Chapter 12
Maar er was weinig wind, de bodem van de _Pyreneeën_ was aangegroeid, en het schip kon niet tegen de sterke westelijke strooming op laveeren. Na verloop van twee uren had men drie mijlen verloren. De matrozen werkten fel, alsof ze alleen door hun kracht de _Pyreneeën_ tegen de vijandige elementen in konden drijven. Maar gestadig, nu over stuurboord, dan over bakboord, zakte het schip af naar het westen. De kapitein ijsbeerde rusteloos heen en weer. Af en toe hield hij op om te kijken naar de slierten rook die overal ronddreven, en hij trachtte hun spoor na te gaan tot de plek waar ze uit het dek sprongen. De timmerman was voortdurend bezig dergelijke plekken vast te stellen en, als hij daarin geslaagd was, ze dichter en dichter te breeuwen.
"Wel, wat denkt u er nu van?" vroeg de kapitein eindelijk aan McCoy, die naar den timmerman stond te kijken met al de belangstelling en nieuwsgierigheid van een kind in zijn oogen.
McCoy keek in de richting van de wal, waar het eiland verdween in den dichtenden nevel.
"Ik denk, dat 't beter zou zijn naar Mangareva te loopen. Met de bries die nu komt bent u daar morgenavond."
"Maar wat als de brand uitslaat? Het kan ieder oogenblik gebeuren."
"Houdt uw booten klaar in de vallen. Dezelfde bries zal uw booten naar Mangareva brengen, als het schip onder u uit brandt."
Kapitein Davenport overlegde een oogenblik met zich zelf, en toen hoorde McCoy de vraag die hij liever niet had willen hooren, maar die hij voelde komen.
"Ik heb geen kaart van Mangareva. Op de groote kaart is het maar een vliegenscheet. Ik zou niet weten waar ik de invaart in de lagune moest zoeken. Zoudt u mee willen gaan en het schip voor mij naar binnen loodsen?"
McCoy's sereene rust bleef onverstoord.
"Goed, kaptein", zei hij met dezelfde kalme achteloosheid waarmee hij een uitnoodiging om te komen dineeren zou hebben aangenomen; "ik ga met u mee naar Mangareva."
Weer werd de bemanning naar achteren geroepen, en de kapitein sprak hen toe vanaf de hooge kampanje.
"We hebben geprobeerd de schuit stroomop te krijgen, maar jullie ziet hoe veel we verloren hebben. We drijven af in een twee-knoops strooming. Deze mijnheer hier is de Edelachtbare Heer McCoy, eerste ambtenaar en gouverneur van het eiland Pitcairn. Hij zal met ons meegaan naar Mangareva. Jullie ziet dus dat de toestand niet zoo gevaarlijk is. Hij zou het niet aangeboden hebben, als hij dacht dat hij er zijn hachje bij in zou schieten. Bovendien, hoe groot de risico ook is, als hij uit eigen beweging aan boord komt, en de kans wil loopen, kunnen wij niet minder doen. Wat zeggen jullie van Mangareva?"
Dezen keer was er geen rumoer. McCoy's aanwezigheid, de zekerheid en de kalmte die er van hem uit schenen te stralen, hadden hun uitwerking. Ze spraken zachtjes onder elkaar. Veel werd er niet gepraat. Ze waren eensgezind in de deugd, en ze schoven den Cockney naar voren als hun woordvoerder. Overstelpt door het bewustzijn van zijn eigen heldenmoed en dien van zijn kameraden, schreeuwde hij met vlammende oogen: "Verdomd, as hij 't doet, wij ook!"
De bemanning mompelde bijval en ging naar voren.
"Eén oogenblik, kaptein", zei McCoy toen de ander zich omdraaide om orders aan den eersten stuurman te geven, "ik moet eerst aan land gaan."
Mijnheer Konig was als door den donder getroffen en staarde McCoy aan alsof hij een krankzinnige voor zich had.
"Aan land gaan?" riep de kapitein. "Waarom in Godsnaam? Het duurt drie uren eer u daar bent in uw kano."
