Chapter 5
Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte, en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch tot de Salomon's. Het is een atol, terwijl de Salomon's hooge eilanden zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners van de Salomon's Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van heden doorgaat en groote kano's met vlerken op zijn stranden spoelt met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.
Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen, en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. De _Zeilaanwijzingen_ spreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen die de _Zeilaanwijzingen_ samenstellen hebben nooit gehoord van de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die, enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden, en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand, de kano's vernield, de kippens en varkens doodgeschoten, en de kostbare kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om een blanke kwaad te doen.
Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het, behalve ontslag uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote, zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.
Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen, sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak terug op den schoener die hem gebracht had.
De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje--tien dagen lang, aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los; onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven op hem te dansen. Bang voor wat er zou gebeuren als zijn slachtoffer beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.
Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde, de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen de schoener vertrok, riep hij de Kanaka's [1] op het strand en daagde hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka's legde hij, maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.
En zoo begon Bunster's heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven, zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.
En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep, goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster woog tweehonderd pond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.
Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki, en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen huisjongen.
En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op (het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa, en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.
"Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!" schreeuwde de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de gebroken leuning.
Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam waarom Bunster een derde vrouw had genomen--met geweld, zooals algemeen bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.
Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden hem bij ongeluk te laten verdrinken bij de eerste de beste gelegenheid om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter niet omsloeg.
Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?
Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.
Alle andere blanken hadden zijn _tambo's_ geëerbiedigd; Bunster niet. Maoeki's wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen waren _tambo_. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken, en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij, en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest om hem te vervangen.
Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een andere grap was onverwachts, als hij er het minst op verdacht was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki's vleesch te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij, rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki's neus, en scheurde zoo zijn geheele neustusschenschot stuk.
"O, wat 'n smoel!" was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag die hij had aangericht.
Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt als houtvijl om kano's en pagaaien glad te schaven. Bunster liet een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van Maoeki's rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.
"Lach, verdomme, lach!" zoo gaf hij de houding aan die zij hadden aan te nemen.
Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat het verlies van zooveel opperhuid hem 's nachts uit den slaap hield, en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten, volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de tijd werkelijk kwam.
Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hij eindigde bij Maoeki en in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van den kop in Maoeki's gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten, terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging, en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en gaf geen bevelen. Dit was Maoeki's kans, maar nog steeds wachtte hij.
Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn twee ministers.
"Dit Bunster, hem goed jij hou van 'm veel?" vroeg hij. Zij verklaarden hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.
"Jij snap mij--mij groot meester mij land. Jij niet hou van 'm dit wit meester. Mij niet hou van 'm. Veel goed jij doe honderd kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem afgeloopen, jij ga slaap 'm goed. Allemaal Kanaka slaap 'm goed. Zoo gauw groot lawaai bij huis, jij niet snap hoor 'm dat lawaai. Jij allemaal slaap sterk te veel."
Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.
Toen beval hij Bunster's vrouw terug te keeren naar het huis van haar familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn geweest, want zijn _tambo_ zou hem niet toegestaan hebben haar beet te pakken.
Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.
"Goed, hè?" grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht schoon raspte. "Lach, verdomme, lach!"
Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka's, verscholen in hun huizen, hoorden het "groot lawaai" dat Bunster maakte en een paar uren lang bleef maken.
Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde, tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de schroeiende zon.
Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje van den kotter.
Zoo vast sliepen de Kanaka's dien langen, heeten dag, dat zij niet zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de kotter niet gezien op den langen overtocht naar de kust van Isabella en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen, waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki's broer in Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen van Malaita.
Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki's vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige blanke die gedurende Maoeki's regeering zich waagde in het oerwoud en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van zekere geweren en kisten tabak.
Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog veel andere dingen--geweren en revolvers, het oor van een porseleinen kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigen baard, dat bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava's. Als Maoeki ten oorlog trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.
"JAH! JAH! JAH!"
Hij was een whisky-drinkende Schot, en hij nam zijn whisky puur. Zijn eerste graantje gebruikte hij precies om zes uur 's morgens, en hij herhaalde dat met regelmatige tusschenpoozen den geheelen dag door tot hij naar bed ging, hetgeen meestal te middernacht plaats vond. Hij sliep maar vijf uren van de vier en twintig, en de overige negentien uren was hij rustig en netjes dronken. Gedurende de acht weken die ik bij hem op Oolong Atol doorbracht, heb ik hem geen oogenblik nuchter gezien. Het kon ook niet anders, want zijn slaap was zóó kort, dat hij den tijd niet had om bij te trekken. Hij was de mooiste, gelijkmatigste dronkaard die ik ooit heb kunnen waarnemen.
