i. Op de requeste van Hendrick Cornelis Molenaar van Vlielandt,
Hendrik Hamel van Gorinchem en Jan Jansz. Spelt van Utrecht, met het jacht de Sperwer in den jare 1653 aan 't Quelpaarts Eijlandt verongeluckt, en den tijt van 15 jaren op Corea gedetineert geweest sijnde, versoecken de betalinge van haare gagie, gedurende de tijt van voorsz. detentie verdient, off sooveel als de vergaderingh haar daarvoor in redelijkheijdt sal staan toeteleggen, is nae voorgaende lecture van resolutie den 13 Augo 1668 [365] op gelijk subject genomen, goet gevonden dat de voorsz. drie personen, mitsgaders noch eenige andere van gelijke nature wesende, sullen werden getracteert volgens en na proportie in de voorsz. resolutie geexpresseert (Kol. Arch. no. 256).
Patriasche Missiven.
j. 5 Sept. 1670. Op de naerder informatie die UE. van de gelegentht van de Corese Eijlanden hebben becomen, hebben UE. de voorgeslagen besendingh derwaerts wel te recht naegelaten.
k. 15 Mei 1671. Volgens het bericht vant Opperhoofd en den Raet in Japan bij derselver missive van den 5 October 1669 soude Corea wel een arm lant wesen weijnich van sijn selver uijtgevende maer souden de Chinesen en Japannesen daer mettenanderen komen handelen jae dat in't voorsz. jaer over dien wegh meer als 600 picols sijde in Japan sijn aengebracht, en dat in troucque van peper, nagelen, noten, sandelhout, voort silver, gout en anders. Wij kunnen wel begrijpen dat soolang wij in Japan onse residentie en handel hebben wij onse gedachten om daer eenige negotie te stabilieren en dat om de jalousie en wantroù die de Japannesen daer uijt souden opvatten men laet noch staen het bedencken dat de Chinesen ons lichtelijck daer mede niet en souden gedogen, wel mogen uijt den sin setten, dan bij succes en veranderingh van tijden weet men niet wat daer van noch soude cunnen vallen.
III. GEGEVENS BETREFFENDE SCHEPEN.
A. HET JACHT DE SPERWER.
1. 't Jacht de Sperwer (door Mr. Pieter van Dam in zijne Beschrijvinge van de O.I. Compagnie een "pinas" genoemd), zeilde 26 April 1648 voor de Kamer Amsterdam uit Texel (Uitloopboekje, Kol. Arch. no. 4389) en kwam 28 Dec. 1648 te Batavia aan (Dagr. Bat. en Gen. Miss. 18 Jan. 1649). Bij Res. 6 Febr. 1649 werd de Sperwer naar Amboina bestemd; ging 28 Februari daarheen (Instructie en Seijlaets order 27 Febr. 1649 in Kol. Arch. no. 776); na lang op zich te hebben laten wachten (zie Res. 19 Mei 1649 en Miss. Bat. Regeering naar Taijoan dd. 11 Juni 1649) den 29 Mei 1649 te Batavia teruggekeerd (Miss. Bat. Regeering naar Amboina dd. 14 Febr. 1650); uitgezet naar Suratte (Res. 30 Juni 1649); daarheen vertrokken 13 Aug. 1649 (Instructie 12 Aug. 1649); 14 Juni 1650 van daar te Batavia terug (Miss. Bat. Regeering naar Suratte dd. ulto Aug. 1650); vertrekt 30 Juli 1650 naar Choromandel, Malabar en Perzië (Instructie 29 Juli 1650); komt over Suratte 25 Aug. 1651 terug te Batavia (Miss. Bat. Regeering naar Perzië dd. 14 Sept. 1651); vertrekt 15 Sept. 1651 naar Perzië; komt 12 Nov. 1652 van daar terug te Batavia; wordt bij Res. 15 Nov. 1652 bij provisie aangelegd naar de Custe Choromandel en bij Res. 29 Nov. 1652 naar Banda; vertrekt 14 Jan. 1653 (zie Dagr. Bat. bl. 4) over Japara, waar het 18 Jan. 1653 aankomt (zie Miss. Japara naar Batavia 27 Jan. 1653) en van waar het 1 Febr. 1653 de reis voortzet (zie Miss. Japara naar Batavia 2 Maart 1653) naar Banda (zie Res. 18 Maart 1653) en komt, over Amboijna, 16 Mei 1653 terug te Batavia (zie Dagr. Bat. bl. 65); vertrekt 18 Juni 1653 naar Taijoan; komt 16 Juli d.a.v. te Taijoan aan; vertrekt van daar 29 Juli naar Japan en vergaat 15 Aug. bij Quelpaerts-eiland.
In het vaderland is de Sperwer niet terug geweest. Door eene onjuiste lezing van den aanhef van een der gedrukte journalen (uitg.-Saagman) of door den Franschen vertaler te volgen, kwam Tiele tot de volgende aanteekening in zijn Mémoire bibliographique, bl. 274: "Parti des Pays-Bas le 10 Janvier 1653, le Yacht de Sperwer (l'Epervier) arriva le 1er Juin de la même année à Batavia." Geen Compagnie's schip is trouwens op eerstgenoemden datum uit het vaderland vertrokken noch op laatstgenoemden datum te Batavia aangekomen.
2. Seijlaas ordre voor d'Opperhoofden vant Jacht de Sperwer, waer naer hun in't zeijlen van hier naer Taijouan sullen hebben te reguleeren.
Batavias reede verlatende, sult moeten Cours nemen benoorden d'Eijlanden van Ontongh Java naer de straet Palingban, trachtende die bij oosten Lucipara in te loopen ende op't spoedichst te passeeren mitsgaders soo voorts bij oosten Poulo Linge ende Bintangh na Pulo Lauwer zeijlen, makende t'selve te verkennen ende Pulo Candor in't gesicht te loopen om des te rechter tussen Pulo Cecier de mair ende terra (mits wel uijtsiende naer de droochte die daer een weijnich besuijden omtrent middelwaters is leggende, door te seijlen, van waer de Cambodiase Champas ende Quinamse wal int gesicht sult houden, om voor de Pracels bevrijt te zijn, dan voorts Pulo Champello tracht te verkennen om vandaer Aijnam in't gesicht te loopen, vermits de stroomen door de Wester winden soo hart uijt de Golf van Conchinchina om de Oost gaen, dat daer mede door stilte, doch noch meer bij storm op de versz. Pracels getrocken zout worden, zoo godt betert ao 1634 in Julio aen Grootenbroeck is gebleecken [366].
Aijnam gepasseert zijnde is t best ruijme zee te houden om door beloop van eenich onweer op geen lager wal beset te worden, alsoo de gemte. tuffons [367] gemeenlick met uijtschietende winden comen, zulcx dat het seer schadelick is bij storm de wal ofte anckerplaets te soecken als aen Buiren, Bommel, Goa ende Bleijswijck ao 1634 mede is gebleecken [368], die onder Sanchoan voor 3. anckers een musquet-schoot van lant op 9 vadem geset leggende van de Opperwal afgedreven zijn, hun ankers verliesende ende duijsent prijckel uijtstaende. De Portugesen die met haer costelicke navetten van Macauw op Japan hebben gevaren, hielden in storm al ruijme zee, soo oock dede de Manijlas vaerders, als naer Macao quamen, daer hun door ervarentheijt best bij bevonden. Hoe Vl. vorders hebben te gedragen zoo int Cours stellen als om de Piscadores ende Taijouan bequaemst aen te soecken mitsgaders binnen desselfs canael te seijlen, wert bij nevensgaende Instructie vanden piloot-maijoor Frans Visser als de vordere geconcipieerde ordre, ende seijnbrief aengewesen, die wij Vl.s bevelen wel te examineeren ende na vermogen t'achtervolgen.......
Alsoo rechte voort seijlveerdich zijt leggende, soo sult op morgen vroech naer gedaene monsteringe u ancker lichten, ende in godes naem in zee steecken, om uwe reijs volgens de bovengesze. zeijlaas ordre naer Taijouan te bevorderen.
Alsoo uijt d'advijsen onser Hrn Principale ons aengekundicht sij dat wederom met de Portugees, ende Engelse regeeringe in openbaren oorloge vervallen sijn, zoo sult geduijrich op hoede sijn, om van deselve niet overrompelt nochte door vreemde teijkenen niet misleijt en werde, maer bij rescontre deselve vijantl: aentasten, soo doenlick overmeesteren ende alhier ofte naer andere Comp.es comptoiren daer oordeelen sult meest verseeckert te sijn, opbrengen; bij overwinninge, zult u wel vande gevangens verseeckeren, de goederen ende ingeladen coopmanschappen in goede bewaringe houden, de luijcken versegelen, ofte naer gelegentheijt van saecken het cargasoen overnemen, maer insonderheijt sult u hebben te wachten van alle onbehoorlicke plunderagie dat u ten hoogsten gerecommandeert blijft alsoo het selve voor onsen raet sult moeten verantwoorden. Voorts blijft u de goede zorge over de scheeps regieringe ende de goede mesnagie over de provisien te houden, bevolen, als mede de administratie van Justitie over de quaetdoenders, conform den generalen articulbrief waer in met kennisse van raade naer gelegentheijt van saecken sult hebben te handelen. Hier mede wensen uls met het gantse scheepsvolck een behouden varen, ende beveelen gesamentl: inde bescherminge des Alderhoogsten die u ter gedestineerde plaetse geleijde.
In't Gasteel Batavia desen 15 Junij 1653. Onder stont Ter ordinans: van haer Eds ende was geteeckent Adriaen Willeboorts Secretaris.
3. Naer dat op den 18en Junij passado van VE.des mijn affscheijt becomen hadde, hebben wij ons met 't Jacht den Sperwer (inde naame Godes) omtrent de middach onder zeijl begeven om onse reijse naer Taijouan te vervorderen, alwaer op den 16en Julij tegen den middach, buijten op de Zuijder rheede van Taijouans Canael (Godt loff) geluckelijck quamen te arriveren, hebbende enpassant alleen aengedaen Poulo Auwer, alwaer in der ijll onse vaeten vol water haelden, soodat daer mede eenen halven dach 'tsoeck brachten, zonder meer. Wij hebben geduijrende onse reijse zeer bequaam weder aangetroffen, ende is niets verhaelens waerdich comen voor te vallen.................
Ende voor de tweede ofte laetste besendinge is mede op den 29en d.o naer Japan affgeveerdicht 't Jacht de Sperwer met een cargasoen ter montuijre van f 38819:14:15 bestaende uijt naervolgende, te weten:
20007 cattijs poetsjoek 20037 cattijs aluijn 3000 stucx elantshuijden 19952 stucx Taijouanse hertevellen 3078 stx steenbocx vellekens ende 92000 cattijs poeijersuijcker, bestaende in 400 kisten.
.... Insgelijcx zullen VEdes sien in de Resolutie van den 21en Julij wat ons gemoveert heeft 't Jacht den Sperwer in plaetse van de fluijt de Trouw derwaerts [Japan] te senden, 't welcke verhoopen bij VEdes niet qualijck sal werden genomen, alsoo 'tselve seer tijdich sal connen terugge gesonden werden, om naer Persia ofte Suratta gebruijckt te werden; derhalven hebben den E. Coijett [Opperhoofd te Nagasaki] geordonneert 't selvige voorde eerste besendinge herwaerts te demitteren....
.... Oock is op de ladinge van den Sperwer noch te cort gecomen 427 bossen rottangh.... Schipper Reijnier Egbertsen aengesproocken zijnde, zecht mede niet meer uijt 't Jacht Sluijs ontfangen te hebben, daerover op zijn arrivement uijt Japan, om reden te geven, naeder sullen aenspreecken (Miss. Gouverneur Caesar en Raad van Formosa aan de Bat. Reg. ddo 24 Oct. 1653).
4. ....tot onser alder harte leetwesen de fluijt de Smient nochte het schoone Jacht de Sperwer daer [Japan] niet is comen te verschijnen 't welck bij ons op den 29en Julij laestleden naer Jappan affgevaerdicht was met een cargasoentie van f 38819:14:15 dat seecker voor de Compe te [369] groote slaagen zijn voornamelijck t missen van soo veel trouwe dienaren ende twee soo costelijcke schepen.....Wat ongeval de Sperwer mach zijn bejegent en connen niet bevroeden; oock en hebben daar van de minste tijdinge niet becomen. Uijt Jappan werdt geschreven dat de Fluijt Campen op het noordt eijnde van Formosa een legger Battaviasche arack in zee hebben gevischt, desgelijck eenige cruijshouten met een combaers sien drijven, waar door vermoeden het van d.o Jacht moet wesen dat (godt betert) twee daagen naar desselfs vertreck van dese rede de selfde storm heeft gerescontreert als wanneer de fluijt de Trouw op t noorderrif quam te stooten ende masteloos raeckte, insgelijcx 't galjoot Ilha Formosa verdreeff en in Pehoe quam te stranden, oock onse cleene lootsboot van ondert Fort 't Canaal uijtdreeff en omtrent Lackemoij is comen te verongelucken; doch het vreemste, dat schier ons onmogelijck schijnt, is dat daarvan geen tijdinge hebben vernomen want soo het op de Formosaansche custe ofte aan't noordt eijnde van Pehouw was comen te verongelucken, ongetwijffelt wij souden daarvan contschap becomen hebben, zulcx dat niet weten wat hier van sullen presumeeren. Wij willen echter het beste verhoopen ende godt bidden dat gem.e Sperwer noch mach comen op te donderen.
.... Dit dus verre geschreven zijnde, comt op den 16en courant des naar middachs te halff tween de schipper vant Witte Paart Cornelis Lucesar.... de gemelde vrunden soo vande Gecroonde Liefde als Paert verclaaren geduerende haere reijse seer quaat weder hebben gehadt ende dat het niet vreemt zoude wesen dat gemelte Jacht lichtelijck de cust van China zal aangedaan ende aldaar reede gesocht hebben ofte anders presumeeren dat bij-gehouden heeft. Wat hier van zij is den Almogende bekent ende willen t beste hoopen. (Miss. Gouverneur en Raad van Formosa aan de Bat. Reg. ddo 17 Nov. 1653).
5. ....Integendeel hebben wij met hartelijcke droeffheijt in VE. advijsen gelesen, dat het fluijtschip de Smient en het schoone jacht de Sperwer, 't eene op de reijse van hier naer Taijoan ende 't ander tusschen Formosa ende Japan nae alle apparentie door storm sullen wesen vergaen, te meer hier noch elders geen tael noch teecken daervan vernomen wert, daerbij de E Compe behalven de scheepen, ende 't verlies van sooveel onnoosele menschen een cappitael van f 110570:11:3 te missen comt, dat al een groote bresse inde Noortse winsten maeckt, en echter, dewijle van de hant des Heeren comt, niet als met gedult te versetten is. (Miss. Reg. Bat. aan Gouvr en Raad van Formosa, ddo 20 Mei 1654).
6. Bezijden vooren geallegeerde goede tijdinge verstaan in contra tot ons herten leedwezen dat het fluijtschip de Smient van hier na Taijouan ende 't jacht de Sperwer van daer op umo Julij lestleden naer Nangasacqui gedepecheert, op het vertreck der voornoemde schepen aldaer nog niet en waren verschenen. Na de Chinese gerugten in Japan liepen, soude op 't eijlant Lamoa [aan de kust van Zuid-China, bij Swatow] een Hollands schip gesneuvelt sijn waervan seecker Hollandtse vrouw, die eertijts in Taijouan had gewoond, nevens eenige manspersonen, sonder te seggen hoeveel, gebergt waren. Verders wordt uijt Japan gerelateert dat de Opperhoofden van 't fluijtschip Campen in 't zeijlen uijt Toncquin naer Japan, omtrent de noordhoek van Formosa een legger batavishen arack hebben gevischt, ende eenige cruijshouten nevens een combaers sien drijven 't welck twee dagen nae't vertreck van de Sperwer is geweest; zijnde het denzelven storm die de Trouw (over't noorderrif stootende) mitsgaders de cleijne lootsboot ende 't gallot Ilha formosa hiervoren gementioneert, hebben aengetroffen: sulcx datwij (God beter't) het sneuvelen van de voorn, schepen niet dan al te gewis houden.
... Met het sneuvelen van voorn, twee hechte schepen comt de Comp.e f 110.570.11.3 incoops te missen, hetwelck (God Beter't) aen desen noordcant, daer ons het ongeluck meest alle jaren treft, except de schepen ende 't costelijcke volck al wederom een grooten slag sij. (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). [In Gen. Miss. 6 Febr. 1654 wordt ook weer van het verlies van de Sperwer gewag gemaakt].
7. ... gelijck mede ons ontstelt heeft het verlies van het fluijtschip Smient en t'jacht de Sperwer met haer volck en ladinge soo gemeent wort vergaen en gebleven, t'welck wederom een swaeren slach voor de Compe is, evenwel als van de machtige handt Godes comende met gedult moet opgenomen worden, t' schijnt dat wij in dat stormende vaerwater die periculen jaarlijcx onderworpen zijn en te verwachten hebben; wanneer maer de winsten daer tegens naer advenant mochten wesen, soude het buijten t'verlies van de menschen noch eenichsints troostelijck sijn. UE. worden nogmaels aengemaent doch wel te letten op de moussons en de schepen niet te laet derwaerts aff te senden, alsoo ons daer uijt groote onheijlen voortcomen. (Patr. Miss. 8 Oct. 1654).
