 23.3 | |-----------------------------------------------------------| | 30 72.1 1.44 22.1 | | 35 77.2 1.54 21.0 | | 40 81.8 1.64 20.1 | | 45 86.1 1.72 19.4 | | 50 90.2 1.80 18.8 | | 55 94.1 1.88 18.2 | |-----------------------------------------------------------| | 60 97.7 1.95 17.7 | | 65 101.1 2.02 17.3 | | 70 104.5 2.09 16.9 | | 75 107.7 2.15 16.6 | | 80 110.8 2.21 16.2 | | 85 113.8 2.27 15.9 | |-----------------------------------------------------------| | 90 116.7 2.33 15.6 | | 95 119.5 2.39 15.3 | | 100 122.2 2.44 15.1 | | 110 127.4 2.55 14.7 | | 120 132.3 2.65 14.3 | | 130 137.1 2.74 13.9 | |-----------------------------------------------------------| | 140 141.6 2.83 13.6 | | 150 145.9 2.92 13.3 | | 160 150.2 3.00 13.0 | | 170 154.3 3.09 12.8 | | 180 158.2 3.16 12.5 | | 190 162.1 3.24 12.3 | |-----------------------------------------------------------| | 200 165.9 3.32 12.1 | | 210 169.5 3.39 11.9 | | 220 173.0 3.46 11.7 | | 230 176.5 3.53 11.5 | | 240 179.9 3.60 11.3 | | 250 183.3 3.67 11.2 | +-----------------------------------------------------------+

+-----------------------------------------------------------+ | Z U I G E R. | | | +-----------------------------------------------------------+ | MIDDELLIJN. SLAGLENGTE. DUBB. SLAGEN NOMINALE | | PER MINUUT. PAARDENKRACHTEN | | _Ned. duimen._ _Ned. ellen._ | +-----------------------------------------------------------+ | 15 0.30 80.5 1.0 | | 20 0.40 62.3 1.8 | | 25 0.50 51.3 2.9 | | 30 0.60 44.0 4.3 | | 35 0.70 38.7 6.0 | |-----------------------------------------------------------| | 40 0.80 34.7 8.1 | | 45 0.90 31.6 10.5 | | 50 1.00 29.1 13.2 | | 55 1.10 27.0 16.3 | | 60 1.20 25.3 19.8 | |-----------------------------------------------------------| | 65 1.30 23.8 23.8 | | 70 1.40 22.6 28.1 | | 75 1.50 21.4 32.8 | | 80 1.60 20.5 38.0 | | 85 1.70 19.6 43.6 | |-----------------------------------------------------------| | 90 1.80 18.8 49.7 | | 95 1.90 18.1 56.3 | | 100 2.00 17.4 63.3 | | 105 2.10 16.8 70.7 | | 110 2.20 16.3 78.7 | |-----------------------------------------------------------| | 115 2.30 15.8 87.1 | | 120 2.40 15.3 96.0 | | 125 2.50 14.9 105.4 | | 130 2.60 14.4 115.2 | | 135 2.70 14.1 125.6 | |-----------------------------------------------------------| | 140 2.80 13.7 136.4 | | 145 2.90 13.3 147.7 | | 150 3.00 13.0 159.5 | | 155 3.10 12.7 171.8 | | 160 3.20 12.4 184.6 | |-----------------------------------------------------------| | 165 3.30 12.1 197.8 | | 170 3.40 11.9 211.5 | | 175 3.50 11.6 225.6 | | 180 3.60 11.3 240.3 | | 185 3.70 11.1 255.3 | +-----------------------------------------------------------+

VERKLARING DER AFBEELDINGEN,

VOORSTELLENDE EENE STOOMMACHINE VAN LAGE DRUKKING MET DAARBIJ BEHOORENDEN STOOMKETEL VOOR EEN VAARTUIG, NAAR DE LAATSTE MEEST VERTROUWDE ZAMENSTELLING.

Een stoomvaartuig bevat gewoonlijk twee gelijke _machinen_ welken te zamen eene _hoofd-_ of _wiel-as_ in beweging brengen, waaraan de _roei-wielen_ of _schepraden_ zijn verbonden, die ter weder zijde van het vaartuig op eenige diepte in het water treden, en rond wentelende, alzoo den drijvende bodem voortstuwen. Elke machine drijft de _hoofd-_ of _wiel-as_ om door middel van eene _kruk_; de beide _krukken_ zijn in regthoekige rigting tot elkander op de _hoofd-as_ gesteld, zoodat dezelve nimmer gelijktijdig in hoogsten of laagsten stand staan, maar een vierde van eenen omwenteling daarin met elkander verschillen. Beide _machinen_ worden met stoom voorzien, het zij door eenen enkelvoudigen of door een zamenstel van meer dan eenen _ketel_. In de onderwerpelijke afbeeldingen is het een enkelvoudige _ketel_ voor stoomlevering aan twee gelijke _machinen_; eene dergelijke en nevens elkander geplaatste _machine_ wordt hier alleen voorgesteld, waarvan de verklaring geheel op de andere toepasselijk is.