McCoy mat den afstand tot het verre land en knikte.
"Ja, en het is nu zes uur. Ik ben niet aan land vóór negen. Het volk kan niet eerder bijeen zijn dan tien uur. Terwijl de bries doorkomt vanavond kunt u beginnen er tegen in te laveeren, en mij dan morgen vroeg bij zonsopgang oppikken."
"In den naam van rede en gezond verstand", barstte de kapitein uit, "waarom wilt u het volk bijeen roepen? Ziet u niet in dat mijn schip onder mij wegbrandt?"
McCoy was kalm als een zomersche zee, en de woede van den ander bracht er niet het minste rimpeltje op.
"Zeker, kaptein", kirde hij met zijn duivengeluid. "Ik zie heel goed in dat uw schip in brand staat. Daarom ga ik met u mee naar Mangareva. Maat ik moet verlof hebben om met u mee te gaan. Het is gewoonte zoo bij ons. Het is iets heel gewichtigs als de gouverneur van het eiland weggaat. De belangen van het volk staan op het spel, en ze hebben het recht hun toestemming te geven of te weigeren. Maar ze zullen het zeker goed vinden, dat weet ik."
"Weet u dat zeker?"
"Absoluut zeker."
"Maar als u weet dat ze permissie zullen geven, waarom maakt u zich dan nog druk om ze te krijgen? Denk aan het oponthoud--een heelen nacht!"
"Het is gewoonte bij ons", was het onverstoorbare antwoord. "Bovendien ben ik gouverneur, en ik moet maatregelen nemen voor het bestuur van het eiland voor den tijd dat ik weg ben."
"Maar het is maar vierentwintig uur naar Mangareva", wierp de kapitein tegen, "Veronderstel dat het zesmaal zoo lang duurt om terug te komen tegen den wind in; dat zou u na een week weer terug brengen."
McCoy glimlachte zijn breeden, goedigen glimlach.
"Er komen maar heel weinig schepen langs Pitcairn, en als er komen, zijn ze meestal van San Francisco of van om Kaap Hoorn. Ik mag van geluk spreken als ik over zes maanden terug ben. Misschien blijf ik een jaar weg, en misschien moet ik naar San Francisco gaan om een schip te vinden dat mij terug zal brengen. Mijn vader ging eens voor drie maanden weg van Pitcairn, en het duurde twee jaren vóórdat hij terug kon komen. Verder hebt u gebrek aan voedsel. Als u uw toevlucht in de booten moet zoeken en het weer wordt slecht, kan het dagen duren eer u land bereikt. Ik kan u twee kano-ladingen proviand mee brengen morgen vroeg. Gedroogde bananen zullen het beste zijn... Als de bries aanwakkert, kruist u er tegen in. Hoe dichterbij u is, des te grootere ladingen kan ik meebrengen. Tot ziens."
Hij stak zijn hand uit. De kapitein schudde haar, en kon bijna niet los laten. Hij scheen er zich aan vast te klemmen zooals een verdrinkende zeeman zich vastklemt aan een reddingboei.
"Hoe weet ik dat u terug zult komen morgen?" vroeg hij.
"Ja, dat is het maar!" riep de stuurman. "Hoe weten we dat-ie 'm niet smeert om zijn eigen huid te bergen?"
McCoy zei niets. Hij keek de twee mannen zacht en zegenend aan, en het scheen hun toe als ontvingen zij een boodschap uit zijn onbegrijpelijke gerustheid van ziel.
De kapitein liet zijn hand los, en met een laatsten blik die de bemanning omving in zijn zegening, klom McCoy over de verschansing en daalde af in zijn kano.
De wind werd sterker, en de _Pyreneeën_, ondanks den baard onder haar bodem, won een half dozijn mijlen van de westelijke strooming. Bij zonsopgang, met Pitcairn drie mijlen te loevert, bemerkte kapitein Davenport twee kano's, die op hem aanhielden. Weer klauterde McCoy op tegen den ijzeren wand van het schip, en sprong over de verschansing op het heete dek. Hij werd gevolgd door vele pakken gedroogde bananen, elk pak gewikkeld in droge bladeren.
"Nu, kapitein," zei hij, "gooi je ra's om, en vooruit om je lieve leven. Ziet u, ik ben geen zeevaarder", legde hij een paar minuten later uit, toen hij naast den kapitein stond achter op de kampanje, terwijl deze zijn blikken liet gaan van de bovenste zeilen omlaag naar het water, om de vaart van de _Pyreneeën_ te schatten. "Jaag 'r naar Mangareva. Als u het land hebt gevonden zal ik haar wel naar binnen loodsen. Wat denkt u dat het oudje maakt op 't oogenblik?"
"Elf", antwoordde kapitein Davenport, met een laatsten blik naar het voorbij ruischende water.
"Elf knoopen. Eens even kijken, als we die vaart houden zullen we Mangareva morgen vroeg tusschen acht en negen in zicht krijgen. Ik zal het schip op 't strand hebben om tien uur, elf uur op z'n laatst. En dan is al uw zorg voorbij."
Het scheen den kapitein bijna toe dat het oogenblik van zaligheid al gekomen was, zoo overtuigend sprak McCoy. Meer dan twee weken had kapitein Davenport geleefd onder de vreeselijke spanning gezagvoerder van een brandend schip te zijn, en hij begon te voelen dat hij genoeg had gehad.
Een windvlaag, heviger dan de vorigen, sloeg tegen zijn nek en floot langs zijn ooren. Hij mat de kracht ervan en keek snel overboord.
"De wind neemt voortdurend toe", verklaarde hij. "De ouwe schuit maakt eerder twaalf dan elf op 't oogenblik. Als dat zoo doorgaat, zullen we zeil moeten minderen vanavond."
Den geheelen dag vloog de _Pyreneeën_ met haar lading smeulend vuur over de schuimende zee. Bij het vallen van den nacht waren bovenbram- en bramzeilen ingenomen, en het groote fregat joeg voort, de duisternis in. Hooge zeeën met schuimkoppen liepen kokend en sissend achterop. De gunstige wind miste zijn uitwerking niet, en vóór- en achteruit was iedereen zichtbaar beter gestemd. In de tweede hondenwacht [2] hief de een of andere zorgelooze ziel zelfs een lied aan, en toen het acht glazen sloeg was de geheele bemanning aan het zingen.
Kapitein Davenport had zijn dekens naar boven gebracht en spreidde ze boven op de kajuit.
"Ik ben vergeten wat slaap is", legde hij McCoy uit. "Ik ga een uiltje knappen. Maar roep me in ieder geval wanneer je denkt dat 't noodig is."
Om drie uur 's morgens werd hij gewekt door een zacht trekken aan zijn arm. Hij ging snel rechtop zitten, leunend tegen het vallicht, nog verdoofd door zijn zwaren slaap. De wind zong zijn krijgszang in het tuig, en de _Pyreneeën_ werd gebeukt door een woeste zee. Het schip slingerde beurtelings de stuurboord- en bakboord-reeling onder water, en midscheeps was de zee niet van het dek. McCoy schreeuwde iets dat hij niet verstaan kon. Hij strekte zijn arm uit, greep den ander bij den schouder en trok hem naar zich toe, zoodat zijn oor dicht bij McCoy's lippen was.
"Het is drie uur nu", kwam de stem van McCoy, die nog steeds haar duivengeluid behield, maar vreemd gedempt, als van een grooten afstand. "We hebben tweehonderd vijftig geloopen. Het eiland Crescent is maar dertig mijlen verder, ergens recht vooruit. Er zijn geen lichten op, en als we vóór den wind blijven loopen, vliegen we er tegen aan, en dan zijn wij weg en het schip ook."
"Wat denk je--bijliggen?"
"Ja, ga bijliggen tot het licht wordt. We verliezen er maar vier uur mee."
Dus de _Pyreneeën_, met haar lading vuur, werd bijgedraaid, en beet recht in den wind, vocht zich heen door de beukende zeeën die braken over haar boeg. Ze was een dunne schaal, gevuld met een smeulenden brand, en buiten op de schaal, zich met levensgevaar vasthoudend, hielpen de nietige menschjes haar in den strijd.
"Het is heel ongewoon, deze storm", zei McCoy tegen den kapitein, in de beschutting van de kajuit. "Eigenlijk zou er geen storm moeten zijn in dezen tijd van het jaar. Maar alles is ongewoon geweest met het weer. De passaatwinden hebben niet meer geblazen, en nu loeit het juist uit den passaathoek." Hij wees met zijn hand de duisternis in, alsof zijn oogen honderden mijlen ver konden zien. "Het zit in 't westen. Daar is ergens iets geweldigs op til--een wervelstorm of iets dergelijks. We boffen dat we zoo ver naar 't oosten zijn. Dit is maar een lichte koelte", voegde hij er bij. "Lang zal het niet duren, dat kan ik je wel vertellen."
Toen de zon opkwam was de wind bedaard tot zijn normale kracht. Maar het daglicht openbaarde een nieuw gevaar. Het was dik van mist geworden. De zee was er mee bedekt, of liever, met een parelgrijzen nevel, die mist was in zooverre dat hij het zicht belemmerde; maar eigenlijk was het niet meer dan een vlies op de zee, want de zon schoot er doorheen en doorgloeide het met een roode straling.
Het dek van de _Pyreneeën_ rookte meer dan den vorigen dag, en de opgewektheid van officieren en bemanning was verdwenen. Men kon den kajuitsjongen hooren huilen in lij van de kombuis. Het was zijn eerste reis, en de vrees voor den dood was sterk in hem. De kapitein liep met een woedend gezicht rond, nerveus op zijn snor kauwend, niet in staat een besluit te nemen.
"Wat denk jij ervan", vroeg hij, stilstaand naast McCoy, die zat te ontbijten met gedroogde bananen en een kroes water. McCoy at zijn laatste banaan op, dronk zijn kroes leeg, en keek langzaam om zich heen. Er was een teedere glimlach in zijn oogen toen hij zei: "Wel, kaptein, we kunnen even goed varen als verbranden. Je dek zal het niet eeuwig uithouden. Het is al veel warmer van morgen. Heb je misschien een paar schoenen die ik kan dragen. Het wordt onpleizierig voor mijn bloote voeten."
De _Pyreneeën_ schepte twee zware zeeën toen ze volgebrast en opnieuw vóór den wind gebracht werd; en de eerste stuurman gaf uiting aan den wensch om al dat water in het ruim te hebben, als het er maar ingebracht kon worden zonder de luiken af te nemen. McCoy dook met zijn hoofd in het kompashuisje, en keek naar den koers die men zette.
"Ik zou'r een beetje hooger houden, kaptein", zei hij. "We zijn afgedreven terwijl we bij-lagen."
"Ik lig al een streek hooger", was het antwoord. "Is dat niet genoeg?"
"Ik zou er twee streken van maken, kaptein. Dit stukje wind heeft die westelijke strooming harder vooruit geschopt dan je denkt."
Kapitein Davenport gaf toe tot anderhalven streek, en ging toen het want in, vergezeld van McCoy en den eersten stuurman, om uit te kijken naar land. Alle zeilen stonden weer bij, zoodat de _Pyreneeën_ tien knoopen liep. De achteroploopende zee werd snel kalmer. Nog niets was er dat den parelgrijzen nevel brak, en om tien uur begon kapitein Davenport zenuwachtig te worden. Alle hens stonden klaar op hun post om bij den eersten roep van "Land vooruit!" als duivels aan het werk te springen om de _Pyreneeën_ in den wind te brengen. Dat "Land vooruit", het een of ander buitenrif waar de branding overheen spoelde, zou gevaarlijk dichtbij zijn als het zich liet zien in dien mist.
Weer ging er een uur voorbij. De drie uitkijken boven tuurden gespannen in de parelende straling.
"Wat, als we Mangareva voorbij varen?" vroeg kapitein Davenport plotseling.
McCoy antwoordde zachtjes, zonder zijn blik af te wenden van de zee:
"Wel, laat'r loopen, kaptein. Dat is het eenige wat we kunnen doen. De heele Paoemotoe's liggen vóór ons. We kunnen duizend mijlen ver varen steeds door riffen en atollen. Ergens zullen we er wel tegen aan loopen."
"Dan vooruit." Kapitein Davenport gaf blijk van zijn bedoeling om naar het dek af te dalen. "We zijn Mangareva voorbij. God weet waar het volgende land is. Ik wou nòg dat ik 'r die halve streek hooger gehouden had", biechtte hij een oogenblik later. "Die vervloekte strooming steekt den gek met een zeevaarder."
"De oude zeevaarders noemden de Paoemotoe's den Gevaarlijken Archipel", zei McCoy, toen ze weer op de kampanje waren. En het is juist deze strooming die dien naam mee op zijn geweten heeft."
"Ik heb 's gepraat met een varensgezel in Sydney", zei mijnheer Konig. "Hij had lang gehandeld in de Paoemoetoe's. Hij vertelde me dat verzekering daar achttien procent was. Is dat zoo?"
McCoy glimlachte en knikte.
"_Als_ ze nog verzekeren", vulde hij aan. "De reeders schrijven ieder jaar twintig procent op hun schoeners af."
"Groote God!" kermde kapitein Davenport. "Dat maakt het bestaan van een schoener maar vijf jaren!" Hij schudde neerslachtig zijn hoofd, mompelend: "Kwaad water; kwaad water!"
Ze gingen weer de kajuit binnen om de groote kaart te raadplegen, maar de vergiftige dampen dreven hen hoestend en hijgend weer aan dek.
"Hier is het eiland Moerenhout." Kapitein Davenport wees het aan op de kaart die hij boven op de kajuit had uitgespreid. "Het kan niet meer dan honderd mijlen aan lij liggen."
"Honderd en tien." McCoy schudde twijfelend zijn hoofd. "Misschien kunnen we het doen, maar het is erg gewaagd. Ik zou het schip op 't strand kunnen zetten, maar er is even veel kans dat we op 't rif komen. Een leelijk gat, een heel leelijk gat."
"We zullen de risico loopen", was kapitein Davenport's besluit en hij ging de koers uitrekenen.
Vroeg in den namiddag werd er zeil geminderd om het eiland 's nachts niet voorbij te varen; en in de tweede hondenwacht gaf de bemanning blijk van haar herwonnen opgewektheid. Het land was zóó dicht bij, en 's morgens zouden al hun zorgen voorbij zijn.
Maar de morgen kwam, helder, met een vlammende tropische zon. De zuidoost-passaat was naar het oosten gedraaid en dreef de _Pyreneeën_ door het water met een vaart van acht knoopen. Kapitein Davenport maakte zijn gegist bestek, ruim rekenend voor afdrijven, en kondigde aan, dat Moerenhout niet meer dan tien mijlen verder was. De _Pyreneeën_ zeilde de tien mijlen, ze zeilde tien mijlen verder, en de uitkijken in de drie masten zagen niets dan de naakte, zon-overspoelde zee.
"Maar het land _is_ er, zeg ik je," schreeuwde kapitein Davenport hun toe vanaf de kampanje.
McCoy glimlachte kalmeerend, maar de kapitein keek rond als een krankzinnige, greep zijn sextant, en deed een chronometer-waarneming.
"Ik wist wel dat ik gelijk had!" schreeuwde hij bijna toen hij de waarneming had uitgewerkt "eenentwintig, vijfenvijftig, zuid; honderdzesendertig, twee, west. Daar! We zijn nog acht mijlen te loevert. Wat hebt u gekregen, mijnheer Konig?"
De eerste stuurman keek naar zijn cijfers en zei met een lage stem:
"Eenentwintig, vijfenvijftig heb ik ook, maar mijn lengte is honderdzesendertig, acht en veertig. Dat brengt ons een heel stuk naar lij---"
Maar kapitein Davenport negeerde zijn berekeningen met een zóó verachtelijk stilzwijgen, dat mijnheer Konig op zijn tanden knarste en wild vloekte in zijn baard.
"Houd 'r af", beval de kapitein den roerganger. "Drie streken--recht zoo, laat 'r zoo loopen!"
Toen keerde hij terug naar zijn berekeningen en deed alles nog eens over. Het zweet liep van zijn gezicht. Hij kauwde op zijn snor, op zijn lippen, op zijn potlood, en staarde naar zijn cijfers als naar een spook. Plotseling, met een nijdige uitbarsting van zijn spieren, verfrommelde hij het bekrabbelde papier in zijn vuist, en stampte er op. Mijnheer Konig grinnikte voldaan en draaide zich om, terwijl kapitein Davenport tegen kajuit stond te leunen en een half uur lang geen woord meer zei, zich tevreden stellend met naar lij te staren, een uitdrukking van peinzende wanhoop op zijn gezicht.
"Mijnheer McCoy", verbrak hij opeens de stilte. "De kaart wijst een eilandengroep aan, ongeveer veertig mijlen naar het noorden, of noordnoordwesten"--de Actaeon-eilanden. Wat denkt u daarvan?"
"Er zijn er vier, allemaal laag", antwoordde McCoy. "Het eerste, in 't zuidoosten van den archipel, is Matoe-eri, geen menschen, geen invaart in de lagune. Dan komt Tenaroengga. Vroeger woonden er een dozijn menschen, maar die zullen nu wel allemaal weg zijn. In ieder geval is daar geen invaart voor een schip, hoogstens voor een boot, één vadem water. De andere twee zijn Vehaoega en Tehoeararo. Geen invaart, geen menschen, heel laag. In die groep is geen bed voor de _Pyreneeën_. Ze zou totaal wrak slaan."
"Hoor nu toch eens!" Kapitein Davenport was razend. "Geen menschen, geen invaart. Maar lieve hemel, waar zijn eilanden dan goed voor?"
"Nou dan", blafte hij opeens, als een opgewonden terrier, "de kaart geeft een heelen hoop eilanden in het noordwesten. Hoe is 't daar mee? Welk eiland heeft een invaart waar ik mijn schip kan leggen?"
McCoy overwoog kalm. Hij keek niet op de kaart. Al die eilanden, riffen, ondiepten, lagunen, invaarten en afstanden stonden gedrukt op de kaart van zijn geheugen. Hij kende ze zooals een stadsbewoner zijn gebouwen en straten en stegen kent.
"Ginds in 't westen, of westnoordwest, liggen Papakena en Vanavana, honderd mijlen verder, misschien iets meer", zei hij. "Het eene is onbewoond, en ik heb gehoord dat de menschen van het andere naar Cadmus-eiland zijn gegaan. In ieder geval heeft geen van beide lagunen een invaart. Honderd mijlen verder naar 't noordwesten ligt Ahoenoei. Geen invaart, geen menschen."
"Nou, veertig mijlen verder liggen nog twee eilanden..?" vroeg kapitein Davenport, en hij keek op van de kaart.
McCoy schudde zijn hoofd.
"Paros en Manoehoengi--geen invaart, geen menschen. Veertig mijlen verder hebben we Nenggo-nenggo, ook dat heeft geen invaart en is onbewoond. Maar dan is er nog Hao. Dat moeten we hebben. De lagune is dertig mijlen lang en vijf breed. Menschen in overvloed. Gewoonlijk is er wel water te krijgen ook. En er is geen schip zoo groot of het kan door de invaart."
Hij zweeg, en keek kapitein Davenport onderzoekend aan. Deze stond over de kaart gebogen met een passer in zijn hand, en had juist een diep gebrom laten hooren.
"Is er nergens een lagune met een invaart dichter bij dan Hao?" vroeg hij.
"Neen, kaptein, dat is het dichtste bij."
"Nu, het is driehonderd veertig mijlen." Kapitein Davenport sprak heel langzaam, vast besloten. "Ik wil de verantwoordelijkheid voor al deze menschenlevens niet dragen. Ik zal het schip in de Actaeons op het rif zetten. En het is zoo 'n goeie, ouwe schuit", voegde hij er berouwvol bij, nadat hij den koers veranderd had. Dezen keer liet hij meer speling dan ooit voor de westelijke strooming.
Een uur later was de lucht betrokken. De zuidoost-passaat blies nog steeds, maar de zee was als een schaakbord van buien.
"We zullen er om één uur zijn", zei kapitein Davenport vol vertrouwen. "Twee uur op z'n laatst. McCoy, jij zet haar op het eiland waar menschen wonen."
De zon kwam niet meer terug, en om één uur was er nog geen land te zien. Kapitein Davenport keek naar achter, naar het kielwater van de _Pyreneeën_, dat schuin afzakte.
"Groote God!" riep hij. "Een oostelijke strooming! Kijk eens!"
Mijnheer Konig was ongeloovig. McCoy had er geen verstand van, ofschoon hij zei, dat hij geen reden zag waarom er in de Paoemoetoe's geen oostelijke strooming zou loopen. Een paar minuten later nam een bui voor een poos al den wind uit de zeilen en het schip lag zwaar te slingeren in de laagten tusschen de golven.
"Waar is dat diep-lood? Overboord ermee, jij daar!"
Kapitein Davenport hield de loodlijn en zag haar afdrijven naar het noordoosten. "Daar! Kijk! Houd het zelf eens vast!" McCoy en de stuurman probeerden het en voelden de lijn nijdig trillen en zoemen in den greep van den vloedstroom.
"Een vier-knoops-strooming", zei mijnheer Konig.
"En een oostelijke in plaats van een westelijke", zei kapitein Davenport, en staarde McCoy verwijtend aan, alsof hij hem de schuld wou geven.
"Dat is een van de redenen, kaptein, waarom verzekering achttien procent is in deze wateren," antwoordde McCoy opgewekt. "Men weet hier nooit waar men aan toe is. De stroomingen veranderen voortdurend. Er is een man geweest die boeken schreef, ik ben zijn naam vergeten, in het jacht _Casco_. Hij liep Takawa dertig mijlen mis en kwam uit op Tikei, allemaal door die veranderende stroomingen. Je bent nu weer een heel eind te loevert, en ik zou maar een paar streken afhouden."
"Maar hoeveel ben ik in deze strooming afgedreven?" schreeuwde de kapitein woedend. "Hoe kan ik weten hoeveel ik af moet houden?"
"Ik weet het niet, kaptein," zei McCoy met groote zachtheid.
De wind kwam weer, en de _Pyreneeën_, haar dek rookend en glinsterend in het heldere grijze licht, liep vóór de wind pal naar lij. Toen laveerde ze terug, nu over stuurboord dan over bakboord, kruisend over haar vroeger spoor, de zee afzoekend naar de Actaeon-eilanden. Maar de uitkijken in de masten kregen geen land in zicht.
Kapitein Davenport was buiten zichzelf. Zijn woede nam den vorm aan van een norsch zwijgen, en den geheelen middag liep hij over de kampanje te ijsberen, of leunde tegen het want te loevert. Toen de nacht viel ging hij vóór den wind liggen, zonder McCoy's raad in te winnen, en stevende naar het noordwesten. Mijnheer Konig, die stilletjes kaart en kompas raadpleegde, en McCoy, die kinderlijk en openlijk op het kompas keek, wisten dat ze naar Hao gingen. Te middernacht hielden de buien op en de sterren kwamen te voorschijn. Kapitein Davenport werd een beetje opgevroolijkt door de belofte van een helderen dag.