Chapter 6
Ik begreep het niet. Ik kon me niet voorstellen dat zesduizend inlanders genoegen namen met de tyrannie van dien verschrompelden dwerg. Het was een wonder dat hij niet al lang plotseling gestorven was. Het volk was, anders dan de laffe Melanesiërs, trotsch en oorlogszuchtig. Op het groote kerkhof, aan de hoofd- en voeteneinden van de graven, lagen herinneringen aan een bloedige historie--spaden voor walvischspek, roestige oude bajonetten en hartsvangers, koperen bouten, roer-ijzers, harpoenen, koperen kanonnen, baksteenen die nergens anders vandaan konden komen dan uit het smeltfornuis van een walvischvaarder, en oude koperen munten uit de zestiende eeuw, die de overlevering van de eerste Spaansche zeevaarders bevestigden. Schip na schip was aan zijn eind gekomen op Oolong. Geen dertig jaren geleden was de walvischvaarder _Blennerdale_, die de lagune binnenliep om te repareeren, met alle hens buitgemaakt. Op dezelfde manier had de bemanning van de _Gasket_, een sandelhoutvaarder, den dood gevonden. Dan was er een groote Fransche bark, de _Toulon_, die overvallen werd door een windstilte voor de atol. De eilanders kwamen na een hevig gevecht aan boord, en lieten het schip wrak slaan in de Lipaoe Doorvaart; en alleen de kapitein en een handvol matrozen konden ontsnappen in de barkas. Verder waren er de Spaansche munten, die spraken van het einde van een van de oude ontdekkingsreizigers. Dit alles, over de genoemde schepen, is geschiedenis, en men kan het vinden in de _Zeilaanwijzingen voor de Stille Zuidzee_. Maar dat er nog meer geschiedenis was, ongeschreven, dat moest ik nog ondervinden. Ondertusschen pijnigde ik mijn hersens met de vraag, waarom zesduizend primitieve wilden één gedegenereerden Schotschen despoot in het leven lieten.
Op een heeten middag zaten McAllister en ik op de veranda uit te kijken over de lagune, met al haar wonderen van glinsterende kleuren. Achter onzen rug, aan de overzij van de honderd meter met palmen beplant zand, donderde de branding op het rif. Het was afschuwelijk warm. Wij waren op 4º Zuiderbreedte, en de zon, die een paar dagen geleden de Linie gepasseerd was op haar reis naar het zuiden, stond recht boven onze hoofden. Er was geen wind--zelfs geen vleugje. Het seizoen van den zuidoost-passaat liep vroeg ten einde, en de noordwest-moesson was nog niet begonnen te waaien.
"Hun danserij is geen klap waard", zei McAllister.
Ik had toevallig gezegd dat de Polynesische dansen ver boven die van de Papoea's stonden, en dit had McAllister ontkend, om geen andere reden dan zijn humeurigheid. Maar het was te heet om te discussieeren, en ik zei niets. Bovendien had ik de bewoners van Oolong nooit zien dansen.
"Ik zal het je bewijzen", kondigde hij aan, en wenkte den zwarten jongen van Nieuw-Hannover, een inlandschen koelie die dienst deed als kok en huisbediende. "Hee, jij, jongen, jij zeg'm een koning kom bij mij."
De jongen ging weg, en terug kwam de eerste minister, niet erg op zijn gemak, ontdaan, en voortdurend verontschuldigende verklaringen ratelend. In het kort, de koning sliep, en mocht niet gestoord worden.
"Koning hij veel sterk slaap", was zijn slotperiode.
Mc Allister was zóó woedend dat de eerste minister zonder zich een oogenblik te bedenken wegvluchtte, om terug te keeren met den koning in eigen persoon. Het waren twee prachtige menschen, vooral de koning, die volle zes voet en drie duim lang moet zijn geweest. Zijn trekken hadden dat adelaars-achtige, dat men zooveel ziet bij de Indianen van Noord-Amerika. Hij was geboren, maar ook gemaakt om te heerschen. Zijn oogen vlamden terwijl hij naar Mc Allister luisterde, maar heel gedwee gehoorzaamde hij diens bevel om een paar honderd van de beste dansers uit het dorp te laten halen, mannen en vrouwen. En dansen deden ze, twee doodelijke uren lang, onder die roosterende zon. Dankbaar waren ze hem niet, maar dat kon hem weinig schelen, en toen hij hen eindelijk liet gaan, was het met spot en scheldwoorden.
