Verklaring Van Het Stoomwerktuig Zijnde Eene Algemeen Bevatteli

Chapter 11

Chapter 111,108 wordsPublic domain

Van het in den _warm-_ of _heet waterbak_ opgevoerde water, wordt door de opening 6 het noodige getrokken, om den _ketel_ voor het verstoomde water weder aan te vullen of te _voeden_, eene _perspomp_, waarvan de _zuiger_ of _dompelaar_ door het _luchtpompjuk_ op en neder bewogen wordt (in de afbeeldingen niet zigtbaar, wordende door de _luchtpomp_ bedekt) dient tot dat einde; want _pijpen_ 7,7 zijn daarmede vereenigd, waardoor dat warme water in de gemeenschappelijke pijp 8,8 naar den _ketel_, door de openstaande _voedingkraan_ M gevoerd wordt; 23 zijn _leistangen_, die door de _armen_ van het _luchtpompzuigerjuk_ omvat worden, en voor de rigtige leiding daarvan dienen; aan eene dier _stangen_ is de _dompelaar_ van de _voedingpomp_ verbonden, en kan alzoo met het _juk_ op en neder bewegen.

De _heet waterbak_ Z bezit eene verhooging of _kolom y_ ter voorkoming van wateroverstorting, en tegen deze kolom is eene beladene _stortklep_ 9 aangebragt, waardoor het _voedingwater_ weder in den _warm waterbak_ terug valt, ingeval de _voedingkraan_ M aan den ketel mogt gesloten wezen middelerwijl de _voedingpomp_ werkt; de _voedingpompzuigers_ of _dompelaars_, kunnen door de hand van den bestuurder in of buiten werking gesteld worden, naar gelang de behoefte aan _ketelvoeding_. Het in den _warm-_ of _heet waterbak_ te veel overblijvende water, ontlast zich buiten boord, door de opening der _vloeipijp y_, welke opening bij stilstand van de _machine_ door eene _klep_ gesloten kan worden, met aan de schroevende _handkruk_ 10 te draaijen.

12 _handperspomp_, waarmede de _ketel_, onafhankelijk van de werking der _machine_, met koudwater kan gevuld of gevoed worden, door eene (hier slechts gedeeltelijk afgebeelde) pijp _r t_, die met de _kraan e_ der _spuibuis_ K gemeenschap heeft, of ook kan door deze _pomp_ de _ketel_, wanneer het noodig mogt zijn, geledigd worden.

13 _scheepslenspomp_. waarvan de _zuiger_ door eenen der armen van de _balansen_ QQ op en neder bewogen wordt; deze _pomp_ voert het zich in het vaartuig bevindende water op en over boord, en haalt dit uit het voor- of uit het achterschip door pijpen, hier niet geheel afgebeeld; zij kan door de hand van den bestuurder in of buiten werking gesteld worden, 14 is de _doorblaaskraan_ door eene kleine _handkruk_ 15 te openen; geopend zijnde stroomt de stoom uit de _stoomschuifkast l l_ door dezelve in den _condensor_ XX en in de _luchtpomp_ Y, drijft uit beiden door de _snuifklep_ 16 (en soms door de klep van den _warm waterbak_ 5) het daar in zijnde water en de aanwezige lucht: eene uitdrijving, die bij het eerst in beweging brengen der _machine_ altijd moet geschieden.

Op den _condensor_ XX is een _manometer_ of _barometer_ 17 geplaatst; het zich daar in bevindende kwik toont aan in hoe verre de spanning binnen den _condensor_ is verminderd. Tegen den _hollen band n n_ van den _stoomcilinder_ bestaat, een _stoommeter_ 18, om de spanning van den stoom daar binnen gade te slaan, deze _stoommeter_ is even als die aan de _stoomkap_ des _ketels_; nog bestaat onder aan den _hollen band_ eene _aftapkraan_ 19, waardoor men het daar binnen vergaderde water kan doen afloopen.

Eindelijk ziet men dat de _hoofdas_ S' niet alleen in _stoelen_ op eene _stelling_ wordt gedragen, maar dat ook _stoomcilinder_, _condensor_ met aanverbondene _luchtpomp_ en _warm waterbak_, onderling, en met die _stelling_ zijn verbonden; de grondslag van dat geheele verband is in de eerste plaats de _fondatie_ op het _scheepsvlak_, door middel van goed verzekerde _fondatiebouten_ 20, en ten tweede de _hoofd- en wielas-balken_ 21, die met de _stelling_ goed vereenigd zijn. Deze _balken_ breiden zich ter wederzijden buiten het vaartuig uit, en vereenigen zich aldaar, als uit een ligchaam bestaande, op welke buiten uitbreiding zich _stoelen_ bevinden, waarop de _roeiwielen_ of _schepraden_ dragen.

Aldus de zakelijke deelen van dit gansche stoomwerktuigelijke toestel aangetoond hebbende, zal het niet ongepast zijn, eene korte aanwijzing te laten volgen, hoedanig de _machinen_ in beweging en tot stilstand gebragt worden.