Figuur 1. verbeeldt het zij aanzigt van den enkelvoudigen _stoomketel_ en van eene _machine_. Figuur 2. is de doorsnede overlangs van dien _ketel_ en van die zelfde _machine_; de _roei-wielen_ of _schepraden_ zijn alleen met gestippelde lijnen in Fig. 1 aangeduid, hetgeen voldoende duidelijk is, en geene verdere uitleg behoeft, de bijgestelde letters en nommers dienen in beide Figuren voor de volgende aanwijzingen:

AAAA _stoomketel_ met in besloten _fornuis_ B'BB; dit _fornuis_ bestaat uit twee nevens elkander gelegene _vuurhaarden_ of _vuurplaatsen_, waarvan hier slechts eene B', zigtbaar is, en uit twee daarmede afzonderlijk gemeenschap hebbende _rookleidingen_, waarvan gedeelten bij BB te zien zijn; in de _vuurplaatsen_ wordt de brandstof verbrand, waarvan de overblijvende sintels en asch in de ruimte C door de _roosters_ nedervallen; door de _rookleidingen_ BB stroomt het vlammende gaz of de verhitte rook van de vuren naar den _schoorsteen_ D, waar van hier het onderdeel slechts staat afgebeeld, en met eenen beschermenden _mantel_ omgeven ter beveiliging van het scheepsdek tegen brand; dit onderdeel van den _schoorsteen_ is met deszelfs _mantel_ op den _ketel_ bevestigd, terwijl het bovendeel boven dezen _mantel_ op eenen omgaanden rand van het onderdeel staat, doch geheel onverbonden, ten einde dat bovendeel overboord zoude kunnen vallen zonder dat de vuurstroom uit de _rookleiding_, eenige schade aan het dek te weeg brengt; een weinig boven den _mantel_ is de _schoorsteen_ met eene draaibaren _wartelklep_ AB voorzien, even als in eene gewonen kagchelpijp, waarmede men den zoogenaamden trek, welken de _schoorsteen_ daarstelt, kan wijzigen of geheel beletten.

Het geheele _fornuis_ is binnen den _ketel_ rondom met water omgeven; men herkent de vereischte hoogte van dat water, door aanwijzing van eenen _vlotter_ of _drijver_ E, welke tot dat einde op eene as beweegt, die buiten den _ketel_ doorsteekt; de herkenning van de waterhoogte geschiedt ook nog door middel van de _peilkranen aa_; ook is er nog eene _glazen buis_ buiten tegen den _ketel_ geplaatst, die met het inbesloten water gemeenschap heeft, doch die ter voorkoming van verwarring in de afbeeldingen op eene zoo kleine schaal niet is afgeteekend. Ook is hier om dezelfde reden de afbeelding achtergelaten, van eene dier vele toerigtingen, waardoor een _watergebrek_, onafhankelijk van de bijzondere oplettendheid van den bestuurder of van den vuurstoker, kennelijk gemaakt wordt. Dit wordt aangewezen of door uitstrooming van stoom of heet water, _op_ of _vóór_ het oogenblik, dat watergebrek binnen den _ketel_ bestaat, of door eenig geruisch makend, of sterk in het oog vallend middel, ter bijzondere waarschuwing; welke toerigting in aard of wijze gekozen wordt, overeenkomstig de daarvoor bestaande plaatsgelegenheid.

F is eene op de _stoomkap_ des ketels geplaatste kast, waarin zich twee _veiligheidskleppen_ bevinden; eene dier _kleppen_ is met derzelver onderaan gehangene _belading_ G slechts hier te zien, deze _veiligheidsklepkast_ heeft bovenop, eene opening met _ontlastpijp_ II (hier even als het bovendeel des schoorsteens als afgebroken voorgesteld), waardoor de overvloedige stoom, bij opening van eene of beide _veiligheidskleppen_ ontvliedt; I, I, I is een hefboomtoestel, waarmede eene der _veiligheidskleppen_, door den bestuurder van de machine, naar willekeur kan geopend worden, door slechts aan de schroevende _handkruk b_ te draaijen; de andere _veiligheidsklep_, die een weinig meer beladen is, kan niet met de hand geligt worden, is zelfs tot dat einde afgesloten, om alleen uit zich zelve te ligten, wanneer er overvloed of te hoog gespannen stoom bestaat, of ingeval door eenig gebrek stoomontlasting door de eerste verhinderd wordt; _c_ is eene dunne pijp, waardoor het water, dat zich in de _veiligheidsklepkast_ vergaderen mogt, afloopt buiten boord; _d_ is een _stoommeter_ met eenen kleinen, op kwik drijvenden, _stijl_ voorzien, welke de mate der _stoomspanning_, die binnen den _ketel_ heerscht, op eene nevensgeplaatste _schaal_ aanwijst.

