Verhalen van de Zuidzee

Chapter 9

Chapter 93,899 wordsPublic domain

"Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg beroerd maken!"

Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op mij af te komen.

"Een beetje meer naar links!" riep hij even later. "Er ligt daar een lijn op het water. Naar links, meester, naar links!"

Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een uitroep van boord. Ik keerde mij om en keek rond. Er was geen spoor van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.

"Otoo!" riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde in zijn stem.

Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren, noemde hij mij bij dien naam.

"Dag Otoo!" riep hij.

Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen, waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.

En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van zijn verheven zitplaats iedere mensch ziet vallen, dan zal zeker in zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.

DE VREESELIJKE EILANDEN.

Het valt niet tegen te spreken dat de Salomon's een onguur zoodje eilanden zijn. Evenwel, er zijn kwader oorden op deze wereld. Maar voor den nieuweling die geen aangeboren begrip heeft van de menschen en van het leven in het algemeen, zullen de Salomon-eilanden werkelijk vreeselijk kunnen blijken.

Het is waar, dat koorts en dysenterie er voortdurend rondwaren, dat walgelijke huidziekten er in overvloed voorkomen, dat de atmosfeer er verzadigd is met een vergif dat bijt in iedere porie, in elk schrammetje of wondje, en daar kwaadaardige gezwellen plant, en dat menige sterke kerel die daar aan den dood is ontsnapt, als een wrak terugkeert naar zijn eigen land. Het is ook waar, dat de inboorlingen van de Salomon's een woeste bende zijn, met een gezonden eetlust voor menschenvleesch en een zwak voor het verzamelen van menschenhoofden. Hun hoogste idee van sport is iemand van achteren aan te vallen en hem een hevigen slag met de tomahawk toe te brengen die den ruggegraat knakt bij de basis van de hersenen. Het is eveneens waar dat op sommige eilanden, zooals Malaita, de winst- en verlies-rekening van maatschappelijk aanzien berekend wordt in moorden. Hoofden zijn er een ruilmiddel, en hoofden van blanken zijn bijzonder veel waard. Heel dikwijls maken een dozijn dorpen een pot, dien ze maan na maan bijvullen, tegen den tijd dat de een of andere dappere krijger het hoofd van een blanke vertoont, versch en bloedig, en den pot opeischt.

Al het voorgaande is volkomen waar, en toch zijn er blanken die meer dan twintig jaren in de Salomon's geleefd hebben, en die heimwee voelen wanneer ze er weg gaan. Een man moet alleen maar voorzichtig zijn--en geluk hebben--om lang te blijven leven in de Salomon's; maar hij moet ook van het goede soort zijn. Het kenmerkend stempel van het onvermijdelijke blanke ras moet gedrukt staan op zijn wezen. Hij moet onvermijdelijk zijn. Hij moet een zekere royale onverschilligheid hebben voor de kansen van het levensspel, een zekere kolossale zelfvoldaanheid, en een egoïsme van ras dat hem er van overtuigt dat één blanke meer waard is dan duizend nikkers iederen dag van de week, en dat hij op Zondag in staat is tweeduizend nikkers af te dekken. Want dat zijn de dingen die den blanke onvermijdelijk hebben gemaakt. O, en dan nog iets--de blanke die onvermijdelijk wil zijn, moet niet alleen de lagere rassen verachten en een groot idee van zichzelf hebben; hij mag ook geen last hebben van een teveel aan fantazie. Hij moet de instincten, gewoonten, en hersenprocessen van de zwarten en gelen en bruinen niet al te goed begrijpen; want het is niet op die manier dat het blanke ras zijn koninklijken weg over de wereld heeft gebaand.

