Verhalen van de Zuidzee

Chapter 7

Chapter 74,147 wordsPublic domain

"Dat koopman", besloot Oti, "hij als 'm zooveel vuil. Hij als 'm mossel, hij dood _kai-kai_ hij blijf, vasthouden 'm allemaal veel. Hij als 'm hond, een ziek hond veel vlooi blijf bij hem. Wij niet bang bij dat koopman. Wij bang omdat hij wit man. Dat een ziek hond koopman hij veel broeder blijf bij hem, wit man als 'm jij vecht als hel. Wij niet bang dat verdom koopman. Een keer hij maak Kanaka veel kwaad bij hem en Kanaka wil 'm maak dood 'm, Kanaka hij hoor dat stuurman schreeuw: 'Jah! Jah! Jah!', en Kanaka niet maak dood 'm."

Hij sloeg een stuk inktvisch aan zijn haak, dat hij met zijn tanden van het levende, kronkelende monster af scheurde, en haak en aas zonken in witte vlammen naar den bodem.

"Haai rondloop hij afgeloopen", zei hij. "Ik denk wij pak 'm veel visch."

Er werd heftig aan zijn lijn gerukt. Hij haalde snel binnen, en liet een grooten, hijgenden kabeljauw in den bodem van de kano vallen. "Zon hij kom op, ik maak 'm dat verdom koopman een kadoo groot visch", zei Oti.

DE HEIDEN.

Onze eerste ontmoeting had plaats in een wervelstorm; en ofschoon wij in dien storm op denzelfden schoener waren, werd ik mij niet eerder bewust van zijn bestaan dan nadat de schoener onder ons uit elkaar was geslagen. Ik moet hem zonder eenigen twijfel gezien hebben, samen met de rest van de Kanaka bemanning, maar het was niet bewust tot mij doorgedrongen, want de _Petite Jeanne_ was tamelijk overladen. Behalve de acht of tien Kanaka matrozen, den blanken kapitein, stuurman en ladingmeester, en de zes kajuit-passagiers, vertrok het schip van Rangiroa met zooiets als vijfentachtig dek-passagiers--menschen uit de Paoemotoe's en van Tahiti, mannen, vrouwen, en kinderen, allen voorzien van een kist om hun boeltje in te bergen, om nog maar te zwijgen van slaapmatten, dekens, en bundeltjes kleeren.

Het seizoen om parels te visschen in de Paoemotoe's was voorbij, en alle hens keerden terug naar Tahiti. De zes kajuit-passagiers, waaronder ook ik, waren parelkooplui. Twee er van waren Amerikanen, één was Ah Choon (de blankste Chinees dien ik ooit gekend heb), één was een Duitscher, één een Poolsche Jood, en ik completeerde het half dozijn. Het was een voorspoedig seizoen geweest. Niemand van ons had reden tot klagen, de vijfentachtig dek-passagiers ook niet. Iedereen had goede zaken gemaakt, en iedereen keek verlangend uit naar een poosje rust en plezier in Papeete.

Natuurlijk was de _Petite Jeanne_ overladen. Zij mat maar zeventig ton, en zij mocht geen tiende varen van de hoeveelheid die ze aan boord had. Onder haar luiken was ze opgepropt en volgestampt met parelschelpen en kopra. Zelfs de ruimte waar de ruil-artikelen geborgen werden was volgestopt met schelpen. Het was een wonder dat de matrozen het schip konden zeilen. Over het dek loopen was onmogelijk. Zij klommen eenvoudig heen en weer langs de verschansing. 's Nachts liepen ze over de slapenden, die, ik durf zweren in een dubbele laag, de planken bedekten. O! en dan waren er nog varkens en kippen aan dek, en zakken met broodwortels, terwijl elk plekje dat men maar verzinnen kon behangen was met guirlandes van kokosnoten en trossen bananen. Aan beide zijden van het schip, tusschen het fokkewant en het grootwant, waren lijnen gespannen, juist zoo laag dat de fokkegiek vrij kon zwaaien, en aan elk van die lijnen waren minstens vijftig trossen bananen opgehangen.

