Verhalen van de Zuidzee

Chapter 4

Chapter 44,089 wordsPublic domain

"Dat is gunstig," antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand door zijn langen baard en zette zijn bril recht. "Ra Vatoe heeft gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden."

Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij zoo trouw achter aan had geloopen.

"Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden", legde Starhurst uit, "en ik ben gekomen om u de Lotoe te brengen."

"Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben", zei de Boeli trotsch. "En het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan."

De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten; maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was niet ontdaan of bang.

"Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden", zei hij tegen den wilde. "Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad gedaan."

Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om zijn dood.

"Ik ben John Starhurst", ging hij kalm verder. "Ik heb drie jaren lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben."

De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor de daad.

De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.

"Weg met jullie", riep hij. "Goed nieuws voor de bewoners van de kust--een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens, zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is."

"Wacht, o Boeli," riep John Starhurst vanuit het dichtst van de verwarring, "en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan."

"Kom dan hier," antwoordde de Boeli, "want mijn wapen is maar een onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet weerstaan."

De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen, tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige oorlogsknots.

"Kom hier, zendeling, en overwin mij," daagde de Boeli uit.

"Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen," was John Starhurst 's antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben, kwam hij naar voren.

De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.

"In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen," begon het betoog.

"Ik laat het antwoord aan mijn knots", was de repliek van den Boeli. En op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen onder de geheven knots te voorkomen. Toen, en toen voor het eerst, wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider stem--de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke, die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.

"Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen," bad hij. "O, Heer! heb medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen, en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister, o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji."

De Boeli werd ongeduldig.

"Nu zal ik je antwoorden", mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide hij zijn knots met beide handen.

Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen hij hoorde zingen:

"Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes."

"Want ik ben de voorvechter van mijn land."

"Dank! Dank! Dank!"

Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:

"Waar is de dappere man?"

Een honderd stemmen brulden het antwoord:

"Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden."

"Waar is de lafaard?" vroeg de enkele stem.

"Hij gaat het vertellen!" brulden de honderd stemmen terug. "Hij gaat het vertellen!"

Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat er gebeurd was.

MAOEKI.

Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger, en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon van een dorpshoofd. Hij had drie _tambo's._ Tambo is Melanesisch voor _taboe_ en volle neef van dat Polynesische woord. De drie _tambo's_ van Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond al was het maar zooveel als een tand.

Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland in de Salomon-groep--zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne koelie-wervers, uitgerust met automatische geweren en benzine-motoren, zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog, in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers, die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om op plantages te werken.

Maoeki's ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen, hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.

Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.

Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die zoo'n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding, onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.

Maoeki's vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open boek. Van kano's had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners, die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen, overal verspreid over de randen van Malaita's bergketens, waarvan de rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het binnenland. Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.

Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit, en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af, vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna, en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp, mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt, de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.

Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder tabak. Ook waren zijn jonge mannen te bang geworden om te gaan teekenen op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki, naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen, calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op de plantages.

Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in hun bezit--geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten, dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.

Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er even aan met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel, de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.

Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen, en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit Maoeki's haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.

Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets dan aardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker, en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden, of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.

Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee hij kon praten met alle blanken en met alle inlandsche koelies die anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed, en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.

Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.

Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in de sloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen gehouden--zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.

Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.

De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij reisden 's nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen, onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval, bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.

Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had, gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen, en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning van vijfhonderd stokken tabak uit, en telkens als Maoeki zich op het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk, nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar, en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.

Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby, de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal, waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden, vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde, werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de maatschappij in de schuld stond was zes.

Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem, en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.

"We zullen hem naar Lord Howe sturen", zei mijnheer Haveby. "Bunster zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki, en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn."