Verklaring Van Het Stoomwerktuig Zijnde Eene Algemeen Bevatteli

Chapter 4

Chapter 43,832 wordsPublic domain

Men heeft nog eene andere allerbelangrijkste verbetering aan het stoomwerktuig toegebragt, waardoor het vermogen nagenoeg verdubbeld wordt. Deze verbetering, die in het volgende bestaat, is insgelijks ten hoogste eenvoudig. In de beschrijving van de fig. bij § 15 is gezien: dat alleen onder den zuiger stoom wordt ingelaten, welke, nadat de zuiger deszelfs topstand heeft bereikt, wordt gecondenseerd en aldus in die cilinderruimte een zeer weinig tegenstandbiedend ledig daarstelt, waardoor de zuiger, met het volle gewigt des dampkrings daarboven, kan worden nedergedrukt; de zuiger oefent dus slechts kracht uit gedurende den dalenden slag, en alleen van wege den druk des dampkrings of atmospheers, waarom dan eene dergelijke den naam van atmospherieke machine draagt. Maar aangezien de stoom even als de dampkring kan drukken, zoo heeft men bedacht den stoom-cilinder bovenwaarts, door middel van een goed gesloten deksel, van den dampkring af te sluiten, en in plaats van den dampkring, stoom op den zuiger te doen vloeijen, om dien neder te drukken; in het cilinderdeksel heeft men dan alleen eene opening gelaten waardoor de zuigerstang op en neder kan bewegen, zonder stoom of lucht door te laten, dat is: door eene zoogenaamde pakkingbos, waarin om de zuigerstang hennip of vlas ligt gepakt. Zoo ingerigt, onderstelle men, dat de zuiger aan den bodem van den cilinder is, en dat gedurende den vorigen nedergang, de stoom in de bovenruimte onder het cilinderdeksel is ingelaten, en de ruimte boven den zuiger geheel gevuld heeft. Zoo men in dezen staat den stoom boven den zuiger verdikt of tot water herleidt, dan zal die ruimte nagenoeg luchtledig worden, terwijl bij het inlaten van stoom onder den zuiger, dezelve naar om hoog zal worden gedrukt, daar er nu geen tegenstand door de drukking van den dampkring boven den zuiger aanwezig is. De zuiger den top van den cilinder alzoo bereikt hebbende, verdikt men den stoom onder denzelven, waardoor aldaar een ledig ontstaat: maar om den zuiger nu weder te doen dalen, moet, aan den top des cilinders, stoom op den zuiger worden toegelaten, om in plaats van den dampkring den zuiger naar den cilinderbodem te drukken. Men ziet dus, dat men door zoodanige inrigting het vermogen van het werktuig verdubbelt, daar men van den stoom gebruik maakt, zoowel om den zuiger op te heffen, als om denzelven te doen dalen.

Thans zullen wij den gang van den stoom in het werktuig nader in oogenschouw nemen, en meer in het bijzonder nagaan, op welke wijze dezelve werkt, nadat deze vloeistof de smoorklep verlaten heeft.

§ 38.

Daar er onderscheidene inrigtingen bestaan, waardoor de regelmatige toelating van den stoom boven en onder den zuiger, en derzelver afvloeijing naar den condensor, wordt bewerkt, zoo bevatten de beide volgende figuren slechts algemeene schetsen daarvan, slechts geschikt voor de hier bedoelde betrekkelijke verklaring.

[Illustratie: Figuren 8 en 9. Figuur 8 stelt een stoomcilinder met zuiger in lage stand voor; Figuur 9 stelt een stoomcilinder met zuiger in de hoge stand voor.]

In de figuren 8 en 9, verbeeldt O den stoomcilinder met ingevallen zuiger; door het deksel van denzelven, moet men de zuigerstang in eene pakkingbos vrijelijk beweegbaar denken, zonder doorlating van stoom of lucht; aan den cilinder is eene kast verbonden, die overlangs door een middenschot is verdeeld; bij S is eene opening, waardoor de stoom toevloeit, die door de vroeger beschrevene smoorklep is gelaten; het naast aan den cilinder gelegen halfdeel van deze kast, ontvangt alzoo het eerst den, door de opening S toevloeijenden, stoom. Maar in dit zelfde kastdeel sluiten twee stukken of kleine zuigers A en B, die door middel van eene stang aan elkander zijn verbonden, en alzoo te zamen, naar eene bepaalde maat, op en neder beweegbaar zijn, om de boven of beneden stoomdoortogt, bij A en B te kunnen openen of sluiten, derwijze: dat bij het geopend zijn van den boven stoomdoortogt bij A, voor toevoer van stoom in den cilinder, de beneden stoomdoortogt bij B, daarvoor gesloten is, en omgekeerd; de stoom die door de opening S vloeit, staat dus in de ruimte D, tegen de kleine zuigers A en B aan, gereed om, naar gelang den stand dier zaamverbondene zuigers, boven of onder in den cilinder te vallen.