17 Juli 1637 werd trouwens reeds van Taijoan naar Firando geschreven : "hoe noodich vereijscht wort dat de costelijcke goederen met de eerste besendinge behoort te geschieden, connen wij wel apprehenderen omme te ontgaen de stormwinden welcke de scheepen gemeenelijck tegens ulto Julio & Augustus in 't vaerwater tusschen Taijouan en Jappan subject sijn". Vgl. "in het westmousson, als het saijsoen sal weesen verloopen om van Batavia na Japan te kunnen seijlen dat is van half Augustij tot ulto Maart." (Mr. P. van Dam, Beschrijvinge, Tweede Boek, Deel 1, Cap. 21 fol. 280).
Intusschen is het fluijtschip Het Witte Paert behouden aangekomen: "Met de fluijt Witte Paert, 7 Augustus hier aengecomen, is ons wel geworden het schrijven van d'heer Gouverneur Nicolaes Verburgh gedach-teekent 19 Julij.... Wij blijven verwondert over het langh achterblijven van het laest verwachtte schip [de Sperwer]" (Nagasaki Nov. Ao 1653).
B. HET JACHT OUWERKERK.
Het schip Hollandia [370] kwam uit het vaderland den 14en Dec. 1626 te Batavia (Dagr. Bat. bl. 299) en vertrok 12 Nov. 1627 weder van daar naar Nederland (Gen. Miss. 6 Jan. 1628).
Den 3en Mei 1626 was (evenals de Hollandia onder commando van Wijbrant Schram van Enkhuizen) [371] uitgezeild het jacht Ouwerkerk (groot 50 lasten, schipper Jouke Piers) dat 18 April 1627 [372] te Batavia aankwam (Dagr. Bat.).
Onder de vlag en het commandement van Pieter Nuijts (bij Res. 30 April 1627 benoemd tot Gouverneur van Formosa), vertrokken 12 Mei 1627 van Batavia naar Taijouan, het schip Heusden en de jachten Sloten, Ouwerkerck, Queda en Cleen Heusden. (Dagr. Bat. bl. 316). Ouwerkerck kwam 23 Juni 1627 te Taijouan en had den 16en t.v. "een joncque ontrent 200 lasten groot, comende van Sangora [373] naer Cochin-China, soo de Chinesen seijden, ende in de riviere Chincheo [Amoij] thuis hoorende, met stijff 150 lasten peper ende partije nagelen geladen, aengehaelt, ontrent 70 Chinesen daer uijt gelicht ende 16 van sijn volck [onder wie de stuurman en zijn broeder] met noch 80 Chinesen daer in latende, met intentie om ons alles hier [Taijoan] ter handt te stellen; gemelte joncque is door storm van haer geraeckt ende tot op dato niet geparesseert, beduchtende verongeluckt is". (Miss. Gouvr Nuijts aan Gouvr Generaal dd. 22 Juli 1627; zie ook Miss. wd Gouvr Joannes van der Hagen dd. 29 Oct. 1627).
De jachten Slooten, Ouwerkerck, Cleijn Heusden en Queda werden 28 Juli 1627 van Taijoan uitgezonden om te kruisen op de Portugeesche navetten, welke--naar was bericht--voornemens waren van Macao naar Japan te zeilen. Bij Res. Taijoan dd. 12 Oct. 1627 werd besloten "de twee cruijssende jachten Ouwerkerck ende Cleen Heusden na de rivier van Chincheo [Amoij] te ontbieden", terwijl bij Res. Taijoan dd. 25 Oct. 1627 o.a. wordt gezegd: "alhier geen behoorlijke macht (door het verdrijven van de jachten Ouwerkerck en Cleen Heusden) en zijn hebbende". Den 29en Oct. 1627 berichtte de wd Gouvr van Taijoan naar Batavia dat "Ouwerkerck ende Cleen Heusden noch niet en sijn weder gekeert dat ons geen goet bedencken en geeft".
Blijkens Res. Taijouan 6 Nov. 1627 was het jacht Cleen Heusden toen te Taijouan terug; de Ouwerkerck is echter nooit weer terecht gekomen:
"Van Teijouhan sijn uijt cruijssen gesonden, omtrent Lamo ende Pedra Branca, de jachten Ouwerkerck, Slooten, Cleen Heusden ende Queda; maer hebben gants niet verricht, t Jacht Ouwerkerck is niet weeder gekeert; van de chineesche roovers hebben verstaen dat Ouwerkerck omtrent Maccauw des nachts door eenige Portugeesche fusten overrompelt ende verbrant is; achttien coppen souden daervan gevangen, gelijck mede t' geschut becomen hebben, sijnde t' resterende volck alt'samen verongeluckt." (Gen. Miss. 6 Jan. 1628).
"Het jacht Ouwerkerck is ontrent Maccau van 5 galliotten, daerop toegemaeckt, besprongen; het hadde boven los cruijt gestroeijt dat als sij geentert wierden in den brant werden gesteecken, daerdoor de galliotten met verlies van veel volck mosten afleggen doch den brant gedaen zijnde ende haer zelven wat gerepareert hebbende, sijn alle gelijck hem aen boort gecomen ende soo veel volcx overgesmeeten dat sij 't selve verovert souden hebben ende alsoo Sr Ketting met haer van't quartier sprack dat alreede gegeven was, is van een Portugees doorsteecken; het ander volck dit siende, sij weder om laege gesprongen en hebben het cruijt in brant gesteecken soo datter seer veel Portugijsen sijn gebleven ende evenwel noch tusschen 20-30 duijtschen in Maccau gevangen gebracht. Dus vertellen't de Poortugijsen; naer ick kan bemercken is 't Jacht tegens eenich riff comen vast te sitten; sij hebben naer 't jacht verbrandt was noch eenige stucken geschuts met duijckers daerwt becoomen soo dat Jan gadt niet weijnigh roncqueert". (Miss. Opperhoofd Firando dd. 12 Aug. 1628; Vgl. ook Dagr. Bat. 1628, bl. 389).
Gouvr Pieter Nuijts (24 juli 1627 van Taijoan naar Japan vertrokken en 3 Dec. 1627 van daar naar Taijoan teruggekeerd) schreef 16 Juni 1628 van de Stad Zeelandia aan Sr Nijenrode, Opperhoofd te Firando: "'t Jacht Ouwerkerck met Sr Nicolaas Ketting is in een rivier verbrant en't volck in Macao gevangen, zulks dat als wij met Woerden op den 20en dag na het vertrek van costi hier quamen te arriveeren, een zeer desolaten stand en plaetze zonder eenige navale macht vonden". (Valentijn IV, 2e stuk, 4e boek, 4e hoofdst., bl. 52. Vgl. ook Dagr. Bat. 1 Juni 1628, bl. 334 en 389).
.... weshalven de schepen die van Taijouan nae Macao ordonneert, wel op hoede dienen te wezen, opdat geen affront incurreren off door branders g'abordeert worden, gelijck Ouwerkerck ao 1627 overvallen ende vernielt wierde (Miss. Regeering Batavia naar Taijoan dd. 2 Aug. 1641) [374].
"Sr Melchior van Santvoort [een vrij handelaar te Nagasaki] heeft desen nevensgaende brieff aen mij gesonden; is hem secretelijck behandicht door een Portugees van Maccou; daer wert seer ernstelijck antwoort van Sr van Santvoort geeijst; 't is [n.l. de schrijver van den brief] een man van 't jacht Ouwerkerck, soo do Portugees weet te seggen". (Miss. Firando dd. 16 Nov. 1631 aan d'E Willem Jansen. Kol. Arch. no. 11722) [375].
Onder de 47 Hollanders die werden uitgewisseld tegen Portugeesche gevangenen en 21 Mei 1632 met het schip Buren van Makasar te Batavia werden aangebracht (Gen. Miss. 1 Dec. 1632 en Miss. aan de Kamer Hoorn van denzelfden datum, Kol. Arch. No. 759) zullen ook opvarenden van de Ouwerkerck zijn geweest. (Vgl.: Dagr. Bat. 1631, bl. 13 en "'t Is seecker, naer dat wij uijt d'onse verstaen die in Maccao hebben gevangen geseten". (Instructie voor Gouverneur Hans Putmans dd. Batavia ulto Mei 1633. Kol. Arch. VV, I).
C. HET QUELPAERT DE BRACK
17 Jan. 1640 uitgevaren (Uitloopboekje Kol. Arch. no. 4389); 30 Juli 1640 te Batavia aangekomen (Gen. Miss. 9 Sept. 1640); bij Res. 30 Juli en 1 Aug. 1640 bestemd voor Malacca; 5 Aug. 1640 naar Malacca. (Berigten Hist. Gen. VII (1859) bl. 29); 28 Sept. 1640 terug te Batavia (Dagr. Bat. bl. 36); 12 Oct. 1640 naar Malacca (D.B. bl. 55); 9 Nov. 1640 van daar naar Batavia (D.B. bl. 121); 17 Nov. 1640 terug te Batavia (Res. 19 Nov. 1640 en D.B. bl. 68); 1 Dec. 1640 naar Malacca (Gen. Miss. 8 Jan. 1641 en D.B. bl. 106); vóór 31 Jan. 1641 terug te Batavia (G.M. 31 Jan. 1641, vgl. D.B. bl. 165); 4 April 1641 naar Bantam (Miss. Batavia naar Bantam dd. 3 April 1641 en Dagr. Bat. 1641 bl. 233); 8 April 1641 terug te Batavia (Dagr. Bat. 1641, bl. 234 en Kol. Arch. no. 768); 15 Mei 1641 naar Taijoan (Gen. Miss. 12 Dec. 1641 en D.B. bl. 304); 21 Juni 1641 aangekomen te Taijoan (D.B. Dec. 1641 bl. 57); 24 Aug. 1641 zijn gaffel gebroken (Miss. Gouvr. Formosa 10 Sept. 1641); 11 Nov. 1641 uitgezonden om te kruisen omtrent Tonkin (D.B. 1642 bl. 124); 13 Maart 1642 terug te Batavia (D.B. bl. 124 en Gen. Miss. 12 Dec. 1642); 7 Mei 1642 over Quinam naar Taijoan (Verbael uijt d'advijsen van verscheijde quartieren gehouden bij den E. Justus Schouten en D.B. bl. 146); 3 Aug. 1642 te Taijoan aangekomen (Rapport Johan van Lingen); 11 Sept. 1642 naar Japan (Miss. Taijoan naar Batavia 5 Oct. 1642); 12 Oct. 1642 aangekomen te Nagasaki (Dagr. Jap.); 29 Oct. 1642 vertrokken van Nagasaki (D.J.); 7 Nov. 1642 terug te Taijoan; 19 Dec. 1642 naar Pangsoija op Formosa gesonden (Instructie voor den veltoverste Johannes Lamotius en Res. Zeelandia 18 Dec. 1642); 8 Jan. 1643 terug te Taijoan (Res. Zeelandia van dien datum); 21 Maart 1643 naar Toroboan op Formosa gezonden (Miss. Taijoan naar Batavia 15 Oct. 1643); 17 Mei 1643 terug te Taijoan (Id.); 24 Mei 1643 gezonden om te kruisen op Chineesche jonken (Id.); 28 Juni 1643 bezuiden Formosa (Dagr. Jan van Elseracq in 't jacht Lillo 29 Juni 1643); 24 Juli 1643 terug te Taijoan (Id.); 18 Oct. 1643 gezonden naar de Pescadores (Miss. Taijoan naar Batavia 17 Oct. 1643); 26 Oct. 1643 terug te Taijoan (Dagr. Zeelandia); 10 Nov. 1643 gezonden naar de Pescadores (D. Zeelandia); 9 Dec. 1643 naar Batavia gelargeert (Miss. Taijoan naar Batavia van dien datum); 29 Dec. 1643 aangekomen te Batavia (Gen. Miss. 4 Jan. 1644); 30 Jan. 1644 naar het Zuidland (Heeres, Appendix L. bl. 149); 22 Febr. 1644 bij Amboina (Id. bl. 117, Dagr. Bat. 1644 bl. 84); 27 Febr. 1644 uijt Banda genavigeert (Gen. Miss. 23 Dec. 1644); Aug. 1644 terug te Batavia (Heeres, a. v. bl. 117); 11 Oct. 1644 naar Coromandel; 22 Dec. 1644 op de Coromandelse Cust (Lijst navale macht); 12 Juli 1645 op de Custe Coromandel (Id.); 17 Dec. 1645 in Bengalen (Id.); 15 Jan. 1647 naar Bengalen (Id.); 18 Maart 1647 op de Custe Coromandel, Bengale en Pegu (Id.); 14 April 1647 a.v. (Id.). Op de lijst van de navale macht der Compagnie in Indië van 31 Dec. 1647, komt "de Bracq" niet meer voor; uit den brief van de Bat. Reg. naar Coromandel ddo 10 Aug. 1648 blijkt dat dit "gaillot" in de rivier de Ganges is "gesneuveld."
Patriasche Missive, 8 Dec, 1639.
Dese gaet met de schepen Sutphen, Amboina, 't jacht Ackersloot, ende het Quel de Brack van Enckhuysen gaende, op hebbende twaelff man, en gesonden wert omme een proeve daer van te nemen off soodanigh vaertuijgh de Compe op eenige vaerwaters dienstich is, en men soude mogen continueren jaarlijcx van hier soodanigen Quel te senden, waerop 't sijner tijd UE. advijs verwachten sullen.
Generale Missive, 9 Sept. 1640.
'tGaljot 't Quelpeert heeft nevens de groote schepen zee gebouwt, zal goeden dienst op 't Canael van Taijoan doen, weshalven versoecken noch twee ofte drie gelijcke maar niet van cleender charter, omme te meer goederen door 't Canael aen de schepen die onder 't noorderrif liggen, te connen brengen.
Patriasche Missive, 15 Maart 1641.
Aangaende het senden van noch 2 of 3 Quelpaerden en 3 off 4 Fregats als de Lieffde, sullen d'eerste aenstaende equippagie UE. petitie sien te voldoen.
Missiven Batavia naar Taijoan.
14 Mei 1641.
t'Quelpeert de Brack senden om op 't Canael te gebruijcken, daertoe als andere diensten 't selve gantsch bequaem oordeelen....
In Compe van aengetogen Orangienboom, Roch ende 't Quelpeert vertreckt den Oppercoopman Carel Hartsing....
Dese meer aengetogen twee fluijtschepen met 40 ende t'Quelpeert met 12 coppen, gaen geprovideert voor 12 maenden.
11 Juni 1641.
...de fluijten Rogh ende Orangienboom nevens het galjot t' Quelpeert op 15 der voorleden maent uijt dese reede geseijlt...
...Orangienboom ende t' Quelpeert destineren tot verblijff in T'aijouan, bij aldien den Raedt aldaer oordeelen 't selve noodigh te wesen.
Missive Batavia naar Japan, 2 Aug. 1641.
...met hope (hoewel laet in den tijt is) sulcx per 't Jacht 't Quelpaert, 't welck jongst uijt Nederlandt geseijlt, ende tot dat stormich vaerwater bequaem oordeelen, gevoechlijck geschieden can...
...Ondertusschen sal UE. meer aengetogen Quelpaert in Japan aengelandt sijnde, op stondt met Uwe advijsen van den standt derwaerts over (daer nae op 't hoochste verlangen) nae Taijouan largeeren ende laten ons verstaen, als hebben geseijt, dit vaertuijgh t'allen tijden van 't jaer van ende uijt Japan nae Formosa de reijse sal gewinnen, dat ondersocht dient, sijnde onsen staet daeraen ten hoochsten gelegen, soo verhopen oock op ons schrijven ende versoeck d'aenstaende jaer uijt Nederlandt met twee à drie quellen versien te werden.
Missive Batavia naar Taijoan, 2 Aug. 1641.
Wij blijven van opinie 't Quelpeert tot de Japanse voijagie bequaem zij ende de reijse wel sal gewinnen, alwaert oock vrij laet, selffs bij contrarie mousson.
Missive Taijoan naar Japan. Zeelandia, 10 Sept. 1641.
... Soo als voorsz. vloote bestaande in't Jacht den Kivith, de Fluijt Castricum, 't galjot 't Quelpaert, d'Jonck Quelangh, onse groote lootsboot ende twaelff Chinese handelsjoncken op 24 der maent Augustij des morgens sijnde moij ende lieffelijck weder, als gesecht van hier nae Tamsuij omme ons g'intendeert desseijn met de hulpe van Godt almachtigh uijt te wercken ... aen boort gecomen waren, is schielijck soodanigen onweer met harde regen ontstaan dat de Chinese champans daer mede wij aen boort gecomen waren in den grondt geraeckt zijn, het Quelpaert sijn gaffel gebroocken ende wij genootsaact waren met groot perijckel pr de groote lootsboot wederom, sonder ons goet voornemen noch geheel verricht te hebben, nevens voorsz. Quelpaert binnen aen't Casteel te comen.
Missiven Batavia naar Taijouan.
16 April 1642.
13 Meert...ons geworden door den Coopman Jacob van Liesvelt, alhier onverrichter saecke off sonder buijt met den Kievith, Quel ende Kelang verschenen.