Het beloofde een onpleizierige reis te worden, zelfs als we den overtocht maakten in de twee of drie dagen die noodig zouden zijn geweest als de zuidoost-passaatwinden flink gewaaid hadden. Maar ze waaiden niet flink. Na de eerste vijf uren stierf de passaat weg in een stuk of wat kortademige koeltjes. De windstilte duurde den geheelen nacht en den geheelen volgenden dag--een van die glasachtige, gloeiend-stralende blaktes, wanneer alleen de gedachte dat men zijn oogen zou openen om er naar te kijken al genoeg is om hoofdpijn te krijgen.

Den tweeden dag stierf er een man, een inboorling van het Paasch-eiland, een van de beste duikers van de lagune dat seizoen. Pokken, dat was het; ofschoon ik nog niet begrijp hoe er bij ons aan boord pokken konden komen als er aan de wal geen gevallen bekend waren toen wij uit Rangiroa wegzeilden. Maar ze waren er--pokken, één man dood, en drie anderen plat op hun rug.

Wij konden niets doen. De zieken konden niet afgezonderd, en nog minder verpleegd worden. Wij zaten op elkaar gepakt als sardines in een blik. Er was niets anders te doen dan ziek worden en crepeeren--dat is te zeggen, na den nacht die volgde op het eerste sterfgeval. In dien nacht namen de stuurman, de ladingmeester, de Poolsche Jood, en vier inlandsche duikers stilletjes de vlucht in de groote jol. Niemand heeft ooit meer iets van hen gehoord, 's Morgens liet de kapitein direct de andere booten lek slaan, en daar zaten we.

Dien dag waren er twee sterfgevallen, den volgenden dag drie; toen vloog het omhoog tot acht. Het was de moeite waard de verschillende wijzen te zien waarop wij het opnamen. De inlanders bij voorbeeld vervielen in een toestand van stomme, domme vrees. De kapitein--Oudouse heette hij, een Franschman--werd erg zenuwachtig en opgewonden. Hij kreeg in den letterlijken zin van het woord zenuwstuipjes. Het was een groote vleezige kerel, die minstens tweehonderd pond woog, en hij werd al spoedig een getrouwe weergave van een trillenden, geleiachtigen berg van vet.

De Duitscher, de twee Amerikanen, en ik kochten samen al de Schotsche whisky op, en besloten dronken te blijven. De theorie was mooi--namelijk, dat als wij ons voortdurend gedrenkt hielden in alcohol, iedere pok-bacil die met ons in aanraking kwam onmiddelijk tot asch zou verschroeien. En de theorie werkte, ofschoon ik moet bekennen dat kapitein Oudouse en Ah Choon ook niet door de ziekte werden aangetast. De Franschman dronk heelemaal niet, en Ah Choon beperkte zich tot één borrel per dag.

Het was een mooie toestand. De zot, die naar het noorden declineerde, stond recht boven ons. Wind was er niet, behalve talrijke buien, die van vijf minuten tot een half uur fel bliezen, en eindigden in een zondvloed van regen. Na iedere bui kwam de vreeselijke zon weer te voorschijn, en trok wolken van stoom omhoog uit het doorweekte dek.

Die stoom was niet bepaald aangenaam. Het was de adem van den dood, beladen met millioenen en millioenen ziektekiemen. Wij namen altijd nog maar een borrel als we hem zagen opstijgen uit de dooden en stervenden, en heel dikwijls namen wij er nog twee of drie bij, en we mengden ze bijzonder sterk. Ook maakten wij er een vaste gewoonte van om er nog een paar boven op te nemen telkens als de dooden overboord werden gezet, voor de haaien die overal om ons heen zwommen.