Hij heette McAllister. Hij was een oud man, en erg wankel op zijn stelten. Zijn hand trilde alsof hij een beroerte had gehad. Vooral was dat merkbaar als hij zijn whisky inschonk, hoewel ik hem nooit een druppel heb zien morsen. Achtentwintig jaren was hij geweest in Melanesië, van Duitsch Nieuw-Guinea tot de Duitsche Salomon-eilanden, en hij was zoo heelemaal één geworden met dat gedeelte van de wereld, dat hij gewoon was zich uit te drukken in het bastaard-taaltje dat tripang-Engelsch genoemd wordt. Zoo beteekende, wanneer hij met mij praatte, _zon hij kom op_, zonsopgang; _kai-kai hij blijf_, dat het diner klaar was; en _buik van mij loop rond_ wilde zeggen dat zijn maag niet in orde was. Hij was een klein mannetje, en bovendien nog ingeschrompeld; van binnen en van buiten verschroeid door brandenden drank en brandende zon. Hij was een uitgedoofd kooltje vuur, een klein, levend stukje asch, dat nog niet heelemaal koud was, en zich stijf bewoog, met plotselinge rukken en schokken, als een automaat. Een windstoot zou hem weggeblazen hebben. Hij woog negentig pond.
Maar het groote, het geweldige in hem was de kracht waarmee hij regeerde. Oolong Atol was honderdveertig mijlen in omtrek. Men stuurde op het kompas in zijn lagune. Het was bevolkt door zesduizend Polynesiërs, allen groote, sterke mannen en vrouwen. Er waren er genoeg onder hen die zes voet lang waren en een paar honderd pond wogen. Oolong lag op tweehonderd vijftig mijlen afstand van het naaste land. Twee keer in het jaar viel er een kleine schoener binnen om kopra te laden. De eenige blanke op Oolong was McAllister, kleine zaakjes doend en zonder ophouden drinkend; en hij regeerde Oolong en zijn zesduizend wilden met ijzeren hand. Hij zei kom, en zij kwamen, ga, en zij gingen. Zij vroegen nooit waarom hij iets wilde of dacht. Hij was humeurig zooals alleen een oude Schot kan zijn, en hij bemoeide zich voortdurend met hun particuliere aangelegenheden. Toen Noegoe, de dochter van den koning, wilde trouwen met Haoenaoe die aan het andere einde van de atol woonde, zei haar vader ja, maar McAllister zei neen, en het huwelijk is niet doorgegaan. Toen de koning een zeker eilandje in de lagune wilde koopen van den opperpriester, zei McAllister neen. De koning stond bij de maatschappij in de schuld tot een bedrag van honderdtachtig duizend kokosnoten, en zoolang die niet betaald waren, zou hij geen enkele kokosnoot aan iets anders besteden.
En toch hielden de koning en zijn volk niet van McAllister. Integendeel, ze haatten hem vreeselijk, en eens heeft, dat weet ik, de heele bevolking, met de priesters aan het hoofd, drie maanden lang tevergeefs getracht hem dood te bidden. De duvel-duvels die ze naar hem toe stuurden waren ontzagwekkend, maar aangezien McAllister niet geloofde in duvel-duvels, hadden ze over hem geen macht. Alle teekenen falen bij dronken Schotten. Ze verzamelden stukjes voedsel die zijn lippen hadden aangeraakt, een leege whisky-flesch, een kokosnoot waarvan hij gedronken had, en zelfs zijn speeksel, en ze verrichtten daar allerlei duivelskunsten en bezweringen mee. Maar McAllister bleef leven. Zijn gezondheid was voortreffelijk. Hij had nooit koorts, hij vatte nooit kou, hoestte nooit; dysenterie ging hem voorbij; en de kwaadaardige gezwellen en gemeene huidziekten, waarvan blanken en zwarten beide te lijden hebben in dat klimaat, hadden geen vat op hem. Hij moet zóó verzadigd zijn geweest met alcohol, dat de ziektekiemen op hem niet konden leven. Ik stelde mij altijd voor, dat ze in heele wolken van microscopische asch op den grond vielen zoodra ze in zijn met whisky gedrenkte sfeer kwamen. Niemand hield van hem, zelfs bacillen niet, en hij hield alleen van whisky en hij leefde nog steeds.