... onderwijle sijn geresolveert vooraff ende uijtterlijck 8 ofte 10 dagen na desen de Capn Jan van Linga ende Coopman Liesvelt ... pr de jachten Kievith, Wakende boeij, Quelpeert ende de fluijt Meerman nae Quinangh's bocht aff te senden.
28 Juni 1642.
In conformité van ons pre-advijs pr de Cappelle sijn den 7en Meij uijt dese reede...na de bocht van Quinangh vertrocken den Kievith, Meerman, Wakende boeij, Nachtegael ende t' Quelpeert.
Missive Taijoan naar Japan, 11 Sept. 1642.
... vertrouwende niet jegenstaende het laet int mousson is, dit Quelpaert Brack dat wel beseijlt is ende rustich gemant hebben, de reijse met Godes hulpe wel sal gewinnen, dat ons t'sijnder tijt te vernemen lieff wert sijn.
Missiven Taijoan naar Batavia. 5 Oct. 1642.
Soo ist dat wij den Raadt...op 11en September passado in consideratie gaven ofte men niet en behoorde 't Quelpaert dat wel beseijlt ende wederom gerepareert was met voorsz. goede novos op hoope dat den Japander ons daardoor wellichtelijck met meerder vrijheijt in den handel als andersints mochten comen te verleenen, ofte wel ijets anders goets in Comps affairen veroorsaecken.....Resolveerden den 11en September voornoemt dito Quelpaerdt wel gemandt dienselven dach te laten reijs voirderen, gelijck geschiet is; Godt geve ende verleene hem behouden reijse, waer aen niet dubiteren alsoo seedert sijn vertreck alhier veele zuijdelijcke winden hebben gewaeijt.
11 Oct. 1642.
't Quelpaert was in Japan noch niet aengelandt, met den naesten willen wij het behouden vaeren desselffs door Godes hulpe tegemoet sien.
Dagregister Japan.
1642. 11 October....tegen den avont bequamen tijdinge dat een hollants schip buijtengaats gesien wierde, ontrent de middernacht wierden door den Gouverneur verwitticht dat een schip voort gadt van de baije was, dat twee Hollanders met twee tolcken wel derwaerts mochten laten gaen, 't welck terstont achtervolcht is geworden.
12 do. bequamen tijdinge van de tolcken die een weijnich naar middernacht weder van boort quamen en onse nederlanders daar gelaten hadden, dat een vaertuijgh van advijs alleen was, inhebbende niet meer als 34 canassers bogij zijde en 4 kassen met pangsis, en dat het principaelste was de fortresse Quelangh op 't noord eijnde van Formosa gelegen, bij d'onse door Godes zegen de Castilianen ontweldicht ende onder onsen staet en gehoorsaemheijt was gebracht. Op de namiddagh quam voorn, vaertuijgh wesende het Quelpaert de Brack op de reede tot voor de stadt en bequamen de Hollantsche brieven, daardoor van de gelegentheijt van 't overgaen van Quelangh breeder onderrichtinge bequamen.
13en do. is het Quelpaert gelost...de coopmanschappen van 't Quelpaert voornoempt hebben voor de hand gebracht en in behoorlijcke partijen gesorteerd....
14en do., opheeden de goederen met 't Quelpaert aangecomen op gewoonelijcke wijse laten besichtigen voor den middagh en terstont na den eeten tot goeden prijse vercocht en metterhaest zonder vertoeven al op stont uijtgelevert.
27en do. gelaste den Gouverneur Sabroseijmondonne, alsoo nieusgierigh was, dat men 't Quel de Brack eens souden laeten onder zeijl comen en gins ende weder laveeren, dicht bij de wint daar de Japanders zeer in verwondert waren; ondertusschen wert het laeste goet aan boort gebracht.
29en do. des morgens naedat afscheijt van de tolcken en huijswaerden als andere bekende vrunden genomen hadde, zijn geinbercqueert en nevens de bongcoijs aan 't fluijtschip de Zaijer en de Brack gevaeren, omme aldaer het volck te tellen, naar gewoonte te visiteeren en ons afscheijt te geven; den Almogende geve spoedigh ter gedestineerde plaetze in salvo mogen arriveeren Amen.
29 October. Op heden is den E. Jan van Elseracq gewesen Opperhooft over 's Compagnies's gansenen ommeslach alhier met het fluijtschip de Zaijer bij sich hebbende het galioot 't Quel de Brack van hier naar Taijouan vertrokken.
Missive Taijoan naar Batavia, 16 Nov. 1642.
...Soo paresseert op 6en deser alhier Godt sij gedanckt met 't fluijtschip den Zaijer (inhebbende in comptanten ende andere coopmanschappen een cargasoen ter monture van f 311016.11.14) de oppercoopman Jan van Elseracq uijt Japan, ons rapporteerende hoe op 29en October uijt Nangasacquij in Compe van 't Quelpaert de Brack (dat aldaer den 12en October passado behouden was aengelandt) waeren gescheijden, doch dat in zee daer van door hardt weer was geraeckt ende vertrouwende een dach ofte twee daer aen hier te verschijnen stonde, gelijck oock den 7en dito hier arriveerden. T'cargasoen dat daer mede van hier derwaerts geschickt was, hadde wel gerespondeert, ende was daerop noch f 13919.19 geprofiteert, 't welck voortreffelijcke winsten sijn...De besendinge van voorsz. galjot heeft niet alleen dese proffijten bevaeren maer heeft oock de novos van Quelangh's bemachtinge aldaer gebracht, veel goets (soo ons den E. Elseracq voornt relateert) int bevoirderen van Comps saecken veroorsaeckt, sijnde de Japanders soo hun thoonden, ten hoochsten over dese victorie verheucht.
Generale Missive, 12 Dec. 1642.
Omme d'overwinningh der Castiliaense vestingh op Kelangh de Japanse Regenten te cundigen, alsoo seecker g'opineert wert, 't selve den Keijser soude aengenaem wesen, is den 11en September passado van Taijouan nae Nangasacqui affgesonden 't Quel de Brack...; met de jonghste advijsen uijt Japan sijnde 10 October wierd d' Quel daer noch niet vernomen, vertrouwen cort daer aen, ende voor den Oppercoopman Elseracq vertreck dat ulto do soude sijn, geparesseert sal wesen ende verhoopen met die van Taijouan, als geseijt, het den Japanderen een aengename tijdingh wesen sal, alsoo op den Castiliaen ende Portugees seer verbittert sijn.....
Soo desen voornamen aff te brecken, verschijnt alhier den 8en deser uijt Taijouan t' Jacht Ackerslooth 16 passado van daer gescheijden met t'Opperhooft van Comps Commercie in Japan Johan van Elseracq, den 29en October met den Saijer ende t'Quel de Brack uijt Nangasackqijs baij vertrocken, den 6en en 7en November salvo in Taijouan aengelandt, medebrengende ten principalen in silver een retour van f 311016.11.14--den 12en October arriveerde t'Quel in Japan, zijnde een maent op den wegen geweest dat in die tijt cort geseijlt is; de veroveringh van Kelangh scheen de Regenten van Nangasacqui ten hoogsten aengenaem, sulx oock dat den Gouvr Sabroseijmondonne, nae sich wel g'informeert hadde, twee dagen nae t'galjots arrivement de Rijx-Raden in Jedo pr expresse de gemelte veroveringh dede aencundigen ende wort te meer estime van ons gemaekt, soo dat besluijten de dempingh der Spangeaarden hun ten hoogsten aengenaem zij.
Instructie voor den veltoversten Johannes Lamotius.
... Op morgen vrough sal VE. sich met de voorgementioneerte macht in de jachten Wakende Boeij, Nachtegael, t' Quelpaert de Brack ende groote lootsboot onder seijl begeven ... naar Panghsoija [op Formosa]. (Zeelandia, 18 Dec. 1642).
Resolutie Zeelandia, 8 Jan. 1643.
... den E. veltoverste Johannes Lamotius met de bijhebbende crijgsmacht op 3en stantij ... (na verrichtinge sijner saecke...) alhier wederom geretourneert.... [376]
Missiven Taijoan naar Batavia.
15 Oct. 1643.
Naer dat den Capiteijn Boon met drie joncquen, 't Quel de Brack ende de groote lootsboot ... den 21en Meert verleden van hier over Tamsuij ende Quelangh naer Taroboan tot 't opsoecken van de lange geruchte goutmijnne uijtgeset hadden....
De gemelte vaertuijgen die op de togt nae Taroboan gebruijckt waren, ons op den 17en Meij weder toegecomen....
...de Quel...welcken volgende den 24en Maeij...nae 't Noorteijnt van Formosa om geseijde joncken (van Manilha nae China tendeerende) waar te nemen, is vertrocken, den 3en Junij op sijne gedestineerde cruijsplaetse comende ...
den 24en Julij 't Quel de Brack over Quelangh geladen met smeecoolen masteloos ons weder ... toegecomen. (Ook in Gen. Miss. 22 Dec. 1643).
17 Oct. 1643.
...waarover te rade wierden ende resolveerden noch morgen met den dage het Quel de Brack ende de joncke de Hoope naar Pehouw te largeeren [waar de fluit 't Vliegende Hart op het Roovers-eiland was gesneuveld].
19 Nov. 1643.
Met t' Quel de Brack datsoo om voorsz. onse missive van de 17en October aent schip de Salamander te brengen als om't gesalveerde volck van 't verongeluckte Vliegende Hardt van't Roovers Eijlandt herwaerts te haelen, derwaerts gesonden, is ons voorsz. volck, bestaende in 32 coppen, bevoorens al met een visschersjonckje in de Pescadores gecomen sijnde, wel toegecomen.
't Quel de Brack:
18 Oct. 1643 naar de Pescadores
26 Oct. 1643 terug van de Pescadores
10 Nov. ,, vertreck van voorsz. Quel naer de Pescadores. (Dagr. Zeelandia).
11 October 1643 was "de quel" te Taijoan en verleende hulp bij het binnenkomen in het Kanaal aan de uit Japan gekomen schepen Swaen en Lillo (Dagr. Zeelandia en Miss. 19 Nov. 1643).
Missive Taijoan naar Batavia, 9 Dec. 1643.
't Quel de Brack dat vermits seer swaer ende diepgaende is ende bij de zeevaerende luijden dierhalven alhier ondienstig geoordeelt werdt, hebben soo ten aensien van sulcx als omdat seer swack is, ende alhier geenen nutten dienst meer can doen, oock naer eijsch niet en connen vertimmeren, met t' jacht de Vos nae costij gelargeert opdat aldaer nae behooren mach versien werden.
Generale Missive, 4 Jan. 1644.
Wt Kelangh over Taijouan sijn hier 29 passado verschenen 't Jacht de Vos ende 't Quel de Brack.
Missive Batavia naar Taijoan, 2 Mei 1644.
Vele van de ervarendste ende costij bedreven zeeluijden sustineren de quellen vrij dienstiger als de boots die eijscht. Wij vermercken sich op vele saken daer van geen experientie hebt, seer qualijck laet informeren ende vertrouwen; die costij tot d'equipagie wort gebruijckt cleen verstant heeft, 't blijckt daer uijt UE. ons aenschrijfft 't Quel de Bracq costij ondienstigh ende oock geheel uijtgevaren te sijn, dat hier geheel anders is bevonden en costij soo wel als hier hadde connen vertimmert worden, d'Quel is tot ontdecking van't Suijtlant vertrocken.
D. HET SCHIP DE HOND.
"De Hond" was oorspronkelijk een Engelsch schip dat 3 Jan. 1619 op de reede van Jacatra lag (J. W. IJzerman, Over de belegering van het fort Jacatra, Bijdr. Kon. Inst., deel 73, bl. 605) en 26 Juli 1619 door een Nederlandsch eskader onder Hendrik Janszoon op de reede van Patani werd veroverd, waarbij o.a. John Jourdain werd doodgeschoten (Gen. Miss. 22 Jan. 1620; The Journal of John Jourdain, Introduction LXXII en Appendix F, en Diary of Richard Cocks, II, 305).
De volgende berichten hebben betrekking op "de Hond" nadat die in onze handen was geraakt:
"Eenige.... sijn soo leck dat men se qualijck boven water can houden ende in hol water niet gebruijcken mach als namentlijck ... den Hont. (Gen. Miss. 22 Jan. 1620).
Komt 17 Maart 1620 te Jacatra (J. Psz. Coen. Uitg. H. T. Colenbrander, dl. II, 1920, bl. 663 en 665); naar Amboijna en Banda (Gen. Miss. 11 Mei 1620 en 31 Juli 1620): "Het schip de Nieuwe Maen ende de Hondt heeft sijn E. [Houtman] daer [in de Molucques] gelaeten" (G. M. 26 Oct. 1620).--"Generael Coen [is] den 24 Junij ... van Amboijna vertrocken ... 't jacht de Hondt in Amboijna latende om verdubbelt ende na Taliabo om sagu gesonden te werden" (Gen. Miss. 16 Nov. 1621).--"De Hondt wert nieuws in Amboijna verdubbelt ende is van seer cleene waerde". (Gen. Miss. 16 Nov. 1621).
In Malaijo werd 22 Sept. 1621 vastgesteld eene "Instructie voor Christiaen Franszen, Opper-Coopman gaende met het schip de Hondt naer Mindanao".--"'t Jacht de Hondt is in Mindanao geweest ... D'onse zijn van daer gekeert sonder iets te verrichten" (Gen. Miss. 6 Sept. 1622).--"Den 20en Dec. 1621 kwam Francx te Ternate terug ... Reeds den 9en Febr. 1622 vertrok Christian Francx weder met de Maan en de Hond" (Van Dijk, Neerland's vroegste betrekkingen enz. bl. 250).-- ... "de Maen ende de Hondt die d'heer Houtman van de Molluques na Cabo de Spirito Sancto gesonden heeft, met ordre dat van daer na de Custe van China loopen" (Gen. Miss. 6 Sept. 1622).--"De schepen de Maen ende den Hont welcke de Heer Houtman naer Cabo Spiritu Sancto gesonden hadde om op 't silver schip van Nova Spaignen te passen, sijn sonder ijets verricht te hebben op den hals in Japan gecomen door ouderdom ende onbequaemheijt daer aen de wal geleijt" (Gen. Miss. primo Febr. 1623).--"De twee schepen de Maen ende de Hondt door d'heer Houtman van de Moluques naer Cabo Spirito Sancto gesonden, daeromtrent in 't holle water comende, wierden soo leck dat beijde in groten noodt van sincken geraeckten ende gedwongen werden naer Firando te lopen, alwaer op de pomp wel aengecomen sijn, naerdat de Hondt op Corea gedoolt ende daer tegen 36 oorloghsjoncken geslagen hadde. Den raedt had voorgenomen dese twee schepen naar Pehou te senden, maer alsoo in de haven van Coetche aen de gront waeijden, wierd de Maan lecker en borst de Hondt, waerover beijde aldaer gesleten sijn" (Gen. Miss. 20 Juni 1623).
Uit Camps' [377] brieven van 18 Sept. en 27 Oct. 1622 blijkt dat de Hond tusschen die data is gesloopt.--"As alsoe, in the same storme [tusschen 9 en 19 Sept. 1622 O. S.] the Hollanders had other 2 shipps cast away in the roade of Cochie at Firando, the one called the Moone, a shipp of 7 or 800 tonns, and the other, the Hownd, an English shipp in tymes past". Firando 14 Nov. 1622 (Diary of Richard Cocks, II, bl. 336).
IV. AENTEECKENINGE OFTE MEMORIE VANDE GELEGENTHEIJT VAN COREA. [378]
Het landt is wel eens soo groot als Japan zijnde een groot ront Eijlant grensende ende leggende tusschen d'Eijlanden met het eene eijnde tegens China, welcke landen met een rivier ontrent een mijl breet van den andere werden gescheijden, met het ander eijnde lecht do Corea tegens Tartarien tusschen welcke landen mede een affscheijtsel van water is van ongevaerlijck 2 1/2 mijlen breet; aande Oostzijde legt het ontrent 28 a 30 mijlen van Japan.
In gemelte Corea zijn silver ende goudt mijnen doch sooberlijck, geeft mede zijde doch soo veel niet als in zich zelven noodich heeft soo dat ut China daer zijde ingevoert wert. Insonderheijt abondantie zoude aldaer te becomen sijn, t'weeten
Rijs tot Tl. 20 t'last, Cooper Cattoen ende cattoene lijnwaeten wortel Nijsen
Vuijtnemende schoone stoffen ende goude laeckenen werden daer gemaect, doch vallen seer duer.
De Coninclijke Stadt genaemt Chioor heeft een revier dewelcke van daer in zee loopt, zijnde zoo diep dat de aldergrootste scheepen daer rijckelijck uijt ende incomen connen.
De plaetse ofte hoeck van Corea naest aen Japan gelegen ende daer de Japanders haeren handel drijven is genaemt Sanckaij [379] alwaer mede een seer goede haven is, doch leggende wel 23 a 24 dagen reijsens van eenige steeden; in Sanckaij is gemaect een bemuirde wooningh inde welcke de Japanders datelijck gebracht, geslooten ende bewaert werden ende aldaer moeten verblijven zonder t'eeniger tijt daer buijten te comen tot dat haeren handel verricht hebben ende weder naer Japan keeren; desen handel van Japan op Corea is de heerlijckheijt van t'Siussima alleen ende niemant anders toegestaen denwelcken vijff groote bercken ende geen meerder in een jaer derwaerts senden mach; brengen van daer cattoen, lijwaeten, wortel nisen, valcken, tijgersvellen ende rijs, maeckende van een 3 a 4, soo dat met desen handel schoone proffijten doen ende dienvolgende in desen handel te treeden niemant gedoogen ende toelaten. Naer wij geinformeert werden zal de Compe om in dat Rijck te negotieren niet tot haer ooghwit geraecken, oorsaeck die natie een zeer cleijnhertige ende vreesachtige volck is, dewelcke sonderlingh voor vreemde natiën verschrict zijn, ten anderen alwaere het dat de occasie ende gelegentheijt presenteerde met die van Corea mondelinge gelijck het voorleeden jaer op haer naer boven ende weder beneden reijse te spreecken soo zouden de dienaers ende soldaten van d'Hr. van Zatsuma vande welcke soo nauw werden bewaert zulcx niet toelaten, Iae haer eijgen volck dewelcke in den oorlogh uijt Corea gevoert ende lange tijt in Japan gewoont hebben, door versoeck nochte bidden niet hebben connen te wege brengen haer oude kennissen ende lantsluijden eens ter spraecke comen. De Japanders hebben daer 7 jaeren lancq ongelooflijck gemoort, gebrandt ende alle tijrannij die men zoude connen bedencken, bedreven; oock komt de Tartar in harde winters wanneer door de stercke vorst het water tusschen Tartarien ende Corea niet open houden connen met zijne macht daer invallen mede voerende menschen, vee ende alles wat hij crijgen can.
Volcht hoe ende in wat maniere met wat pompe ende suite van Japanschen adel geaccompagneert wesende, de twee gesanten van Corea in Januarij binnen de Keijserlijcke Stadt Jedo gecomen, gereeden ende ontfangen zijn. [380]
Eerstelijck het spel van schermeijen, trommels, gommen ende pijpen waer achter dat volchden eenige met groote stocken als rijsstampers gaende aen weder zijde van de straeten twee ende twee besijden den anderen. Achter deselve volchde een Jongelingh te paert hebbende een groote lancije met een roode vaen in zijn handt, die aen weder zijde van 3 persoonen, ider hebbende een snoer van gout ende zilver [381] doorvlochten, vastgehouden wierde, geaccompagneert zijnde met ontrent 30 jongelingen te paert, hebbende mede ider een cleijn root vaentgen inde handt, wesende gehabiteert als de Chineesen, met een swarten hoet breet van randt ende paerts hair gemaect, op t hooft.
Daer aen volchden een palanckijn die van 50 a 60 mannen gedraegen wierde, zijnde van binnen met root fluweel gevoert, in dewelcke stonde op een taeffel een verlact doosken daerin de brieven in Coreesche caracters geschreven aenden Keijser van Japan geslooten waeren.
Dese een weijnich voorbij gepasseert zijnde quam weder een ander spel van alderleij instrumenten waer aen dat weeder een Jongelingh sittende te paert volchde, hebbende een blaeuwe vaen in zijn handt, vergezelschapt zijnde als de vorige, ider met een blaeuw vaentgen.
Waer naer volchden weder een palakijn daerin de tweede persoon van de voorsz. gesanten gehabiteert met een swartesattijnen rock, gedragen wierde.
Een wijle tijts dese voorbij zijnde, quamen ontrent 400 ruijters hebbende inde handt ider een hamer met een scherpe pen vooraen (bekans op de wijse als de Suratse hamers) twelck was de guarde vant opperhooft ofte den principaelsten der gesanten die midden onder de suite sittende in een swart verlacte palancquin gedraegen worde ende volchde hem noch een do naer.
Naerdat de treijn omtrent een quartier uijrs voorbij waeren quam de guarde vande Maijesteijt van Japan omtrent 200 mannen soo musquetiers als pieckeniers gaende op zijn Japans al een ende een achter den anderen, sijnde de musqueets met root laecken becleet, de piecken root verlact ende boven met een top van witte veeren.
Waer achter dat volchden 8 a 10 norimons waerinne saeten de gecommitteerde Japansche Heeren door Zijnne Maijesteijt geordonneert de Coreers t'accompagneeren.
Ende achter haer volchde een groote suijte van Japanschen adel sittende op bagagie paerden.
Ten laetsten volchden ontrent 1000 Lastpaerden die de bagagie ende de schenkagie der Coreers brachten.
Dit duerde ontrent 5 uijren alleer dat alle desen treijn voorbij was gepasseert ende vermocht niemant vande toesienders zijn hooft buijten de vensters te steecken noch eenige tabacxroock daer uijt te laten gaen ende waren alle de passagien wel gesuijvert ende met schoon sant gestroijt.
V. PERSONALIA
A. NICOLAAS VERBURG.
1. Nicolaas Verburg van Delft komt 20 Juli 1637 met het schip 's Hertogenbosch in Indië als ondercoopman à f 40 's maands; na goede diensten in Hindostan te hebben bewezen, wordt hij op nieuw voor drie jaren aangenomen in qualité van Coopman à f 70 gl. 's mds. (Res. 13 Sept. 1642); Ambassadeur naer en Directeur in Perzië (Res. 13 Aug. 1646); komt 29 Juli 1649 van Perzië te Batavia terug; Gouverneur van Taijoan (Res. 31 Juli 1649; zijne Commissie is van 3 Aug. 1649); Extraord. Raad van Indië (Patr. Miss. 10 Sept. 1650); vertrekt 8 Dec. 1653 met het jacht de Haas naar Batavia (Miss. Taijoan naar Batavia 26 Febr. 1654); komt 11 Jan. 1654 terug te Batavia; Fabriek (Res. 17 Febr. 1654); Ord. Raad van Indië (Res. 31 Maart 1654); Directeur Generaal (Res. 26 Sept. 1667 en bij Resolutie van Heeren XVII van 11 Aug. 1668 in dat ambt bevestigd); van die functie ontheven (Res. Heeren XVII, 31 Oct. 1674 en Res. 11 Sept. 1675) en vertrekt, na 38 jarige continuatie in Indië, met zijne huisvrouw den 21en Nov. 1675 naar het vaderland als Admiraal van de retourvloot (Dagr. Bat. 1675). Verschijnt in Vergadering H.H. XVII (Res. XVII, 26 Sept. 1676). Over zijn bestuur op Formosa, zie: "Oost-Indisch-praetjen" (1665).
Generale Missive, 24 Dec. 1652.
2. Dewijl d. Hr Gouverneur Nicolaes Verburg, volgens allegatie door veele onlustigheeden die Zijn Ed dagelicx boven de bedieninge van zijn lastich ambt voorcomen, heeft hem doen resolveeren om eenmaal uijt de woelinge tot een stil ende gerust leven te comen, zijn demissie om tegens 't aenstaende jaer 1653 naart Patria te keeren doen versoecken 't welck wij Zijn Ed. ten respecte overige tijtsexpiratie niet connen weijgeren, des sullen sorge dragen als den tijt comt dat over dit gouvernement gedisponeert wert, datter een bequaem, wijs, ervaren ende vreedsamich persoon ten meesten dienste van de Generale Compe. tot vorderinge van dese republijck ende dat groote werck gebruijckt wort, daermede wij dan oock willen hoopen dat veel onlusten die zoowel in 't reguart van geestelicke als politique zedert eenige tijt herwaerts tot ons groot misnoegen in dat Gouverno voorgevallen zijn, cesseren zullen....
Resolutie, 21 Maart 1653.
3. Alsoo de Gouverneur van 't Eijlandt Formosa Nicolaas Verburgh, Extra-ordinair Raet van India, bij sijne brieven instantelijck versocht heeft desen jare van het voorsz lastige Gouvernement verlost te mogen worden, om het aenstaende saisoen na het vaderlandt te vertrecken, alsoo den tijt van sijn verbant als dan een jaar over geeijndicht sal sijn, Ende dienvolgens weder een ander bequaem ende gequalificeert persoon wort vereijscht om dat emportante Gouvernement te becleden, soo is het zelve na de gewichticheijt van de saecke verscheijden vergaderingen achter den ander in bedencken gehouden ende gesien het selve Gouvernement geconsidereert wort van overgroote importantie te wesen, hetwelck de Compe. mettertijt, bij aldien God den Heer de middelen daertoe aengewent segenen wil, een Coninckrijck waerdich staet te werden, behalven de Japanse ende Chinese negotie die om het gout ende silver mineraal dat van daer getrocken ende waermede den Inlantsen handel ten principale levendich gehouden wort, voor de Compe mede van seer grooten gewichte sijn. Ende dat bovendien in hetselve Gouvernement eenige jaren herwaerts seer groote onlusten tusschen Compes. principale ministers in kercke ende politie geresen sijn, waeruijt soodanige partijschappen ende factien sijn ontstaan dat gevreest wort dat deselve eijndelijck ten sij daerin werde voorsien, wel tot ondienst ende nadeel van de Compe. mochten gedijen. Ende evenwel Compes. dienst niet en gedoocht dat alle de persoonen die aen de voorsz. questien geraeckt ofte vast sijn, daerom van daer gelicht ende elders geplaetst souden worden, omme welcke onlusten ende partijschappen dan ter neder te leggen ende uijt te roeijen niet alleen bijsondere wijsheijt, discretie ende cloeckheijt maer oock meer dan gemeene authoriteijt wort vereijscht. Waer bij noch comt dat hetselve Eijlandt een donckere wolck uijt China schijnt over het hooft te hangen, wordende over verscheijden wegen g'adviseert dat de sone van den grooten Mandorijn Equan jegens de macht der Tartaren niet connende bestaen, ende genootsaeckt wordende het Rijck te ruijmen, het ooge op Formosa geslagen soude hebben om hetzelve met sijn overige subjecten intenemen ende hem aldaer ter neder te slaen, jegens wiens attentaten dan mede nodich is een waeckend ende sorghvuldich oogh in't seijl te houden, opdat ons dat costelijcke pant hetwelck reede sooveel gecost heeft, ende van soo groten expectatie is, niet aff handich gemaeckt en werde; Alle welcke saecken met rijp overlech in Rade gepondereert ende overwogen sijnde eijndelijck verstaen ende eenstemmich geresolveert is, niet jegenstaende de ordre van de Heeren Principalen expresselijcken medebrencht ende dicteert dat van de ordonnarie permanente Raden geene versonden sullen worden off ten waere de hooge noodt hetselve quame te vereijschen, ende dan noch niet anders dan op corte expeditien, om nae't verrichten van deselve wederom te comen, deselve ordre om redenen boven verhaelt ende de gewichticheijt van saken, voor soo veel te buijten te gaen ende tot het voorsz. emportante Gouvernement te nomineeren ende versoecken den Heere Carel Hartsingh ordinaris Raet van India die voor desen in gende Noorder quartieren lange jaren geremoreert ende grondige kennisse van saecken heeft, met hoop ende vertrouwen dat Hooghgemde Heeren Principalen de bovengeroerde redenen ende motiven insien ende de nootwendicheijt van saken nevens ons begrijpen sullen. Waerop den gem.e Heere Hartsingh ten dienste vande Comp.e versocht sijnde sich mette voorsz. resolutie te willen conformeren, soo heeft Sijn Ed. verclaert verplicht ende oock ten volle genegen te sijn sich te laten gebruijcken daer de Compe sijnen dienst meest sij vereijschende, doch aengesien het noordelijcke vaerwater een seer dangereus ende gevaerlijck vaerwater sij, gelijck de droevige exempelen God betert van tijt tot tijt niet dan te veel geleert hebben, soo was Sijn Ed. overbodich ende berijt hetselve Gouvernement te aenvaerden, mits dat sulcx niet en soude sijn voor een corten tijt maer voor eenige jaren, ten minste voor soo langh sijn lopende verbandt aen de Comp.e soude duren, om met sijn familie niet over en weder te swerven, off ten ware daertoe expresse last ende ordre uijt het Vaderlandt quame van de Heeren Bewindhebbers die hij sich altijt geern soude onderwerpen ende onvermindert sijn jegenwoordige qualiteijt rangh ende ordre in Raade van India ofte die hem na desen noch van de Heeren Principalen soude mogen gedefereert ende toegevoecht worden, waervan Sijn Ed. bij den Raet eenstemmich toesegginge gedaen is, alsoo doch om de voorsz. geresene ende ingewortelde ongenuchten te extirperen, mitsgaders om alles op gemde Eijlandt op den goeden voet ende in behoorlijcke ordre te brengen, wel soo veel ende langer tijt vereijscht sal worden, willende vertrouwen dat de welgemde Heeren Principalen hetselve voor goet ende Wel gedaen sullen houden.
B. CORNELIS CAESAR.
1. Cornelis Caesar van der Goes, d.w.z. afkomstig van Goes, kwam 6 Febr. 1629 met het schip Tholen te Batavia voor adsistent à f 16 's mds.; was in 1636 in Japan om kennis op te doen van den Taijoanschen handel; was in 1637 waarnemend Opperhoofd in Quinam; had als koopman op f 60 's mds. geruimen tijd goeden dienst gedaan en wordt Opperkoopman op f 75 's mds. (Res. 7 Mei 1641); gaat per fluit de Zaijer van Taijoan naar Japan (Miss. Zeelandia 10 Sept. 1641); was in 1644 "politicus over de Formosaense dorpen" en wordt verhoogd tot f 110 's mds. (Res. Zeelandia 28 Aug. 1645); vertrekt 2 Sept. 1645 per Achterkercke van Taijoan naar Japan; de hem gegeven instructie voor een kruistocht omtrent de westkust van Luconia is gedagteekend: Zeelandia, 31 Jan. 1646; op zijn verzoek werd hem zijne demissie toegestaan (Miss. van Batavia naar Taijoan 9 Mei 1647) maar 21 Oct. 1647 was hij nog te Taijoan. Hij had toen een zoon Martinus (Gen. Miss. 31 Dec. 1647) die bij Res. 7 Juni 1670 werd benoemd tot Opperhoofd in Japan en 27 Nov. 1679 overleed (Res. 16 Dec. 1679 en Dagr. Bat., bl. 541).
In het vaderland zijnde, wordt hij Extra-ordinaris Raad van Indië (Patr. Miss. 10 Sept. 1650); gaat met het schip "Orangien" voor de Kamer Zeeland terug naar Batavia, waar hij wordt gesteld "tot het opperste gesach van de werken en noodigheden" [Fabriek] (Res. 7 Juli 1651); wordt President van de Weeskamer (R. 24 April 1653); Gouverneur van Taijoan (R. 24 Mei 1653); krijgt als zoodanig ontslag (R. 30 Juni 1656); komt 17 Jan. 1657 te Batavia terug (Dagr. Bat. bl. 71 en 72 en miss. Reg. Bat. naar Taijoan 15 Mei 1657) en overlijdt aldaar 5 Oct. 1657 (Dagr. Bat). Over zijne begrafenis in de stadtskercke, zie Dagr. Bat. 6 Oct. 1657 bl. 281-282; zijne weduwe leefde in Juni 1663 nog te Batavia (D.B. 1663, bl. 335).
2. Resolutie Saterdagh den xxiiij May Ao 1653.
Aengesien de ordre onser Heeren Principalen is mede brengende, dat de ordinaris Leden van desen Raade, hier geduerich permanent sullen sijn, en dat niettegenstaende in Raade van India goetgevonden sij, volgens resolutie van dato den 21e Maert vermits de groote onlusten in eenighen tijt herwaerts in Taijouan ontstaen, die niet schijnen als met authoriteijt ende kloeckmoedicheijt te connen neder gelecht werden, tot welck important Gouverno alsoo in Raade van India, naer overlech van saecken goetgevonden sij te versoecken den Heer Carel Hartsingh, ordinaris Raet van India, die de Taijouanse gewesten voor desen lange jaren bijgewoont heeft waertoe alsoo sijn E: sich ten dienste van d'E. Compe heeft willen laten gebruijcken, ende nu tot het voltrecken van Sijn E: aengenomeen reijse veerdich sijnde, den E. Heer Gouverneur Generael Reniersz is comen te overlijden, waerdoor dan verscheijde veranderingen veroorsaeckt sijn, soo dat nu om de gewichticheijt van het Generael Gounerno, Sijn E. persoons wijsheijt ende kennisse alhier wel te staet comt, de ordinare Raeden buijten den Gouverneur-Generael den Ede Heer Joan Maetsuijcker, die nu tot het Generael Gouverno gekosen sij, niet meer dan twee in getale sijnde en dat oock den Hr. Arnolt de Vlamingh ordinaris Raet van India wegens de become advijsen uijt Amboina noch niet te paresseeren staet, Soo hebben in Raade van India aengesien Sijn Ed. alles tot sijn aangenome reijs geprepareert hadde, het aen Sijn Ed. in eijge optie gegeven ofte dat Sijn Ed. reijs voltrecken ofte alhier noch in dese conjuncture van tijt, begeerich soode sijn over te blijven, op welcke voorstel bij Sijn Ed. geleth ende het selve 2 off drie dagen in bedencken houdende, rapporteert in Raade van India om de importantie van het Generael Gouverno Sijn Ed: alhier te sullen overblijven, waerop in Raade goetgevonden is naer een ander gequalificeert ende ervaren persoon tot het genoemde Gouverno om te sien ende naerdat de presente Extra-ordinaris Leden uijt desen Raade hun daertoe hebben gepresenteert, soo is verstaen tot het Taijouanse Gouverno te qualificeeren en te gebruijcken den Hr Cornelis Caesar, Extraordinaris Raet van India, die in de genoemde gewesten voor desen mede lange jaren bijgewoont heeft, en dat Sijn Ed. met de laetste bezendinge daerna toe als Gouverneur sich sal hebben te vervoegen.
Patriasche Missive, 8 Oct. 1654.
De surrogatie bij UE. gedaen van d'E. Cornelis Caesar tot Gouverneur in Taijouan en Ilha Formosa in plaetse van d'E. Nicolaes Verburch die vermits expiratie van sijn verbonden tijdt sijn verlossinge van daer versocht heeft, sullen wij ons wel laeten gevallen. Wij willen vertrouwen dat hij hem in dat important en swaerwichtich Gouvernement ten dienste van de Compagnie wel en nae behooren sal quijten.
UE. wijders recommanderende en oock bevelende wel te letten en die voorsorge te draegen dat het gemelte Gouvernement altijdt bekleet werde bij luijden van verstandt en discretie en daerop men sich volcomentlijck can gerust stellen, alsoo UE. weten de Compe daeraen ten hoochsten gelegen te wesen.
C. IQUAN.
"Teijouhan is door de Jappanders door hare expresse gesonden armade in den jare 1615 ende 16, tusschen 3 a 4000 man sterck, geconquesteert doch pr faulte van volgende subsidien, wederom verlaten; alsoo dese enterprinse bij een particulier Heer omme de gunste van Sijn Mat wederomme te becomen, ter hande genomen was. Lange jaeren hebben zij daer met haer capitaelen door Chineesen in Jappan woonachtig met de Chineesen van China gehandelt" (Gen. Miss. 15 Dec. 1629) [382].
"In de Baij van Taijouan plachten jaerlijcx eenige Japanse joncken te comen soo om hertevellen te coopen welcke daer in tamelijcke quantiteijt vallen; maer insonderheijt om met de Avonturiers van China te gaan handelen welcke daer groote quantité rouwe zijde ende gemaeckte sijde stoffen soo van Chincheo, Nanquin als verscheijden andere plaetsen van de Noord Custe van China te coop brachten" (Gen. Miss. 3 Jan. 1624).
Van die in Japan gevestigde Chineezen is bij Europeanen vooral bekend geworden de zoogenaamde "Capitein China" te Firando, dien de Portugeezen Andrea Dittis heetten. Als de verzekering dat hij een Christen was [383], alleen steunt op dien naam, staat zij zeer zwak; dat zijne leefwijze is geweest gelijk door de Hollanders wordt bericht [384], klinkt veel waarschijnlijker.
De verschillende berichten over hem samenvattende, komt men er toe het volgende aan te nemen als de waarheid nabij te komen:
De zoogenaamde Capitein China te Firando heette Gaan Si Tsee, was afkomstig uit het district Hai-ting in de prefectuur Tsiang Tsioe (in de nabijheid van de havenplaats Amoij) en was aldaar getrouwd. Overeenkomstig het gebruik onder Chineesche immigranten die in eenigszins goeden doen zijn, ging hij in Japan eene verbintenis aan met eene dochter des lands, vermoedelijk zelfs met meer dan ééne. Te Firando zal hij de voornaamste Chineesche koopman en reeder zijn geweest en om die reden daar te lande zijn aangesproken met den titel van Kapitein (zooals ook ons Opperhoofd door de Japanners werd betiteld), zonder dat hij eenige aanstelling had; waarschijnlijk was hij Hoofd van een geheim genootschap [385]. Over zijne aanrakingen met ons, raadplege men: W.P. Groeneveldt, de Nederlanders in China I (Bijdr. Kon. Inst. 6, IV, 1898). Hij was o.a. de tusschenpersoon bij de onderhandelingen welke leidden tot onze verhuizing van de Pescadores naar Taijoan en hij was geenszins tevreden over de wijze waarop wij zijne diensten hadden beloond [386]. Hij overleed te Firando 12 Augustus 1625 [387], groote schulden nalatende, o.a. aan de Engelschen [388].
Ietkwan--ook Iquan, Equan, Yeh-kwan geschreven--werd geboren in het dorp Tsiooh Tsi in het district Tang Oa, waarin ook de havenplaats Amoij ligt. Zijn geslachtsnaam was Tie--ook Te en The geschreven--en zijn persoonsnaam: "de eerste" duidt aan dat hij de oudste zoon was. Niet een zoon, maar een schoonzoon [389] van den hierboven besproken Capitein China zal hij zijn geweest. Volgens Chineesche berichten, behoorde Iquan's eigen hoofdvrouw in Zuid-China tot eene familie Gaan en zij zal eene dochter zijn geweest van den Capitein China en diens hoofdvrouw in China.
Op jeugdigen leeftijd, zoo heet het, heeft Iquan een toevlucht gezocht bij een oom van moederszijde te Macao, die hem met een handelsopdracht naar Japan zond. Evenals zijn latere schoonvader heeft hij te Firando betrekkingen aangeknoopt met een Japansche, bij wie hij een zoon kreeg, den zoo vermaard geworden Koksinga.
Misschien was hij de tolk die tusschen 25 Jan. en 20 Febr. 1624 uit Japan naar Taijoan kwam (Groeneveldt, a.v.bl. 482), of de aan het eind van 1624 dagelijks uit Japan verwachte zoon van Capitein China (Miss. Gouvr Sonck 12 December 1624).
Aan de vloot onder Muijser die 30 Dec. 1624 werd aangewezen om op Chineesche jonken naar Manilla te kruisen, werden drie jonken toegevoegd (twee van Capitein China en één van diens luitenant Pedro China) welke onder Iquan's bevel stonden en 20 Maart 1625 te Taijoan terug waren.
"With Yen Ssu Ch'i [Gaan Si Tsee] and others, he [n.l. Iquan] opened up Formosa; he was raised by his comrades to the chief leadership on the death of the former". [12 Aug. 1625]. (Some episodes in the History of Amoy. China Review, XXI, 1894-95, bl.87).
"Het is nu wat meer als een jaer dat eenen Itquan (eertijts tolck der Compe nu hofft der Chinesen rovers) uijt Teijouan sonder onse kennis gevlucht is, ende sich op den roof begeven, vele joncken ende volck vergadert heeft, waermede hij de gantsche seecusten van China seer ontstelt ende het geheele landt, steden ende dorpen raseert ende vernielt waer over oock geen seevaert op de Custe meer gebruijct can werden" (fd Gouvr Gerrit Fredericqs de Witt aan Gouv.-Generaal, Actum Batavia 18 Dec. 1627).
"Tot in de maent Junij 162[7] hebben de Chinesen niet willen gedoogen datter eenige van onse schepen ofte joncquen van Taijouhan in de riviere van Chincheo [Amoij] ofte andere plaetsen op haer Custe havenden; doch alsoo naderhandt de Chineesche roovers soo machtich ende sterck geworden sijn dat genouchtsaem meester sijn van de Chineesche zee ende meest alle de joncquen op de gantsche Guste vernielt ende verbrandt hebben, doende mede te lande groote destructie ende rooverije, wordende geschat sterck te wesen omtrent 400 joncken ende 60 à 70 duijsent mannen. Den Oversten daervan, Icquan genaempt, sijnde des Compagnies Tolck in Teijouhan geweest ende stilswijgens van daer vertrocken, heeft hem tot rooven begeven ende in corten tijdt soo grooten aenhanck gecregen dat de Regenten van China geen raedt wisten om de roovers van haere Cust te crijgen.... Den roover Icquan heeft oock langen tijdt goede correspondentie met d'onse gehadt ende ons vrijwat respect toegedragen, maer heeft eijndelijck sonder onderscheijt genomen al wat becomen conde" (Gen. Miss. 6 Jan. 1628).
"... Ons comt inproviste voor dat een joncqken van Iquan, soone van den ouden overleden Cappiteijn China, vuijt Nangasacqui naer Teijouan ende de custe van China sal vertrecken; dese persoon is voor desen vuijt Taijouan ghebannen, soo dat daer niet zeer wellecom en sal wesen. Evenwell door instantelijck versoucken van den Hr van Firando ende Oenemondonne hebben hem geen passe durven weijgeren" (Origineele Missive Cornelis Nijenrode, Firando Ulto Oct. Ao 1630 aan de Edele Heer Generaal Specx; Kol. Arch. S.S. II, fol. 114).
"Dit is den goeden Chinees die van meest alle de Hollanders den vader genoempt werdt ende hun soo lange gefrequenteert ende mede omgegaan ende voor Tolck gedient heeft, niet eens gedenckende, nu weder macht becomen heeft, hoe over twee jaren, als wanneer door den rover Quitsiok uijt sijn digniteijt ende plaetse verstooten was, weder als met de handt van UE-hedens macht ende dienaren geleijdt ende op zijn stoel gestelt is, alles op goede hoope dat door desen Iquan die onse gelegentheijt, conditie ende macht soo wel bekent was, met intersessien ende verclaringen aan den Combon ende andere grooten te doen wat ons billick versouck ende begeeren was, dies te beter tot den vrijen handel geadmitteert te werden--maar contrarie bevinden wij, wandt in plaatse van zulcx en slaat hij Iquan niet alleen aff de vergoedingh van 't jacht Slooten in sijnen ende het Rijcke van Chinas dienst verongeluckt maar derft wel expresselijck in zijne Missive vertoonen enee aan d'onse laten verluijden soo wij hem meer over sulcx aanschrijven geen goede vrinden connen blijven, alsoo gemelte jacht, zoo hij susteneert, niet in zijnen maar per ongeluck om den handel te becomen in 's Compagnies dienst gebleven ende verongeluckt is, door briefkens ons verbiedende met onse jachten niet meer in de rivier Chincheo te verschijnen, alsoo daar door (soo hij segt) in de hoochste ongenade van den Combon ende andere grooten van China soude comen vervallen" (Gouverneur Putmans aan de Ed. Heeren Bewindhebbers der Camer tot Amsterdam, Taijoan 10 Oct. 1631).
"...In Nangasackij sijnde is mij onder anderen van Sr. Melchior van Santvoort verhaelt hoe de Chinesen die daer met haar joncquen geweest sijn, als wijff van Iquan ende anderen, uijtstroijen ende voorgeven bij het Rijcke van China (hoewel ons den handel vrij ende liber vergunt wert) naer 't vertreck onser schepen Taijouan met groote macht aen te tasten ende haer meester van 't Casteel sien te maecken" (Miss. van Couckebakker aan Gouvr Putmans, dd. Firando 24 Nov. 1634).
"Den Chinesen Mandorin Equan is een schadelijck instrument in Comps handel, ende dient voor eerst noch soo aengesien totdat den tijt ons wijser maeckt off d'een off d'ander tijt van candt raeckt; is van vele gehaedt ende plaegt de coopluijden dapper, dat met groote geschenken aen de Grooten weet goed te maken" (Gen. Miss. 18 Dec. 1639).
20 Oct. 1639. "...dat de Chineesen die wijven, kinderen ende huijsen alhier hebben ende als ingesetenen gehouden zijn, uijt landt te vaaren niet toegestaen wert ende dat alles om reden dat wij [n.l. de Japanners] vreesen, sij naer den Chijneesen aert haare rooverije niet naerlaten connen, gelijck ook den tweeden Icquans zoone omdat zijn vader een roover geworden was, hier in Japan om sijns vaders rooverije ter doot gebracht is" (Dagr. Firando in Overg. Brieven en Papieren 1640. Tweede Boek.--Vgl. Valentijn V, 2e st., 9e boek, 9e hoofdst. bl 81).
"Soon after his departure, his wife, who remained in Japan, gave birth to a second son, who was named Shichizaemon. This son did not develope the love for adventure and renown which made his elder brother [Koxinga] so famous, but remained quietly in Japan all his life" (Davidson, The Island of Formosa, bl. 31).
"...zijnde om de subsidie die den jongen Keijser in voorsz. oorlogh van volck ende middelen gedaen heeft, van denselven tot tweede persoon des Rijx gevordert, soo dat jegenwoordigh niemant in China machtiger is als die man, zijnde voor desen cleermaker ende Comps Tolck in Taijouan geweest" (Gen. Miss. 11 Juli 1645).
"...de voornaemste joncken waren gecomen van Iquan en zijnen aenhangh ... tot teecken en bewijs dat alhier [Japan] oock all eenige gunste bij de Overicheijt heefft is dit genoech dat eenigen tijt heefft laten versoecken oorloff om seeckere Japanse vrouwe daer bij te voren gehouden en een sone, die bij hem in China is, gewonnen heeft, uijt Japan te voeren en tot hem te halen ten gevalle van sijnen soone, en tot hetselve een vrijgeleijde vercregen heefft, soo mij onse Tolcken voor vast ende seecker verclaren en dat met sijne joncken te vertrecken stade" (Dagr. Nagasaki 9 Maart 1645; Zie ook Gen. Miss. 17 Dec. 1645).
"Heden is de bijsit van den Mandorin Iquan daer boven van verhaelt hebben, van Nangasacquij vertrocken na Esinia [China?] sonder eenigh vrouwspersoon bij hun, die nochtans wel veroorlofft zoude geweest hebbe mede uijt te trecken doch onder conditie van noijt wederom in Japan te keeren, weshalven niemant begerich was" (Dagr. Nagasaki 11 Mei 1645).
"'s Morgens vernamen uijt de tolcken hoe dat op de gisteren g'arriveerde jonck een seer aensienlijck ambassadeur van Coxinja aan den Japansen Keijser gecommitteert was.... Desen gesant zoude nae de geruchten eenelijck often principalen herwaerts geschickt zijn om de Majesteijt te bedancken voor dat de moeder zijns meesters Coxinja (zijnde een slechte [d.i. eenvoudige] Japanse vrouw en in 't jaer 1645 van hier derwaerts [China] vertrocken) op zijn vaders versoeck gelicentieert was naer China te comen, Item wijders te versoecken dat zijn halve broeder (een zoon van voorschreve vrouwe doch bij een Japander geteelt) nu mede gelargeert en naar Aijmuij bij hem mocht comen etc; mede werd gesecht dat desen ambassadeur een man van grooten qualiteijt en de Chinesen hem in aensien bij desen Keijser vergelijckende zijn, daer mede alhier gereets seer gespot wert, nademael zijn meester van wien gesonden compt, een Japanse mistice, daer en boven noch van vielen en geringen afcompste in Firando gebooren en zijn vader Iquan hier naer een groot roover geworden was, gelijck hij Coxinja zelffs sigh oock een tijt lanck daarmede beholpen daardoor nu tot zoodanigen aansien geraeckt; alle 't welcke dees luijden genoechsaem bekent is, die immers geen grootsheijt van vreemdelingen 'k laet staen van zoodanige, willen of connen lijden" (Dagr. Nagasaki 25 Juli Ao 1658; vgl. Valentijn V, 2e st., 9e boek, 9e hoofdst, bl. 97).
Den 8en October 1658 vertrok de ambassadeur zonder dat Coxinga's geschenken waren aangenomen en "sonder oijt uijt zijn logiement veel min omtrent de gouverneurs geweest, ofte wegens zijnen last waeromme herwaerts gecomen was in't minste gesproocken te hebben".
"Only five hundred men followed him [n.l. Iquan] into the Manchu army; and his Japanese wife, the mother of Chunggoong [d.i. Koksinga] strangled herself" (1646). (J. Ross, The Manchus, bl. 385).
D. MARTINUS MARTINI.
Martinus Martini, geboren in 1614 te Trente en sedert 1643 in China, waar hij 6 Juni 1661 overleed (zie S.Couling, Encyclopaedia Sinica en Biographie Universelle, XXVII (1820), bl. 323-325). Met vier andere Jezuïten kwam hij in Juni 1642 per het Engelsche schip "de Swaen" van Goa te Bantam en zond van daar aan G.G. van Diemen een latijnschen brief (18 Juni 1642 te Batavia aangebracht) waarbij hij verzocht "passage te willen verleenen nae Maccassaar, Siam, Cambodja off 't rijcke van Tonkin, omme door dien weg in China ende Japan te geraecken." Deze brief werd gezonden aan het opperhoofd te Nagasaki, ten einde dien "aen de Regenten van Nagasacqui off de commissarissen ter hand [te] stellen opdat die laten examineeren ende tegen sulcke attentaten ordre ramen." (Reg. Batavia naar Japan 28 Juni 1642 en Opperhoofd van Elseracq aan G.G. van Diemen 12 Oct.1642). [390]
"Martin Martini was sent to give informations to the Holy See; to his influence and abilities it is due that Alexander VII decreed in a manner perfectly contrary to the former Edict [waarbij eenige leerstellingen der Jezuïeten als ketterijen waren veroordeeld].
While on his journey the great traveller passed Batavia.....
Living in Holland Martini prepared his maps of China and gave them over to the great cartographer Johannes Black [lees: Blau] to be printed while he himself gave a full geographical description of the whole empire together with historical, political and scientific explanations......In 1655, the whole work came out" (Dr. Schrameier, On Martin Martini, Journal of the Peking Oriental Society, Vol. II, 1888, bl. 105 en 106).