Dat duurde zoo een week lang, en toen raakte de whisky op. En dat was maar goed ook, want anders was ik er nu niet meer. Men moest nuchter zijn om te blijven leven in wat er volgde, en iedereen zal dat met mij eens zijn als ik de kleinigheid vermeld dat maar twee menschen er levend doorheen kwamen. De andere was de heiden--tenminste zoo hoorde ik hem door kapitein Oudouse noemen toen ik mij voor het eerst bewust werd van zijn bestaan. Maar laat ik terugkeeren tot mijn verhaal.

Het was aan het eind van die week, en de whisky was op en de parelkoopers nuchter, toen ik toevallig eens naar den barometer keek die in de kajuitsgang hing. De normale barometerstand in de Paoemotoe's was 29·90, en het was heel gewoon hem te zien schommelen tusschen 29·85 en 30, of zelfs 30·05; maar hem te zien zooals ik hem toen zag, gedaald tot 29·62 was voldoende om den meest dronken parelkoopman te ontnuchteren die ooit pokken-microben cremeerde in Schotsche whisky.

Ik vestigde de aandacht van kapitein Oudouse er op, maar kreeg slechts de mededeeling dat hij hem al een paar uren lang had zien dalen. Er was weinig te doen, maar dat beetje deed hij uitstekend, de omstandigheden in aanmerking genomen. Hij nam de lichte zeilen in, bracht het schip onder stormtuig, spande reddingslijnen, en wachtte op den wind. Zijn fout lag in wat hij deed toen de wind er was. Hij ging bijliggen over den stuurboordboeg, wat ook heel goed was, ten zuiden van den Equator, als--en daar zat hem de knoop--als men niet pal in den weg van een wervelstorm ligt.

Wij lagen pal op den weg van den storm. Ik kon dat merken aan het gestadig toenemen van den wind en het even gestadig vallen van den barometer. Ik had gewild dat hij gedraaid en met ruimen wind over stuurboord weggeloopen was, tot de barometer weer steeg, en dan was gaan bijliggen. Wij praatten en betoogden tot hij aanvallen van hysterie kreeg, maar wijken wilde hij niet. Het ergste was dat ik de andere parelkoopers er niet toe kon krijgen mij te steunen. Wat verbeeldde ik mij eigenlijk wel? Wist ik soms meer van de zee en van de zeevaart dan een behoorlijk gebreveteerd gezagvoerder? Dat was wat zij dachten, en ik wist het.

Natuurlijk rees de zee geweldig naarmate de wind sterker werd, en ik zal nooit de eerste drie zeeën vergeten die de _Petite Jeanne_ schepte. Ze was afgevallen, zooals schepen wel meer doen wanneer ze bijliggen, en de eerste zee spoelde er schoon over heen. De reddingslijnen waren alleen maar van nut voor wie nog sterk en gezond was, en zelfs hen hielpen ze niet veel toen de vrouwen en kinderen, de bananen en kokosnoten, de varkens en kisten, de zieken en stervenden langs het dek stroomden in één gillende, kreunende massa.