De kruiperige slaafschheid van die prachtige wilden was iets afschuwelijks. Hoe kon zoo iets bestaan? Wat was het geheim van zijn heerschappij? Steeds meer dacht ik over het raadsel terwijl de dagen voorbij gingen, en ofschoon ik voortdurend staaltjes zag van zijn onbetwiste oppermacht, was er nooit iets dat de oplossing kon geven.
Op een goeden dag sprak ik toevallig over een kleine teleurstelling die ik had ondervonden. Ik had een mooi paar kaoeri-schelpen willen koopen, maar het was me niet gelukt. Als ze geen vijf pond waard waren in Sydney waren ze ook niets waard. Tweehonderd stokken tabak had ik den eigenaar aangeboden, maar hij was op driehonderd blijven staan. Toen ik toevallig over de zaak sprak, liet Mc Allister den man onmiddelijk halen, nam hem de schelpen af, en overhandigde ze aan mij. Vijftig stokken tabak was alles wat ik hem mocht betalen. De man nam de tabak aan en scheen dol blij dat hij er zoo gemakkelijk af kwam. Wat mij betreft, ik nam me voor mijn tong voortaan wat in bedwang te houden. En nog steeds piekerde ik over het geheim van McAllister's macht. Ik ging zelfs zóó ver dat ik het hem op den man af vroeg, maar alles wat hij deed was één oog dicht knijpen, heel geheimzinnig kijken, en nog een borrel nemen.
Op een nacht was ik aan het visschen in de lagune met Oti, den man die zoo kaal van zijn kaoeri-schelpen af was gekomen. Ik had hem buiten weten van Mc Allister nog honderdvijftig stokken tabak er bij overgemaakt, en hij was mij gaan beschouwen met een eerbied die veel op vereering leek; eigenlijk vrij zonderling, want hij was al een oud man, minstens tweemaal zoo oud als ik.
"Wat naam jij Kanaka altijd 't zelfde klein?" begon ik met hem. "Dat koopman één. Jij Kanaka veel te veel. Jij Kanaka precies als 'm hond veel bang bij dat koopman. Hij niet eet jij. Hij niet heeft 'm tand bij hem. Wat naam jij bang te veel!"
"Stel veel Kanaka maak dood 'm?" vroeg hij.
"Hij dood", zei ik. "Jij Kanaka maak dood 'm veel wit man lang tijd geleden. Wat naam jij bang dit wit man?"
"Ja, wij maak dood 'm veel", was zijn antwoord. "Mijn woord! Allemaal veel! Lang tijd geleden. Eén keer, mij jong te veel, een groot schip hij blijf buiten. Wind hij niet blaas. Veel Kanaka wij pak 'm kano, veel kano, wij gaan pak 'm dat schip. Mijn woord--wij pak 'm groot vechten. Twee, drie wit man schiet als duivel. Wij niet bang. Wij kom langszij, wij gaan aan boord, veel, misschien mij denk vijftig-tien (vijfhonderd). Een wit vrouw bij dat schip. Nooit eerder mij zie wit vrouw. Langzaam veel wit man afgeloopen. Een schipper hij niet dood. Vijf, zes wit man niet dood. Schipper hij schreeuw. Een paar wit man hij vechten. Een paar wit man hij laat neer boot. Dan allemaal samen overboord gaan zij. Schipper hij laat wit vrouw neer. Dan zij spoel-spoel (roeien) sterk veel te veel. Vader van mij die tijd hij sterk. Hij gooi 'm een speer. Dat speer hij gaat in eene kant dat wit vrouw. Hij niet blijf. Mijn woord! hij gaat uit andere kant dat wit vrouw. Zij afgeloopen. Wij niet bang. Veel Kanaka te veel niet bang."