Het andere, door het middenschot afgescheidene deel dezer kast moet men zich voorstellen, dat bij C, gemeenschap heeft met eenen afgezonderden condensor, en waarin, gelijk boven gezegd is, door eene kraan, injectiekraan genoemd, koud water stroomt, dus geschikt, om den stoom te condenseren of te verdikken; zoo toegesteld; blijkt het uit de figuren, dat de stoom, die naar het inwendige van den cilinder O vloeit, altijd met de binnenvlakten der kleine zuigers A en B in aanraking is, terwijl de condensorruimte in de kast altijd met de buitenvlakten bij N N, dier beide zuigers, gemeenschap heeft. Deze aaneengekoppelde kleine zuigers noemt men te zamen, stoomschuif, en om dezelve te bewegen, moet men zich eene daaraan verbondene stang denken, die door eene pakkingbos, door den bodem of top van de kast gaat, waarin de stoomschuif is besloten; (hier in de figuur niet afgebeeld) vervolgens is het naar dit voorbeeld eene hoofdvereischte, dat de stoomschuif rondom volmaakt in dat kastdeel sluit, opdat geen stoom gedurende deszelfs beweging doordringe.

Daar de uiterste afstand van den boven tot den beneden stoomdoortogt, bij A en B, gelijk is aan de uiterste lengte van de verklaarde stoomschuif, en de kleine zuigers, die de sluiting te weeg brengen, nimmer minder hoogte houden dan gezegde doortogten, zoo volgt, gelijk ook uit de figuren op te maken is: dat de stoomvloeijing in den cilinder nimmer door de beide stoomdoortogten te gelijk kan geschieden, maar, of alleen boven, of alleen onder den zuiger; in fig. 8 is de stoomschuif gesteld voor toelating van stoom onder den zuiger, en in fig. 9 voor stoom toevloeijing op den zuiger. Even zoo kan nimmer de condensorruimte van eene zoo toegestelde stoomschuif gelijktijdig gemeenschap hebben met het inwendige des cilinders boven en onder den zuiger, maar wel alleen boven of alleen onder. Het blijkt vervolgens uit de figuren duidelijk, dat terwijl de stoom boven op den zuiger vloeit, om dien naar beneden te drukken, de stoom vanonder den zuiger eenen uitweg naar de condensor vindt, en omgekeerd: terwijl de stoom onder den zuiger vloeit, wordt aan de stoomafvloeijing, van boven den zuiger naar den condensor, gelegenheid gegeven; waaruit dan na weinig overweging te begrijpen is, hoe de beurtelingsche toe- en afvloeijing van stoom naar en van den zuiger, door de stoomschuif behoorlijk op en neder te bewegen, kan geschieden; en volgens hetgeen wij later zullen zeggen, over de bewegingswijze van de stoomschuif door de machine zelve: dat men de meest mogelijke regelmaat in krachtsuitoefening daarmede zal kunnen verkrijgen[3].

In de figuren 8 en 9, is alleen ruim de hoogste en laagste stand van de stoomschuif, met den hoogsten en laagsten stand des stoomzuigers afgebeeld, dus geenzins de stoomschuif-standen, die met den hoogsten en laagsten zuigerstand overeenkomen; want bij het in beweging houden van de stoomschuif door de machine zelve, moet bij hoogsten zuigerstand de stoomschuif juist maar gereed staan, om stoom op den zuiger toe te laten, terwijl de stoom van onder denzelven; reeds uitgang naar den condensor vindt; zoo ook moet bij laagste zuigerstand de stoomschuif aanvangen, om stoom onder den zuiger te doen vloeijen, terwijl voor uitvloeijing van stoom, van boven den zuiger naar den condensor, reeds gelegenheid bestaat.

De stoomschuif is derhalve, om zoo te spreken, de ziel of het hart van de geheele machinerie, en is dus dat gedeelte van den toestel, hetwelk aan andere deelen leven geeft.

