Verhalen van de Zuidzee

Chapter 13

Chapter 134,095 wordsPublic domain

"Ik zal een waarneming doen morgen vroeg," vertelde hij McCoy, "ofschoon het me een raadsel is op welke breedte we zijn. Maar ik zal het wel uitvinden met de Sumner-methode. Weet je wat dat is, de Sumner-methode?"

En toen legde hij het McCoy in bijzonderheden uit.

De dag bleek helder te zijn, de passaatwind woei stadig uit het oosten, en de _Pyreneeën_ logde even stadig haar negen knoopen. Kapitein en stuurman werkten de positie van het schip uit met behulp van de Sumner-methode en hun berekeningen klopten, en om twaalf uur klopten ze weer; en daarna toetsten ze de waarneming van 's morgens aan die van twaalf uur.

"Nog vierentwintig uur en we zijn er", verzekerde kapitein Davenport. "Het is een wonder dat het dek het uithoudt. Maar het kan zoo niet duren; het kan niet. Kijk het eens rooken, iederen dag meer. Toch was het dicht bij het begin van de reis, pas gebreeuwd in 'Frisco. Ik wist niet wat ik zag toen de brand begon en we de luiken dichtschalmden. Kijk, kijk!"

Hij brak af om met open mond naar een rook-sliert te staren die zich wond en kringelde in lij van den bezaansmast, twintig voet boven het dek.

"Hoe komt dat nu daar?" riep hij kwaad.

Onder het dunne rook-spiraaltje was niets te zien. Opstijgend uit het dek, beschut voor den wind door den zwaren mast, nam het door de een of andere gril eerst op die hoogte vorm en zichtbaarheid aan. Het dreef weg van den mast en hing een seconde boven den kapitein als een dreigend voorteeken. Het volgend oogenblijk veegde de wind het weg, en de onderkaak van den kapitein keerde terug in den normalen stand.

"Zooals ik zei, ik wist niet wat ik zag toen we de boel dichtschalmden. Het dek was dicht, en toch lekte de rook er doorheen als door een zeef. En we hebben voortdurend gebreeuwd, gebreeuwd en nog eens gebreeuwd. Er moet een geweldige druk onder staan om er zooveel rook doorheen te drijven."

Dien middag betrok de lucht opnieuw en het weer werd buiig en druilerig. De wind liep voortdurend heen en weer tusschen zuidoost en noordoost, en te middernacht werd de _Pyreneeën_ teruggeslagen door een hevige bui uit het zuidwesten. En de wind bleef met tusschenpoozen in dien hoek.

"We zijn niet in Hao vóór tien of elf uur", jammerde kapitein Davenport om zeven uur 's morgens, toen de vluchtige belofte van zon weggevaagd werd door dikke wolkenmassa's in den oostelijken hemel. En een oogenblik later vroeg hij klagelijk: "En wat doen de stroomingen?"

De uitkijken in de masten konden geen land signaleeren, en de dag ging voorbij onder hevige vlagen en druilerige blakten. Bij het vallen van den nacht kwam er een zware zee opzetten uit het westen. De barometer was gedaald tot 29·50. Wind was er niet en steeds werd die onheilspellende deining heviger. Weldra slingerde de _Pyreneeën_ als waanzinnig op de geweldige golven die in oneindige opvolging kwamen aanrollen uit de duisternis. De zeilen werden ingenomen, zoo snel als de beide wachten konden werken, en toen de uitgeputte bemanning haar plicht had gedaan, hoorde men in het donker hun stemmen brommen en mopperen, vreemd dierlijk en dreigend. Eens, toen de stuurboordwacht achteruit geroepen werd om alles vast te sjorren, gaven de mannen openlijk blijk van hun tegenzin en onwil. Iedere langzame beweging was een protest en een bedreiging. De atmosfeer was vochtig en dik als slijm en in de volkomen windstilte schenen alle hens naar adem te hijgen. Het zweet stond op gezichten en bloote armen, en kapitein Davenport, zijn gezicht magerder en vermoeider dan ooit, zijn oogen dof en starend, werd gekweld door het vreeselijk gevoel van een dreigende catastrophe.