KK _spuibuis_ met _kraan_, welke door het scheepsvlak gaat, en alzoo met het buitenwater gemeenschap heeft, dient om uit den _ketel_ naar verkiezing water te loozen gedurende of na deszelfs werking, of om den ledigen _ketel_ van water te voorzien; de _spuibuis_ bezit nog eene andere _kraan e_, waardoor men water door middel van eene nader aan te wijzene _handperspomp_ in den _ketel_ brengen, of denzelven daardoor ontledigen kan.

L _mangatdeksel_, dat eene opening in de _stoomkap_ des ketels dekt, genoegzaam groot ter doorlating van eenen persoon; dit _deksel_ is met eene _luchtklep f_ voorzien; _g_ is een _slikgatdeksel_, te openen voor de reiniging des _ketels_.

M _voedingkraan_, waardoor de _ketel_ deszelfs _voeding_ met _warm water_ door de _machine_ geniet; deze _kraan_ is naar gelang der behoefte aan _voedingwater_, met de hand te openen of te sluiten.

N is eene kast, welke eene _klep_ bevat, die door draaijing van het _handwiel h_ geheel of gedeeltelijk opengezet, of gesloten kan worden, hierin vloeit de stoom uit den _ketel_, en bij geopende _klep_ uit den _ketel_ naar de _machinen_ door de aanverbondene _leibuizen_ O.

PP _stoomcilinder_ met daarin digt sluitenden _zuiger kk_, waarvan de _stang_ door eene _pakkingbos i_ van het _stoomcilinderdeksel_ opgaat; de stoom vloeit in dezen _cilinder_ boven of onder den _zuiger_ uit de _stoomschuifkast l l_ naar gelang van den stand der daarbinnen beweegbare _stoomschuif l l_, door den boven of onder _stoomdoortogt i' i'_. De _stoomschuifkast l l_ wordt met stoom uit den _ketel_ voorzien langs de _smoorklep m_, welke naar willekeur meer of min opengezet kan worden door middel van het bovengelegen handvat; de toegang van den stoom naar de _smoorklep_ vindt plaats door den _hollen band n n_ welke den _stoomcilinder_ omgeeft, en waarmede de _stoomleibuis_ O is vereenigd.

_Bodem_ en _deksel_ van den _stoomcilinder_ bezitten naar eisch beladene _waterkleppen n' n'_, waardoor toevallig in den _cilinder_ geslagen water zich zelf ontlast.

Boven kleine openingen in het _cilinderdeksel_ zijn kleine _kommen_, met _kranen p p_ voorzien, geplaatst, waardoor men naar welgevallen, olie of vet tot den _zuiger_ kan doen vloeijen.

De opgaande _stoomzuigerstang_ is aan derzelver top met een _dwarsjuk_ vereenigd, de armeinden van dit _juk_ zijn ter wederzijden van den _stoomcilinder_ beweegbaar verbonden, met _zijroeden q_, die benedenwaarts, even zoo met de armen van een paar _balansen_ QQ zijn gekoppeld; de _stoomzuiger k k_ door den druk des stooms zich op- of neder bewegende, geeft dus, door tusschenkomst van deze _zijroeden q_, gelijke beweging aan de _balansen_ QQ.

Voor de rigtige leiding van den top der _stoomzuigerstang_ heeft men de _zijroeden q_ beweegbaar verbonden met het zoogenaamde toestel der _evenwijdige_ of _parallele beweging_, bestaande uit de _straalroeden_ 22 en de _koppelroede_ 44, die de _straalroeden_ aan kleine beweegbare _krukken_ 33 en de _balans_ verbindt.

Elk paar _balansen_ QQ is bij het einde der tegenovergestelde armen onderling vereenigd door een ander _juk r_, uit welks midden eene _drijfstang_ R opgaat, waarvan het boveneinde beweegbaar verbonden is met de _pen_ van de _hoofdaskruk_ SS' derwijze, dat de _hoofdas_ S', daardoor kan worden omgevoerd; de _kruk_ TT der _wielas_ wordt door de omwentelende eerste _kruk_ SS' voortgedreven, door tusschenvoeging van een _koppellid_ U, zoodat de buiten boord daaraan verbondene _roeiwielen_ of _schepraden_, daarmede omdraaijen.