[3] In fig. 8 is den stoomzuiger abusievelijk een weinig te lagen stand gegeven.

§ 39.

Thans zullen wij overgaan tot de verklaring van den condensor of stoomverdikker. Uit de bovenstaande beschrijving heeft men kunnen opmaken, dat er in de dubbel werkende machine geen koud water in den cilinder gebragt wordt, maar dat volgens fig. 8 en 9, eene gemeenschap tusschen denzelven en den condensor, waarin het koude injectie-water stroomt, wordt daargesteld.

Men moet zich voorstellen, dat de pijp C, die op onze afbeelding hieronder (fig. 10) als afgebroken gezien wordt, gemeenschap heeft met de opening C, in de voorgaande figuren 8 en 9, en met het in deze figuur voorgesteld cilindervormig vat, hetwelk de eigenlijke condensor is.

Deze condensor heeft onderwaarts, door een kanaal, met eenen anderen nevens geplaatsten cilinder gemeenschap, waarin een zuiger werkt, welke luchtpomp genoemd wordt. Het koude injectie-water stroomt in den condensor, door de, in de figuur afgebeelde injectiekraan, die met opgaande stang, bij D, een' handvat houdt, om die kraan min of meer open te zetten, of te sluiten. Condensor en luchtpomp zijn te zamen in eenen bak bevat en met koud water omgeven, welk koude water tot voeding van injectie voor den condensor dient.

[Illustratie: "Fig. 10."]

Het loopt in het oog, dat, zoo men het injectie-water, hetwelk tot verdikking van den stoom gediend heeft, en insgelijks dat, hetwelk de verdikte stoom vormt, niet wegvoerde, een en ander den condensor spoedig vullen zoude; bovendien ontwikkelt kokend water ook eenige lucht, welke het ledige binnen den condensor zeer benadeelt. Er is derhalve een middel noodig geweest, om dat voortgebragte water en die lucht uit den condensor te trekken, en hiertoe moet de zoo even gemelde luchtpomp dienen.

Nevens den condensor is dus eene zoogenaamde luchtpomp geplaatst, die benedenwaarts, door een kanaal of hals, met den condensor gemeenschap heeft; in dat kanaal bestaat bij H eene klep, die zich naar de zijde der luchtpomp opent, zoodat het water met de lucht wel uit den condensor, maar niet daarin terug kan vloeijen. De luchtpomp-cilinder bevat eenen daarin sluitenden beweegbaren zuiger, welke kleppen heeft, die zich bovenwaarts openen; geen water of geene lucht, door dezen zuiger opgebragt, kan dus terugvallen; de luchtpomp-cilinder is met een digt sluitend deksel voorzien, waardoor de zuigerstang E, in eene pakkingbos sluitende beweegt; en onder nabij dit deksel bestaat eene opening, waardoor het door den luchtpomps-zuiger opgebragte water met lucht, naar buiten in eene afzonderlijke bak uitgang vindt, mede voorzien van eene klep, opdat niets van dat opgebragte zoude terugvloeijen.

§ 40.

Dit, met behulp van fig. 10, begrepen zijnde, is het duidelijk, dat, bijaldien de luchtpompzuiger door de machine, gelijkmatig op en neder bewogen wordt, het water met de ontwikkelde lucht uit den condensor zal worden getrokken en weggeleid; maar omdat het aldus uit den condensor getrokken water meer warmte bezit, dan het omringende in den alles omvattenden bak, scheidt men dit water af, en laat hetzelve volgens de figuur in eenen afzonderlijken bak stroomen, ten einde dat verwarmde water te bezigen, voor de aanvulling van het verstoomde water in den stoomketel, ter bezuiniging van brandstoffen. De bak, waarin zich het verwarmde uit den condensor getrokkene water stort, draagt den naam van warm- of heetwaterbak.

De groote koudwaterbak AA, welke condensor luchtpomp en heetwaterbak bevat, wordt aanhoudend van water voorzien, door eene pomp, die door de machine bewogen wordt; terwijl eene overlooppijp bestaat, om het overvloedige water te lozen; die pomp is in deze figuur niet afgebeeld, en ook niet de kleinere pomp, welke, uit den afgescheidenen heetwaterbak, de voeding aan den stoomketel bezorgt; eindelijk dient nog gezegd te worden, dat de heetwaterbak mede eene overlooppijp bezit, om het warme water, dat voor ketelvoeding overbodig is, te lozen.