De goede oude Oti was in zijn eer gekwetst, want plotseling stroopte hij zijn lava-lava af en liet mij het onmiskenbare lidteeken van een kogel zien. Vóórdat ik iets kon zeggen, liep plotseling zijn lijn af. Hij greep er naar en trachtte ze binnen te halen, maar merkte dat de visch om een koraaltak heen was gezwommen. Hij gaf mij een verwijtenden blik omdat ik zijn aandacht had afgeleid, en sprong overboord, rechtstandig. Onder water dook hij voorover en volgde zijn lijn naar den bodem. Het water was tien vadem diep. Ik leunde overboord en keek naar het spel van zijn voeten, die den zachten phosphorglans opwoelden tot spookachtige vlammen, steeds vager wordend naarmate ze dieper zonken. Tien vadem--zestig voet--, het was niets voor hem, een oud man, vergeleken met de waarde van een haak en lijn. Na verloop van wat vijf minuten leek, ofschoon het niet meer kan zijn geweest dan een minuut, zag ik hem naar boven stijgen in witte vlammen. Hij kwam aan de oppervlakte en gooide een kabeljauw van tien pond in de kano; lijn en haak waren heel, en de haak zat nog vast in den visschenmond.
"Het kan zijn", zei ik, onbarmhartig. "Jij niet bang lang geleden. Jij veel bang nu bij dat koopman."
"Ja, veel bang", bekende hij. Het was duidelijk dat hij liever van het onderwerp wilde afstappen. Een half uur lang trokken wij zwijgend onze lijnen omhoog en gooiden ze zwijgend weer uit. Toen begonnen er kleine visch-haaien te bijten, en nadat we beiden een haak kwijt waren geraakt, haalden wij alles binnen en wachtten tot de haaien hun weg zouden vervolgen.
"Ik praat jij waar", zoo verbrak Oti het zwijgen, "dan jij snap wij bang nu."
Ik stak een pijp op en wachtte, en het verhaal dat Oti mij vertelde in vreeselijk tripang geef ik hier weer in behoorlijk Engelsch. Verder, in den geest en in den gang der gebeurtenissen, is het zooals het van Oti's lippen kwam.
"Na dien tijd waren wij erg trotsch. Wij hadden dikwijls gevochten met de vreemde blanke mannen die leven op de zee, en altijd hadden wij hen verslagen. Enkelen van ons werden dan wel gedood, maar wat was dat vergeleken bij de groote voorraden en rijkdommen van duizenden verschillende soorten die wij vonden op de schepen? En toen, op een goeden dag, misschien twintig jaren geleden, misschien vijfentwintig, kwam er een schoener pal door de doorvaart en in de lagune. Het was een groote schoener met drie masten. Er waren vijf blanken en misschien veertig zwarten van Nieuw-Guinea en Nieuw-Britannië aan boord; en ze waren gekomen om tripang te visschen. Het schip lag voor anker bij Paoeloo, van hier dwars over de lagune, en de booten verspreidden zich overal, en maakten kampen op het strand, waar ze de tripang rookten. Die verdeeling maakte hen zwak, want de mannen die hier vischten en die op den schoener bleven waren vijftig mijlen van elkaar, en er waren anderen nog verder weg.
"Onze koning en onze hoofden hielden raad, en ik was in de kano die den heelen middag en den heelen nacht over de lagune pagaaide, en het bericht bracht aan het volk van Paoeloo, dat wij in den morgen de vischkampen allen tegelijk aan zouden vallen en dat het hun taak was den schoener te nemen. Wij die het bericht hadden gebracht waren moe van het pagaaien, maar we namen toch deel aan den aanval. Op den schoener waren twee blanken, de schipper en de tweede stuurman, met een half dozijn zwarte jongens. Den schipper en drie zwarten overvielen we op den wal en maakten hen dood, maar eerst schoot de schipper er acht van ons dood met zijn twee revolvers. Wij vochten dicht op elkaar, begrijp je, man tegen man.
"Het lawaai van ons vechten vertelde den stuurman wat er gebeurde, en hij bracht voedsel en een zeil in de kleine jol, die zoo klein was, dat ze niet meer dan twaalf voet mat. Wij kwamen op den schoener af, duizend mannen, en wij bedekten de lagune met onze kano's. Ook bliezen we op kinkhorens, en zongen oorlogszangen, en sloegen met onze pagaaien tegen de zijden van de kano's. Wat voor kans had één blanke en drie zwarten tegen ons? Heelemaal geen kans, en de stuurman wist het.
"Blanken zijn duivels. Ik heb hen veel gadegeslagen, en ik ben een oud man, en ik begrijp eindelijk waarom de blanken al de eilanden in de zee voor zich zelf hebben genomen. Het is omdat het duivels zijn. Hier ben jij bij mij in de kano. Je bent nauwelijks meer dan een jongen. Je weet weinig, want iederen dag vertel ik je veel dingen die je niet wist. Toen ik een kleine jongen was, wist ik meer van visschen dan jij nu. Ik ben een oud man, maar ik zwem naar beneden tot op den bodem van de lagune, en jij kunt mij niet volgen. Waar ben je eigenlijk goed voor?