"Het zit ver in 't westen", zei McCoy bemoedigend. "Op zijn hoogst komen we in den buitensten gordel."

Maar kapitein Davenport wilde niet bemoedigd worden, en las bij het licht van een scheepslantaarn in zijn _Epitome_ nog eens het hoofdstuk over, dat handelt over de gedragslijn van gezagvoerders in cyclonen. Ergens in de midscheeps werd de stilte verbroken door een zacht gekerm van den kajuitsjongen.

"In Godsnaam, hou je mond!" gilde kapitein Davenport plotseling, en met zulk een kracht, dat iedereen aan boord schrok en de delinquent uitbarstte in een wild gehuil van krankzinnigen angst.

"Mijnheer Konig", zei de kapitein met een stem die trilde van zenuwachtigheid, "wilt u zoo goed zijn om vooruit te gaan en dien kwajongen z'n mond te stoppen met een dekzwabber."

Maar het was McCoy die naar voren ging en den jongen in een paar minuten gekalmeerd en in slaap gesust had.

Kort vóór zonsopgang begon het eerste zuchtje te komen, uit het zuidoosten, en het groeide snel tot een steeds stijvere bries. Alle hens waren aan dek en wachtten op wat er achter zat.

"Het is nu wel in orde, kaptein", zei McCoy, die dicht naast zijn schouder stond. "De cycloon zit in 't westen en wij zijn er ten zuiden van. Deze bries is de zuiging die hij doet ontstaan. Het zal niet harder gaan waaien. Je kunt er weer zeil op gaan zetten."

"Maar waar dient 't voor? Waar moet ik heen zeilen? Dit is al de tweede dag zonder waarnemingen, en gistermorgen zouden we Hao al hebben moeten zien. Waar ligt het, noord, zuid, oost, waar? Vertel me dat eerst maar eens en ik zal in een wip zeil bijzetten."

"Ik ben geen zeevaarder, kaptein", zei McCoy, mild en zacht, zooals alleen hij het zijn kon.

"Vroeger dacht ik dat ik er een was", was het nijdige antwoord, "vóór ik hier in de Paoemoetoe's kwam."

Om twaalf uur hoorde men den kreet "Brekers vooruit!" van den uitkijk. Men hield de _Pyreneeën_ af, en zeil na zeil werd losgemaakt en aangehaald. De _Pyreneeën_ begon door het water te glijden, en worstelde tegen een strooming die haar op die brekers dreigde te zetten. Officieren en mannen werkten als krankzinnigen, zelfs de kok en de kajuitsjongen, kapitein Davenport zelf, en McCoy hielpen een handje. Het scheelde een haartje. Het was een lage ondiepte, een ongure, gevaarlijke plek waar de zeeën onophoudelijk over heen braken, waar geen mensch kon leven, waar zelfs geen zeevogels konden rusten. De _Pyreneeën_ was tot op honderd meter genaderd vóór dat de wind haar weg dreef, en op dat oogenblik, toen het werk gedaan was, barstte de hijgende bemanning uit in een stroom van vervloekingen op het hoofd van McCoy--McCoy, die aan boord was gekomen en voorgesteld had naar Mangareva te gaan en hen had weggelokt van het veilige land naar een zekeren ondergang in deze vreeselijke, bedriegelijke zee. Maar de rustige ziel van McCoy was onberoerd. Hij glimlachte hen toe met simpele, zachte welwillenheid; en zijn verheven goedheid scheen door te dringen in hun donkere, sombere zielen, en hen te beschamen, en met schaamte de vloeken te smoren die nog trilden in hun keel.