Martinus Martini kwam 15 Juli 1652 van Macassar te Batavia en kreeg vergunning met de retourschepen naar Nederland te reizen; met de "Oliphant" (2 Febr. 1653 van Batavia uitgezeild en 16 Nov. d.a.v. in het Vlie aangekomen) vertrok hij naar Amsterdam (Res. 16 Juli 1652, 26 Juli 1652, 15 Oct. 1652 en 28 Jan. 1653). Bij Res. der Kamer Amsterdam dd. 12 Dec. 1653 werd hem toegelegd eene "gratuiteijt van honderd rijksdaalders, ten aanzien van de goede diensten die hij toegeseijt heeft en van hem verwacht worden". Hij had "aan denselven Riebeeck [Commandeur aan de Kaap de Goede Hoop] geremonstreert ende te kennen gegeven wege eenige Goudplaatsen tusschen de genoemde Caep ende Mosambiqe gelegen, daer groote voordelen te halen souden sijn.... Wij achten de ontdeckinge van de genoemde Cust alsmede de Cust van Melinde, seer considerabel, hetwelck van de voorsz. Caep ende het eijlandt Mauritius ofte ook van Suratte bequaem soude connen geschieden" (Gen.Miss. 6 Febr. 1654; vlg. hierover Miss. Jan van Riebeek aan Heeren XVII dd. 4 Mei 1653 en het antwoord van Heeren XVII dd. 15 April 1654).
"Met een Portugees joncxken comende van Maccassar, door Comps tingangh tusschen Batavia en Japara verovert is hier opgebracht seecker Jesuwijts padre die omtrent 10 Jaren meest alle gedeelten van China heeft doorwandelt.... Verders allegeert vooraengeroerde Padre datse [n.l. de Tartaren] die van Macao haer vrientschap mitsgaders libere negotie aengebooden hebben twelck bij geintercipieerde brieven door den Gouverneur van Maccao geaffirmeert wort. Bovendien datse hun hebben laten verluijden niet alleenlijcken de Portugeesen maer oock alle andere vreemde natien die China in vrientschap begeren te friqquenteren den liberen ende onbecommerden toeganck sullen vergunnen, dierhalven twijffelt ditto padre niet ingevalle de Comp.e in Quanton daer hij oordeelt de rechte plaetse te wesen om bij den Conincq ["den oppersten der Tartaren" in Canton] versoeck te doen, hare ambassadeurs stiert datse niet alleenlijck sullen geadmitteert maer daerenboven de libere negotie ende onbecommerden toeganck in China sal vergunt worden" (Miss. Reg. Bat. naar Taijoan 25 Juli 1652).
"T'gene UE schrijven van het openstellen van den handel in China en dat den Tartarischen vice-roij in Quanton de Portugesen in Maccao en alle andere vreemde negotianten aengepresenteert heeft, 't rijck van China vrij en liberlijck te mogen frequenteren en haren handel daer onbecommert drijven, heeft den Pater Jesuita met het schip den Oliphant overgecomen, ons naerder mondelingh geconfirmeert" (Patr. Miss. 20 Jan. 1654).
VI. BERICHTEN OVER DE KOMEET Ao 1664-65.
Dagregister Japan.
Ao 1644. December. 19e. ... in de nanacht omtrent ten 3 uijren is bij ons een Commeet Starre, hebbende een vierige roede, die sigh naer't Westen streckte, gesien, maer alsoo den dagh--naer dat deselve langen tijd hadde nagesien--begoste aen te breken, wierde door het licht sijn schijnsel ende gesicht benomen; voor de middagh quamen eenige Tolcken op het Eijlandt; het voorverhaelde haer bekendt makende, doch hetselve was voor henlieden gantsch niet vremts ende seijde deselve al voor ettelijcke dagen gesien te hebben.
20e ... hebben den voorleden nacht naer het opkomen van de voorschreve starre sitten wachten, die sich tusschen 1 a 2 uijren in't Z.O. t. O. vertoonde, hebbende de staert voor uijt naer 't Westen ende eijndelijck denselven tegen het aankomen van den dagh in't S.W. verloren.
21e en 22e ... dese nachten bevonden voorschreve Starre sijn voorgaende kours is houdende, dogh alle avonden 3/4 uijrs sich vroeger vertoonde.
26e Is door ons nogh al sneedigh na de Commeet Starre uijtgekeken, bemerckende dat deselve door het wassen vande Maen wierde verdooft, onder en tusschen bespeuren dat sijn Staert sigh geheel naer 't Westen keert.
29e voorleden morgen, hebben de Commeet Starre weinigh kunnen sien, maer nogh al ondervonden deselve alle avonden 3/4 uijrs vrouger opquam ende sijn staert was draijende, soo datse alsnu voorbij't Westen naer't N.W. gekeert is.
Januarij 1665. 3e tot den 9e ... niet sonderlings voorgevallen, als alleenlijck dat de Commeet Starre alle 24 uijren seer afneemt ende met sijn staerdt nu al omtrent het N.O. uijtstreckt.
10e ... weten de Tolcken te verhalen tijdinge uijt Jedo gekomen te sijn, dat voorgemelte Commeet aldaer gesien was, oock verscheijden malen eenige vierballen bij nacht souden gevallen sijn.
20e ... dese avondt is de Commeet starre bij ons niet langer gesien konnen werden.
April 1665. [Op de hofreis naar Jedo]. 11e Des smorgens met mooij weder omtrent ten 4 uijren uijtreijsden ende een commeet starre sagen die hem omtrent het oosten weijnigh boven den horison opgaende vertonende was, ... quamen des namiddags in de Keijserlijcke Stadt Jedo.
* * * *
Op den 2 Januari 1665 ... alhier in de Baij van Cadix ... vertoonde hem een Komeet-ster, die wij inde Straat al hadden gezien, hebbende een vierige staart naar 't Noord oosten. (Reisen van Nicolaus de Graaff, 1701, bl. 66).
* * * *
Den 15 ditto [Dec. 1664] des morgens sagen een ster met een langhe sterdt, sagen hem wel 4 ueren lang indt oosten op en die sterdt was mede indt oosten.
Den 16 ditto des morgens sagen hem weer 6 uer voor dag en die ster zijn sterdt draaide alle met teit nae het oosten dat wij sien konden.
Den 17 ditto sagen hem over 4 uer voor dagh. (Opperstuurman Michiel Gerritsz Boor in het Jacht Vlaardingen, tusschen Formosa en Amoij. Handschrift Alg. Rijks Archief, Kolon. Aanwinsten no. 58).
Verklaeringhe op de Comeet-sterre, Gesien in 't Jaer MDCLXIV. [391]
Den 27. November 'smorgens by half 5. heeft men te Saerdam aller eerst gesien S.O. ten S. een Comeet Sterre van een weynig root doch heldre gedaente, de staert lang S.W. streckende, was wit bleeck van coleur, opkomende in Virgo, bleef mits de nevelige nachten bedeckt 14 daegen, waer door sommighe meenden datter geen Comeet was gesien.
Den 13 Decemb. is hy seer laeg langs den Orisont verscheenen, op den rovenden Raeff, liep seer ras na 't westen, daer hy ten half sessen verdween, zijn opkomst ten 3 uren onder de Waeg zijnde het selfde Teken daer de Comeet Anno 1618. in stondt, had een droeve schijn, dan de staert oost en west was lang, van coleur als de Noorder morgen-lucht: Quam so over de Hydra op de Mast en de Vlag van 't Schip, dan 't mistig en regenachtigh weder beletten haer lang te schijnen: Alsmen haer dus twee uchtenden in Hollandt op den Lucida Hydra hadde gesien, sag men hem den 21, Decemb. snachts by 3 uren met een soo breede langen staert, dat hy hoewel om sijn verre af-stant al vry flaeuw, nochtans den Hemel van S. tot S.W. absoluyt overspande: Noyt is hy grooter in ons gesicht vertoont.
Den 30. December sach men hem by den Lepus of Haes, vry kleyn, en de Maen benam oock sijn staert den schijn. Den 31. Decemb. verliet hy te ghelijck den Haes, het Iaer en sijn staert, want hy verscheen als een duyster droevig licht, en quam op den Eridanus, so dat hy den 2. January 1665. savonts ten 9. uren, also de Maen afnam, sich weder met een straeltje liet sien, doch nu met sijn staert nae 't Westen, en dat tot uyt de tonge van den grooten Walvis. Den 3. January had hy ten half 9. op den tongh des Walvis een seer lange scherpe staert na 't Westen, recht over den schouder van den Orion, wiens Gordel-riems 3. Sterren hy geduerig in 't gesigt by bleef, so dat hy als scheen in den Walvis te willen kruypen. Den 4. Ianu. wast duyster weer: Dan den 5. Ianuary ten 10 uren savonts den Hemel klarende, sag men dat de Comeet seer was verkleynt en ook de kaken der Walvis verby geloopen.
Dus verre heeft deze Comeet sijn loop gehad tot den 7. Ianuary 1665. over Africa, Oost en West-Indien, speciael over den Grooten Mogols Rijck, de Kape Buone Esperance, Goa Suratte en Madagascar, oock over Borneo, en Japan, China, ende men heeft die konnen sien byna van de Noorder Poolen tot Suyden, also die van Batavia en van de Magellanes daer van getuygen sullen: Die van Portugael hebben hebben hem gesien tot den 4. February 1665, bloet-root over haer gaen: Die van Spangen en Romen, Venetien en gants Italien insghelijckx: Constantinopolen en gants Turckyen, Smyrna en de Pouille, daer 't oock Bloet gereghent heeft, hebben hem mede, doch niet bleeck als hier, maer bloet-verwich ghesien: Engelant, Yrlant, Schotlant, hebben hem seer lang en breet en rootverwich gesien: In Hollandt is hy seer verwonderlijck ghesien, te weten, na den 31. December, voor welcken tijdt hy seer laegh aen den Orisont was, maer daer na in sijn opgangh ten oosten met een staerdt van een elle lang, en passeerende besuyden de Nederlanden, had met een heldere Lucht niet als eenighe sprenckelen, somtijdts wat straeltjens, naer het helder was, maer in sijn ondergangh, 's Nachts ten twee uren, was sijn staert omtrent soo langh als 't gantze Stadthuys van Haerlem, ghereeckent na't ooghe: En daer na verdween hy gelijck dagelijcx door de opkomende Wolcken: Die van nieu Nederlant in de Caribise Eylanden, en besuyden d'Amasones, hebben hem alle seer groot gesien, maer niet langer als tot den 30. December, toen hy sijn staert hier verloor, en een dag als een droeve Ster sonder staert verscheen, en daer na met een staert die sich ten oosten verspreyde, doch seer na een kleyn roedeken gelijckende.
Zijn Loop kond ghy bequaemelijck sien in de hier nevens staende Figuer, op d'onderste Linie, in Virgo de Maegd beginnende, en in Aries den Ram eyndigende: Wanneer haren staert op den Crater, den Canis, Unicornus, ghestaen heeft, doch nooyt op den Orion, die boven onsen Horisondt met syn 3. Sterren de Comeet geduyrich na by was, tot hy in Aries uijtden Walvis quam: Hooger siet ghy syn Groote die hy had na den 30 December, oost en N. Oost den staert: Beneden siet ghy syn fatsoen van den 27 December, en daer by die van 't Iaer 1618. welcke wel soo fel en scherp stont, maer streckte sich op veele 100. mijlen na als dese dede, niet uyt.
Seer aenmerckelyck in desen sijnde, dat de jegenwoordige Comeet syn Loop heeft ghenomen over den roofachtighen Raef, over de Vlag van 't Schip, (daer Cromwel Ao. 1652. den Oorlog met Hollant om aen vong,ende Engeland nu weder in dit Iaer 1665. om het voeren van de Vlagh ter Zee, Hollandt beoorlogt en berooft,) daer na over den Gallus de Haen, daer Vranckrijck by verstaen wort: Op den vreesachtighen Haes: Op de Water-Slangh, den Vloet Eridanus, en den Walvis: Alle Zee en Water-tekenen.
Terwijl wy met dit Verhael dus besig zijn, komt den derdenmael een Comeet ten voorschijn, die sich den 6. April 1665. aller-eerst heeft laten sien boven onsen Horisont, op-komende 's morgens by 2. uren in 't Noorden, zijn cours tot 4. uren duyrende, is vlack oost, maer zijn Staert die breed en lang doch wit is, staet S.O. Ende bevinde hy den 13 April sig meer N.O. en lagher op onsen Horisont uytstreckt, staende op den Equus, waer aen alle Liefhebbers konnen berekenen zijne hoogte.
Veele sullen sich lichtelijck in laeten om van dese 3. Comeet-sterren te propheteren, en onverstandige Lien sullent licht geloven, daer nochtans de Mensch om toekomende Dingen te weten, geen eygendom is gegeven, dan alleen dat hy uyt de voorby gegleden Tijden wel op het toekomende yets besluyten kan, dan geheel onwis.
't Is d'Almachtige, de Alwetende Heere, die soo in 5. Maenden 3. Cometen, behalvens soo veele andere Hemels tekenen ons vertoont, 'tgeen men niet bevindt oyt meer is gebeurdt: 't Schijndt ons toe datte selve hare uytwerckingen wel mochten doen in't wonderlijcke Iaer 1666. daer van over vele Iaren is voorseyt: Godt de Heere late ons alles tot zalicheyt ervaeren, op dat wy zyn heerlijcke Schepsels niet aende Lucht, maer inden Hemel eeuwig mogen aenschouwen.
In Haerlem, desen 14 April 1665.
Bibliographie en Geraadpleegde Literatuur
BIBLIOGRAPHIE.
Het journaal van Hendrick Hamel is door drie Hollandsche uitgevers in 't licht gegeven: Jacob van Velsen te Amsterdam, Johannes Stichter te Rotterdam, en Gillis Joosten Saagman te Amsterdam.
Hier worden eerst de beide drukken van Jacob van Velsen beschreven, die alleen het eigenlijke journaal geven zonder de beschrijving van Corea; daarna de geïllustreerde uitgaaf van Stichter, die de beschrijving zelfstandig op het journaal laat volgen. Deze drie drukken hebben het jaartal 1668; zij zijn dus verschenen, toen de schrijver nog niet in het land teruggekomen was.
Daarop volgen de drie drukken van Saagman, die geen jaartal dragen, en waarin de landbeschrijving deel uitmaakt van het reisverhaal.
Na deze zes uitgaven volgt het korte overzicht van de reis in het werk van Montanus, in 1669 verschenen, en de Fransche en Duitsche uitgaven van 1670 en 1672, en ten slotte de 18e-eeuwsche verzamelwerken, waarin het reisverhaal is opgenomen.
DE NEDERLANDSCHE UITGAVEN.
Journael, // Van de ongeluckighe Voyagie // van 't Jacht de Sperwer/ van Batavia ghedestineert na Tayowan/ in 't // Jaer 1653. en van daer op Japan; hoe 't selve Jacht door storm op het // Quelpaerts Eylandt is gestrant/ ende van 64. personen/ maer 36. // behouden aen het voornoemde Eylant by de Wilden zijn gelant: // Hoe de selve Maets door de Wilden daer van daen naer het // Coninckrijck Coeree zijn vervoert/ by haer genaemt Tyo-//cen-koeck; Alwaer sy 13 Jaren en 28 dagen in slaver-//nye onder de Wilden hebben gezworven/ zijnde in die // tijt tot op 16. na aldaer gestorven/ waer van 8 Per-//sonen in 't Jaer 1666. met een kleyn Vaertuych // zijn ontkomen / latende daer noch 8.Maets // sitten / ende zijn in 't Jaer 1668. in het // Vaderlandt gearriveert. // Alles beschreven door de Boeckhouder van 't voornoemde // Jacht de Sperwer / genaemt // HENDRICK HAMEL van Gorcum. // [Schip in houtsn.] // Tot Amsterdam / gedruckt by JACOB VAN VELSEN / in de Kalverstraet / // aen de Ossesluys / Anno 1668.
8 bladen, sign. A2-A5, 4o, afwisselend Gothische en Romeinsche letter.
Op de keerzijde van den titel bovenaan de "Namen van de acht Maets die van 't Eylandt Coeree af gekomen zijn." en de "Namen van de acht Maets die daer noch zijn." Daaronder begint het Journael, dat ook de 14 volgende bladzijden geheel vult. De eerste bladzijde bijna geheel in Romeinsche letter, de tweede geheel Gothisch, en zoo verder afwisselend; het laatste stuk is met heel kleine Romeinsche letter gedrukt.
De beschrijving van Corea ontbreekt in deze uitgaaf.
Exemplaar in de bibliotheek van het Indisch genootschap te 's-Gravenhage.
Journael, // Van de ongeluckighe Voyagie // van 't Jacht de Sperwer / van Batavia ghedestineert na Tayowan / in 't // Jaer 1653. en van daer op Japan; hoe 't selve Jacht door storm op het // Quelpaerts Eylandt is gestrant / ende van 64. personen / maer 36. // behouden aen het voornoemde Eylant by de Wilden zijn gelant: // Hoe de selve Maets door de Wilden daer van daen naer het // Coninckrijck Coeree zijn vervoert / by haer genaemt Tyo-//cen-koeck; Alwaer zy 13 Jaren en 28 dagen in slaver- // nye onder de Wilden hebben gezworven / zijnde in die // tijt tot op 16. na aldaer gestorven / waer van 8 Per- // sonen in 't Jaer 1666. met een kleyn Vaertuych // zijn ontkomen / latende daer noch 8. Maets // sitten / ende zijn in 't Jaer 1668. in het // Vaderlandt gearriveert. // Alles beschreven door de Boeckhouder van 't voornoemde // Jacht de Sperwer / genaemt // Hendrick Hamel van Gorcum. // [Schip in houtsn.] // Tot Amsterdam / Gedruckt by Jacob van [Velsen / in de Kalverstraet /] // aende Ossesluys / An[no 1668.]