De tweede zee vulde het dek van de _Petite Jeanne_ gelijk met de verschansing; en toen de achtersteven omlaag zonk en de boeg naar boven schoot, stroomde al die erbarmelijke ballast van leven en bagage achteruit. Het was een rivier van menschen. Zij kwamen in alle houdingen: met het hoofd naar voren, met de voeten naar voren, schuivend, over hun kant rollend, dubbel geslagen, zich draaiend en krommend en wringend. Nu en dan greep er een een touw of een steunpost, maar de zwaarte van de lichamen achter hen scheurden zulke grepen los. Eén man zag ik met zijn hoofd pal tegen de stuurboordbeting op vliegen. Zijn hoofd werd gekraakt als een ei. Ik zag wat er aankwam, sprong boven op de kajuit, en van daar in het grootzeil. Ah Choon en een van de Amerikanen trachtten mij te volgen, maar ik was hen één sprong voor. De Amerikaan werd weggeveegd over den spiegel, als een stukje stroo. Ah Choon greep een spaak van het stuurraad en bleef daaraan hangen, als een schip dat op zijn anker zwaait in een sterke strooming. Maar een groote, zware vahine (vrouw)--zij moet minstens tweehonderd en vijftig gewogen hebben--werd tegen hem aan gegooid en sloeg een arm om zijn hals. Hij greep den Kanaka roerganger vast met zijn andere hand; en juist op dat oogenblik smakte de schoener neer naar stuurboord. De rivier van lichamen en zeewater die aan kwam stroomen langs de bakboordgang tusschen de kajuit en de verschansing, wendde zich plotseling en dreef naar stuurboord. Weg schoten ze--vahine, Ah Choon, en roerganger; en ik durf zweren dat ik Ah Choon met philosophische berusting zag grijnzen toen hij over de reeling ging en zonk.

De derde zee, de grootste van de drie, richtte niet zooveel kwaad aan. Bijna iedereen was in het want toen ze aan kwam schuimen. Op het dek tolden misschien nog een stuk of zes half-bedwelmde, half-verdronken stumperds rond, happend naar adem en wegkruipend naar waar het veilig was. Zij gingen overboord te gelijk met het wrakhout van de twee booten die er nog waren. Ik zelf en de andere parelkoopers slaagden er in, om tusschen stortzeeën door, ongeveer vijftien vrouwen en kinderen in de kajuit te krijgen, en gooiden den boel dicht. Veel plezier hebben de arme schepsels er ten slotte niet aan beleefd.

Wind? Met al mijn ervaring had ik niet kunnen gelooven dat wind zóó sterk kon zijn. Ik behoef niet te probeer en het te beschrijven. Hoe kan men een nachtmerrie beschrijven? En die wind was een nachtmerrie. Hij scheurde de kleeren van onze lichamen. Ik zeg, _hij scheurde ze er af_, en ik meen het. Ik vraag niemand het te gelooven. Ik vertel alleen maar iets dat ik zelf gezien heb. Er zijn oogenblikken dat ik het zelf niet geloof. Ik ben er doorheen geworsteld, en dat is voldoende. Men kon dien wind niet levend het hoofd bieden. Het was iets monsterachtigs, en het meest monsterachtige er van was dat hij toenam en steeds doorging met toenemen.

Stel u voor ontelbare millioenen tonnen zand. Stel u voor dat dat zand voortvliegt met een vaart van negentig, honderd, honderdtwintig, zooveel mijlen als u maar wilt per uur. Stel u verder voor dat dat zand onzichtbaar is, ontastbaar, en dat het toch al de zwaarte en de dichtheid van zand behoudt. Wanneer men zich dat alles voorstelt kan men zich een vaag idee vormen van de kracht van dien wind.

Misschien is zand geen goede vergelijking. Beschouw het als modder, onzichtbaar, ontastbaar, maar zwaar als modder. Het is nog erger. Beschouw iedere molecule lucht als een modderbank op zichzelf. Tracht u dan voor te stellen den druk van al die modderbanken te zamen.

Neen; het gaat mijn krachten te boven. De taal mag in staat zijn om uitdrukking te geven aan de gewone vormen van het leven, maar het is niet mogelijk om er ook maar één van de vormen mee uit te drukken van een dergelijken ontzettenden stormwind. Ik had beter gedaan bij mijn oorspronkelijk plan te blijven en mij niet aan een beschrijving te wagen.

Ik wil alleen maar dit zeggen: de zee, die eerst hoog en hol was geworden, werd nu neergeslagen door dien wind. Meer: het leek alsof de heele oceaan opgezogen was in den mond van den wervelstorm en werd voortgespoten door dat gedeelte van de ruimte waar eerst lucht was geweest.