"Ik weet het niet, alleen om te vechten. Ik heb jou nooit zien vechten, en toch weet ik dat jij bent zooals je broeders, en dat je zult vechten als een duivel. Je bent ook een dwaas, zooals je broeders. Je weet niet wanneer je verslagen bent. Je zult vechten tot je dood neervalt, en dan zal het te laat zijn om te weten dat je verslagen bent.
"Nu let op wat de stuurman deed. Toen we op hem af kwamen, de zee bedekkend en blazend op onze horens, zette hij zich af van den schoener in de kleine boot, samen met de drie zwarten, en roeide naar de doorvaart. Ook daarin was hij weer een dwaas, want geen verstandig man zou zee kiezen in zoo'n kleine boot. De boorden waren geen tien duim boven het water. Twintig kano's gingen hem achterna, gevuld met tweehonderd jonge mannen. Wij pagaaiden vijf vadem terwijl zijn zwartjes er één roeiden. Hij had geen kans, maar hij was een dwaas.
"Hij ging rechtop staan in de boot met een geweer in zijn hand, en hij schoot dikwijls. Hij was geen goed schutter, maar toen we dicht bij kwamen werden er veel van ons gewond en gedood. Maar toch had hij geen kans.
"Ik weet nog dat hij al dien tijd een sigaar rookte. Toen we op veertig voet afstand waren, snel naderend, gooide hij zijn geweer neer, stak een staaf dynamiet aan met zijn sigaar, en slingerde die naar ons. Hij stak er nog een aan, en nog een, en gooide ze naar ons, snel achter elkaar, en heel veel. Ik weet dat hij de einden van de lonten gespleten en er luciferskoppen in gestoken moet hebben, omdat ze zoo vlug aan gingen. Ook waren de lonten erg kort. Soms ging het dynamiet af in de lucht, maar meestal ontplofte het in de kano's. En iederen keer dat er een staaf in een kano ontplofte, was het uit met die kano. Van de twintig kano's werd de helft in stukken geslagen. De kano waar ik in zat sprong ook uit elkaar, en ook de twee mannen die naast mij zaten. Het dynamiet viel tusschen hen in. De andere kano's keerden om en vluchtten. Toen gilde die stuurman ons 'Jah! Jah! Jah!' achterna. Ook trok hij weer op ons los met zijn geweer, zoodat er veel van ons gedood werden door schoten in den rug terwijl ze vluchtten. En al dien tijd gingen de zwartjes in de boot door met roeien. Je ziet, ik heb de waarheid gezegd, die stuurman was een duivel.
"En dat was nog niet alles. Vóór dat hij van den schoener weg was gegaan, had hij het schip in brand gestoken, en al het kruit en dynamiet had hij bij elkaar gelegd, dat het op één oogenblik ontploffen zou. Er waren honderden van onze mannen aan boord, bezig met water op te halen van over de verschansing en daarmee het vuur te blusschen, toen de schoener in de lucht vloog. Zoodat alles waar we voor gevochten hadden voor ons verloren was, en er nog meer van onze mannen gedood werden. Soms, zelfs nu nog op mijn ouden dag, heb ik leelijke droomen waarin ik dien stuurman hoor gillen: 'Jah! Jah! Jah!' Maar al de menschen in de vischkampen werden gedood.
"De stuurman voer de doorvaart uit in zijn kleine boot, en dat was zijn eind, daar waren we wel zeker van, want hoe zou zoo'n kleine boot, met vier mannen er in, ooit kunnen blijven leven op de zee? Een maand ging voorbij, en toen, op een morgen, tusschen twee regenvlagen in, kwam er een schoener door onze doorvaart binnenzeilen, en ankerde voor het dorp. De koning en de hoofden hielden een groote vergadering, en er werd afgesproken dat we na een paar dagen den schoener zouden nemen. Ondertusschen, daar het altijd onze gewoonte was om te doen alsof we vrienden waren, gingen we naar het schip in onze kano's en brachten bossen kokosnoten, kippen en varkens mee, om handel te drijven. Maar toen we langszij waren, veel kano's, begonnen de mannen aan boord op ons te schieten met geweren, en toen we weg pagaaiden zag ik den stuurman die naar zee was gegaan in de kleine boot op de verschansing springen en dansen en gillen: 'Jah! Jah! Jah!'
