Chapter 10
De vlucht van de vijfentwintig koelies had de _Arla_ veertig pond gekost, en aangezien ze hun heil in de bosschen hadden gezocht, was er geen hoop meer om hen nog terug te krijgen. De schipper en zijn stuurman wisten niet beter te doen dan hun verdriet verdrinken in koude thee. De koude thee was in whisky-flesschen, en Bertie wist niet, dat wat ze opdweilden maar koude thee was. Alles wat hij wist was, dat de twee mannen erg dronken raakten en welsprekende en lang-uitgesponnen debatten hielden over de kwestie of de ontplofte nikker gerapporteerd zou worden als bij ongeluk verdronken of als een geval van dysenterie. Toen ze eindelijk snorkend in slaap vielen, was hij de eenige blanke aan boord die nog tot iets in staat was, en hij hield een ijselijke wacht tot de morgenschemering, in angst en vreeze voor een aanval van de wal of een oproer van de bemanning.
Nog drie dagen bracht de _Arla_ door op de kust, en nog drie avonden dronken de scheeps-officieren overvloedig koude thee, terwijl ze Bertie de wacht lieten houden. Zij wisten dat ze op hem konden rekenen, en hij zelf wist even zeker dat hij, als hij nog leefde, hun liederlijk gedrag aan kapitein Maloe zou rapporteeren. Daarna liet de _Arla_ het anker vallen voor de Reminge-plantage, op Goeadalcanar, en Bertie stapte met een zucht van verlichting op het strand, waar hij werd verwelkomd door den administrateur. Mijnheer Harriwell was klaar voor hem.
"Nu moet u niet schrikken als er een paar van ons een beetje neerslachtig lijken", zei mijnheer Harriwell, hem even in vertrouwen apart nemend. "Er wordt gepraat over een uitbarsting, en ik geef toe dat er een paar verdachte teekenen zijn, maar voor mezelf geloof ik dat het allemaal poppenkast is."
"Hoe--hoeveel zwarten hebt u hier op de plantage?" vroeg Bertie, en alle moed ontzonk hem.
"Op het oogenblik werken we met vierhonderd man", antwoordde mijnheer Harriwell opgewekt; "maar we zijn hier met z'n drieën, en met u, natuurlijk, en den schipper en den stuurman van de _Arla_ kunnen we ze gemakkelijk hanteeren."
Bertie draaide zich om om kennis te maken met een zekeren McTavish, den magazijnmeester, die nauwelijks notitie van hem nam, zóó verlangend was hij om zijn ontslag in te dienen.
"Omdat ik een getrouwd man ben, mijnheer Harriwell, kan ik me eigenlijk niet permitteeren nog langer te blijven. Er broeit iets, zoo zeker als er een neus op uw gezicht staat. De nikkers staan op springen, en dan krijgen we hier nieuwe Hohono gruwelen."
"Wat zijn Hohono gruwelen?" vroeg Bertie, nadat de magazijnmeester overreed was om nog tot het eind van de maand te blijven.
"O, hij bedoelt de Hohono-plantage, op Isabella", zei de administrateur. "De nikkers hebben daar de vijf blanken vermoord, den schoener buit gemaakt, kapitein en stuurman doodgeslagen, en zijn toen met z'n allen ontsnapt naar Malaita. Maar ik heb altijd gezegd dat ze op Hohono niet voorzichtig waren. _Hier_ zullen ze ons niet in den dut vinden, dat verzeker ik u. Komt u even mee, mijnheer Arkwright dan kunt u het mooie uitzicht vanaf onze veranda eens zien."
Bertie was te druk bezig met overleggen hoe hij weg zou komen naar Toelagi, naar het huis van den resident om veel van het panorama te zien. Hij overlegde nog steeds, toen er vlak bij hem, in zijn rug, een geweer knalde. Op hetzelfde oogenblik werd zijn arm bijna uit het lid gerukt, zoo heftig trok mijnheer Harriwell hem naar binnen.