Bertie Arkwright was niet onvermijdelijk. Hij was te gevoelig, te fijn besnaard, en hij had te veel fantazie. Hij trok zich te veel van de wereld aan. Hij projecteerde zichzelf te levend, te gevoelig op zijn omgeving. Daarom waren de Salomon-eilanden de laatste plaats in de wereld waar hij heen moest gaan. Hij kwam ook niet met de bedoeling om er te blijven. Met een verblijf van vijf weken, tot de volgende boot kwam, zou, zoo besloot hij, de drang naar primitief leven die de snaren van zijn wezen deed trillen, wel bevredigd zijn. Tenminste, dat vertelde hij aan de dames-touristen op de _Makembo_, hoewel in andere termen; en zij vereerden hem als een held, want het waren dames-touristen en zij zouden alleen maar het veilige dek van het stoomschip kennen terwijl het zijn weg zocht door de Salomon's. Er was nog een man aan boord, waarvan de dames géén notitie namen. Het was een klein, verschrompeld mannetje, met een rimpelige huid die de kleur had van mahonie hout. Zijn naam op de passagierlijst doet hier niet ter zake, maar zijn andere naam, kapitein Maloe, was een naam waar de nikkers bij zwoeren, en waarmee men kinderen bang kon maken en tot rede brengen op ieder eiland van Nieuw-Hannover tot de Nieuwe Hebriden. Hij had barbaren en barbaarschheid geëxploiteerd, en uit koorts en ontbering, uit den knal van Sniders en de zweep van opzichters had hij vijf millioen dollar gewrongen, in den vorm van tripang, sandelhout, pareloesters en schildpad, kokosnoten en kopra, graslanden, ruil-stations en plantages. Er was meer onvermijdelijkheid in kapitein Maloe's pink, die gebroken was, dan in Bertie Arkwright's heele lichaam. Maar, de dames-touristen hadden niets om naar te oordeelen dan den uiterlijken schijn, en Bertie was zonder twijfel een flinke, knappe jongen.

Bertie praatte eens met kapitein Maloe in den rooksalon, en bekende hem zijn plan om het leven in de Salomon's te zien, rood en bloedend, zooals het werkelijk was. Kapitein Maloe vond óók dat dat een loffelijk en prijzenswaardig streven was. Pas verscheiden dagen later begon hij meer belang te stellen in Bertie, toen die jeugdige avonturier er op aandrong hem een automatisch pistool, kaliber 44, te laten zien. Bertie legde uit hoe het werkte, en veraanschouwelijkte zijn onderricht door een houder met patronen in den hollen kolf te schuiven.

"Het is zoo eenvoudig", zei hij. Hij schoof den buitensten loop langs den binnensten. "Daardoor wordt het geladen en gespannen, ziet u. En dan is alles wat ik te doen heb den trekker overhalen, acht keer, zoo gauw als ik mijn vinger maar kan bewegen. Ziet u die veiligheidsspan? Dat vind ik er zoo mooi van. Het is veilig. De grootste dwaas kan er mee omgaan." Hij liet den houder er weer uit glijden. "U ziet hoe veilig het is."

Terwijl hij het in zijn hand hield, kwam de mond in de richting van kapitein Maloe's maag. Kapitein Maloe's blauwe oogen keken er onafgewend naar.

"Zoudt u het misschien in een andere richting willen houden?" vroeg hij.

"Het is absoluut veilig", verzekerde Bertie hem. "Ik heb den houder er uit gehaald. Het is heusch niet geladen nu."

"Een vuurwapen is altijd geladen."

"Maar dit niet."

"Houdt u het toch maar in een andere richting."

De stem van kapitein Maloe was laag en metaalachtig en zonder uitdrukking, maar zijn blikken wendden zich geen oogenblik af van den mond van het pistool, totdat de vizierlijn langs hem heen liep en van hem weg.

"Ik verwed er een tientje onder dat het niet geladen is", daagde Bertie uit.

De ander schudde zijn hoofd.

"Dan zal ik het u laten zien."

Bertie begon den loop naar zijn eigen hoofd te richten, met de klaarblijkelijke bedoeling om af te drukken.

"Wacht u even", zei kapitein Maloe rustig, zijn hand uitstrekkend. "Mag ik het even zien?"

Hij richtte het pistool naar zee en drukte af. Er volgde een zware ontploffing, tegelijk met den scherpen tik van het mechanisme dat een heete, rookende huls zijwaarts uitwierp, tegen het dek. Bertie liet zijn onderkaak hangen in stomme verbazing.

"Ik heb den loop één keer terug geschoven, hè?" legde hij uit. "Het was stom van me, dat moet ik zeggen."

Hij gichelde slapjes, en ging zitten in een dekstoel. Het bloed was weggeëbd uit zijn gezicht, en hij had ineens donkere kringen onder zijn oogen. Zijn handen beefden en waren niet in staat de trillende cigaret naar zijn lippen te brengen. Hij trok zich te veel van de wereld aan, en hij zag zich zelf al met druipende hersenen vóórover op het dek liggen.

"Heusch," zei hij, "... heusch."

"Het is een mooi wapen", zei kapitein Maloe, en gaf hem het pistool terug.

De resident, die terugkwam van Sydney, was aan boord van de _Makembo_, en met zijn toestemming werd er gestopt bij Oegi om een zendeling aan land te zetten. En voor Oegi lag de kits _Arla_, schipper Hansen. Nu was de _Arla_ een van de vele schepen die kapitein Maloe in eigendom toebehoorden, en het was op zijn voorstel en op zijn uitnoodiging dat Bertie als gast aan boord van de _Arla_ kwam, voor een wervingskruistocht van vier dagen langs de kust van Malaita. Daarna zou de _Arla_ hem ontschepen op de Reminge-plantage (ook eigendom van kapitein Maloe), waar Bertie een week zou blijven, om dan over te steken naar Toelagi, den zetel der regeering. Daar zou hij gast zijn van den resident. Kapitein Maloe had nog twee andere voorstellen op zijn geweten, en als die bekend zijn, verdwijnt hij uit deze geschiedenis. Eén was er gericht aan kapitein Hansen, het andere aan mijnheer Harriwell, den administrateur van de Reminge-plantage. Zij waren van gelijken aard, namelijk om mijnheer Bertram Arkwright een idee te geven van de ruwheid en rauwheid van het leven in de Salomon eilanden. Ook, zoo fluistert men, liet kapitein Maloe doorschemeren, dat er een kist Schotsche whisky verbonden zou zijn aan elk bijzonder grootsch idee dat mijnheer Arkwright van dat leven mocht krijgen.

"Ja, Swartz was altijd een veel te groote stijfkop. Ziet u, hij nam vier zwartjes van zijn bemanning mee naar Toelagi om gegeeseld te worden--officieel, begrijpt u--en ging toen met hen terug in de sloep. Het was tamelijk vlagerig, en de boot sloeg om toen ze net buiten waren. Swartz was de eenige die verdronk. Natuurlijk was het een ongeluk."

"Was het dat heusch?" vroeg Bertie, die maar half luisterde, en hevig zat te staren naar den zwarten man aan het stuurrad.

Ze hadden Oegi achter zich gelaten, en de _Arla_ gleed door een zomersche zee naar de beboschte bergketens van Malaita. De roerganger die zulk een aantrekkingskracht uitoefende op Bertie's oogen verheugde zich in het bezit van een langen draadnagel, dien hij als een vleeschpen scheef door zijn neus gestoken had. Om zijn hals hing een snoer van broeksknoopen. In verschillende gaten in zijn ooren staken een blik-openmaker, het kapotte handvat van een tandenborstel, een aarden pijp, een koperen tandwieltje van een wekker, en verscheiden hulzen van Winchester-geweerpatronen.

Op zijn borst hing, vastgebonden aan een touwtje om zijn nek, de helft van een porseleinen bord. Een goede veertig ongeveer op dezelfde wijze uitgedoste zwartjes lagen overal verspreid op het dek. Vijftien daarvan vormden de bemanning, de rest waren pas geworven inlandsche koelies.

"Natuurlijk was het een ongeluk", deed de stuurman van de _Arla_ zich hooren. Hij heette Jacobs, en was een tengere man met donkere oogen, die meer van een professor had dan van een zeeman. "Johnny Bedip heeft bijna hetzelfde ongeluk gehad. Hij bracht er verscheiden terug van een pak slaag toen ze hem lieten omslaan. Maar hij kon even goed zwemmen als zij, en er verdronken er twee van hen. Hij gebruikte een voetenplank en een revolver. Natuurlijk was het een ongeluk."

"Heel gewoon, die ongelukken," merkte de schipper op. Ziet u dien man daar aan het roer, mijnheer Arkwright? Dat is een menscheneter. Zes maanden geleden hebben hij en de rest van de bemanning den toenmaligen kapitein van de _Arla_ verdronken. Ze deden het aan dek, mijnheer, hier op het achterschip, bij den overloop van de bezaan."