"Kwaad water! Kwaad water!" mompelde kapitein Davenport toen zijn schip vrij worstelde; maar hij brak plotseling af om te staren naar de ondiepte die pal achter had moeten liggen, maar die nu al schuins te loevert achter het schip lag en zich snel in loefwaartsche richting verplaatste. Hij ging zitten, en begroef zijn gezicht in zijn handen. En de eerste stuurman zag wat hij had gezien, en McCoy zag het en de matrozen zagen het. Ten zuiden van de bank had een oostelijke strooming hen er heen gedreven, en ten noorden had een even sterke westelijke strooming het schip gegrepen en droeg het weg.

"Ik heb meer gehoord van deze Paoemoetoe's", kermde de kapitein en hij hief zijn verbleekt gezicht op uit zijn handen. "Kapitein Moyendale heeft me er van verteld toen hij er zijn schip verloren had. En ik lachte hem achter zijn rug uit. God zal 't me vergeven, ik lachte hem uit!... Wat voor ondiepte is dat?" brak hij plotseling af.

"Ik weet het niet, kaptein", antwoordde McCoy

"Waarom weet je 't niet?"

"Omdat ik het ding nooit eerder gezien heb en omdat ik er nooit van heb gehoord. Ik weet wel dat het niet op de kaart staat. Deze wateren zijn nooit grondig onderzocht."

"Dus je weet niet waar we zijn?"

"Niet beter dan jij", zei McCoy zacht.

Om vier uur in den middag werden kokospalmen gesignaleerd die uit het water leken te groeien. Wat later zag men het lage land van een atol op de zee liggen.

"Nu weet ik waar we zijn, kaptein." McCoy liet den kijker zakken. "Dat is het eiland Resolution. We zijn Hao veertig mijlen voorbij en we hebben den wind recht tegen."

"Maak je klaar om haar aan den grond te zetten. Waar is de invaart?"

"Er is alleen maar een kanaal voor kano's. Maar nu we weten waar we zijn kunnen we naar Barclay de Tolley gaan. Het is maar honderd twintig mijlen van hier, pal noordnoordwest. Met deze bries kunnen we er morgen vroeg om negen uur zijn."

Kapitein Davenport raadpleegde de kaart en overlegde lang.

"Als we het schip hier op het rif laten loopen," voegde McCoy erbij, "zouden wij toch in de booten naar Barclay de Tolley moeten."

De kapitein gaf zijn orders, en opnieuw draaide de _Pyreneeën_ vóór den wind om zich nog eens op die ongastvrije zee te wagen.

En de volgende middag zag wanhoop en muiterij op haar rookend dek. De strooming was sterker geworden, de wind minder, en de _Pyreneeën_ was afgedreven naar het westen. De uitkijk signaleerde Barclay de Tolley in het oosten, nauwelijks zichtbaar vanuit den top van den grooten mast, en uren lang trachtte de _Pyreneeën_ tevergeefs er heen te laveeren tegen den stroom in. Voortdurend bleven de kokospalmen aan den horizon hangen, als een luchtspiegeling, slechts zichtbaar vanuit den mast-top. Voor de menschen aan dek waren ze verborgen door de ronding der aarde.

Opnieuw raadpleegde kapitein Davenport de kaart en McCoy. Makemo lag zeventig mijlen naar het zuidwesten. De lagune daar was dertig mijlen lang en had een uitstekende invaart. Toen kapitein Davenport zijn bevelen gaf, weigerde de bemanning haar dienst. Ze verklaarden dat ze genoeg hellevuur onder hun voeten gehad hadden. Daar lag het land. Wat kon het hun schelen of het schip er niet kon komen? Zij konden er in de booten komen. Laat 'r branden. Hun levens waren hun nog wat waard. Ze hadden het schip trouw gediend, nu gingen ze zichzelf dienen. Ze sprongen naar de booten, schoven den tweeden en derden stuurman uit den weg, en begonnen de booten buiten boord te zwaaien en neer te laten. Kapitein Davenport en de eerste stuurman, revolvers in de hand, liepen naar den rand van de kampanje, toen McCoy, die boven op de kajuit was geklommen, begon te spreken.

Hij sprak de matrozen toe, en bij het eerste geluid van zijn kirrende duiven-stem hielden ze op om te luisteren. Hij deelde hun mede van zijn eigen oneindigen, sereenen vrede. Zijn zachte stem en zijn eenvoudige gedachten vloeiden naar hen uit als een magische stroom en kalmeerden hen tegen hun wil. Lang-vergeten dingen kwamen bij hen op, en sommigen herinnerden zich wiegeliedjes uit hun kindertijd, en de tevredenheid en de rust van moeders armen aan het eind van den dag. Er was geen zorg meer, geen gevaar, geen onwil, nergens in de heele wereld. Alles was zooals het zijn moest, en het was niet meer dan natuurlijk dat ze het land den rug toe zouden keeren en opnieuw naar zee zouden gaan, met de hel heet onder hun voeten.

McCoy sprak eenvoudig, maar het was niet _wat_ hij zei. Zijn zachte wezen was welsprekender dan alle woorden. Het was een samenstel van onstoffelijke krachten, verwonderlijk subtiel en oneindig diep--een geheimzinnige emanatie van den geest, die meesleepte, zacht-nederig, en toch gebiedend als een machtig heerscher. Het was het Licht in de donkere krypten van hun zielen, en die kracht van reinheid en zachtheid was veel, veel grooter dan de kracht die lag in de blinkende, dood-spuwende revolvers van de officieren.

De mannen weifelden waar ze stonden, tegen wil en dank, en degenen die de touwen hadden losgegooid maakten ze weer vast. Toen begonnen ze, eerst een, dan een ander, en ten slotte allemaal, verlegen weg te schuifelen.

McCoy's gezicht straalde van kinderlijk plezier toen hij van de kajuit af klom. Er bestond geen herrie. Daarom was er ook geen herrie afgewend. Er was nooit herrie geweest, want voor zoo iets was er geen plaats in de gezegende wereld waarin hij leefde.

"Je hebt ze gehypnotiseerd", grinnikte mijnheer Konig hem zachtjes toe.

"Die jongens zijn goed", was het antwoord. "Ze hebben een goed hart. Ze hebben een harden tijd gehad, en ze hebben hard gewerkt, en ze zullen hard werken tot het eind."

Mijnheer Konig had geen tijd om te antwoorden. Hij schalde zijn bevelen, de matrozen sprongen aan het werk, en de _Pyreneeën_ viel langzaam af totdat haar boeg wees in de richting van Makemo.

Er was weinig wind en na zonsondergang ging hij bijna geheel liggen. Het was ondragelijk warm, en voor- en achteruit trachtte men tevergeefs te slapen. Het dek was te heet om er op te liggen; de vergiftige dampen siepelden door de naden en dreven als booze geesten over het schip. Ze kropen in neusgaten en luchtpijp van wie niet oplette, en veroorzaakten heftige hoest- en niesbuien. De sterren knipoogden lui in het donkere, verre gewelf boven hun hoofden; en de volle maan, rijzend uit het oosten, beroerde met haar licht de myriaden slierten en draden en webbige vliezen rook die ineen krulden en kringelden en wegdreven over het dek, langs de reelings en omhoog, de masten en het want in.

"Vertel me eens", zei kapitein Davenport, zijn stekende oogen wrijvend, "wat gebeurde er met den troep van de _Bounty_ nadat ze op Pitcairn waren aangekomen? Zooals ik de zaak heb gelezen, hebben ze de _Bounty_ verbrand en zijn ze pas jaren later ontdekt. Maar wat is er in dien tusschentijd gebeurd? Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar geweest. Het waren kerels met het koord al om hun nek. En er waren ook een paar inboorlingen bij. En dan waren er vrouwen. Dat alleen was al een teeken dat het op herrie uit zou draaien, van 't begin af aan."

"Het draaide op herrie uit", antwoordde McCoy. "Het waren kwade kerels. Ze begonnen direct al met ruzie om de vrouwen. Een van de muiters verloor zijn vrouw. Al de vrouwen waren van Tahiti. Zijn vrouw viel van de klippen toen ze jacht maakte op zeevogels. Toen nam hij de vrouw van een van de inboorlingen. Dat maakte al de inboorlingen erg boos, en ze sloegen bijna alle muiters dood. En die ontsnapten sloegen alle inboorlingen dood. De vrouwen hielpen mee. En de inboorlingen sloegen elkaar dood. Iedereen vermoordde iedereen. Het waren vreeselijke kerels.

"Timiti werd dood geslagen door twee andere zwarten terwijl ze heel vriendschappelijk bezig waren zijn haar te kammen. De blanken hadden hun de opdracht gegeven. Toen sloegen de blanken hen weer dood. Toellaloo werd door zijn vrouw vermoord in een rots-hol omdat ze een blanken man wilde hebben. Ze deugden geen van allen. God had zijn gelaat voor hen verborgen. Na twee jaren waren alle inboorlingen vermoord en de blanken op vier na. Het waren Young, John Adams, McCoy, mijn overgrootvader, en Quintal. Dat was ook een kwade. Eens beet hij zijn vrouw een oor af, alleen maar omdat ze niet genoeg visch voor hem ving."

"Wat een beestentroep!" riep mijnheer Konig.

"Ja, ze deugden niet", stemde McCoy toe, en hij kirde sereen verder van de woeste, bloedige daden van zijn zondig voorgeslacht.

"Mijn overgrootvader ontsnapte aan den dood door zelfmoord te plegen. Hij had een distilleerinrichting gemaakt en fabriceerde alcohol uit de wortels van de ti-plant. Quintal was zijn kameraad en ze bedronken zich voortdurend samen. Ten slotte kreeg McCoy delirium tremens, bond een stuk rots om zijn nek en sprong in zee. Quintal's vrouw, dezelfde die hij een oor had afgebeten, kwam ook aan haar eind door van de rotsen af te vallen. Toen ging Quintal naar Young en eischte zijn vrouw op, en hij ging naar Adams en eischte ook _zijn_ vrouw. Adams en Young waren bang voor Quintal. Ze wisten dat hij hen dood zou slaan. Daarom sloegen zij hem dood, samen, met een bijl. Toen ging Young dood. En dat is zoowat alle herrie die ze gehad hebben."

"Kan je donder op zeggen!" snoof kapitein Davenport. "Er was niemand meer om dood te slaan."

"God had Zijn aangezicht verborgen, zie je", zei McCoy.

In den morgen was er niet meer wind dan een zacht koeltje uit het oosten, en ofschoon hij er niet genoeg zuid mee kon varen, ging kapitein Davenport toch vol-en-bij over stuurboord liggen. Hij was bang voor die vreeselijke westelijke strooming die hem al zooveel veilige havens had ontfutseld. Den geheelen dag duurde de windstilte, en den geheelen nacht, en de matrozen, op hun klein rantsoen gedroogde bananen, mopperden weer. Bovendien werden ze zwak en klaagden over maagpijn, veroorzaakt door het dieet van enkel bananen. Den geheelen dag dreef de _Pyreneeën_ westwaarts en er was geen wind om haar naar het zuiden te brengen. In de eerste hondenwacht werden recht in 't zuiden kokospalmen gesignaleerd. Hun gepluimde kruinen rezen uit het water en gaven de laag-liggende atol er onder aan.

"Dat is Taengga", zei McCoy. "We moeten een briesje hebben vannacht, anders loopen we Makemo mis."

"Wat is er nu weer met de zuidoost-passaat?" vroeg de kapitein nijdig. "Waarom blaast-ie niet? Wat scheelt 'm?"

"Het is de uitdamping van de groote lagunen--er zijn er zóó veel", legde McCoy uit. "Die verdamping gooit het heele systeem van de passaatwinden onderste boven. Zelfs loopt de wind soms heelemaal om en blaast halve stormen uit het zuidwesten. Dit is de Gevaarlijke Archipel, kaptein."

Kapitein Davenport keek den ouden man aan, deed zijn mond open, en wilde gaan vloeken; maar hij hield zich in. McCoy's tegenwoordigheid was een bestraffing van de godslasteringen die in zijn hersenen leefden en trilden in zijn keel. McCoy's invloed was sterker geworden gedurende de vele dagen dat ze samen geweest waren. Kapitein Davenport was een autocraat van de zee, voor niemand bang, die zijn tong nooit beheerschte; en nu bemerkte hij, dat hij niet in staat was te vloeken in het bijzijn van dezen ouden man met zijn bruine vrouwenoogen en zijn duiven-stem. Toen kapitein Davenport zich dit bewust werd, kreeg hij een merkbaren schok. Deze oude man was slechts een nakomeling van McCoy, van McCoy van de _Bounty_, de muiter die vluchtte voor den strop die hem wachtte in Engeland, de McCoy die een booze macht was in de vroegere dagen van bloedvergieten en gewelddadigen dood op Pitcairn.

Kapitein Davenport was niet religieus, maar op dat oogenblik voelde hij een dolle behoefte om zich voor de voeten van den ander te werpen--en iets te zeggen, hij wist niet wat. Wat hem zoo diep beroerde was meer emotie dan logische gedachte, en hij was zich vaag bewust van zijn eigen onwaardigheid en kleinheid naast dezen anderen man, die den eenvoud van een kind bezat en de zachtheid van een vrouw.

Natuurlijk kon hij zich niet zoo vernederen in de oogen van zijn officieren en matrozen. En toch woedde de toorn die hem bijna had doen vloeken nog steeds in hem. Plotseling sloeg hij met zijn gebalde vuist tegen de kajuit en riep:

"Hoor's hier, vader, ik laat me niet voor den gek houden. Deze Paoemoetoe's hebben me van alle kanten bedot en bedrogen en me laten staan als een idioot. Ik laat me niet bedotten. Ik zal dit schip drijven, drijven, drijven, heelemaal door de Paoemotoe's naar China, als ik er maar een bed voor vind. Al deserteert iedereen, ik blijf. Ik zal die Paoemotoe's eens wat laten zien. Ze kunnen me niet voor den gek houden. Het is een goeie ouwe schuit, en ik blijf bij d'r zoolang er nog een plank is om op te staan. Hoor je?"

"En ik blijf bij je, kaptein", zei McCoy.

's Nachts kwamen er lichte, bedriegelijke koeltjes uit het zuiden, en de razende kapitein, met zijn lading vuur, keek en schatte hoeveel hij afdreef naar het westen; en af en toe ging hij in zijn eentje weg om zachtjes te vloeken opdat McCoy het niet zou hooren.

De dageraad liet weer palmen zien die uit het water groeiden.

"Dat is de lijwaartsche landtong van Makemo", zei McCoy. "Katioe is maar een paar mijlen naar het westen. Misschien kunnen we daar komen."

Maar de strooming, zuigend tusschen de twee eilanden, dreef hen naar het noordwesten, en om één uur's middags zagen ze de palmen van Katioe boven de zee uitrijzen en er weer in terugzinken.

Een paar minuten later, juist toen de kapitein had ontdekt dat een nieuwe strooming uit het noordoosten de _Pyreneeën_ had gegrepen, riepen de uitkijken in de mast-toppen, dat er kokospalmen in 't westen waren.

"Dat is Raraka", zei McCoy. "We komen daar niet zonder wind. De strooming trekt nu naar 't zuidwesten. Maar we moeten goed uitkijken. Een paar mijlen verder loopt een strooming naar 't noorden en draait dan rond naar 't noordwesten. Dat zal ons van Fakarava wegdrijven en in Fakarava zal de _Pyreneeën_ haar bed vinden."

"Ze kunnen drijven wat ze Godv--, wat ze willen", merkte kapitein Davenport warm op. "We zullen even goed ergens een bed voor het schip vinden."

Maar de toestand aan boord werd onhoudbaar. Het dek was zóó heet, dat het leek of een paar graden stijging het in vlammen zou doen uitbarsten. Op sommige punten vormden zelfs de zwaar-gezoolde schoenen van de matrozen geen bescherming meer, en ze waren gedwongen tot vlug springen om te vermijden dat hun voeten schroeiden. De rook was veel dichter en scherper geworden. Iedereen aan boord had last van ontstoken oogen, en ze hoestten en kuchten als een troep tuberculose-patiënten. In den namiddag werden de booten buiten boord gezwaaid en uitgerust. De laatste pakken gedroogde bananen werden er in geladen en de instrumenten van de officieren. Kapitein Davenport bracht zelfs den chronometer in de barkas: hij vreesde dat ieder oogenblik het dek in de lucht zou vliegen.

Den geheelen nacht woog die vrees zwaar op allen, en in het eerste morgenlicht staarden ze elkaar in de holle oogen en vermoeide gezichten, alsof ze verwonderd waren dat de _Pyreneeën_ nog hield en zij nog leefden.

Af en toe snel loopend, en zelfs nu en dan overgaand in een onwaardig huppel-gangetje, onderzocht kapitein Davenport het dek van zijn schip.

"Het is nog maar een kwestie van uren, zoo niet van minuten", verklaarde hij toen hij weer op de kampanje kwam.

De kreet "Land" kwam naar omlaag uit den mast-top. Vanaf het dek was het land niet te zien, en McCoy ging het want in, terwijl de kapitein van de gelegenheid gebruik maakte om een beetje van de bitterheid uit zijn hart weg te vloeken. Maar het vloeken werd plotseling beëindigd door een donkere streep op het water die hij snel zag naderen uit het noordoosten. Het was geen bui, maar een echte, doorstaande bries--de passaatwind, uit zijn verband gerukt, acht streken uit zijn normale richting, maar hij nam zijn werk toch weer op.

"Een beetje hooger, kaptein", zei McCoy zoodra hij weer op de kampanje was. "Dat is de oostelijke tong van Fakarava en we zullen door de vaargeul binnen stevenen met halven wind, in volle vaart, en met alle zeilen gespannen."

Een uur later waren de kokospalmen en het laag-liggende land zichtbaar vanaf het dek. Het gevoel dat de weerstand van het schip op zijn eind liep drukte zwaar op iedereen. Kapitein Davenport liet de drie booten strijken en kort achter het schip aan sleepen, in iedere boot een matroos om hen uit elkaar te houden. De _Pyreneeën_ scheerde vlak langs de wal; de atol, witgewasschen door de branding, was nauwelijks twee kabellengten verwijderd.

"Maak klarigheid om te halzen, kaptein", waarschuwde McCoy. En een minuut later brak het land in tweeën; een smalle invaart werd zichtbaar, en daarachter de lagune, een groote spiegel, dertig mijlen lang en een derde zoo breed.

"Nu, kaptein."

Voor den laatsten keer zwaaiden de ra's van het groote fregatschip rond, terwijl het gehoorzaamde aan het roer en de doorvaart binnen stevende. De steken waren nauwelijks gelegd en niets was nog opgeschoten, toen matrozen en stuurlui in een paniek terug holden naar de kampanje. Er was niets gebeurd, maar iedereen voelde dat er iets zou gebeuren. Ze konden niet zeggen waarom; ze wisten alleen dat het nu ging gebeuren. McCoy wilde naar voren gaan om zijn post op den boeg in te nemen: hij moest het schip naar binnen loodsen; maar de kapitein greep hem bij zijn arm en rukte hem terug.