De _hoofdas_ S' is door eene _excentriek-schijf_ VV omvat; om deze _schijf_ is een _ring_ beweegbaar en aan de _excentriek-roede_ W verbonden, welke _roede_ aan het andere einde in eene keep den _arm t_ vat, die op eene beweegbare as bevestigd is; de _hoofdas_ S' de _excentriek-schijf_ VV mede voerende, zal alzoo door tusschenkomst van de _excentriek-roede_ W, den _arm t_ heen en weder bewegen met de daaraan bevestigde as.

Deze laatste as bezit ter wederzijde van de _stoomschuifkast_ eenen arm _u_, met daaraan beweegbaar verbondene opgaande ligte _zijroeden_, welker toppen even zoo zijn verbonden met een klein _dwarsjuk_ op den top _u'_ van de stang der _stoomschuif_, welke stang door eene _pakkingbos_ van het _deksel_ der _stoomschuifkast ll_ uitkomt; op die wijze wordt dan de _stoomschuif_ door middel van de _excentriek-schijf_ VV mede op en neder bewogen; _v'v'_ is het _tegenwigt_ der _stoomschuif_. De hoogste en laagste standen van de _stoomschuif_ hebben niet gelijktijdig plaats met de hoogste en laagste standen van den _stoomzuiger_, opdat de stoomtoelating dan eerst plaats vinde, wanneer de _stoomzuiger_ deszelfs hoogsten of laagsten stand bereikt heeft; hiertoe is aan de _excentriek-schijf_ VV op de _hoofdas_ S' eene daarvoor passende rigting gegeven, zoodat de hoogste en laagste standen van de _stoomschuif_ plaats vinden, nadat de _stoomzuiger_ circa een vierde deel van deszelfs slag is gedaald of gerezen. De stand van de _excentriek-schijf_ voor vooruitwerking van de _roeiwielen_ of _schepraden_ niet dezelfde zijnde, als voor achteruitwerking van dezelve, zoo is voor het aannemen van die twee verschillende standen van de _excentriek-schijf_, de noodige _wisselruimte_ op de _hoofd-as_ gelaten.

Om de beweging van de _stoomschuif_, en bijgevolg van de _machine_ te doen ophouden, bestaat bij de _keep_ der _excentriek-roede_ W eene _klink w_, waarmede de bestuurder met de hand de _excentriek-roede_ van den _arm t_ ontkoppelt, en daardoor het op- en neder bewegen van de _stoomschuif_ doet staken, zoodat de _stoomzuiger k k_ de beurtelingsche toelating van stoom mist en gevolgelijk zal stilstaan.

Met den _arm t_ is een lange _hefboom_ of _handel x x_ vereenigd, welke dient, om bij ontkoppeling van den _arm t_ van de _excentriek-roede_ W, aan de _stoomschuif_ zoodanigen stand met de hand te geven, als geschikt is, om de _stoomzuiger k k_ te doen rijzen of dalen, naar gelang men, tot voor- of achteruit werken, de _roeiwielen,_ of _schepraden_ in beweging verkiest te stellen. Dit aanvankelijk in beweging stellen van de _machine_ naar behooren door de hand van den bestuurder plaats vindende, zoo bezorgt deze, door verzetting van de _klink w_, de weder zamenkoppeling van de _excentriek-roede_ W met den _arm t_, waardoor het vervolg der beweging in den aangevangen zin uit zich zelf, zal worden onderhouden.

X X is de _condensor_ waarin de stoom uit den _stoomcilinder_ vloeit, om tot water verdikt te worden, door aldaar in aanraking te komen met koud water, dat door het pijptoestel o' o' en de _injectiekraan y_ vloeit; de toevloeijing van het _injectiewater_ wordt geregeld door den bestuurder, want daartoe houdt de _injectiekraan_ eene _handkruk z_.

Y _luchtpomp_ met insluitenden _zuiger_, die _opslaande kleppen_ 1, 1 bezit; de _luchtpompzuigerstang_ is even als de _stoomzuigerstang_ met een _dwarsjuk_ verbonden, waarvan _zijroeden_ 2 nedergaan, die met de _balansen_ QQ gekoppeld zijn; zoodat wanneer de _stoomzuiger_ rijst de _luchtpompzuiger_ daalt en omgekeerd. De _luchtpompzuiger_ trekt opgaande het van den stoom en der _injectie_ herkomstige water, met de tevens uit het water ontwikkelde lucht uit den _condensor_ XX door de _condensorklep_ 4, en voert dit op deszelfs _kleppen_ 1,1 in den _warm-_ of _heet waterbak_ Z door de _klep_ 5 van dien _bak_.