Natuurlijk waren onze zeilen al lang weg. Maar kapitein Oudouse had iets op de _Petite Jeanne_ dat ik nooit eerder had gezien aan boord van een Zuidzee-schoener--een drijfanker. Het was een kegelvormige zeildoeksche zak, waarvan de mond werd opengehouden door een reusachtigen ijzeren hoepel. Het drijfanker was ongeveer op de manier van een vlieger vastgemaakt, en het beet in het water zooals een vlieger bijt in de lucht, maar met een verschil. Het drijfanker bleef juist onder de oppervlakte van de zee, rechtstandig, met de opening naar beneden. Een lange lijn verbond het weer met den schoener. Het resultaat was dat de _Petite Jeanne_ met den kop op den wind lag en op het beetje zee dat er stond.

De toestand zou werkelijk gunstig zijn geweest, als wij niet op den weg van den cycloon hadden gelegen. Het is waar, de wind zelf scheurde onze zeilen uit de seizings, rukte onze stengen omlaag, en maakte een ravage van ons loopend want, maar wij zouden er toch nog mooi doorheen zijn gekomen, als wij niet precies in den koers van het naderend middelpunt van den cycloon hadden gelegen. Dat maakte er een eind aan. Ik verkeerde in een toestand van half-bewustelooze verdooving en verlamming, door het voortdurend weerstand bieden aan den ontzettenden luchtdruk, en ik geloof dat ik er juist over dacht het op te geven en dood te gaan, toen het middelpunt ons trof. De klap dien wij kregen was een volkomen windstilte. Er was geen zuchtje. Het was een afschuwelijke gewaarwoording.

Vergeet niet, dat onze spieren uren lang in geweldige spanning waren geweest, om den druk van dien storm te weerstaan. En toen, ineens, werd de druk weggenomen. Ik weet wel dat ik een gevoel kreeg alsof ik plotseling uitzette, alsof ik uit elkaar zou vliegen in alle richtingen. Het leek alsof iedere atoom van mijn lichaam iederen anderen atoom afstootte en op het punt stond om onweerhoudbaar de ruimte in te vliegen. Maar dat duurde niet langer dan een oogenblik. Wij waren gedoemd tot vernietiging.

Toen de winddruk er niet meer was, werd de zee hol. Het water rees, sprong, spoot omhoog, recht naar de wolken. Vergeet niet dat die onberekenbare wind uit alle streken van het kompas blies naar het windstille middelpunt. Het resultaat was dat de zeeën omhoog sprongen uit alle streken van het kompas. Er was geen wind om hen in bedwang te houden. Zij schoten omhoog als kurken die losgelaten worden op den boden van een emmer water. Er was geen regelmaat, geen systeem in. Het waren krankzinnige, monsterachtig holle golven. Zij waren tachtig voet hoog op zijn minst. Het waren heelemaal geen golven meer. Geen mensch had ooit een golf gezien die was zooals deze waterbergen. Het waren fonteinen, zware, geweldige fonteinen. Fonteinen die tachtig voet hoog sprongen. Tachtig! Zij waren hooger dan tachtig. Zij gingen boven onze masttoppen uit. Het waren reusachtige watervallen, uitbarstingen van water. Zij waren als dronken. Zij vielen overal, op alle mogelijke manieren.

Zij botsten en stootten op elkaar; ze spoten tegen elkaar in en vielen over elkaar heen, of stoven uiteen als duizend watervallen tegelijk. Het was een zee zooals geen mensch zich ooit gedroomd had, dat middelpunt van dien wervelstorm. Het was driemaal verwarde verwarring. Het was anarchie. Het was een hel-kuil van dol geworden zeewater.

De _Petite Jeanne_? Ik weet het niet. De heiden vertelde mij later dat hij het ook niet wist. Het schip werd letterlijk uit elkaar gerukt, wijd open gescheurd, tot moes geslagen, tot kachelhout gebeukt, totaal vernietigd. Toen ik bijkwam, lag ik in het water, automatisch zwemmend, hoewel ik ongeveer voor twee derden verdronken was. Hoe ik daar kwam, ik heb er geen idee van. Ik herinner mij nog dat ik de _Petite Jeanne_ in stukken zag vliegen op het oogenblik dat mijn eigen bewustzijn uit mij gebeukt moet zijn. Maar daar zat ik, en er bleef mij niets over dan te doen wat ik kon, en dat was een hopeloos klein beetje. De wind blies weer, er stond veel minder zee en de golven waren regelmatiger, en ik wist dat ik het middelpunt van den orkaan voorbij was. Gelukkig waren er geen haaien in de buurt. De storm had de vraatzuchtige bende verspreid, die het doodenschip omgeven en zich met de lijken gevoed had.

Het was ongeveer twaalf uur 's middags toen de _Petite Jeanne_ uit elkaar vloog, en het zal zoowat twee uur later zijn geweest dat ik een van haar luiken oppikte. Er viel een dichte regen op dat oogenblik, en het was een puur toeval dat mij en het luik te zamen wierp. Aan het hennepen handvat hing een kort eindje touw dat in het water dreef, en ik wist dat ik voor een dag veilig was, tenminste als de haaien niet terugkwamen. Ik bleef dicht bij het luik, hield mijn oogen dicht, en concentreerde mijn heele wezen op de taak zoo veel lucht in te ademen dat ik in het leven bleef, en tevens te vermijden zoo veel water in te ademen dat ik verdronk. Drie uren later, misschien een beetje langer, meende ik stemmen te hooren. De regen was opgehouden en zee en wind minderden verwonderlijk snel. Geen twintig voet verder, op een ander luik, zag ik kapitein Oudouse en den heiden. Zij vochten om het bezit van het luik--de Franschman tenminste.

"Païen noir!" hoorde ik hem schreeuwen, en tegelijkertijd zag ik hem den Kanaka schoppen.

Nu was kapitein Oudouse al zijn kleeren kwijt behalve zijn schoenen, en het waren zware trappers. De schop kwam leelijk aan, want hij trof den heiden op zijn mond en op de punt van zijn kin, en sloeg hem half bewusteloos. Ik verwachtte dat hij terug zou slaan, maar hij stelde zich tevreden met mistroostig om het luik heen te zwemmen op een veilige tien voet afstand. Telkens als een zee hem dichter bij wierp, schopte de Franschman naar hem met zijn twee voeten, zich met zijn handen vasthoudend aan het luik. Ook maakte hij bij het toedienen van iederen schop den Kanaka voor een zwarten heiden uit.

"'t Is me de moeite waard om bij je te komen en je te verzuipen, jou blank beest!" gilde ik.

De eenige reden waarom ik niet ging was dat ik mij te moe voelde. Alleen de gedachte aan zwemmen maakte me al ziek. Dus riep ik den Kanaka toe bij mij te komen, en deelde verder mijn luik met hem.

Hij vertelde mij dat hij Otoo heette (uitgesproken O--to--o); ook vertelde hij me dat hij thuis hoorde op Bora-Bora, het meest westelijke van de Gezelschaps-eilanden. Zooals ik later hoorde, had hij het luik het eerst gevonden, en toen hij na een tijdje kapitein Oudouse zag, had hij aangeboden het samen met hem te deelen, en was er toen af geschopt voor zijn moeite.