"Dien middag landden ze in drie kleine booten vol met blanken. Ze liepen overal door het dorp, en schoten iedereen die ze zagen neer. Ook de kippen en de varkens schoten ze neer. Ik en nog anderen die niet dood geschoten waren ontsnapten in de kano's en pagaaiden de lagune op. Als we omkeken konden we de huizen in brand zien staan. Laat in den middag zagen we een massa kano's die van Nihi kwamen, het dorp dat in het noordoosten ligt, aan de Nihi Doorvaart. Het was alles wat er nog van dat dorp over was, en ook hun huizen waren in brand gestoken door een tweeden schoener die door de Nihi Doorvaart was binnengevallen.
"Wij voeren verder de lagune op, de duisternis in, naar het westen, naar Paoeloo, maar midden in den nacht hoorden we vrouwen klagen, en we liepen op een groote vloot kano's. Dat was alles was er van Paoeloo over was, en ook Paoeloo lag in asch, want een derde schoener was binnen gekomen door de Paoeloo Doorvaart. Je begrijpt, die stuurman met zijn zwartjes was niet verdronken. Hij had de Salomon-eilanden bereikt, en daar aan zijn broeders verteld wat wij op Oolong gedaan hadden. En al zijn broeders hadden gezegd dat ze ons zouden komen straffen, en daar waren ze nu op de drie schoeners, en onze drie dorpen waren weggeveegd.
"En wat moesten wij doen? We lagen midden in de lagune, en in den morgen kwamen de twee schoeners van te loevert op ons af zeilen. De passaatwind blies krachtig, en ze liepen de kano's bij twintigtallen in den grond. En de geweren hielden niet op met spreken. Wij vluchtten weg in wanorde, zooals de vliegende visschen voor de bonito, en zóó talrijk waren we dat we bij duizenden ontsnapten, ieder op zijn eigen manier, naar de eilanden aan den rand van de atol.
"En daarna joegen de schoeners ons voortdurend de lagune op en neer. In den nacht gleden we hun voorbij. Maar dan kwamen ze den volgenden dag, of twee of drie dagen later weer terug, en joegen ons naar het andere eind van de lagune. En zoo ging het door. Wij telden onze dooden niet meer. We dachten niet meer aan hen. Het is waar, wij waren talrijk en er waren maar weinig blanken. Maar wat konden we doen? Ik was in één van de twintig kano's vol mannen die niet bang waren voor den dood. We vielen den kleinsten schoener aan. Met hoopen schoten ze ons neer. Ze lieten dynamiet in de kano's vallen en toen het dynamiet op was, gooiden ze heet water op ons neer. En geen oogenblik hielden de geweren op te spreken. En de mannen uit de verbrijzelde kano's werden dood geschoten terwijl ze weg zwommen. En de stuurman danste op en neer boven op de kajuit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!'
"Alle huizen op alle eilanden werden in brand gestoken. Geen varken of kip werd in leven gelaten. Onze waterputten werden verontreinigd met de lichamen van de gesneuvelden, of anders bouwden ze hooge stapels koraal er over heen. Vóórdat de schoeners kwamen woonden er vijf en twintig duizend menschen op Oolong. Nu zijn we met met zijn vijfduizenden. Nadat de schoeners vertrokken waren, telden we nog maar drieduizend man, zooals je zult zien.
"Eindelijk kregen de schoeners er genoeg van ons op en neer te jagen. Dus gingen ze, alle drie, naar Nihi, in het noordoosten. En vandaar dreven ze ons gestadig naar het westen. Hun negen booten waren ook in het water. Ze klopten elk eiland af terwijl ze voortgingen. Ze dreven ons, dreven ons, dreven ons dag na dag. En iederen nacht vormden de drie schoeners en de negen booten een ketting van waakzaamheid die dwars over de lagune strekte, van rand tot rand, zoodat we niet terug konden."