§ 41.

Al de pompstangen, waarover wij gesproken hebben, zoowel als de zuigerstang des stoomcilinders, bewegen op en neder, wij zullen thans verklaren op welke wijze zulks zamenhangt. Eene ijzeren balans A B fig. 1, rust en beweegt zich op eene as C boven op de kolom D, aan welke eene goede en stevige fondatie gegeven is. Deze balans, is met de minste verspilling van ijzer, den sterksten vorm gegeven, en daaraan zijn de stangen gekoppeld van stoom-zuiger en andere pompen, zoodat het rijzen en dalen van de stoom-zuigerstang, eene overeenkomstige rijzing en daling van alle andere zuigerstangen bewerkt.

Onderstellen wij, dat de stoom-zuigerstang aan het balanseinde A verbonden is, dan is het klaar, dat telkens, als die zuigerstang op- en nedergaat, het uiteinde A, van de balans eenen cirkelboog zal beschrijven, waarvan C het middelpunt is. De top van de zuigerstang zal in dat geval in geene regte maar in eene kromme lijn moeten volgen, en dus van de eene naar de andere zijde overgaan, hetwelk zoude veroorzaken, dat die stang daar, waar zij door de pakkingbos van het cilinderdeksels loopt, heen en weder daarin drukte of klemde en eene verderfelijke slijting daarstelde. Hetzelfde zou het geval zijn met de stang van den luchtpompzuiger; en de voeringen der pakkingbossen zouden dus daardoor zeer veel uitslijten. Ten einde dit gebrek te verhelpen of te voorkomen, heeft men gebruik gemaakt van eenen zeer vernuftig uitgedachten toestel, die de _parallelle_ of _evenwijdige beweging_ genoemd wordt, en waardoor aan den stoomzuiger en aan andere pompstangen, op zeer weinig na, eene regtopgaande beweging, zonder hinderlijke afwijking naar de eene of andere zijde, wordt medegedeeld.

In dit werkje kunnen wij slechts de volgende, voor ieder bevattelijk algemeene verklaring, van gezegde evenwijdige beweging geven.

Met het uiteinde A, van de balans A B, fig. 1, zijn een paar stroppen A G verbonden, zoo ook op de middellijn tusschen A en C een ander paar stroppen, E F, van gelijke lengte als de eerste. Deze stroppen zijn benedenwaarts door een paar roeden F M aan elkander verbonden, welke roeden weder gelijk in lengte zijn aan den afstand van A tot E op de balans; een ander paar roeden, welke in lengte gelijk zijn aan de roeden F M, is vervolgens, aan het eene einde bij F en aan het andere einde bij H, mede beweegbaar vereenigd, en wel bij H, met de vaste stelling, waarin de gansche machine is besloten.

De balans A B beweegbaar zijnde, zoo wordt men bij het nagaan dezer koppeling van stroppen en roeden gewaar, dat er twee vaste aspunten zijn C en H, zijnde C het aspunt, waarom de punten A en E der balans bewegen en H het aspunt waarom het punt F beweegt. Dit vooraf goed opgemerkt hebbende, onderstelle men, dat de stoomzuiger in top staat, waarbij de balans den stand heeft, die op de afbeelding wordt voorgesteld. Wanneer de zuiger nu naar beneden gaat, dan beschrijft het punt F, om het vaste aspunt H, eenen boog, die betrekkelijk het punt H naar buiten (of naar de linkerhand) uitwijkt; terwijl het punt E, om het vaste aspunt C, eenen boog naar den tegenovergestelden kant (de regterhand) beschrijft. Daar nu het paar stroppen E F deze twee punten, die eenen cirkelboog beschrijven, met elkander verbindt, zoo zal het eene einde E regts van de loodlijn bewegen, terwijl het andere F even zoo veel links van dezelve bewogen wordt, deze stroppen zullen dus, gedurende de op- en neder beweging van den balansarm A C, eene afwisselende hellende beweging aannemen.

Door de volgende figuur, die eene voorstelling in zoogenaamde werklijnen van de parallelle beweging geeft, met aandacht na te gaan, zal het leiden van stoom- en luchtpompzuigerstangen in eene regte lijn verder verduidelijkt worden.

