Verhalen van de Zuidzee

Chapter 8

Chapter 84,247 wordsPublic domain

"Ja, meester", antwoordde hij, zijn oogen zacht en lichtend van vreugde.

"Daar doe je het weer!" riep ik boos.

"Wat doet het er toe wat mijn lippen zeggen?" betoogde hij. "Dat zijn mijn lippen maar. Maar ik zal altijd Otoo denken. Telkens als ik aan mij zelf denk, zal ik aan u denken. Telkens als de menschen mij bij mijn naam noemen zal ik aan u denken. En boven de lucht en boven de sterren, altijd en voor eeuwig, zult u Otoo voor mij zijn. Is het goed, meester?"

Ik verborg mijn glimlach, en antwoordde dat het goed was.

Wij scheidden in Papeete. Ik bleef aan wal om op krachten te komen; en hij ging verder op een kotter naar zijn eigen eiland, Bora-Bora. Zes weken later was hij terug. Ik wist niet wat ik zag, want hij had mij verteld van zijn vrouw, en gezegd dat hij naar haar terugging, en het varen op verre reizen er aan zou geven.

"Waar gaat u heen, meester?" vroeg hij, na de eerste begroeting.

Ik haalde mijn schouders op. Het was een moeilijke vraag.

"De heele wereld," was mijn antwoord,--"de heele wereld, de heele zee, en al de eilanden die in de zee liggen."

"Ik ga met u mee", zei hij eenvoudig. "Mijn vrouw is dood."

Ik heb nooit een broer gehad, maar te oordeelen naar wat ik gezien heb van broers van andere mannen, betwijfel ik of iemand wel ooit een broer had die voor hem was wat Otoo was voor mij. Hij was broer en vader en moeder tegelijk. En dit weet ik: ik was een beter en eerlijker man terwille van Otoo. Andere menschen konden mij weinig schelen, maar in Otoo's oogen moest ik goed leven. Om zijnentwil durfde ik mij niet bezoedelen. Hij maakte van mij zijn ideaal, en ik vrees dat hij mij hoofdzakelijk samenstelde uit zijn eigen liefde en vereering; en er zijn oogenblikken geweest, dat ik vlak voor den steilen afgrond van de hel stond, en den sprong gedaan zou hebben, als de gedachte aan Otoo mij niet weerhouden had. Zijn trots op mij kwam ook in mij zelf, tot dat het een van de groote regels van mijn gedragslijn werd, niets te doen dat dien trots kon beschamen.

Natuurlijk merkte ik niet ineens wat zijn gevoelens voor mij waren. Hij oordeelde nooit, maakte nooit aanmerkingen, en heel langzaam begon ik de pijn te begrijpen die ik hem deed als ik ook maar iets minder was dan mijn allerbeste.

Zeventien jaren lang zijn wij samen geweest; zeventien jaren lang stond hij naast mijn schouder; hij hield de wacht als ik sliep, verpleegde mij als ik koorts had of gewond was--ja, hij ving wonden voor mij op in onze gevechten. Hij monsterde met mij op dezelfde schepen, en samen zwierven we over de Zuidzee, van Hawaii tot Sydney Head, en van de Torres-straat tot de Galapagos. Wij vingen nikkers van de Nieuwe-Hebriden en de Linie-eilanden dwars door de Louisiaden, Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, en Nieuw-Hannover, tot ver in het Westen. Drie keeren hebben wij schipbreuk geleden--in de Gilbert-eilanden, in de Santa-Cruz groep, en in de Fidzji's. En wij handelden en spaarden waar er maar een dollar te verdienen was met parels en parelschelpen, kopra, tripang, karetschildpad, en gestrande schepen.

Het begon in Papeete, onmiddellijk na zijn verklaring dat hij met mij zou gaan naar al de zeeën en al de eilanden te midden daarvan. Er was in dien tijd een societeit in Papeete, waar de parelkooplui, handels-agenten, kapiteins en al het avonturierstuig dat er op de Zuidzee rondzwierf bijeenkwamen. Er werd zwaar gespeeld en zwaar gedronken, en ik ben bang dat ik de nachten langer maakte dan behoorlijk of normaal was. Onverschillig hoe laat ik uit de societeit kwam, Otoo stond daar te wachten om te zorgen dat ik veilig mijn huis bereikte.

In het begin glimlachte ik er om, later mopperde ik; en eindelijk zei ik hem kortweg dat ik geen zuigeling was en geen verpleging noodig had. Daarna zag ik hem niet meer als ik uit de societeit kwam. Heel toevallig ontdekte ik, een paar weken later, dat hij mij nog steeds "thuisbracht". Hij hield zich schuil aan den overkant van de straat in de schaduw van de mango-boomen. Wat kon ik er aan doen? Ik weet alleen wat ik deed.

Onwillekeurig begon ik beter op mijn tijd te passen. In natte en stormachtige nachten, als het plezier en de dwaasheid op zijn hoogst was, kwam steeds weer de gedachte bij mij op dat Otoo daar buiten onder de druipende mango's zijn sombere wacht hield. Waarachtig, hij maakte een beter mensch van mij. Toch was hij geen star dogmaticus. En hij wist niets van de gewone Christelijke moraal. Al de menschen op Bora-Bora waren Christenen; maar hij was een heiden, een grove materialist, die geloofde dat hij dood was als hij gestorven was. Hij geloofde alleen in eerlijkheid en oprechtheid. Kleine gemeenheden waren in zijn opvatting van moraal, bijna even erg als moedwillige doodslag; en ik geloof zeker dat hij een moordenaar meer respecteerde dan een man die zich aan kleine praktijken schuldig maakte.

Wat mij zelf betreft, hij wilde niet dat ik iets deed wat mij kon schaden. Spelen was uitstekend. Hij was zelf een hartstochtelijk speler. Maar late uren, legde hij uit, waren slecht voor de gezondheid. Hij had mannen die niet voor zich zelf zorgden zien sterven aan de koorts. Hij was geen geheelonthouder, en een stevige borrel was hem hartelijk welkom als het nat werk was in de booten. Maar hij geloofde in drinken met mate. Hij had veel mannen gezien die verloopen waren of zelfs gedood door Schiedammer of Schotsche.

Mijn welzijn lag Otoo dicht aan het hart. Hij dacht ver vooruit voor mij, overwoog mijn plannen, en maakte er meer werk van dan ik zelf. In het begin, toen ik me nog niet bewust was van het belang dat hij in mijn zaken stelde, moest hij mijn plannen raden; zooals bijvoorbeeld in Papeete, toen ik er over dacht om met een niet al te betrouwbaar landsman van mij deelgenoot te worden in een guano-onderneming. Ik wist niet dat het een bedrieger was. En geen enkele blanke in Papeete wist dat. Otoo ook niet, maar hij zag hoe dik wij samen werden, en informeerde voor mij, en zonder dat ik het hem vroeg. Aan den zeekant van Tahiti zwerven inlandsche matrozen uit alle deelen van alle zeeën rond; en Otoo, die nog alleen maar achterdochtig was, mengde zich onder hen, en praatte met hen, tot dat hij voldoende gegevens had verzameld om zijn verdenking te rechtvaardigen. O, het was een mooie geschiedenis, die van Randolph Waters. Ik kon het niet gelooven toen Otoo het vertelde; maar toen ik het Waters onder zijn neus hield, gaf hij zich zonder een kik gewonnen en verdween met de eerste boot naar Auckland.

In het begin, ik durf het gerust te bekennen, nam ik het Otoo kwalijk dat hij zijn neus in mijn zaken stak. Maar ik wist dat hij volmaakt onzelfzuchtig was; en al spoedig moest ik zijn verstand en zijn bescheidenheid erkennen. Zijn oogen waren altijd open voor mijn beste kans, en hij zag ver en scherp. Langzamerhand werd hij mijn raadsman, totdat hij meer verstand van mijn zaken had dan ik. Werkelijk, mijn belangen gingen hem meer ten harte dan mij zelf. Mij was de prachtige onverschilligheid van de jeugd, want ik verkoos romantiek boven dollars, en avonturen boven een gemakkelijk baantje met alle nachten een warm bed. Het was dus goed dat ik iemand had die voor mij uitkeek. Ik weet zeker dat ik nu niet meer zou bestaan als Otoo er niet geweest was.