"Het dek zag er verschrikkelijk uit", zei de stuurman.

"Begrijp ik goed--?" begon Bertie.

"Ja, precies", zei kapitein Hansen. "Hij is bij ongeluk verdronken."

"Maar aan dek--?"

"Precies. Ik wil u wel vertellen, in vertrouwen natuurlijk, dat ze een bijl gebruikten."

"Deze bemanning die u nu heeft?"

Kapitein Hansen knikte.

"De andere schipper was altijd veel te onvoorzichtig", legde de stuurman uit. "Hij draaide zich alleen maar even om, toen zaten ze al boven op hem."

"We hebben geen schijn van kans hier", was de klacht van den schipper. "Het gouvernement beschermt altijd de nikkers tegen de blanken. Je kunt niet het eerst schieten. Je moet de nikkers het eerste schot geven, en anders noemt het gouvernement het moord, en je gaat naar Fidzji. Daarom verdrinken er zooveel bij ongeluk."

Men werd geroepen voor het eten, en Bertie en de schipper gingen naar beneden, den stuurman aan dek latend om de wacht te houden.

"Houd een oogje op dien zwarten duivel, dien Aoeiki", was de laatste raad van den schipper. "Ik mag zijn tronie al een paar dagen lang niet."

"All right," zei de stuurman.

Het diner was al een heel eind gevorderd, en de schipper was midden in zijn verhaal van het buitmaken van de _Scottish Chiefs_.

"Ja," zoo vertelde hij, "het was het mooiste schip op de kust. Maar toen ze niet door den wind wou, en nog voordat ze het rif geráákt had, kwamen de kano's er al op af. Er waren vijf blanken aan boord, en een bemanning van twintig zwartjes van Santa Cruz en Kanaka's van Samoa, en alleen de ladingmeester is ontsnapt. Bovendien waren er nog zestig inlandsche koelies. Ze zijn allemaal _gekai-kaid_. _Kai-kai?_--o, neemt u me niet kwalijk. Ik bedoel, ze werden opgegeten. Dan had je de _James Edwards_, een keurig-getuigde--."

Maar op dat oogenblik klonk er een scherpe vloek van den stuurman aan dek en een koor van woeste kreten. Drie keer ging er een revolver af, toen hoorde men een luiden plons. Kapitein Hansen was direct de kajuitstrap op gesprongen, en Bertie's op avontuur beluste oogen werden even geboeid door een glimp van een blinkenden revolver dien de schipper trok terwijl hij sprong.

Bertie ging omzichtiger naar boven, aarzelend vóór hij zijn hoofd boven de luikopening uitstak. Maar er gebeurde niets. De stuurman trilde van opwinding, zijn revolver in de hand. Eéns schokte hij op, en sprong een halven draai om, alsof er gevaar dreigde in zijn rug.

"Een van de inlanders is overboord gevallen", zei hij met een vreemde, strakke stem. "Hij kon niet zwemmen."

"Wie was het?" vroeg de schipper streng.

"Aoeiki", was het antwoord.

"Maar hoort u eens, ik geloof dat ik heb hooren schieten," zei Bertie bevend van nieuwsgierigheid, want hij speurde avonturen, en avonturen die gelukkig voorbij waren.

De stuurman stoof op hem af, en snauwde:

"Je liegt, verdomme! D'r is geen schot gelost. De nikker viel overboord."

Kapitein Hansen keek Bertie aan met starende, glanslooze oogen.

"Ik--ik dacht--" begon Bertie.

"Schoten?" zei kapitein Hansen droomerig. "Schoten? Hebt u soms hooren schieten, mijnheer Jacobs?"

"Geen schot gelost", antwoordde mijnheer Jacobs.

De schipper keek zijn gast zegevierend aan en zei:

"Blijkbaar een ongeluk. Laten we naar beneden gaan, mijnheer Arkwright, en verder af-eten."