8 bladen, sign. A2-A5, 4o, afwisselend Gothische en Romeinsche letter.
Op de keerzijde van den titel bovenaan de "Namen van de acht Maets die van 't Eylandt Coereé af gekomen zijn." en "De Namen van de Maets die noch daer zijn." Daaronder begint--in Gothische letter--het Journael, dat ook de volgende 14 bladzijden geheel vult. In afwijking van den hiervoor beschreven druk is de eerste tekstbladzijde in Gothische letter; verder komen beide overeen. Ook hier is het laatste stuk met heel kleine Romeinsche letter gedrukt.
De beschrijving van Corea ontbreekt ook in deze uitgaaf.
Exemplaar in de Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam. Van den titel ontbreekt een stuk, waardoor ook enkele tekstregels aan de keerzijde verlies geleden hebben.
JOURNAEL, // Van de Ongeluckige Voyagie van 't Jacht de Sperwer/ van // Batavia gedestineert na Tayowan/ in 't Jaar 1653. en van daar op Japan; hoe 't selve // Jacht door storm op 't Quelpaarts Eylant is ghestrant/ ende van 64. personen / maar 36. // behouden aan 't voornoemde Eylant by de Wilden zijn gelant: Hoe de selve Maats door // de Wilden daar van daan naar 't Coninckrijck Coeree sijn vervoert/ by haar ghenaamt // Tyocen-koeck; Alwaar zy 13. Jaar en 28. daghen/ in slavernije onder de Wilden hebben // gesworven/ zijnde in die tijt tot op 16. na aldaar gestorven/ waer van 8. Persoonen in // 't Jaar 1666. met een kleen Vaartuych zijn ontkomen/ latende daar noch acht // Maats sitten/ ende zijn in 't Jaar 1668. in 't Vaderlandt gearriveert. // Als mede een pertinente Beschrijvinge der Landen/ Provin-//tien/ Steden ende Forten/ leggende in 't Coninghrijck Coeree: Hare Rechten/ Justitien // Ordonnantien/ ende Koninglijcke Regeeringe: Alles beschreven door de Boeck-//houder van 't voornoemde Jacht de Sperwer/ Ghenaamt // HENDRICK HAMEL van Gorcum. // Verciert met verscheyde figueren. // [houtsnee: de schipbreuk van de Sperwer] // Tot Rotterdam, // Gedruckt by JOHANNES STICHTER/ Boeck-drucker: Op de Hoeck // van de Voghele-sangh/ inde Druckery/ 1668.
16 bladen, 20 + 12 bladzijden, sign. A-D, 4o, Gothische letter.
Op de keerzijde van den titel de beide naamlijstjes (opschriften en spelling-eigenaardigheden als in de laatst beschreven uitgaaf-van Velsen). Het journaal vult blz. 3-20. In den tekst 7 tamelijk grove houtsneden, voorstellende de gevangenneming (blz. 5), strafoefening (blz. 8), overvaart in vier Coreaansche schepen (blz. 9), gehoor bij den Koning (blz. 11), dwangarbeid (blz. 13), vlucht in een scheepje (blz. 18), aankomst bij de Hollandsche vloot in Japan (blz. 20). Na het Journael volgt een nieuwe titel:
Beschryvinge // Van 't Koninghrijck // Coeree, // Met alle hare Rechten, Ordon-//nantien, ende Maximen, soo inde Politie, als // inde Melitie, als vooren verhaelt. // [Ornamenthoutsnede] // Anno M.DC.LXVIIJ.
Op devolgende bladzijden (2-12) de tekst, met Ornamenthoutsnede aan het slot.
Exemplaren in de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage, in de Univ.-bibl. te Leiden en te Amsterdam, en in de verzameling-Mensing te Amsterdam.
Naar een exemplaar van deze uitgaaf gaf de heer J.F.L. de Balbian Verster in 1894 een overzicht van de lotgevallen der schipbreukelingen en van de beschrijving van Corea in Eigen Haard (blz. 629, 646) o.d.t.: Dertien jaar gevangen in Korea, met facs. van den titel en 6 van de prenten, en in Het Nieuws van den dag (1 en 9 Oct.) o.d.t. .Hollanders in Korea, ondert. Toeridjéné.
't Oprechte JOURNAEL, // Van de ongeluckige Reyse van 't Jacht de // Sperwer, // Varende van Batavia na Tyowan en Fer-// mosa/ in 't Jaer 1653. en van daer na Japan/ daer // Schipper op was REYNIER EGBERTSZ. van Amsterdam. // Beschrijvende hoe het Jacht door storm en onweer op Quelpaerts Ey-//lant vergaen is/ op hebbende 64. Man/ daer van 36. aen Lant zijn geraeckt/ en gevan-//gen genomen van den Gouverneur van 't Eylant/ die haer als Slaven na den Coninck // van Coree dede voeren/ alwaer sy 13. Jaren en 28. dagen hebben in Slaverny moeten blij-//ven/ waren in die tijdt tot op 16. nae gestorven: Daer van acht persoonen in 't Jaer 1666. // met een kleyn Vaertuygh zijn 't ontkomen/ achterlatende noch acht van haer Maets: // En hoe sy in 't Vaderlandt zijn aen gekomen Anno 1668. in de Maent July. // [Schip in houtsn.] // t' Amsterdam, Gedruckt // By GILLIS JOOSTEN SAAGMAN, in de Nieuwe-straet/ // Ordinaris Drucker van de Zee-Journalen en Landt-Reysen.
20 bladen, 40 genumm. bladzijden, sign. A-E, 4o, Gothische letter, 2 kolommen.
Op de keerzijde van den titel een groote houtsnede, de Faam, door van Sichem, die reeds voor verscheiden oudere Journael-uitgaven van Saagman is geplaatst. De graveursnaam op den aardbol is nu vervangen door het woord d'Atlas. Onder de prent een zesregelig versje:
Ghy die begeerigh zijt yets Nieuws en vreemts te lesen, Kond' hier op u gemack, en in u Huys wel wesen, En sien wat perijckelen dees Maets zijn over g'komen, Haer Schip dat blijft door storm, gevangen zijns' genomen, In een woest Heydens landt; in 't kort men u beschrijft Den handel van het volck, d'Negotie die men drijft. Hier nae een Beter.
Op Pag. 3 begint de Korte Beschrijvinghe van de Reyse. In enkele regels wordt de afvaart van Texel (10 Jan. 1653) en de aankomst voor Batavia (1 Juni) verhaald, en daarna evenals in het handschrift-journael en in de andere uitgaven, het vertrek van Batavia (18 Juni) en de verdere reis. In de redactie zijn over't geheel slechts kleine verschillen met het handschrift en met de andere drukken. De beschrijving van Corea staat hier op hare plaats midden in het journaal, evenals in het handschrift (pag. 18-33). Op den kant zijn jaartallen en korte inhoudsopgaven geplaatst, en op pag. 30-31, in de opsomming van de dieren, is eene beschrijving ingevoegd, met twee groote prenten van de olifanten die in Indië zijn en van de crocodillen of kaymans die "hier te lande" veel zouden gevonden worden. Een kantteekening geeft aan, dat dit is eene "Nota tot vervullinghe van dese twee pagiens". Het journaal eindigt niet, zooals in de andere drukken, met de aankomst in Japan, maar geeft evenals het handschrift, in enkele regels bericht van het verblijf aldaar, het verhoor voor het vertrek (maar zonder den tekst van het verhoor), van de reis naar Batavia, met toevoeging van de behandiging van het journaal aan "den Generael", van de afreis en de aankomst te Amsterdam op 20 Juli 1668. De beide naamlijstjes volgen.
In den tekst 6 prenten--5 gravures en een houtsnede--uit den voorraad van Saagman: Op p. 4: een schipbreuk, vroeger gebruikt in de reis van Bontekoe; op pag. 7: het optrekken van een stoet gewapenden, een wagen met twee paarden, en twee kameelen, naar een versterkte plaats; op pag. 13: gevangenen voor een Oostersch vorst gebracht; op pag. 22 "Straffe der Hoereerders" uit de 2e reis van Van Neck; in de bladvulling op p. 30 een groote olifant in houtsnee, door Saagman reeds in zijn uitgaaf van Linschoten's Itinerario gebruikt, en op p. 31 een groote gravure, een landschap met krokodillen en casuarissen voorstellende.
Exemplaren in de Kon. Bibl. te 's-Gravenhage en in de verzameling-Koch te Rotterdam.
JOURNAEL // Van de ongeluckige Reyse van 't Jacht de // Sperwer, // Varende van Batavia na Tyowan en Fer- // mosa / in 't Jaer 1653. en van daer na Japan / daer // Schipper op was REYNIER EGBERTSZ. van Amsterdam. // Beschrijvende hoe het Jacht door storm en onweer ver-//gaen is / veele Menschen verdroncken en gevangen sijn: Mitsgaders // wat haer in 16. Jaren tijdt wedervaren is / en eyndelijck hoe // noch eenighe van haer in 't Vaderlandt zijn aengeko- // men Anno 1668. in de Maendt July. // [Houtsnee met 2 schepen] // t' Amsterdam, Gedruckt // By GILLIS JOOSTEN SAAGMAN, in de Nieuwe-straet / // Ordinaris Drucker van de Zee-Journalen en Landt-Reysen.
20 bladen, 40 genumm. bladzijden, sign. A-E, 4o, Gothische letter, 2 kolommen.
Op de keerzijde de Faam met het gedichtje als in "'t Oprechte Journael". Ook de tekst komt doorgaans, behoudens onbeduidende spellingverschillen, letterlijk overeen. Op p. 7 is een andere gravure geplaatst: een fort aan den waterkant, en de bladvulling op p. 30/31 is veranderd. De groote krokodillenprent is door een kleinere afbeelding van een "Krockedil" vervangen, de kantteekening die de bladvulling als zoodanig aanwees, is weggelaten, en ook van de olifanten wordt gezegd, dat ze "hier" zijn. De beide beschrijvingen zijn iets uitvoeriger gemaakt om de ruimte te vullen.
Exemplaar in de verzameling-Mensing te Amsterdam.
JOURNAEL, // Van de ongeluckige Reyse van 't Jacht de // Sperwer, // Varende van Batavia na Tyowan en Fer- //mosa / in 't Jaer 1653. en van daer na Japan / daer // Schipper op was REYNIER EGBERTSZ. van Amsterdam. // Beschrijvende hoe 't Jacht door storm en onweer op Quelpaerts Eylant // vergaen is/ op hebbende 64 man / daer van 36 aen landt zijn geraeckt / en gevangen ghe- // nomen van den Gouverneur van 't Eylandt / die haer als Slaven na den Koningh van // Coree dede voeren / alwaer sy 13 Jaren en 28 daghen hebben in slaverny moeten blijven; // waren in die tijdt tot op 16 na gestorven: daer van 8 persoonen in 't 1666. met een kleyn // Vaertuygh t' ontkomen zijn / achterlatende noch 8 van haer Maets: En hoe sy in 't // Vaderlandt zijn aen-gekomen / Anno 1668. in de Maent Julij. // [Schip in houtsnee.] // t' Amsterdam, // By GILLIS JOOSTEN ZAAGMAN, in de Nieuwe-straet / // Ordinaris Drucker van de Zee-Journalen en Landt-Reysen.
20 bladen, 40 genumm. bladzijden, sign. A-E, 4o, Gothische letter, 2 kolommen.
Op de keerzijde de Faam met het gedichtje als in de beide andere uitgaven van Zaagman. Ook de tekst komt over het geheel bladzijde voor bladzijde overeen. Op pag. 7 het fort aan den waterkant; op p. 22 is de prent weggelaten; op p. 23, waar van de reverentie voor de afgoden sprake is, is een groote gegraveerde afbeelding ingevoegd, ontleend aan de reisverhalen van Linschoten en Houtman (zie Werken Linsch.-vereen. VII, blz, 124); de geheele bladvulling met de beide prenten (olifant en krokodil) op p. 30/31 is weggelaten; daarvoor is op p. 30-32 (4 kolommen) ingevoegd eene "Beschrijvinghe van des Konings Gastmael" uit de "Javaense Reyse gedaen van Batavia over Samarangh na de Konincklijcke Hoofd-plaets Mataram, in den jare 1656", uitgegeven te Dordrecht in 1666. Het gastmaal van den Sousouhounan, Grootmachtighste Koninck van't Eyland Java is zonder eenige aanwijzing naar Corea overgebracht.
Exemplaar in de Pruisische Staatsbibliotheek (Kgl. Bibliothek) te Berlijn, afkomstig van de Instelling voor ond. in de taal-, land- en volkenk, van Ned. Indie te Delft.
HET OVERZICHT VAN DE REIS BIJ MONTANUS.
Gedenkwaardige gesantschappen der Oost-Indische Maatschappy in 't Vereenigde Nederland, aan de Kaisaren van Japan. Door ARNOLDUS MONTANUS. t' Amsterdam By JACOB MEURS 1669.
In dit werk, in folio, in twee kolommen gedrukt, wordt op p. 429-436 een kort verhaal gegeven, aan het journaal van Hamel ontleend, beginnende met de schipbreuk, en eindigende met de aankomst der geredde mannen op "Disma".
DE FRANSCHE EN DUITSCHE UITGAVEN.
RELATION // du // naufrage // d'un vaisseau holandois, // Sur la Coste de l' Isle de Quel-//paerts: Avec la Description // du Royaume de Corée: // traduite du Flamand, // Par Monsieur MINUTOLl. // A Paris, // Chez THOMAS JOLLY, au Palais, // dans la Salle des Merciers, au coin // de la Gallerie des prisonniers, a la // Palme & aux Armes d' Holande. // M.DC.LXX. // Avec privilege du Roy.
Ook met ander uitgevers-adres:
RELATION // du // naufrage //.....//A Paris, // Chez LOUYS BlLLAlNE, au second // Pilier de la grande Salle du Palais, // à la Palme, & au grand Cesar. // M.DC.LXX. // Avec privilege du Roy.
4 ongenummerde bladen (titel, avertissement en privilege); 165 genumm. bladzijden (sign. A-O), 12o, Rom. letter.
De tekst komt deels met de uitg. van Stichter, deels met die van Saagman overeen. Het journaal begint met de afvaart van Texel, en eindigt op pag. 100 met de terugkomst te Amsterdam en de twee naamlijstjes. De beschrijving van Corea is afzonderlijk na het journaal geplaatst (p. 101-165), evenals bij Stichter; de olifanten worden echter vermeld, en de crocodillen uitvoerig beschreven naar Saagman (p. 107-108). Op de laatste blz. (166) opgaaf van drukfouten.
Exemplaren in de Univ.-bibl. te Amsterdam (de beide varianten) en te Leiden, en bij de firma Mart. Nijhoff te 's-Gravenhage.
Deze redactie van het werkje is herdrukt in den Recueil de voyages au Nord, Amst. 1715, en in Engelsche vertaling opgenomen in de groote 18e-eeuwsche Engelsche verzamelingen van reizen, en daarnaar weer vertaald in het Fransch, Nederlandsch en Duitsch. Zie hierna.
Wahrhaftige // Beschreibungen // dreyer mächtigen Königreiche/ // Japan, // Siam, // und // Corea. // Benebenst noch vielen andern/ im Vorbe-//richt vermeldten Sachen: // So mit neuen Anmerkungen/ und schönen // Kupferblättern,' // von // CHRISTOPH ARNOLD/ // vermehrt/ verbessert/ und geziert. // Denen noch beygefüget // JOHANN JACOB MERKLEINS/ // von Winsheim,/ // Ost-Indianische Reise: // Welche er im Jahre 1644 löblich angenommen/ und im // Jahre 1653 glücklich vollendet. // Samt einem nothwendigen Register. // Mit Röm. Käys. Majest. Freyheit. // Nümberg/ // In Verlegung MICHAEL und JOH. FRIEDERICH ENDTERS. //Im Jahre M.DC.LXXII.
Deze algemeene titel staat op het tweede blad. Het eerste geeft eene gegraveerde voorstelling, waarop de titels der voornaamste in het boek opgenomen werken: FR. CARONS Japan. IOD. SCHOUTEN Königreich Siam. J.J. MERKLEINS Ost-Ind: Reisbuch. HENDR. HAMELS Corea. Onderaan: P. TROSCHEL sculp.
24 + 1148 + 36 bladzijden, 8o, Hoogduitsche letter, kopergravures. Op bladz. 811 de titel:
JOURNAL, // oder // Tagregister/ // Darinnen // Alles dasjenige/ was sich mit einem // Holländischen Schiff/ das von Batavien aus/ // nach Tayowan, und von dannen ferner nach Japan, // reisfertig/ durch Sturm/ im 1653. Jahre gestrandet, // und mit dem Volk darauf/ so in das Königreich Corea, // gebracht worden/ nach und nach begeben/ ordent-//lich beschrieben/ und erzehlet wird: // von // HEINRICH HAMEL/von Gorkum/ // damaligem Buchhalter/ auf demjenigen // Schiff/ Sperber genant. // Aus dem Niederländischen verteutschet.