"Ze konden ons niet eeuwig zoo blijven voortdrijven, want de lagune had maar een bepaalde grootte, en ten slotte werden allen die nog leefden op de laatste zandbank in het westen samengedreven. Daarachter lag de open zee. Wij waren tienduizend man sterk, en wij bedekten de zandbank van den lagune oever tot de donderende branding aan de andere zijde. Niemand kon gaan liggen. Er was geen plaats. We stonden heup aan heup en schouder aan schouder, en telkens klom de stuurman in het want en lachte ons uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!', totdat we spijt hadden als haren op ons hoofd dat we hem en zijn schoener ooit iets gedaan hadden een maand geleden. Wij hadden geen eten, en wij stonden twee dagen en twee nachten op onze voeten. De kleine kinderen stierven, en de ouden en zwakken stierven, en de gewonden stierven. En het ergste van alles, wij hadden geen water om onzen dorst te lesschen en twee dagen lang sloeg de zon op ons neer, en er was geen schaduw. Veel mannen en vrouwen waadden de zee in en verdronken, en de branding wierp hun lichamen terug op het strand. En er kwam een plaag van vliegen. Er waren mannen die naar de wanden van de schoeners zwommen, maar ze werden tot den laatsten toe doodgeschoten. En wij die nog leefden hadden grooten spijt dat we in onzen trots hadden getracht den schoener met de drie masten te nemen die was gekomen om tripang te visschen.
"In den morgen van den derden dag kwamen de schippers van de drie schoeners en die stuurman, in een kleine boot. Ze hadden geweren, allemaal, en revolvers, en ze wilden praten. Het was alleen maar omdat het moorden hen begon te vervelen dat ze er mee opgehouden waren, vertelden ze ons. En wij vertelden dat we er spijt van hadden, dat we nooit meer een blanke iets zouden doen, en ten teeken van onze onderwerping strooiden we zand op onze hoofden. En al de vrouwen en kinderen hieven een groot geklaag aan om water, zoodat een tijd lang niemand zich verstaanbaar kon maken. Toen werd onze straf ons medegedeeld. We moesten de drie schoeners vullen met kopra en tripang. En wij vonden het goed, want wij wilden water hebben, en onze trots was gebroken, en wij wisten dat we kinderen waren in het vechten als we vochten met blanken, die vechten als duivels. En toen al het praten afgeloopen was, ging de stuurman rechtop staan en lachte ons uit, en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Daarna pagaaiden we weg in onze kano's en zochten water.
"En weken lang moesten we zwoegen: tripang visschen en rooken, en kokosnoten plukken en er kopra van maken. Dag en nacht rees de rook in wolken omhoog op al de stranden van al de eilanden van Oolong, terwijl wij de boete betaalden voor onze verkeerde daad. Want in die dagen van dood werd het duidelijk in onze hersenen gebrand dat het heel verkeerd is een blanke kwaad te doen.
"Na een poos, toen de schoeners vol waren met kopra en tripang en onze kokospalmen kaal, riepen de drie schippers en de stuurman ons allemaal bijeen voor een groote vergadering. En ze zeiden dat ze erg blij waren dat we onze les geleerd hadden en wij zeiden voor den tienduizendsten keer dat we er spijt van hadden en dat we het niet meer zouden doen. Ook strooiden we zand op onze hoofden. Toen zeiden de schippers dat dat allemaal heel mooi was, maar alleen maar om ons te laten zien dat ze ons niet vergaten, zouden ze ons een duvel-duvel sturen die wij niet zouden vergeten en waar we altijd aan zouden denken als we neiging mochten voelen om een blanke kwaad te doen. Daarna lachte de stuurman ons nog eens uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Toen werden zes van onze mannen, die we al lang dood hadden gewaand, aan land gezet van een van de schoeners, en de schoeners heschen hun zeilen en voeren weg door de doorvaart, naar de Salomon's.
"De zes mannen die aan land waren gezet kregen het eerst de duvel-duvel die de schippers ons achterna hadden gestuurd."
"Er kwam een groote ziekte", onderbrak ik, want ik zag de truc. De schoener had mazelen aan boord gehad, en de zes mannen waren er opzettelijk aan blootgesteld.
"Ja, een groote ziekte", ging Oti door. "Het was een machtige duvel-duvel. De oudste man van de atol had nooit van zoo iets gehoord. Onze priesters die nog leefden sloegen we dood omdat ze die duvel-duvel niet meester konden worden. De ziekte verspreidde zich. Ik heb gezegd dat we tienduizend man sterk waren toen we heup aan heup en schouder aan schouder op de zandbank stonden. Toen de ziekte wegging, waren er nog drieduizend in leven. Ook was er hongersnood, omdat we van al onze kokosnoten kopra gemaakt hadden.