"Zeg, oude jongen, dat scheelde een haartje", zei de administrateur, en hij betastte hem overal om te zien, of hij ook getroffen was. "Ik kan je niet zeggen hoe me dat spijt. Maar het was klaarlichte dag, en ik dacht er zelfs niet aan."
Bertie begon bleek te worden.
"Op die manier hebben ze den vorigen administrateur ook gekregen", betuigde McTavish. "En een allemachtige flinke kerel was dat. Zijn hersens vlogen over de heele veranda. Hebt u die donkere vlek niet gezien daar, tusschen de trappen en de deur?"
Bertie was rijp voor den cocktail die mijnheer Harriwell voorstelde en voor hem klaar maakte; maar vóórdat hij er nog van kon drinken, kwam er een man in rijbroek met puttees binnen.
"Wat zal't nu weer zijn", vroeg de administrateur na een blik op het gezicht van den nieuwen acteur in de komedie. "Is de rivier weer gestegen?"
"Verrek met je rivier--'t zijn de nikkers. Stapte pardoes uit het bamboe, geen tien voet van me af, en pafte op me. Het was een Snider, en hij schoot vanaf de heup. Nu wou ik wel eens weten waar hij dien Snider vandaan heeft gehaald. O, neemt u me niet kwalijk. Aangenaam, mijnheer Arkwright."
"Mijnheer Brown is mijn assistent", legde mijnheer Harriwell uit. "En laten we nu die cocktail nemen."
"Maar waar heeft hij dien Snider vandaan?" hield mijnheer Brown aan. "Ik heb er altijd tegen gesputterd dat die geweren op het erf bewaard werden."
"Ze zijn er nog altijd", zei mijnheer Harriwell, een beetje geraakt.
Mijnheer Brown glimlachte ongeloovig.
"Ga mee kijken", zei de administrateur.
Bertie sloot zich aan bij den optocht die naar het kantoortje ging, alwaar mijnheer Harriwell zegevierend wees naar een groote pakkist in een stoffigen hoek.
"Goed, maar waar haalt de kerel dan dien Snider vandaan?" zaagde mijnheer Brown.
Maar op dat oogenblik lichtte McTavish de kist op. De administrateur schrok, rukte toen het deksel er af. De kist was leeg. Ze staarden elkaar aan in een vreeselijk zwijgen. Harriwell liet vermoeid zijn hoofd hangen.
Toen begon McTavish te vloeken.
"Wat ik altijd beweerd heb, de huisjongens zijn niet te vertrouwen."
"Ik moet zeggen, het ziet er ernstig uit," gaf Harriwell toe, "maar we zullen er wel door heen komen. De bloeddorstige heeren moeten eens door elkaar gerammeld worden, dat hebben ze noodig. Wilt u misschien zoo goed zijn, heeren, en uw geweren meebrengen aan tafel, en wilt u, mijnheer Brown, misschien een veertig of vijftig staven dynamiet klaar maken? Maak de lonten goed kort. We zullen ze een lesje geven. En nu, heeren, het diner is klaar."
Er was één ding dat Bertie verfoeide, en dat was rijst met kerrie, dus zoo gebeurde het dat hij alleen deel had aan een verleidelijke omelet. Hij had zijn bord heelemaal leeg, toen Harriwell zich van de omelet bediende. Eén mondvol proefde hij, toen spuwde hij het uit met veel misbaar.
"Dat is de tweede keer", verkondigde McTavish onheilspellend. Harriwell zat nog steeds te rochelen en te spuwen.
"Tweede keer wat?" bibberde Bertie.
"Vergif", was het antwoord. "Die kok zal nog eens opgehangen worden."
"Op die manier is de boekhouder op Cape Marsh er tusschen uit getrokken," deed Brown zich hooren. "Een vreeselijken dood gestorven. Aan boord van de _Jessie_ zeiden ze dat ze hem drie mijlen ver hadden hooren schreeuwen."
"Ik zal den kok in de boeien laten slaan", proestte Harriwell. "Gelukkig dat we het op tijd ontdekt hebben."
Bertie zat daar als verlamd. Er was geen kleur in zijn gezicht. Hij trachtte te spreken, maar het resultaat was slechts een onduidelijk gorgelen. Allen keken hem angstig aan.
"Zeg het niet, kerel, zeg het niet!" schreeuwde McTavish, in hevige spanning.
"Ja, ik heb er van gegeten, een heele boel, een heel bord vol!" barstte Bertie uit, en hij haalde ineens weer diep adem, als een duiker die boven water komt.
Het afschuwelijk zwijgen duurde een oogenblik voort, en hij las zijn noodlot in hun oogen.
"Misschien was het toch geen vergif, après tout," zei Harriwell somber.
"Roep den kok", zei Brown.
Binnen trad de kok, een grijnzend zwartje, met pennen door zijn neus en gaten in zijn ooren.
"Hier, jij, Wi-wi, wat naam dat?" loeide Harriwell, en hij wees beschuldigend naar de omelet. De angst en de wanhoop van Wi-wi waren bijzonder natuurlijk.
"Hem goed kai-kai", mompelde hij afwerend.
"Laat het hem opeten", stelde McTavish voor. "Dat is het beste bewijs."
Harriwell vulde een lepel met het goedje en sprong naar den kok, die doodelijk verschrikt wegvluchtte.
"Dat beslist alles", was Brown's plechtige uitspraak. "Hij wil het niet eten."
"Mijnheer Brown wilt u hem misschien even in de boeien slaan?" Harriwell wendde zich opgewekt tot Bertie. "Het is in orde, oude jongen, hij zal met den resident te doen krijgen, en als jij dood gaat, zal hij hangen, hoor, daar kan je van op aan."
"Ik geloof niet dat het gouvernement dat doen zal", wierp McTavish tegen.
"Maar heeren, heeren toch!" riep Bertie. "Denk ondertusschen eens aan mij."
Harriwell haalde medelijdend zijn schouders op.
"Spijt me, beste kerel, maar het is een inlandsen vergif, en daar is geen tegengif voor bekend. Tracht je er in te schikken, en als--"
Twee geweerschoten van buiten onderbraken het gesprek, en Brown kwam binnen, laadde zijn geweer opnieuw, en ging aan tafel zitten.
"De kok is dood", zei hij. "Koorts. Tamelijk plotselinge aanval."
"Ik was juist bezig mijnheer Arkwright te vertellen dat er voor inlandsche vergiften geen tegengif bestaat--"
"Behalve jenever", zei Brown.
Harriwell schold zich uit voor een imbecielen idioot en rende weg om de jeneverflesch te halen.
"Puur, man, puur", raadde hij Bertie, die een groot glas voor twee derden gevuld met het bijtend goedje onvermengd naar binnen slokte, en zat te hoesten en te kuchen tot de tranen hem langs de wangen liepen.
Harriwell voelde zijn pols en nam zijn temperatuur op, en twijfelde weer of de omelet wel vergiftigd was geweest. Brown en McTavish twijfelden ook, maar Bertie onderscheidde een onoprechten klank in hun stemmen. Zijn eetlust was weg, en hij voelde stilletjes zijn pols onder de tafel. Het viel niet te ontkennen, dat die sneller werd, maar hij dacht er niet aan dat toe te schrijven aan den jenever dien hij gedronken had. McTavish, geweer in de hand, ging naar buiten om eens poolshoogte te nemen.
"Ze komen in troepen bij elkaar bij de keuken", was zijn verslag. "En ze hebben bende's Sniders. Mijn idee is er om heen te trekken en ze van den anderen kant in de flank aan te vallen. Den eersten klap geven, zie je. Ga je mee, Brown?"