Bertie sliep dien nacht in de kajuit van den kapitein, een kleine hut naast de groote kajuit. De voorste wand was versierd met een rek geweren. Boven de kooi hingen nog drie geweren. Onder de kooi was een groote lade, die, toen hij ze uittrok, gevuld bleek met ammunitie, dynamiet, en verscheiden doozen slaghoedjes. Hij prefereerde de rustbank aan anderen kant. Op de kleine hangende tafel lag, goed zichtbaar, het journaal van de _Arla_. Bertie wist niet dat het speciaal voor deze gelegenheid was bewerkt door kapitein Maloe, en hij las er in hoe op 21 September twee leden van de bemanning overboord waren gevallen en verdronken. Bertie las tusschen de regels door, en wist wel beter. Hij las hoe de sloep van de _Arla_ bij Soe-oe was beschoten van uit de bosschen en drie man verloren had; hoe de schipper had ontdekt dat de kok menschenvleesch braadde op de kombuiskachel, vleesch dat door de bemanning gekocht was in Foei; hoe, bij het seinen, een ander matroos was gedood door een toevallige ontploffing van het dynamiet; hij las van nachtelijke aanvallen; havens waaruit men met de noorderzon was weggevlucht; aanvallen door boschbewoners in mangrove-moerassen en door vloten van kustbewoners in de grootere doorvaarten. Een geval dat eentonig dikwijls terugkeerde was overlijden aan dysenterie. Hij merkte met ontzetting dat twee blanken daaraan gestorven waren, gasten op de _Arla_, zooals hij zelf.

"Zeg, hoort u eens", zei Bertie den volgenden dag tegen kapitein Hansen. "Ik heb uw journaal eens doorgekeken."

De schipper bleek hoogst ontstemd dat het journaal was blijven slingeren.

"En al die dysenterie, ziet u, dat is allemaal larie, net als dat bij ongeluk verdrinken," ging Bertie door. "Wat beteekend dysenterie _eigenlijk_?"

De schipper toonde onverholen bewondering om de scherpzinnigheid van zijn gast, werd toen stug en ontkende verontwaardigd, maar gaf zich ten slotte gracelijk gewonnen.

"Kijkt u eens hier, mijnheer Arkwright, dat zit'm zoo. De reputatie van deze eilanden is al erg genoeg op zichzelf. Iedere dag wordt het moeilijker om blanken aan te monsteren. Stel dat er iemand vermoord wordt. De maatschappij moet dan zwaar betalen voor een ander die het baantje overneemt. Maar als er iemand gewoon dood gaat aan de een of andere ziekte, och, dan is de zaak in orde. De nieuwelingen geven niet om ziekte. Vermoord worden, daar hebben ze het land aan. Ik dacht dat de schipper van de _Arla_ aan dysenterie gestorven was, toen ik zijn baantje vernam. Toen was het te laat. Ik had het contract geteekend."

"Bovendien," zei mijnheer Jacobs, "d'r zijn er over 't algemeen veel te veel die bij ongeluk verdrinken. Dat lijkt niet pluis. Het is de schuld van het gouvernement. Een blanke krijgt de kans niet om zich tegen de nikkers te verdedigen."

"Ja, kijk maar eens naar de _Princess_ en dien Yankee stuurman", nam de schipper het verhaal op. "Het schip voer vijf blanken en nog een gouvernements-agent. De kapitein, de agent, en de ladingmeester waren aan wal in de twee booten. Ze werden tot den laatste toe doodgeslagen. De stuurman en de bootsman met zoowat vijftien matrozen, lui van Tongga en Samoa, waren aan boord. Een troep nikkers kwam er aan, van de wal. Toen de stuurman begon te snappen wat er aan de hand was, waren de bootsman en de matrozen al doodgeslagen, bij den eersten aanval. Hij graaide drie patroongordels en twee Winchesters en smeerde 'm het want in. Hij was de eenige die het geval overleefde, en je zult hem niet laste kunnen leggen dat hij gek was. Hij pompte een geweer tot het zóó warm was dat hij het niet meer kon vasthouden, en toen pompte hij het andere. Het dek was zwart van de nikkers. Hij roeide ze uit. Hij schoot ze neer terwijl ze over de verschansing klommen, en zoo gauw namen ze hun pagaaien niet op of hij had ze te grazen. Toen sprongen ze in het water en probeerden zwemmende hun huid te bergen, en omdat hij razend was deed hij er nog een half dozijn bij. En wat heeft hij ervoor gekregen?"

"Zeven jaar in Fidzji", beet de stuurman.

"Het gouvernement zei dat hij geen recht had om te schieten toen ze eenmaal in het water waren", legde de schipper uit.

"En daarom gaan ze tegenwoordig dood aan dysenterie", voegde de stuurman er bij.

"Stel je voor", zei Bertie, en hij werd zich bewust van een verlangen naar het einde van den tocht.

Later op den dag ondervroeg hij den zwarte die hem aangewezen was als een menscheneter. Deze mijnheer heette Soemasai. Hij had drie jaar doorgebracht op een plantage in Queensland. Hij was geweest in Samoa, en Fidzji, en Sydney; en als matroos had hij gevaren op wervingsschoeners door heel Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, Nieuw-Guinea, en de Admiraliteits-eilanden. Ook was hij een guit, en hij had een voorbeeld genomen aan het gedrag van zijn schipper. O ja, hij had heel wat menschen opgegeten. Hoeveel? Hij kon het niet zeggen. Ja, ook blanken; ze smaakten uitstekend, behalve als ze ziek waren. Hij had één keer een zieken opgegeten.

"Mijn woord!" riep hij uit bij die herinnering. "Mij ziek veel bij hem. Mij buik loop rond te veel."

Bertie rilde, en vroeg inlichtingen over hoofden. Ja, Soemasai had er verscheiden, verstopt aan de wal, in uitstekenden staat, in de zon gedroogd, en boven het vuur gerookt. Eén was er van den kapitein van een schoener. Het had lange bakkebaarden. Hij wilde het verkoopen voor twee pond. Hoofden van zwarten wou hij voor één pond verkoopen. Hij had ook nog wel een paar kinderhoofden, maar die waren niet goed geconserveerd, en hij wilde ze hem overlaten voor tien shilling.

Vijftien minuten later merkte Bertie dat hij op het luik van de kajuitstrap zat langszij van een zwartje met een vreeselijke huidziekte. Hij vloog weg, en op zijn vraag vernam hij dat het melaatschheid was. Hij haastte zich naar beneden, en waschte zich met antiseptische zeep. Hij waschte zich dikwijls antiseptisch in den loop van dien dag, want iedere inlander aan boord was lijdende aan het een of ander kwaadaardig gezwel.

Toen de _Arla_ voor anker kwam te midden van mangrove-moerassen was er boven de verschansing een dubbele versperring van prikkeldraad gespannen die om het heele schip liep. Dat leek alsof het meenens zou worden, en toen Bertie de kano's van den wal langszij zag komen, bewapend met speren, bogen, pijlen en Sniders verlangde hij serieuzer dan ooit naar het eind van de reis.

Dien avond bleven de inlanders lang treuzelen vóórdat ze het schip verlieten. Enkelen van hen jouwden den stuurman uit toen hij hen beval aan land te gaan.

"Hindert niet, ik zal ze wel," zei kapitein Hansen, naar beneden duikend.

Toen hij terug kwam liet hij Bertie een staaf dynamiet zien met een vischhaak er aan. Nu kan een leege chlorodyne-flesch die in een papier is gewikkeld en waar een onschadelijke lont uitsteekt iedereen misleiden. Het misleidde Bertie en het misleidde de inlanders. Toen kapitein Hansen de lont aanstak en den vischhaak in den lendendoek van een van de inlanders sloeg, werd die inlander overvallen door een zóó hevig verlangen naar het vaste land, dat hij vergat zijn lendendoek te laten afglijden. Hij vloog naar voren. De lont knetterde en siste achter hem aan, en bij iederen sprong dien hij maakte namen de nikkers bij dozijnen hun duik over het prikkeldraad. Bertie stond verlamd van schrik. Kapitein Hansen ook. Hij had niet gedacht aan zijn vijfentwintig koelies voor ieder waarvan hij dertig shilling vooruit betaald had. Ze sprongen samen met de bewoners van het eiland overboord, gevolg door den man die de sissende chlorodyne-flesch achter zich aan sleepte.

Bertie zag de flesch niet springen; maar de stuurman liet op het juiste moment een staaf echt dynamiet ontploffen, op het achterschip, waar het niemand kwaad kon doen; en Bertie zou in ieder Admiraliteits-Hof gezworen hebben dat er een nikker aan flarden gevlogen was.