[Illustratie: De parallelle beweging]

Zij C het vaste aspunt van de op- en neder bewegende balans, en C A de rigting van dezelve bij hoogsten zuigerstand; E F is het paar stroppen, waaraan bij Y de luchtpompzuigerstang, en A G het paar stroppen van gelijke lengte, waaraan bij G de stang van den stoomzuiger verbonden is, F G in de parallel koppelroede aan de lengte A E gelijk, en welke de zoo evengenoemde stroppen bij F en G verbindt. Nu is het koppelpunt F beweegbaar verbonden met de parallel straalroede F H, welke om het vaste punt H kan draaijen; deze straalroede is in lengte gelijk aan de parallel koppelroede. Dat men zich nu verbeelde, dat de balansarm C A benedenwaarts beweegt, dan zal het punt E van denzelven, in e komende, eenen boog beschreven hebben, die hier naar de regterhand uitwijkt, en het punt F der straalroede F H zal mede eenen boog beschrijven, doch welke naar de linkerhand uitwijkt; daar nu in dit voorbeeld het punt E op de halve lengte van den balansarm genomen is, en daarom C E gelijk aan de lengte der straalroede F H is, zoo zullen de uitwijkingen der bogen, hoewel in tegenovergestelden zin, even groot zijn; er moet dus op het paar stroppen E F een punt bestaan, dat weinig afwijking van de loodlijn _ll_ ondergaat, dit punt is in Y en wel op het midden van die stroppen; het is daaraan, dat men de luchtpompzuigerstang verbindt, om op zeer weinig na, in eene regte lijn op en neder te bewegen, zegge op zeer weinig na, omdat daarbij een gering verschil bestaat, doch hetwelk in de praktijk geen' invloed heeft. De stoomzuigerstang, die hier op den dubbelen afstand van het aspunt C met de balans gekoppeld is, beschrijft met dat balanseinde eenen boog, welks afwijking het dubbel van de voorgaande bogen is, daarom wordt deze stang in G verbonden, op het uiteinde van het paar stroppen A G, die met het uiteinde F van het paar stroppen E F vereenigd zijn, door middel van de parallel koppelroede F G; alzoo zal de stoomzuigerstang mede zeer nabij in eene evenwijdige loodlijn _ss_ op en neder bewegen. De rigting van de balans bij laagsten zuigerstand is door de gestipte lijn C a aangewezen, alsmede de overeenkomstige standen van luchtpomp en stoomzuiger parallel stroppen e f en a g, de parallel koppelroede f g en de parallel straalroede f H, terwijl ij het koppelpunt voor de luchtpompzuigerstang en g dat des stoomzuigers is; overigens is _l l_ de lijn, welke de luchtpompzuigerstang en s s die, welke de stoomzuigerstang bewegende volgt.

Nu fig. 1 weder beschouwende dan ziet men, dat de tegenovergestelde balansarm B C, eene verbindingroede B W houdt, waarvan het ondereinde met eene kruk is vereenigd, die op de as van een groot vliegwiel bevestigd is; door het op- en nedergaan van dezen balansarm zal de verbindingroede B W die kruk en bijgevolg het vliegwiel kunnen omvoeren; welke beweging, door de belangrijke zwaarte, welke aan het vliegwiel gegeven is, zeer gelijkmatig zal zijn; terwijl bij de keerpunten, dat is bij de top- en bodemstanden van den stoomzuiger, eene zachte overgang van beweging hierdoor plaats vindt.

Thans vermeenen wij de voornaamste deelen, van het stoomwerktuig aangewezen te hebben, zoodat wij tot het meer bijzondere kunnen overgaan. Ten einde dit doel beter te bereiken, zullen wij, om duidelijk te zijn, een en ander van het reeds verklaarde in het kort herhalen, opdat datgene, wat tot dus verre is bijgebragt, beter in het geheugen blijve, en de vereenigde werking vervolgens door onze lezers goed verstaan worde.

§ 42.

De stoom ontwikkelt zich, in den ketel, die te dien einde met de onderscheidene toestellen ter regeling voorzien is. De schoorsteenregister of demper om het vuur te regelen, bestaat uit eene plaat, die in eene sponning schuift, waardoor de opening, door welke de heete lucht en de rook zich door den schoorsteen ontlasten, meer of minder gesloten wordt, en bij gevolg de trekking van het vuur vermeerdert of vermindert. Deze demper geeft mindere opening door het rijzen, en meerdere opening voor rookdoortogt, door het dalen van eenen drijver op het ketelwater, hetwelk in eene opstaande buis, door de spanning des stooms opgedrukt wordt, zoodaniger wijze, dat wanneer de stoom in spanning toeneemt, de drijver in de buis rijst en den demper daalt, waardoor dan de schoorsteenopening kleiner wordt; tegenovergesteld zal bij vermindering van stoomspanning de drijver dalen, en bij gevolg de demper rijzen, of de opening zich vergrooten. De stoomspanning binnen den ketel onveranderd blijvende, zal ook de schoorsteenopening door den demper geene verandering ondergaan, en bij gevolg het vuur met gelijk vermogen branden, maar wanneer de stoomspanning vermindert, dan zal, door het grooter worden der opening door den demper, het vuur door de vermeerderde trekking meer aanwakkeren, en den stoom weder in spanning doen rijzen.

Vervolgens heeft men het voedingstoestel, waardoor het water, dat uit den ketel verstoomt, weder wordt aangevuld. Zoo als vroeger beschreven is, werkt deze toestel ook door middel van een drijver, die met eene klep in verband staat. Wanneer deze drijver tot op een zeker punt daalt, dan opent zich de klep, waardoor water in den ketel vloeit, tot dat de vereischt wordende hoeveelheid aanwezig is, waardoor de drijver tevens rijst, zoo doende de klep weder sluit, en de toevloeijing van water doet ophouden.

Ook is de ketel voorzien van een of twee veiligheidkleppen, welke zich openen, zoo ras de spankracht van den stoom te sterk wordt, ten einde de stoom in de opene lucht te ontlasten, opdat de ketel niet meer lijdt dan noodig is. In den top des ketels bestaat nog eene kleine klep, luchtklep genaamd, die zich in tegenovergestelden zin van de veiligheidskleppen opent, dat is naar binnen; en die dient, om, wanneer door verkoeling als anderzins eene mindere spanning dan de druk des dampkrings in den ketel ontstaat, lucht in dezelve toe te laten, daar een plotselinge uitwendige druk op den ketel schade daaraan zoude kunnen toebrengen.

Ten dienste van vuurstoker of bestuurder van het werktuig, bestaan nog twee peilkranen, geschikt voor dadelijk onderzoek naar den waterstand binnen den ketel, ingeval men twijfelen mogt, dat het zich zelf regulerende voedingtoestel niet behoorlijk werkte.

De stoom stroomt door de stoomleibuis I (zie de fig. van § 19) in den cilinder; deze buis moet men met de monding A in fig. 1 vereenigd denken, in welke ronde monding de smoorklep, in bijna gesloten stand, tevens aangewezen staat; de smoorklep, waardoor de toevoer van den stoom naar den cilinder in eenen bepaalden tijd geregeld wordt, ziet men insgelijks bij A aangetoond. Deze klep bestaat uit eene schijf, die op eene spil, welke door het midden van de monding heenloopt, door middel van eene kruk beweegbaar is, en open of digt gedraaid kan worden, of wel gedeeltelijk gesloten, om de doorvloeijing van den stoom meer of min te verhinderen.

De kruk van de smoorklep moet men denken verbonden te zijn met den in § 30 beschrevenen regulateur; die verbindingswijze is in de onderhavige figuur voorbedachtelijk weggelaten, ten einde verwarring te voorkomen. De kogels tot de opstaande spil des regulateurs naderende, zal de smoorklep vrijen doortogt aan den stoom geven, doch wanneer de kogels zich daarvan verwijderen, dan zal de smoorklep zoodanig gedraaid staan, dat de doortogt van den stoom verhindering ondervindt; de onderlinge afstand der kogels afhankelijk zijnde van de snelheid der beweging, zoo wordt door de verbinding met de smoorklep, de snelheid geregeld door eene evenredige toelating van stoom naar den stoomzuiger. Het koniek (kegelvormig) tandrad waarmede de opstaande spil van den regulateur aan het ondereinde voorzien is, grijpt in een ander gelijksoortig tandrad, op welks as eene ronde schijf is bevestigd, waarover eene riem, band of pees is geslagen, die insgelijks eene andere schijf gespannen omvat, waarmede de as van het vliegwiel is voorzien; zoodanige band is daarvoor bij derzelver einde aan elkander vereenigd, even als met de pees van eene gewone draaibank plaats vindt. De vliegwielas omwentelende, geeft door dat middel tevens eene omdraaijende beweging aan de spil des regulateurs; zoodat de meerdere of mindere snelheid, welke het vliegwiel aanneemt, door den regulateur gevolgd wordt.