Harriwell at rustig door, terwijl Bertie ontdekte dat zijn pols vijf slagen toegenomen was. Niettemin sprong hij tegen wil en dank overeind toen de geweren begonnen te knallen. Boven de zware ontploffingen der Sniders uit hoorde men het scherpe knetteren van de Winchesters van Brown en McTavish, alles tegen een achtergrond van demonisch gegil en gekrijsch.
"Ze hebben ze op den loop", merkte Harriwell op, toen stemmen en geweerschoten wegstierven in de verte.
Nauwelijks waren Brown en McTavish terug aan tafel, toen de laatste weer even poolshoogte ging nemen.
"Ze hebben dynamiet", zei hij.
"Laten we ze dan ook met dynamiet bestoken", stelde Harriwell voor.
Ze staken elk een half dozijn staven in hun zakken, rustten zich uit met brandende sigaren, en liepen naar de deur. En juist op dat oogenblik gebeurde het. Ze gaven McTavish er later de schuld van, en hij gaf toe dat de lading wel wat sterk was geweest. Maar in ieder geval ontplofte het onder het huis, dat schuin omhoog werd gelicht, en weer terugviel op zijn fundamenten. De helft van het porselein op de tafel brak, en de achtdaagsche klok bleef stilstaan. Gillend om wraak renden de drie mannen naar buiten, den nacht in, en het bombardement begon.
Toen ze terugkwamen was er geen Bertie meer. Hij had zich weggesleept naar het kantoortje, zich daar verschanst en gebarricadeerd, en was toen neergezonken op den vloer in een van jenever doordrenkte nachtmerrie, waarin hij duizend dooden stierf terwijl de wakkere strijd rondom hem verder gevoerd werd. In den morgen, beroerd en katterig van den jenever, kroop hij naar buiten, waar hij de zon nog in de lucht vond en God naar alle waarschijnlijkheid in den hemel, want zijn gastheeren leefden nog en waren ongedeerd.
Harriwell drong er op aan dat hij nog wat zou blijven, maar Bertie stond er op onmiddelijk met de _Arla_ weg te zeilen naar Toelagi, waar hij heel dicht in de buurt van het huis van den resident bleef, totdat de volgende boot kwam. Er waren dames-touristen op het stoomschip, en Bertie was weer een held, terwijl kapitein Maloe, zooals gewoonlijk onopgemerkt bleef. Maar kapitein Maloe stuurde twee kisten met de beste Schotsche whisky die er aan de markt was, want hij was niet in staat uit te maken, wie Bertie het meest grootsche idee van het leven in de Salomon's had gegeven kapitein Hansen of mijnheer Harriwell.
HET ONVERMIJDELIJKE BLANKE RAS.
"De zwarten zullen de blanken nooit begrijpen, en de blanken de zwarten niet, zoo lang zwart zwart is en blank blank."
Zoo sprak kapitein Woodward. Wij zaten in de gelagkamer van Charley Roberts' kroeg in Apia, en dronken eindelooze Aboe Hameds, voor ons gemengd en met ons gedeeld door voornoemden Charley Roberts.
Hij beweerde dat hij het recept direct had van Steevens, bekend door het uitvinden van den Aboe Hamed in een tijd dat hij voortgejaagd werd door dorst naar den Nijl--de Steevens die "Met Kitchener naar Kartoem" op zijn geweten heeft, en die uit dit leven verdween bij het beleg van Ladysmith.
Kapitein Woodward, kort en dik, al tamelijk oud, verbrand door veertig jaren tropische zon, en met een paar oogen, zoo mooi helder bruin als ik ze nooit bij een man gezien heb, sprak uit lange ervaring.
De lidteekens die kris en kras over zijn kalen schedel liepen, spraken van een intieme bekendheid met de tomahawks van de zwartjes, en men bespeurde een soortgelijke bekendheid in twee lidteekens, voor en achter, in de rechter helft van zijn hals, waar een pijl in gedrongen en er heelemaal doorheen getrokken was. Zooals hij zelf uitlegde, hij had haast gehad bij die gelegenheid--de pijl had hem gehinderd bij het loopen--en hij voelde dat hij niet den tijd kon nemen om den kop af te breken en de schacht er uit te trekken op de manier waarop ze er in was gekomen. Op het oogenblik was hij gezagvoerder van de _Savaii_, het groote stoomschip dat in het Westen inlandsche koelies wierf voor de Duitsche plantages op Samoa.
"De meeste herrie komt van de domheid van de blanken", zei Roberts, afbrekend om een slok uit zijn glas te nemen en den Samoeeschen barjongen in vriendelijke termen te verwenschen. "Als de blanken een beetje hun best wilden doen om de werking van zwarte hersens te begrijpen, zouden de meeste moordpartijen vermeden worden."
"Ik heb er genoeg gekend die beweerden dat ze de zwarten begrepen", antwoordde kapitein Woodward, een beetje schamper, "en ik heb altijd kunnen opmerken, dat het juist die lui waren die het eerst _gekaikai'd_ (opgegeten) werden. Denk maar eens aan de zendelingen op Nieuw-Guinea en de Nieuwe Hebriden--het martelaars-eiland Erromanga en de heele rest. Denk eens aan de Oostenrijksche expeditie die in de pan gehakt is in de Salomon-eilanden, in het verwond van Goeadalcanar. En denk eens aan de kooplui zelf, met een ervaring van soms twintig jaren, die een grooten mond hadden dat geen nikker hen ooit te pakken zou krijgen; en nu versieren hun hoofden de daksparren van de kanohuizen. Je had den ouden Johnny Simons, zesentwintig jaren op de ruwe kanten van Melanesië, zwoer dat hij de nikkers op zijn duimpje kende en dat ze hem nooit zouden krijgen, en hij trok er tusschen uit in Marovo-Lagune, Nieuw-Georgië. Zijn hoofd werd afgezaagd door een zwarte vrouw en een ouden nikker met één been; het andere had hij in den bek van een haai gelaten toen hij dook naar visch die ze met dynamiet verdoofd hadden. Dan had je Billy Watts, met een vreeselijken naam als nikker-vreter, een kerel om den duivel bang te maken. Ik herinner me dat we voor Cape Little lagen, op Nieuw-Ierland, toen de nikkers een halve kist ruiltabak stalen, kostte hem zoowat drie en een halven dollar. Hij trok er op los, schoot zes nikkers dood, vernielde hun oorlogskano's, en stak twee dorpen in brand. En het was bij Cape Little, vier jaren later, dat ze hem op zijn dak kwamen, hem en een vijftig jongens van Boekoe die hij bij zich had om tripang te visschen. In vijf minuten waren ze allemaal dood, op drie jongens na die ontsnapten in een kano. Praat me niet van de nikkers begrijpen. De zending van den blanke is de wereld te ontginnen, en daar heeft hij meer dan genoeg aan. Hij heeft immers geen tijd over om de nikkers te begrijpen!"
"Zoo is het", zei Roberts. "En 't is gek, maar het lijkt eigenlijk niet eens noodig om de nikkers te begrijpen. Aan de domheid van de blanken is hun succes in het ontginnen van de wereld geëvenredigd."
"En hun succes in het brengen van de vrees voor de hel in de nikkerkoppen", flapte kapitein Woodward er uit. "Misschien heb je gelijk, Roberts. Misschien is het hun stommiteit waar ze hun succes aan te danken hebben, en een vorm van die stommiteit is zeker, dat ze niet in staat zijn de nikkers te begrijpen. Maar één ding is zeker: de blanken moeten achter de nikkers heen zitten of zij ze begrijpen of niet. Het is onvermijdelijk. Het is hun noodlot."
"En natuurlijk zijn de blanken onvermijdelijk--het is het noodlot van de nikkers", viel Roberts in. "Vertel een blanke dat er pareloesters zijn in de een of andere lagune die onveilig gemaakt door tienduizend brullende kannibalen, en hij zal er op uit trekken, heelemaal in z'n eentje, met een half dozijn Kanaka duikers en een blikken wekker als chronometer, alles als sardientjes gepakt in een handige kits van vijf ton. Fluister hem in dat er goud gevonden wordt aan de Noordpool, en datzelfde onvermijdelijke wezen met zijn blanke huid zal er meteen op af gaan, gewapend met houweel een schop, een zij spek en den nieuwsten patent goud-wasscher--en wat meer is, hij zal er komen. Geef hem de lucht dat er diamanten zijn op de wit-gloeiende wallen van de hel, en mijnheer De Blanke zal de wallen bestormen en den ouden heer Satan in eigen persoon aan het houwen en graven zetten. Dat komt er van als men dom en onvermijdelijk is."
"Maar ik vraag me af wat de zwarten wel moeten denken van die--die onvermijdelijkheid", zei ik.
Kapitein Woodward begon zachtjes te lachen. Herinnering lichtte in zijn oogen.
"Ik zit daar juist te peinzen wat de nikkers van Maloe wel hebben gedacht, en nog moeten denken, van den éénen onvermijdelijken blanke, dien we aan boord hadden toen we hun een bezoek brachten met de _Duchess_", legde hij uit.
Roberts mengde drie versche Aboe Hameds.
"Dat was twintig jaar geleden. Saxtorph heette hij. Hij was zonder eenigen twijfel de stomste kerel die ik ooit gezien heb, maar hij was onvermijdelijk als de dood. Er was maar één ding dat die kerel kon, en dat was schieten. Ik herinner me den eersten keer dat ik hem tegen het lijf liep--hier in Apia, twintig jaar geleden. Dat was vóór jouw tijd, Roberts. Ik sliep in Hollandsche Henry z'n hotel, beneden, waar nu de markt is. Ooit van hem gehoord? Hij had een aardigen duit gemaakt met wapens smokkelen voor de opstandelingen, verkocht zijn hotel, en werd precies zes weken later doodgeslagen in Sydney, bij een herrie in een kroeg.
"Maar Saxtorph. Op een nacht was ik net zoowat ingedommeld toen een paar katten concert begonnen te geven op het erf. Ik mijn bed uit en het raam omhoog, lampetkan in de hand. Maar juist op dat moment hoor ik het raam van de kamer ernaast omhoog gaan. Er vielen twee schoten en het raam ging dicht. Ik geloof niet dat ik jullie de snelheid duidelijk kan maken waarmee het gebeurde. Tien seconden op zijn hoogst. Omhoog ging het raam, pang, pang ging de revolver, en omlaag ging het raam. Wie het ook geweest was, hij had geen oogenblik gewacht om de uitwerking van zijn schoten te zien. Hij wist. Snappen jullie me?--hij _wist_. Het kattenconcert was afgeloopen, en 's morgens lagen daar de twee delinquenten, morsdood. Het was een wonder. In de eerste plaats, al het licht dat er was kwam van de sterren en Saxtorph had geschoten zonder te mikken; dan, hij had zoo gauw achter elkaar geschoten dat het een dubbele knal leek in plaats van twee afzonderlijke, en eindelijk, hij wist dat hij zijn doel had geraakt zonder er naar te kijken.
"Twee dagen later kwam hij aan boord om mij te spreken. Ik was stuurman toen, op de _Duchess_, een kolossalen schoener van honderdvijftig ton, een nikkervanger. En laat ik jullie vertellen dat nikkervangers ook nikkervangers waren in die dagen. Er waren geen gouvernements-inspecteurs, en geen gouvernements-bescherming voor ons ook. Het was ruw werk, leven tegen leven, en niets te zeggen als het met ons gedaan was, en we deden in nikkers op ieder eiland in de Zuidzee waar ze ons niet van af schopten. Nu dan, Saxtorph kwam aan boord, John Saxtorph was de naam dien hij opgaf. Hij was een klein, rossig kereltje, rossig haar, rossig gezicht, en rossige oogen ook. Hij had niets dat je trof. En van binnen was hij al even neutraal als van buiten. Hij zei dat hij dalles was en dat hij wilde monsteren. Wou kajuitsjongen zijn, kok, ladingmeester of gewoon matroos. Wist niets van al die baantjes, maar zei dat hij graag wilde leeren. Ik had hem niet noodig, maar zijn schieten had zóó'n indruk op me gemaakt, dat ik hem aannam als gewoon matroos, drie pond per maand.