In den _stoomketel_ genoegzame ontwikkeling van stoom bestaande, (herkenbaar aan de stoomontvlieding door de _ontlastpijp_ II der _kast van de veiligheidsklep_ F, waarvan de spanning op den stoommeter _d_ aangewezen wordt) en zich door middel der _pijlkranen a a_, _drijver_ E of _waterpeilbuis_ verzekerd hebbende dat de ketel met eene voldoende hoeveelheid water gevuld is, zoo begint men met de _stoomcilinders_ en _stoomschuifkasten_ te verwarmen; het geen geschiedt door het openen van de klep in de kast N met het _handwiel h_; de stoom zal als dan uit den _ketel_ door de _stoomleibuizen_ O in de _holle banden n n_ der _stoomcilinders_ vloeijen, en van daar langs de openstaande _smoorkleppen m_, in de _stoomschuifkasten l l_; verwarming opmerkende, zoo beweegt men door middel van de _hefboomen_ of _handels x_ de _stoomschuiven_ eenige malen op en neder (waarvoor de klinken _w_, natuurlijker wijze zoodanig moeten zijn gesteld, dat geene koppeling van de _armen t_ met de _excentriek roeden_ W bestaat); door die behandeling van de _stoomschuiven_ zal mede stoom in de _cilinders_ vloeijen, terwijl men zich te gelijkertijd van de goede beweegbaarheid der _stoomschuiven_ verzekert; ook zal men de _aftapkranen_ 19 openen, om het water van om de _stoomcilinders_ te doen afloopen; deze bewerking noemt men: de _machinen verwarmen_.

Genoegzame verwarming plaats vindende, dan stelt men met de hand de _stoomschuiven_ in _middenstand_, dat is zoodanig dat dezelve de boven en onder _stoomdoortogten_ der _cilinders_ sluiten; als nu opent men met de _handkrukken_ 15, de _doorblaaskranen_ 14, en houdt die zoo lang geopend, tot dat men door de _snuifkleppen_ 16, niets anders dan stoom ziet uitstroomen, zijnde dit het teken, dat al het water met de aanwezige lucht is uitgedreven; deze bewerking wordt _doorblazen_ genoemd. Zoo men dan de _stoomschuiven_ met de hand in zoodanigen stand zet, dat toelating van stoom, op of onder de _stoomzuigers_ plaats heeft, overeenkomstig den zin van omwenteling, welke men aan de _hoofd- of wielaskrukken_ wil geven, dan zullen de _machinen_ dadelijk aanvangen te bewegen; doch daar de _armen t_ van de _excentriek-roeden_ W zijn ontkoppeld, zoo bewegen de _stoomschuiven_ niet mede, daarom verzet men de _stoomschuiven_ nogmaals met de hand, om ééne omwenteling van de _hoofdas_ S te veroorzaken, waarna men de _klinken w_ derwijze verzet, dat zamenkoppeling van armen _t_ en _excentriek-roeden_ W plaats vindt; vervolgens opent men met de _handkrukken z_ langzaam de _injectiekranen y_, tot zoo verre als met de toenemende snelheid der _machinen_ overeenkomt, die als dan zullen doorwerken; men noemt deze bewerking: de _machinen aanzetten_, (het laat zich begrijpen, dat ter ontlasting van het overvloedige water, dat de _luchtpompzuigers_ in den _warmwaterbakken_ Z opvoeren, de kleppen der _vloeipijpen y_ door middel der _handkrukken_ 10 moeten opengezet worden).

De _machine_ alzoo tot volle kracht werkende, kan in vermogen of snelheid verminderd worden, door vermindering van stoomtoevoer naar de _stoomzuigers_ en daaraan gepaarde vermindering van _injectie_ water, waarvoor men dan de _injectiekranen y_ en de _smoorkleppen m_ zoo veel zal sluiten, als voor de verlangde vermindering in snelheid voegzaam is.

Om de _machine_ te doen stil staan, sluit men eerstelijk de _injectiekranen y_, en doet vervolgens, door middel der _klinken w_, de _excentriek-roeden_ W van de _armen t_ ontkoppelen; want als dan zal de beweging der _stoomschuiven_ en bij gevolg de beurtelingsche toevloeijing van stoom naar de _stoomzuigers_ ophouden.

Bij het tot stilstand brengen van de machine, moet men de _stoomschuiven_ met de hand weder in _middelstand_ zetten, ingeval het ophouden derzelver beweging niet op _middelstand_ heeft plaats gevonden.

Zoo de machine, lang moet stilstaan, opent men langzaam de handelbare _veiligheidsklep_ met de _handkruk b_, doch wanneer het dadelijk in beweging brengen vereischt wordt (het zij in denzelfden of in omgekeerden zin), is zulks niet noodig, ook niet het zoogenaamde _doorblazen_, noch het openen der _aftapkranen_ 19.

_Deze afbeeldingen zijn op steen gebragt naar eene teekening van 's Rijks Hoofdmachinist, waarin alzoo zijne beproefde wijze van inrigting voorgesteld staat._

[Illustratie]

End of Project Gutenberg's Verklaring van het stoomwerktuig, by Anonymous