En dat was hoe Otoo en ik het eerst samen kwamen. Hij was vredelievend van natuur. Hij was één en al zachtheid en teederheid, een mensch van liefde, ofschoon hij bijna zes voet lang was en gespierd als een gladiator. Geen vechtersbaas was hij, maar ook geen lafaard. Hij had het hart van een leeuw, en in de jaren die volgden heb ik hem kansen zien wagen waar ik zelf niet over gedacht zou hebben. Wat ik bedoel is, dat, hoewel hij zacht van aard was en altijd vermeed een vechtpartij te beginnen, hij nooit weg liep van de herrie wanneer die eenmaal begonnen was. En het was "pas op voor ondiepten" als Otoo eenmaal in actie kwam. Ik zal nooit vergeten wat hij met Bill King deed. Het gebeurde op Duitsch Samoa. Bill King stond bekend als de kampioen zwaar gewicht van de Amerikaansche vloot. Het was een groot beest van een kerel, een echte gorilla, een van die ruwe, hardhandige gasten die er altijd onbarmhartig op los slaan, en hij was handig met zijn vuisten ook. Hij begon de ruzie, en hij schopte Otoo twee keer en sloeg hem ééns voor dat Otoo het noodig oordeelde te vechten. Ik geloof niet dat het vier minuten duurde, aan het eind van welk tijdsverloop Bill King de ongelukkige bezitter was van vier gebroken ribben, een gebroken onderarm, en een ontwricht schouderblad. Otoo wist niets van wetenschappelijk boksen. Hij kon alleen maar iemand aftuigen; en Bill King had zooiets als drie maanden noodig om te herstellen van het pak slaag dat hij dien middag kreeg op het strand van Apia.

Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Wij deelden het luik met elkaar. Wij wisselden elkaar af: de een lag languit op het luik en rustte uit, terwijl de ander, tot aan zijn nek in het water, zich alleen maar vasthield met zijn handen. Twee dagen en twee nachten, beurt om beurt op het luik en in de zee, dreven wij over den oceaan. Op het laatst was ik meestal ijlende; en er waren oogenblikken dat ik ook Otoo hoorde ijlen en dazen in zijn inlandsch dialect. Doordat wij voortdurend in het water waren, konden we niet sterven van dorst, maar de combinatie van zeewater en zonneschijn maakte onze huid zoo verbrand en verpekeld als men het zich maar denken kan.

Ten slotte werd mijn leven gered door Otoo; want toen ik bijkwam lag ik op het strand op twintig voet afstand van het water, en beschut voor de zon door een paar kokospalmbladeren. Niemand anders dan Otoo kon mij daar heen gesleept en de schaduw-gevende bladeren in den grond gestoken hebben. Hij lag naast mij. Ik zakte weer weg, en toen ik voor den tweeden keer bij kwam, was het koele nacht, en de sterren stonden boven mij, en Otoo drukte een jonge kokosnoot tegen mijn lippen.

Wij waren de eenige overlevenden van de _Petite Jeanne_. Kapitein Oudouse moet door uitputting bezweken zijn, want verscheiden dagen later dreef zijn luik zonder hem aan land. Otoo en ik woonden een week lang bij de inlanders op de atol; toen werden wij opgepikt door den Franschen kruiser en naar Tahiti gebracht. Maar in dien tijd hadden wij plechtig onze namen verwisseld. In de Zuidzee bindt die ceremonie twee mannen nog sterker aan elkaar dan bloedbroederschap. Het plan ging van mij uit, en Otoo was in verrukking toen ik het voorstelde.

"Het is goed", zei hij in het Tahiti'sch. "Want wij zijn twee dagen lang kameraden geweest op de lippen van den Dood."

"Maar de Dood stotterde", glimlachte ik.

"Het was een dappere daad, meester", zei hij weer, "en de Dood was niet gemeen genoeg om te spreken."

"Waarom zeg je toch meester tegen mij?" vroeg ik, een beetje geraakt. "Wij hebben onze namen geruild. Voor jou ben ik Otoo. Voor mij ben jij Charley. En voor ons tweeën zal jij, altijd en altijd, Charley zijn en ik Otoo. Het is zoo de gewoonte. En als wij sterven, en misschien een nieuw leven beginnen boven de sterren en de lucht, zal jij nog altijd Charley voor mij zijn en ik Otoo voor jou."