"Het was waar, hij wilde graag leeren, dat moet ik zeggen. Maar hij was van nature niet in staat om iets te leeren. Hij kon net zoo min de streken van het kompas achter elkaar opdreunen als ik cocktails kan maken zooals Roberts hier. En met zijn sturen bezorgde hij me mijn eerste grijze haren. Ik durfde hem nooit alleen aan het stuurrad te laten als we voor den wind liepen in een zware zee; en vol-en-bij en scherp-bij-de-wind waren onoplosbare mysteriën. Hij kon je het verschil niet vertellen tusschen een schoot en een talie, hij kon het gewoon niet. Fokkeklauwval en kluiverval, het was allemaal hetzelfde voor hem. Zeg hem de groote schoot wat af te vieren, en voor je 't weet laat hij de piek vallen. Hij is drie keer over boord gesukkeld en hij kon niet zwemmen. Maar hij was altijd vroolijk, nooit zeeziek, en ik heb zelden iemand gezien die zóó vol goeden wil was. Mededeelzaam was hij niet. Praatte nooit over zichzelf. Zijn geschiedenis begon, voor zoover ons betrof, met den dag dat hij monsterde op de _Duchess_. Waar hij had leeren schieten weet de hemel alleen. Hij was een Yankee--zooveel wisten we wel door zijn neuzig praten. En dat was alles wat we ooit te weten zijn gekomen.
"En nu komen we tot het eigenlijke verhaal. We hadden pech gehad in de Nieuwe Hebriden: maar veertien jongens in vijf weken, en we liepen vóór den zuidoost-passaat naar de Salomon's. Malaita was toen, net als nu, goed jachtterrein, en we vielen Maloe binnen, in den noordwest-hoek. Er is daar een landrif en een buitenrif en een allemachtig lastige ankerplaats; maar we kwamen behouden binnen en lieten ons dynamiet knallen als signaal voor de nikkers om er uit te komen en zich te laten werven. Drie dagen lang kregen we geen kip. Ze kwamen bij honderden naar ons toe in hun kano's, maar ze lachten ons alleen maar uit als we hen kralen en calico en bijlen lieten zien en over de heerlijkheden van plantage-werk op Samoa spraken.
"Den vierden dag kwam er verandering. In de vijftig zwartjes teekenden en kregen hun logeerkamer in het grootruim, terwijl ze zich aan dek natuurlijk vrij mochten bewegen. En natuurlijk was dit teekenen en bloc verdacht, als je er op terug kijkt, maar toen dachten we dat het een of ander machtig opperhoofd het verbod om te teekenen had opgeheven.
"In den morgen van den vijfden dag gingen onze twee booten naar den wal, zooals gewoonlijk,--de eene om de andere te dekken, snap je, als er soms herrie mocht komen. En, zooals gewoonlijk, waren de vijftig nikkers die we aan boord hadden aan dek, lummelend, kletsend, rookend en slapend. Saxtorph en ik zelf, met nog vier andere matrozen, was alles wat er nog van ons aan boord was. De twee booten waren bemand met Gilbert-eilanders. In de eene zaten de kapitein, de ladingmeester en de werver. In de andere, die de eerste dekte en een honderd meter uit de wal lag, was de tweede stuurman. Allebei de booten waren goed bewapend, ofschoon we geen herrie verwachtten.