Laat mij één voorbeeld nemen uit de velen. Ik had al eenige ervaring in nikkervangen gehad vóórdat ik parels ging visschen in de Paoemotoe's. Otoo en ik scharrelden rond langs de wal op Samoa--wij waren echt aan lager wal, en stevig aan den grond--toen mijn kans kwam om als werver dienst te nemen op een brik die nikkers voer. Otoo monsterde vóór den mast; en in de volgende zes jaren zwierven wij, op even veel schepen, rond door de wildste gedeelten van Melanesië. Otoo zorgde dat hij altijd slag roeide in mijn boot. Onze gewoonte bij het werven van inlandsche koelies was den werver aan land te zetten op het strand. De boot die tot dekking diende lag een paar honderd voet uit de wal, rustend op de riemen, terwijl de boot van den werver, ook rustend op de riemen, drijvende werd gehouden aan den rand van het water, den steven naar zee gericht. Als ik met mijn ruil-artikelen landde, mijn stuurriem rechtop staan latend, verliet Otoo de roeibank en ging in den stuurstoel zitten, waar een Winchester verborgen lag onder een lap zeildoek. De bemanning van de boot was ook gewapend: de Snider-geweren lagen verborgen onder zeildoeksche lappen die langs de boorden van de boot liepen. Terwijl ik dan druk stond te betoogen en de kroesharige kannibalen trachtte te overreden om mee te gaan en te komen werken op de plantages van Queensland, hield Otoo de wacht. En telkens en telkens weer was het zijn stem die mij zachtjes waarschuwde voor verdachte handelingen en dreigend verraad. Soms ook was het snelle schot van zijn geweer dat een nikker overhoop sloeg de eerste waarschuwing die ik kreeg. En in mijn ren naar de boot was zijn hand altijd klaar om mij in vliegende vaart aan boord te trekken. Eens, herinner ik me, op Santa Anna, liep onze boot aan den grond juist toen de herrie begon. De boot die ons dekte kwam aanstuiven om te helpen, maar de honderden wilden zouden ons al vermoord hebben vóór dat de anderen er waren. Otoo vloog met een geweldigen sprong aan wal, groef zijn twee handen in de ruil-artikelen, en strooide tabak, kralen, tomahawks, messen, en calico in alle richtingen.

Dat was te veel om te kroeskoppen. Terwijl ze grabbelden naar de schatten, werd de boot vrij geschoven, en wij waren aan boord en veertig voet in zee. En ik kreeg dertig koelies van datzelfde dorp in de vier uren die volgden.

Maar de geschiedenis waar ik eigenlijk aan dacht, speelde op Malaita, het meest barbaarsche eiland in de oostelijke Salomon's. De inlanders waren merkwaardig vriendschappelijk geweest; en hoe konden wij weten dat het heele dorp twee jaren lang een collecte had gehouden om met de opbrengst het hoofd van een blanke te koopen. De schooiers zijn koppensnellers van den eerste tot den laatste, en ze stellen vooral veel prijs op het hoofd van een blanke. Wie het hoofd bemachtigde zou de heele collecte krijgen. Zooals ik zei, ze leken erg vriendelijk; en op dezen dag was ik zeker honderd meter van de boot weg gegaan, het strand op. Otoo had mij gezegd voorzichtig te zijn; en, zooals gewoonlijk wanneer ik me niet aan hem stoorde, ging het mis.

Het eerste wat ik merkte was een wolk van speren die van uit het mangrove-moeras op mij afzeilde. Minstens twaalf staken er in mijn lichaam. Ik zette het op een loopen, maar struikelde over een speer die in mijn kuit vast zat, en ging tegen den grond. De kroeskoppen vlogen op mij af, allen gewapend met een langen tweesnijdenden tomahawk om er mijn hoofd mee af te hakken. Zij waren zóó begeerig naar den prijs, dat ze elkaar in den weg liepen. In de verwarring vermeed ik verschillende slagen door mezelf naar links en rechts in het zand te gooien.

Toen kwam Otoo--Otoo de aftuiger. Op de een of andere manier had hij een zware oorlogsknots te pakken gekregen, en in een handgemeen had dat wapen veel meer uitwerking dan een geweer. Hij zat midden in de wilden, zoodat ze hem met hun speren niets konden doen, terwijl hun tomahawks minder dan waardeloos leken. Hij vocht voor mij, en hij was in een echte Berserker-woede. De handigheid waarmee hij de knots hanteerde was verwonderlijk. Hun schedels spatten uit elkaar als overrijpe sinaasappelen. Pas toen hij hen had teruggedreven en met mij in zijn armen wegliep, kreeg hij zijn eerste wonden. Hij kwam in de boot met vier speren in zijn rug, greep zijn Winchester, en schoot met ieder schot een nikker overhoop. Toen roeiden we naar den schoener en verzorgden onze wonden.

Zeventien jaren zijn wij samen geweest. Hij heeft mij gemaakt. Ik zou op het oogenblik ladingmeester zijn, of werver, of een herinnering, als hij er niet geweest was.

"U geeft uw geld uit, en dan gaat u weg en haalt nieuw geld," zei hij op een dag. "Het is nu gemakkelijk om geld te krijgen. Maar wanneer u oud wordt, zal uw geld op zijn, en u zult niet meer in staat zijn om nieuw te gaan halen. Ik weet het, meester. Ik heb de blanken bestudeerd. Langs den zeekant van de eilanden heb ik veel oude mannen gezien die eens jong waren, en die geld konden krijgen net als u. Nu zijn ze oud, en ze hebben niets, en ze loopen rond en wachten tot de jonge mannen zooals u komen en borrels voor hen koopen.

"Het zwartje is slaaf op de plantages. Hij krijgt twintig dollar in het jaar. Hij werkt hard. De opzichter werkt niet hard. Hij rijdt op een paard en kijkt toe hoe het zwartje werkt. Hij krijgt twaalfhonderd dollar in het jaar. Ik ben matroos op den schoener. Ik krijg vijftien dollar in de maand. Dat is omdat ik een goed matroos ben. Ik werk hard. De kapitein heeft een dubbele dektent, en drinkt bier uit lange flesschen. Ik heb hem nooit aan een touw zien hijschen of aan een riem zien trekken. Hij krijgt honderdvijftig dollar in de maand. Ik ben matroos. Hij is zeevaarder. Meester, ik geloof dat het goed voor u zou zijn om navigatie te kennen."

Otoo zette mij er toe aan. Hij voer met mij als tweede stuurman op mijn eersten schoener, en hij was veel trotscher op mijn commando dan ik zelf. Later was het weer:

"De kapitein wordt goed betaald, meester; maar hij moet altijd op het schip letten, en hij is nooit vrij van dien last. De reeder wordt beter betaald--de reeder, die aan den wal zit met veel bedienden en zijn rijksdaalders omdraait."

"Allemaal waar, maar een schoener kost vijfduizend dollar, en dan heb je nog maar een ouden," wierp ik tegen. "Ik zou een oud man zijn vóórdat ik vijfduizend dollar had overgespaard."

"Er zijn korte wegen om aan geld te komen voor de blanken", ging hij door, wijzend naar het met kokospalmen begroeide strand. Wij waren op dat oogenblik in de Salomon's, bezig ivoornoten te laden langs de oostkust van Goeadalcanar.

"De afstand tusschen dezen riviermond en den volgenden is twee mijlen" zei hij. "Het vlakke land loopt ver naar binnen. Het is nu niets waard. Het volgend jaar--wie weet? of het jaar daarna, zullen er menschen zijn die veel voor dat land betalen. De ankerplaats is uitstekend. Groote stoomschepen kunnen dicht bij het land liggen. U kunt het land vier mijlen diep koopen van het oude opperhoofd voor tienduizend stokken tabak, tien vierkante bottels, en een Snider, wat u misschien honderd dollar zal kosten. Dan deponeert u de akte bij den resident, en het volgend jaar, of het jaar daarna, verkoopt u het land en wordt eigenaar van een schip."

Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met de graslanden op Goeadalcanar--twintigduizend morgen huurde ik voor negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van de _Doncaster_ was zijn werk--ik kocht het wrak voor honderd pond in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de cacao-onderneming op Oepoloe.

Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De eenige manier om hem terug te betalen was met liefde, en de hemel weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw zeker zijn verderf zijn gewest.

De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.

"Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen--het zijn daar allemaal Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora," zei hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.

Ik zeg met een van _onze_ schoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.

"Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat de _Petite Jeanne_ gezonken is", zei hij eindelijk. "Maar als uw hart het begeert zullen wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen, en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel als ik wil--en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten boekhouder op het kantoor."

Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later was ik gedwongen aanmerkingen te maken.

"Charley", zei ik, "je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent, een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen."

"Heb ik nog wat te goed?" vroeg hij angstig.

"Ik zeg je toch, duizenden en duizenden", antwoordde ik.

Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.

"Het is goed", zei hij. "Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen cent aan mankeeren."

"Als er wat aan mankeert", voegde hij er fel bij, na een pauze, "moet het uit het loon van den boekhouder komen."

En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe van den Amerikaanschen consul.

Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon's, waar wij ons wildste werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.

Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten te verzamelen.

Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind, rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.

Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen, in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van den man die bij de kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel, hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.

Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij, en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog tot den schouder.

Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging, toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.

"Zwem naar den schoener, meester!" zei hij. En hij sprak vroolijk, alsof de heele zaak maar een grapje was. "Ik ken de haaien. De haai is mijn broeder."

Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai, verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.

"De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen," legde hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen aanval af te slaan.

Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken, maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.

Maar hij bleef bij mij.

"Dag Charley! Ik ben er geweest!" kon ik nog juist hijgen. Ik wist dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen omhoog gooien en zinken zou.

Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei: