Verhalen van de Zuidzee

Chapter 11

Chapter 114,069 wordsPublic domain

"Vier van de matrozen, Saxtorph incluis, waren bezig de kanpanje-reeling te schrappen. De vijfde matroos, geweer in de hand, stond op wacht bij de watertank, even vóór den grooten mast. Ik was vooruit, bezig de laatste hand te leggen aan een nieuwen bek voor de fokkegaffel. Ik wilde net mijn pijp pakken waar ik ze had neergelegd, toen ik een schot van den wal hoorde. Ik richtte me op om te kijken. Er trof me iets tegen mijn achterhoofd dat me half verdoofd tegen het dek deed slaan. Mijn eerste gedachte was dat er boven in het tuig iets stuk was gegaan; maar terwijl ik nog viel, en vóór dat ik op het dek terecht kwam, hoorde ik een geweervuur van de booten alsof de duivel in eigen persoon een roffel sloeg. Ik draaide me half om, en zag den matroos die op schildwacht stond. Twee groote nikkers hielden zijn armen vast, en een derde sloeg hem van achteren op zijn hoofd met een tomahawk. Ik zie het nog voor me, de watertank, de groote mast, de troep die hem aan zijn lijf hing, de bijl die op zijn hoofd neerdaalde, alles onder het vlammende zonlicht. Ik werd geboeid door dat groeiend visioen van moord. De tijd die de bijl noodig had om neer te dalen leek afschuwelijk lang. Ik zag het ding op het hoofd van den man terecht komen, en ik zag zijn beenen onder hem wegzakken toen hij dubbel sloeg. De nikkers hielden hem bij zijn armen omhoog en hij werd nog een paar keer flink bewerkt. Toen kreeg ik zelf nog twee hakken op mijn hoofd, en maakte uit dat ik dood was. Dat was ook het idee van den kerel die me bewerkte.

"Ik was te hulpeloos om me te bewegen en ik lag daar maar en keek hoe ze den schildwacht zijn hoofd afsloegen. Ik moet zeggen, ze deden het netjes. Je kon zien dat ze het meer gedaan hadden.

"Het geweervuur uit de booten had opgehouden en ik stelde vast dat het met ons gedaan was en dat het eind van alles was gekomen. Het was een kwestie van minuten; dan zouden ze komen om mijn hoofd. Blijkbaar waren ze bezig de matrozen op het achterschip te onthoofden. Hoofden zijn veel waard op Malaita; vooral hoofden van blanken. Die hebben de eereplaats in de kano-huizen van de kustbewoners. Welk bijzonder decoratief effect de binnenlanders er in zien weet ik niet. Maar ze zijn er even verzot op als hun broertjes van het zoute water.

"Ik had een vaag idee van ontsnappen, en kroop op handen en voeten naar den kaapstander, waar ik er in slaagde mezelf weer op de been te hijschen. Vandaar kon ik naar achteren kijken, en ik zag drie hoofden boven op de kajuit liggen--de hoofden van drie matrozen aan wie ik maanden lang orders had gegeven. De nikkers zagen mij staan en kwamen op me af. Ik greep naar mijn revolver en merkte dat ze hem hadden weggenomen. Ik kan niet zeggen dat ik bang was. Ik ben verschillende keeren dicht bij den dood geweest, maar het heeft me nooit gemakkelijker toegeschenen dan toen. Ik was half verdoofd en niets kon me meer wat schelen.

"De nikker die voorop liep had zich gewapend met een hakmes uit de kombuis, en hij maakte grimassen als een aap terwijl hij zich klaar maakte om mij in tweeën te snijden. Maar dat sneedje heeft hij nooit gemaakt. Hij zakte in elkaar op het dek en ik zag het bloed uit zijn mond gudsen. Heel vaag hoorde ik een geweer afgaan, en het bleef afgaan, voortdurend. Nikker na nikker viel neer. Mijn begrippen werden weer een beetje helder, en ik merkte op dat er geen enkel schot mis was. Iederen keer dat het geweer knalde, zakte er een nikker in elkaar. Ik ging zitten op het dek naast den kaapstander en keek naar boven. Boven, in de dwarszalings, zat Saxtorph. Hoe hij het klaar had gespeeld kan ik nog niet begrijpen, want hij had twee Winchesters en ik weet niet meer hoeveel patroongordels mee naar boven genomen; en nu was hij bezig het eenige te doen waar hij op deze wereld voor deugde.

"Ik heb veel schiet- en moordpartijen gezien, maar ik heb nooit zoo iets gezien als toen. Ik zat daar naast den kaapstander en keek naar de vertooning. Ik voelde me zwak en wee en het leek allemaal een droom. Pang, pang, pang, pang ging zijn geweer, en bom, bom, bom, bom, gingen de nikkers tegen het dek. Het was verbazend hoe ze vielen. Na hun eersten stormloop op mij, toen er zoo ongeveer een dozijn gevallen waren, schenen ze verlamd; maar hij hield geen oogenblik op met zijn geweer leeg te pompen.

"Zóó was de toestand toen de kano's en de twee booten van de wal kwamen, bewapend met Sniders en met Winchesters die ze in de booten hadden buitgemaakt. De fusillade die ze op Saxtorph loslieten was iets vreeselijks. Gelukkig voor hem kunnen de nikkers alleen maar op korten afstand schieten. Ze zijn niet gewend om een geweer aan den schouder te brengen. Ze wachten tot ze boven op iemand zitten, en dan schieten ze vanaf de heup. Toen zijn geweer te warm werd nam Saxtorph het andere. Dat was zijn idee geweest toen hij twee geweren mee het want in nam.

"Wat me het meest verbaasde was de snelheid waarmee hij vuurde. En hij miste geen enkelen keer. Als er er ooit iets onvermijdelijk is geweest, dan was die man het. De slachting was zoo afschuwelijk omdat het zoo verbazend vlug ging. De nikkers hadden geen tijd om te denken. Als ze er in slaagden te denken, sprongen ze met een vaartje overboord, waarbij de kano's meestal omsloegen. Saxtorph hield geen oogenblik op. Het water was bedekt met nikkers en pang, pang, pang, schoot hij zijn kogels in hun zwarte lichamen. Geen enkel schot was mis en ik kon duidelijk het poffen van de kogels hooren telkens als er een begraven werd in menschelijk vleesch.

"De nikkers verspreidden zich en richtten zich naar den wal, zwemmend. Het was alsof het water bedekt was met een kleed van opduikende en bewegende hoofden, en ik ging rechtop staan, als in een droom, om er naar te kijken: de bewegende hoofden en de hoofden die ophielden te bewegen. Sommige lange-afstand-schoten waren schitterend. Eén man bereikte het strand, maar toen hij opstond om aan land te waden schoot Saxtorph hem nog neer. Het was meesterlijk. En toen een paar nikkers het strand op kwamen loopen om hem uit het water te trekken, gingen zij ook nog tegen de vlakte.

"Ik dacht dat alles voorbij was, toen ik het geweer opnieuw hoorde afgaan. Een nikker kwam met een vaartje uit de kajuit schieten, naar de verschansing, maar viel halverwege neer. De kajuit moet vol nikkers gezeten hebben. Ik telde er twintig. Ze holden één voor één naar boven en sprongen naar de verschansing. Maar zoover kwamen ze niet. Het deed me denken aan het schieten van dieren in een val. Een zwart lichaam schoot telkens omhoog uit het trapluik, pang ging dan Saxtorph's geweer, en neer sloeg het zwarte lichaam. Natuurlijk wisten de nikkers die beneden waren niet wat er aan dek gebeurde, dus bleven ze omhoog schieten uit het luik, totdat de laatste er geweest was.

"Saxtorph wachtte een poosje om zeker van zijn zaak te zijn, en kwam toen naar beneden. Wij tweeën waren alles wat er overbleef van bemanning en officieren van de _Duchess_, en ik was er tamelijk beroerd aan toe, terwijl hij hulpeloos was nu hij niet meer kon schieten. Onder mijn leiding waschte hij mijn hoofdwonden en naaide ze dicht. Een groote slok whisky sterkte mij tot het wagen van een poging om weg te komen. Er bleef ons niets anders over. De rest was dood. We trachtten de zeilen te hijschen. Saxtorph heesch en ik hield het val om den nagel. Hij was weer hetzelfde stomme rund van vroeger. Zijn hijschen was geen cent waard, en toen ik op een goed oogenblik flauw viel, leek het of het afgeloopen was met ons.

"Toen ik weer bij kwam, zat Saxtorph hulpeloos op de verschansing, wachtend om mij te vragen wat hij doen moest. Ik zei hem de gewonden eens onderste boven te halen om te zien of er ook bij waren die nog konden kruipen. Hij kreeg er zes bij elkaar. Eén, herinner ik me, had zijn been gebroken; maar Saxtorph zei dat zijn armen in orde waren. Ik lag in de schaduw, en joeg de vliegen weg, en leidde de zaken, terwijl Saxtorph zijn ploeg invalieden aanvoerde. Ik wil eeuwig verdoemd zijn als hij die arme duivels niet aan ieder touw op de nagelbanken liet hijschen vóórdat hij de vallen vond. Eén van hen liet het touw glippen onder het hijschen en gleed neer op het dek, dood; maar Saxtorph rammeide de anderen en hield hen aan het werk. Toen de fok en het grootzeil op waren zei ik hem de steekschalm uit den ankerketting te schroeven en het anker te laten slippen. Ik liet me naar het achterschip helpen om een slappe poging aan het stuurrad te wagen. Hoe hij het hem lapte begrijp ik nog niet, maar in plaats van de steekschalm uit te schroeven, plons ging het tweede anker naar beneden, en daar lagen we dubbel geankerd.

"Eindelijk was hij zóó ver dat allebei de ankers geslipt en de stagfok en kluiver omhoog waren, en de _Duchess_ viel af en stevende naar de doorvaart. Ons dek was de moeite waard om te zien. Doode en stervende nikkers lagen overal. Sommigen zaten weggestopt op de onmogelijkste plaatsen. De kajuit zat er vol mee, waar ze van het dek weggekropen en naar beneden getuimeld waren. Ik zette Saxtorph en zijn ploeg doodgravers aan het overboord zetten, en erover gingen ze, levenden en dooden. De haaien hadden een vette, dien dag. Natuurlijk gingen onze vier vermoorde matrozen denzelfden weg. Maar hun hoofden deden we in een zak met gewichten eraan, dat ze niet naar het strand drijven en in de handen van de nikkers zouden vallen.

"Onze vijf gevangenen besloot ik als bemanning te gebruiken, maar zij besloten anders. Ze namen hun kans waar, en sprongen overboord. Saxtorph schoot er twee dood met zijn revolver terwijl ze nog in de lucht zweefden, en hij zou de andere drie in het water ook nog naar de andere wereld hebben geholpen als ik hem niet tegen gehouden had. Ja, ik had genoeg van het moorden, en bovendien, ze hadden meegeholpen den schoener naar buiten te brengen. Maar het was weggegooid medelijden, want ze werden alle drie door de haaien ingepikt.

"Ik kreeg hersenkoorts of iets dergelijks toen we goed en wel in volle zee waren; tenminste de _Duchess_ lag drie weken bijgedraaid; toen pas was ik mezelf weer meester, en we sukkelden verder met de schuit naar Sydney. In ieder geval hebben die nikkers van Maloe de eeuwige les geleerd, dat het niet goed is, gekheid te maken met een blanke. Saxtorph was zonder eenigen twijfel onvermijdelijk voor hen."

Charley Roberts floot eens, en zei:

"Je zou het zoo zeggen. Maar wat is er van Saxtorph geworden?"

"Hij is bij de robbenvaart terecht gekomen, en een heele beroemdheid geworden. Zes jaren lang was hij een geweldig heer in de vloten van San Francisco en Victoria. Het zevende jaar is zijn schoener in de Beringzee ingepikt door een Russischen kruiser, en alle hens, zoo ging het verhaal, zijn in de zoutmijnen van Siberië gesmakt. Ten minste ik heb nooit meer iets van hem gehoord."

"De wereld ontginnen", mompelde Roberts. "De wereld ontginnen. Hier, op hun gezondheid, iemand moet het toch doen--de wereld ontginnen, bedoel ik."

Kapitein Woodward wreef de lidteekens die kriskrasten over zijn kaal hoofd.

"Ik heb er mijn deel toe bijgedragen", zei hij. "Veertig jaar nu al. Dit is mijn laatste reis. Dan ga ik voor goed naar huis."

"Ik verwed er den borrel onder dat je het niet doet", tartte Roberts. "Jij gaat dood in het harnas, niet in je bed."

Kapitein Woodward nam de weddenschap dadelijk aan, maar ik voor mij denk dat Charley Roberts de beste kans heeft.

HET NAGESLACHT VAN MCCOY.

De _Pyreneeën_, haar ijzeren zijden laag in het water gedrukt door de lading tarwe, slingerde traag, en maakte het gemakkelijk voor den man die aan boord klom vanuit een kleine kano met vlerken. Toen zijn oogen ter hoogte van de verschansing kwamen, zoodat hij binnen boord kon kijken, scheen het hem toe, dat hij een vaag, bijna niet te onderscheiden waas zag. Het leek meer een zinsbegoocheling, een dof vlies dat zich plotseling over zijn oogen had gespreid. Hij voelde een neiging om het weg te vegen, en dacht tegelijkertijd, dat hij oud werd, en dat het tijd was om een bril te bestellen in San Francisco.

Terwijl hij over de verschansing klom, liet hij zijn blikken omhoog gaan naar de hooge masten, daarna naar de pompen. Zij werkten niet. Alles scheen in orde op het groote fregat, en hij vroeg zich verwonderd af, waarom men het noodsignaal geheschen had. Hij dacht aan zijn gelukkige eilanders en hoopte dat het geen besmettelijke ziekte zou zijn. Misschien had het schip gebrek aan water of proviand. Hij schudde den kapitein de hand. Wat het ook zijn mocht, er _was_ iets, dat zeiden het vermagerde gezicht en de bezorgde blik van de gezagvoerder. Op het zelfde oogenblik bemerkte de nieuw-aangekomene een flauwen niet te definieeren geur. Het leek van verbrand brood, maar toch weer anders.

Nieuwsgierig keek hij om zich heen. Twintig voet verder was een moe-uitziend matroos bezig het dek te breeuwen. Terwijl zijn blik op dien man rustte, zag hij plotseling een dun spiraaltje rook onder zijn handen uit opstijgen, dat kronkelde en kringelde, en weg was. Ondertusschen was hij zelf op het dek gekomen. Hij voelde een broeiende warmte aan zijn bloote voeten, die snel door het dikke eelt heen drong. Hij kende nu den nood van het schip. Zijn blikken zwierven naar voren waar de geheele bemanning van magere, vermoeide matrozen vol verwachting naar hem stond te kijken. Die blik van zijn vochtige bruine oogen ging over hen heen als een zegening; hij kalmeerde hen, wikkelde hen als in den mantel van een groote vrede.

"Hoe lang hebt u al brand aan boord, kaptein?" vroeg hij, en zijn stem was zoo zacht en sereen, dat het leek alsof er een duif kirde.

Eerst voelde de kapitein die rust en die tevredenheid zachtjes in zich dringen, maar dan sloeg hem weer het bewustzijn van alles wat hij doorstaan had en nog doorstond, en hij was kwaad. Wat gaf dezen vuilen strandschuimer, gekleed in een grof linnen broek en een katoenen hemd, het recht om hem en zijn overwerkte, uitgeputte hersenen iets als rust en tevredenheid te suggereeren? De kapitein beredeneerde het niet zoo; het onbewuste proces der emotie was de oorzaak van zijn boosheid.

"Vijftien dagen", antwoordde hij kortaf. "Wie ben jij?"

"Mijn naam is McCoy", kwam het antwoord, en het geluid ademde zachtheid en medelijden.

"Ik bedoel, ben je de loods?"

McCoy liet de zegening van zijn blik gaan over den langen, zwaar-geschouderden man met het verwilderde, ongeschoren gezicht, die naast den kapitein was komen staan.

"Ik ben even goed loods als iemand anders", was het antwoord van McCoy. "We zijn hier allemaal loods, kapitein, en ik ken iederen centimeter van deze wateren."

Maar de kapitein was ongeduldig.

"Ik moet de autoriteiten hebben. Ik moet hen spreken, en allemachtig gauw ook."

"Dan kunt u ook met mij volstaan."

Weer dat hinderlijke gevoel van vrede, en dan zijn schip een woedende oven onder zijn voeten! Hij trok nerveus en ongeduldig zijn wenkbrauwen op, en balde zijn vuist alsof hij er mee wou slaan.

"Wie ben je dan in Jezus' naam?" vroeg hij ruw.

"Ik ben de eerste ambtenaar", was het antwoord, en nog steeds was de stem de zachtste en teederste die men zich kon denken.

De lange zwaar-geschouderde man barstte uit in een schorren lach, die meer een uiting was van hysterie dan van plezier. De kapitein en hij bekeken McCoy verwonderd en ongeloovig. Dat deze strandschuimer op bloote voeten zulk een klinkende waardigheid zou bekleeden was onbegrijpelijk. Zijn katoenen hemd, los geknoopt, liet een grauw-behaarde borst zien, en tevens dat hij er geen kleedingstuk meer onder droeg. Een versleten strooien hoed trachtte tevergeefs het ongekamde grijze haar te verbergen. Een patriarchale baard, ongeknipt, daalde neer tot halfweg zijn borst. Twee kwartjes zouden hem bij een uitdrager compleet hebben uitgerust zooals hij nu voor hem stond.

"Soms familie van McCoy van de _Bounty_?" vroeg de kapitein.

"Mijn overgrootvader."

"O", zei de kapitein, en hij bedacht zich. "Mijn naam is Davenport, en dit is mijn eerste stuurman, mijnheer Konig."

Ze schudden elkaar de hand.

"En nu ter zake." De kapitein sprak snel, de drang van een groote haast preste zijn woorden. "We hebben nu al meer dan twee weken brand aan boord. Ieder oogenblik kan de hel losbarsten. Daarom heb ik op Pitcairn aangehouden. Ik wil de schuit aan den grond zetten, of lek slaan, om den romp te sparen."

"Dan hebt u zich vergist, kaptein", zei McCoy. "U had met ruime schooten naar Mangareva moeten koersen. Daar is een mooi strand, in een lagune, waar het water is als een vischvijver."

"Maar we zijn nou hier, hè?" snauwde de eerste stuurman. "Daar komt het maar op aan. We zijn hier, en er moet iets gedaan worden."

McCoy schudde vriendelijk zijn hoofd.

"U kunt hier niets doen. Er is hier geen strand. Er is zelfs geen ankerplaats."

"Klets", zei de stuurman. "Klets", herhaalde hij luid, toen de kapitein hem een teeken gaf, wat minder kras in zijn uitdrukkingen te zijn. "Dergelijke praatjes kun je mij niet verkoopen. Waar heb je je eigen booten dan, je schoener of je kotter of weet ik wat jij hebt? Hè? Vertel me dat maar' es."

McCoy glimlachte zacht zooals hij gesproken had. Zijn glimlach was een liefkoozing, een omhelzing die den uitgeputten stuurman trachtte mee te trekken in den sereenen vrede van McCoy's rustige ziel.

"Wij hebben geen schoener en geen kotter", antwoordde hij. "En we dragen onze kano's boven op de rotsen."

"Zou ik eerst' es moeten zien", snoof de stuurman. "Hoe kom je dan op de andere eilanden, hè? Dat wou ik wel' es weten."

"Wij gaan niet naar de andere eilanden. Ik alleen, af en toe, als gouverneur van Pitcairn. Toen ik nog jong was, was ik heel dikwijls weg--soms op de koopvaardij-schoeners, meestal op de brik van de zending. Maar die is er nu niet meer, en we zijn nu afhankelijk van passeerende schepen. Soms hebben we er wel eens zes in 't jaar. Maar dikwijls gaat er ook een jaar en nog meer voorbij zonder dat we één enkel schip zien. U bent het eerste sinds zeven maanden."

"En je wilt me vertellen--", begon de stuurman weer.

Maar kapitein Davenport kwam tusschenbeide.

"Genoeg, genoeg. We verliezen onzen tijd maar. Wat moeten we doen, mijnheer McCoy?"

De oude man wendde zijn bruine oogen, zacht als die van een vrouw, naar het land, en kapitein en stuurman volgden zijn blik, van de eenzame rots Pitcairn naar de bemanning die in een troep bijeen stond op het voorschip en vol spanning wachtte op een beslissing. McCoy haastte zich niet. Zijn gedachten gingen rustig en langzaam, stap voor stap, met de zekerheid van iemand die nooit gekweld of geslagen is door het leven.

"Er is niet veel wind op 't oogenblik", zei hij eindelijk. "En er loopt een sterke strooming naar het westen."

"Die heeft ons doen afdrijven naar lij", onderbrak de kapitein, die zijn zeemanschap wilde rechtvaardigen.

"Juist, die heeft u naar lij gedreven!" ging McCoy verder. "Nu, u kunt vandaag niet tegen die strooming in opwerken. En al kon het, dan is er nog geen strand. Uw schip zou totaal verloren zijn."

Hij wachtte even, en kapitein en stuurman keken elkaar wanhopig aan.

"Maar ik zal u zeggen wat u kunt doen. De bries zal vannacht doorkomen, ongeveer middernacht--kijk die vegen wolken en die dikte te loevert, achter dien bergtop daar. Daar zal-ie vandaan komen, uit het zuid-oosten, en hard. Het is driehonderd mijlen naar Mangareva. Bras je ra's in 't vierkant en loop er vóór het windje heen. Er is daar een mooi bed voor je schip."

De stuurman schudde zijn hoofd.

"Kom even in de kajuit, dan kunnen we eens op de kaart kijken," zei de kapitein.

Er hing een vergiftige, verstikkende atmosfeer in de kleine, benauwde kajuit. Onzichtbare gassen die overal ronddreven beten en prikten in McCoy's oogen. Het dek was hier nog heeter, bijna onverdraaglijk heet voor zijn bloote voeten. Het zweet stroomde uit zijn lichaam. Hij keek bijna bang om zich heen. Deze kwaadaardige, inwendige hitte was afschuwelijk. Het was een wonder, dat de kajuit niet in vlammen uitbarstte. Hij had een gevoel alsof hij in een grooten oven was, waar ieder oogenblik de hitte tot een geweldige hoogte kon stijgen en hem verschroeien als een halmpje gras.

Toen hij één voet oplichtte en de heete zool tegen zijn broekspijp wreef, beet de stuurman hem een woesten, grimmigen lach toe.

"Het voorgeborchte der hel", zei hij. "De hel zelf is daar vlak onder uw voeten."

"Het is heet!", riep McCoy onwillekeurig, en veegde zijn gezicht met een bandana zakdoek.

"Hier is Mangareva", zei de kapitein, terwijl hij zich over de tafel boog en een zwarte vlek aanwees midden in de onverbroken witheid van de kaart.

"En hier, nog daar vóór, ligt nog een eiland. Waarom daar niet heen?"

McCoy keek niet op de kaart.

"Crescent Eiland", antwoordde hij. "Het is onbewoond, en maar twee of drie voet boven het water. Een lagune, maar geen invaart. Neen, Mangareva is de naaste plek die u gebruiken kunt."

"Dan zal het Mangareva zijn", zei kapitein Davenport, de grommende tegenwerpingen van zijn stuurman onderbrekend. "Roep het volk achter, mijnheer Konig."

De matrozen gehoorzaamden. Ze strompelden moe langs het dek en deden pijnlijke pogingen om haast te maken. Hun uitputting was zichtbaar in iedere beweging die ze maakten. De kok kwam uit zijn kombuis om te luisteren, en de kajuitsjongen hing naast hem over de deur.

Toen kapitein Davenport de situatie uitgelegd en zijn voornemen om naar Mangareva te loopen geuit had, brak er een geweldig rumoer los. Tegen een achtergrond van kelig gegrom rezen ongearticuleerde kreten van woede, met hier en daar een duidelijk te onderscheiden vloek, een woord, een zin. De schrille stem van een Cockney steeg, en beheerschte een oogenblik alles: "Jeisis Christus, eers' veertien daoge in de hel, en nou wil-ie dawwe die drijvende hel weer nao see seile!"

De kapitein had geen macht meer over hen, maar de aanwezigheid van McCoy scheen hun een zacht verwijt, en kalmeerde hen. Het mopperen en vloeken stierf weg, totdat, behalve hier en daar een gezicht dat vol angstige spanning naar den kapitein gericht was, de geheele bemanning verlangend stond te kijken naar de groen-begroeide toppen en de overhangende rotsen van Pitcairn.

Zacht als een lentewind was de stem van McCoy; "Kaptein, ik meende dat ik er een paar hoorde zeggen dat ze honger hadden."

"Ja", was het antwoord, "en wij ook. Ik heb de laatste twee dagen niets gehad dan een scheepsbeschuit en een lepel gedroogde zalm. We zijn op rantsoen. Ziet u, toen we den brand ontdekten, hebben we alles onmiddelijk dichtgeschalmd om het vuur te verstikken. En toen merkten we hoe weinig voedsel er in de provisiekast was. Maar toen was het te laat. We durfden de voorraadkamer niet meer open te breken. Honger? Ik heb even veel honger als zij."

Hij sprak de mannen opnieuw toe, en opnieuw rees het kelig gebrom en gevloek, en hun gezichten waren als van dieren, verwrongen van woede. De tweede en de derde stuurman waren bij den kapitein komen staan, vóór op de kampanje. Hun gezichten waren strak en zonder uitdrukking; vóór alles schenen ze ontstemd door deze muiterij van de bemanning. Kapitein Davenport keek zijn eersten officier vragend aan, maar die haalde slechts zijn schouders op ten teeken van zijn hulpeloosheid.

"U ziet", zei de gezagvoerder tegen McCoy, "je kunt matrozen niet dwingen het veilige land te verlaten en naar zee te gaan op een brandend schip. Het is hun drijvende doodkist geweest, nu al meer dan twee weken. Ze zijn uitgewerkt en uitgehongerd, en ze hebben er genoeg van. We zullen naar Pitcairn opwerken."