Op de keerzijde de korte inhoud, aan den titel van de Hollandsche uitg. ontleend, met de beide naamlijstjes (p. 812/813). Voorts het journaal (p. 814-882), overeenkomende met de uitg. Van Velzen, zonder de landbeschrijving en zonder prenten; met noten, deels aan Montanus ontleend. Op p. 883-900 volgt Martin Martins Bericht von der Halbinsel Korea ... Verteuscht.
Exemplaar in de Universiteits-bibliotheek te Amsterdam.
HET JOURNAAL IN DE GROOTE VERZAMELINGEN VAN REIZEN.
(gedeeltelijk naar Cordier, Bibliotheca Sinica.)
A collection of voyages and travels. 4 vol. London, John Churchill 1704. fo.
In vol. IV, p. 607-632; en ook in de latere uitgaven 1732, 1744/45 (IV p. 719-742), 1752:
An account of the shipwreck of a Dutch vessel on the coast of the Isle of Quelpaert, together with the Description of the Kingdom of Corea. Translated out of French.
Naar de uitgaaf van 1732 is de tekst, met kleine correcties, herdrukt in:
Corea, without and within. By William Elliot Griffis. Philadelphia 1884.--Second ed. ibid. 1885.
Een onveranderde herdruk in: Transactions of the Korea Branch of the Royal Asiatic Society Vol. IX, 1918, met "foreword" onderteekend door den president Mark Napier Trollope, Bishop in Corea, waarin twijfel wordt uitgesproken, of het herdrukte exemplaar zonder titelblad uit de collectie Churchill was of uit een der hierna beschrevene.
Navigantium atque Itinerantium Bibliotheca: or, a compleat collection of voyages and travels. By JOHN HARRIS. 2 vol. London 1705 fo. (2 kol.).
In de Appendix op p. 37-40:
An Account of the Shipwreck of a Dutch Vessel upon the Coast of the Isle of Quelpaert; with a Description of the Kingdom of Corea in the East Indies. Also of the tedious Captivity of 36 Men, who got ashore upon that Isle; and of the Escape of 8 of 'em to Japan, and thence to Holland. First publish'd in that Country by the Clerk of the Ship, who was one of them that escap'd: since Translated and Abridg'd.
Het verkorte verhaal vermeldt de schipbreuk, op reis van Batavia naar Japan, en eindigt met den terugkeer in Holland op 20 Juli 1668. Daarop volgt de beschrijving van Corea, eveneens zeer verkort, zonder de olifanten en krokodillen.
Recueil de voyages au Nord. A Amsterdam, chez JEAN FRÉD. BERNARD 1715; nouv. éd. 1732. 8o.
In deel IV (p. 243-347 in de uitg. van 1782):
Relation du naufrage d'un vaisseau Hollandois, sur la côte de l'Isle de Quelpaerts: avec la description du Royaume de Corée.
Herdruk van de vertaling van Minutoli.
A new and general collection of voyages and travels, consisting of the most esteemed relations which have been published in any language. By Mr. JOHN GREEN. 4 vol. London, Astley 1745-47. 4o.
In vol. IV p. 239-347 het reisverhaal van Hamel, met de beschrijving van Corea, naar de collection van Churchill.
Histoire génerale des voyages, ou nouvelle collection de toutes les relations de voyages qui ont été publiées jusqu'à présent, par l'abbé PRÉVOST. (voortgez. door de Querlon en de Surgy) 20 vol. Paris 1746-89. 40.
De eerste deelen zijn vertaald naar de Engelsche coll. van Green. Er bestaat ook een uitg. in 12o in 80 deelen. Van 1747-80 verscheen een uitg. in Den Haag in 25 deelen in 4o, deels rechtstreeks naar Green vertaald, deels uit andere bronnen aangevuld, deels naar de Parijsche uitgaaf.
In vol. VIII (1749) p. 412-429:
Voyage de quelques Hollandois dans la Corée, avec une relation du Pays et de leur naufrage dans l'Isle de Quelpaert.
Historische Beschryving der reizen. 21 deelen. 's Gravenhage, by Pieter de Hondt. 1747-1767. 4o.
Nederlandsche uitg. van de Hist. gén. des voyages. In dl. X (1750) p. 18-48:
Schipbreuk van eenige Hollanders, op 't Eiland Quelpaert, in Koréa, en hun Berigt van de Landstreek.
Allgemeine Historie der Reisen zu Wasser und Lande. 21 Bde. Leipzig, bey Arkstee und Merkus 1748-1774. 4o.
Duitsche bewerking van de Hist. gén. des voyages. In Bd. VI (1750) p. 573-608:
Reisen einiger Holländer nach Korea, nebst einer Nachricht von dem Lande, und von ihrem Schiffbruche an der Insel Quelpaert. Durch HEINRICH HAMEL. Aus dem Französischen übersetzt.
A general collection of the best and most interesting voyages and travels of the world. By JOHN PINKERTON. 17 vol. London 1808-1814. 4o.
In vol. VII p. 517:
Travels of some Dutchmen in Korea; with an account of the country, and their shipwreck on the Island of Quelpaert. By HENRY HAMEL. Translated from the French.
GERAADPLEEGDE LITERATUUR. [392]
BEGIN ENDE VOORTGANGH van de Vereenighde Nederlantsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie. II. [Amsterdam], 1646.
BELCHER (Capt. Sir E.). Narrative of the voyage of H.M. Semarang, during the years 1843-46. London, 1848.
BESCHERELLE AÎNÉ. Dictionnaire national. Paris, 1851.
CARLES (W. R.). A Corean monument to Manchu clemeney (Journal North China Branch R.A.S. XXIII, 1888).
CHAILLÉ-LONG-BEY. La Corée ou Tchösen. Paris, 1894.
CHUNG (H.). Korean treaties. New York, 1919.
COEN (Jan Pietersz.). Bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië. Verzameld door Dr. H.T. Colenbrander. I-II. 's-Gravenhage, 1919-20.
COLLYER (C.T.). The culture and preparation of Ginseng in Korea (Transactions Korea Branch R.A.S. III, 1903).
COULING (S.). The Encyclopaedia Sinica. London etc., 1917.
COURANT (M.). Bibliographie coréenne, etc. Dl. I. Introduction. Paris, 1894.
DAGH-REGISTER gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter plaetse als over geheel Nederlandts-India. Batavia--'s Hage, 1887-1918.
DALLET (Ch.). Histoire de l'Eglise de Corée précédée d'une Introduction sur l'histoire, les institutions, la langue, les moeurs et coutumes coréennes. Paris, 1874.
DAM (Mr. P. van). Beschrijvinge van de Oost Indische Compagnie. (Handschrift Kol. Archief).
DANVERS (Fr. Ch.). The Portuguese in India being a history etc. II. London, 1894.
DAVIDSON (J. W.). The island of Formosa past and present. History, people, resources and commercial prospects. London etc., 1903.
DIARY of Richard Cocks, cape-merchant in the English factory in Japan 1615-1622. Edited by E.M. Thompson. London, 1883.
DICTIONNAIRE Coréen-Francais, par les missionnaires de Corée. Yokohama, 1880.
DOEFF (H.). Herinneringen uit Japan. Haarlem, 1833.
DU HALDE (J.B.) Description géographique, historique, chronologique ... etc. de l' Empire de la Chine et de la Tartarie Chinoise. Nouv. édition. IV. La Haye, 1736.
DIJK (Mr.L.C.D. van). Zes jaren ... enz., gevolgd door Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan. Amsterdam, 1858.
ENCYCLOPAEDIE van Ned.-Indië. Tweede druk, dl. I. 1917.
GALE (J.S.). The influence of China upon Korea (Transactions Korea Branch R. A. S. I, 1900).
----The Korean Alphabet (a. b. IV, I, 1912).
GARDNER (C. T.). The coinage of Corea (Journal China Branch R.A.S. New Ser. XXVII, 1895).
GRAAFF (N. de) Reisen ... [en] d'Oost Indise Spiegel, enz. Hoorn, 1701.
GRIFFIS (W.E.). Corea, the Hermit nation. Seventh edition. London,1905.
----Corea without and within. Second édition. Philadelphia, 1885.
GROENEVELDT (W.P.). De Nederlanders in China. I. (Bijdragen Kon. Inst. VIe Volgr. dl. 4, 1898).
GÜTZLAFF (K.). Reizen langs de kusten van China, en bezoek op Corea en de Loo Choo eilanden in 1832 en 1833. Rotterdam, 1835.
HAAN (Dr. F. de). Priangan. De Preanger-Regentschappen onder het Nederlandsch Bestuur tot 1811. Batavia, 1910-12.
----Uit oude notarispapieren. II: Andreas Cleyer (Tijdschr. Bat. Gen. XLVI, 1903).
HOANG (P.) Synchronismes chinois. (Variétés sinologiques. No. 24). Changhai, 1905.
HOBSON-JOBSON. A glossary of colloquial Anglo-Indian words and phrases, by H.Yule and A.C.Burnell. New édition. London, 1903.
HODENPIJL (A.K.A. Gijsberti). De wederwaardigheden van Hendrik Zwaardecroon in Indië na zijn aftreden (Ind. Gids. 1917, II).
HOLLANTSCHE MERCURIUS vervattende de voornaemste geschiedenissen enz. Dl. XV en XIX. Haarlem, 1665, 1668.
HUART (C.I.). Mémoire sur la guerre des Chinois contre les Coréens de 1618 à 1637 (Journal Asiatique, 7e Ser. XIV, 1879).
HULBERT (H.B.). Korean survivals (Transactions Korea Branch R.A.S. I, 1900).
HULLU (Dr. J.de). Iets over den naam Quelpaertseiland (Tijdschr.Kon. Ned. Aardr. Gen. 2e Ser. dl. XXXIV, 1917).
ICHIHARS (M.). Coinage of old Korea (Transactions Korea Branch R.A.S. IV, 2, 1913).
JONGE (Jhr. Mr. J.C. de). Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen. Tweede druk, dl. I. Haarlem, 1858.
JONGE (Jhr. Mr. J.K.J. de). De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië. Dl. III. 's-Gravenhage--Amsterdam, 1865.
KAMPEN (N.G. van). Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa ... van het laatste der zestiende eeuw tot op dezen tijd. Dl. II. Haarlem, 1831.
KAEMPFER (E.). De beschryving van Japan enz. 's-Gravenhage--Amsterdam, 1729.
LA PÉROUSE (J.F.G. de). Voyage autour du monde, publié par M.L.A. Milet-Mureau. Paris, 1797.
LETTERS written by the English Residents in Japan 1611-1613 etc., edited by N. Murakami and K. Murakawa. Tokyo, 1900.
LEUPE (P.A.). De verovering van het fort La Sanctissima Trinidad op Formosa (Bijdragen Kon. Inst. 2e Volgr. dl. 2, 1859).
LINSCHOTEN (J.H. van). Itinerario. Voyage ofte Schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indien, inhoudende ... enz. (Gevolgd door) Reysgeschrift van de Navigatien der Portugaloyers in Orienten enz. Amsterdam, 1595.
LOG-BOOK (The) of William Adams, edited by C.J. Purnell (Transactions Japan Society of London, XIII, 2, 1914-15).
MAYERS (W.F.). The treaty ports of China and Japan. (London--Hongkong, 1867.
MEMORIALS of the Empire of Japan: in the XVI aud XVII centuries. Edited by Th. Rundall. (Part. II: The letters of William Adams 1611-1617). London, 1850.
MONTALTO DE JESUS (C.A.). Historic Macao. Hongkong, 1902.
MONTANUS (A.). Gedenkwaerdige Gesantschappen der Oost-Indische Maatschappij ... aen de Kaisaren van Japan, enz. Amsterdam, 1669.
MULERT (F.E.). Nog iets over den naam Quelpaertseiland (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2e Ser. dl. XXXV, 1898).
MULLER (Dr. H.P.N.). Azië gespiegeld. Dl. I. Utrecht, 1912.
NACHOD (O.). Die Beziehungen der Niederländischen Ost-Indischen Kompagnie in Japan im siebzehnten Jahrhundert. Leipzig, 1897.
----Die älteste abendländische Manuscript-Spezialkarte von Japan von Fernao Vaz Dourado 1568. Roma, 1915.
NOTICES of Japan. No. VII. (Chinese Repository. X, 1841).
PAPINOT (E.). Historical and geographical Dictionary of Japan. Tokyo, (1909).
PARKER (E.H.). China. Her history, diplomacy and commerce. Second edition. London, 1917.
PARKER (E.H.). China, past and present. London, 1917.
----Corea. (China Review. XIV, XVI).
----The Manchu relations with Corea. (Transactions Asiatic Society of Japan. XV, 1887).
PHILIPPINE ISLANDS (The) 1493-1898. Edited and annotated by Emma H. Blair and J. Robertson. Dl. XXII, XXIV en XXXV. Cleveland, 1905-1906.
PLAKAATBOEK (Nederlandsch Indisch) 1602-1811, door Mr. J.A. van der Chijs. Batavia--'s Hage, 1885-1900.
REIN (Dr. J.J.) The climate of Japan (Transactions Asiatic Society of Japan. VI, 3, 1878).
RITTER (C.). Die Erdkunde von Asien. Zweite Ausgabe. Band III. Berlin, 1834.
ROSS (J.). History of Corea, ancient and modern, with description of manners, etc. Paisley, (1880).
----The Manchus, or the reigning dynasty of China: their rise and progress. London, 1891.
SCOTT (J.). Stray notes on Corean history, etc. (Journal China Branch R.A.S. New Ser. XXVIII, 1893-94.).
SIEBOLD (Ph. von). Geschichte der Entdeckungen im Seegebiete von Japan. Leyden, 1852.
----Nippon. Archif zur Beschreibung von Japan. Leiden, 1832-52.
SPEELMAN (C.). Journaal der reis van den gezant der O.I. Compagnie Joan Cunaeus enz. Uitgegeven door A. Hotz. Amsterdam, 1908.
TASMAN (A.J.). Journal of his discovery of Van Diemens Land and New Zeeland in 1642 etc., by J.E. Heeres. Amsterdam, 1898.
TELEKI (Graf. P.). Atlas zur Geschichte der Kartographie der japanischen Inseln. Budapest--Leipzig, 1909.
TIELE (P.A.). Mémoire bibliographique sur les journaux des navigateurs néerlandais, etc. Amsterdam, 1867.
----Nederlandsche bibliographie van land- en volkenkunde. Amsterdam, 1884.
VALENTYN (Fr.). Oud en Nieuw Oost-Indiën, vervattende, enz. Dl. V, 2. Dordrecht--Amsterdam, 1726.
'T VERWAERLOOSDE FORMOSA, of waerachtig verhael enz. Amsterdam, 1675.
VOYAGE (The) of Captain John Saris to Japan, 1613. Edited ... by E.M. Satow, London, 1900.
WILLIAMS (S. Wells). The Middle Kingdom, a survey of the geography, government etc. of the Chinese Empire. Revised edition. New York, 1899.
WITSEN (N.). Noord en Oost Tartarye, enz. Eerste druk. Amsterdam, 1692; Tweede druk. Amsterdam, 1705.
YAMAGATA (J.). Japanese-Korean relations after the Japanese invasion of Korea in the XVIth century. (Transactions Korea Branch R.A.S. IV, 2, 1913).
IJZERMAN (J.W.). Over de belegering van het fort Jacatra (Bijdragen Kon. Inst. dl. 73, 1917).
ZOMEREN (Mr. C. van). Beschryvinge der stadt van Gorinchem en landen van Arkel. Gorinchem, 1755.
AANTEEKENINGEN
[1] Formosa. Zoo werd het eiland gedoopt door de Portugeezen; bij de Spanjaarden heette het Hermosa; de Chineesche naam is Tai-oan d.i. Terrasbaai; de Japanners noemden het Takasago (zie Papinot, Dictionary of Japan); in Compagnie's stukken wordt gesproken van het "Eijlandt Paccam ofte Formosa", b.v. in Gen. Miss. 3 Febr. 1626: "Tot ontdeckingh vant Eijlandt Paccam ofte Formosa hebben d'onse op den 8en Martio laestleden, onder t' beleijt van d' opperstierman Jacob Noordeloos, uijtgesonden twee joncken ... ende is bevonden om de Noort streckent tot op de hoogte van 25 graden 10 minuijten, ende om de Zuijdt tot omtrent op de 20 1/2 graed". (Verg. Kaart no. 304 in de verzameling van het Alg. Rijksarchief). Eveneens op kaarten: "Pakam of Ilha Formosa" (Alg. Rijksarchief nos. 271 en 288, en Teleki, Atlas zur Geschichte der Kartographie der Japanischen Inseln X).--"Opde Suijdhoek vande Baeij van Taijoan hadden de onse een fort geleijdt ... de plaetse daer 't fort op staet is een sant duijn, ontrent een musquet schoot tegen over t' fort leijt een sandt plaet daer ons comptoir ofte logie op gestaen heeft ..." (Dagr. Bat. 9 April 1625, bl. 144). "de uijtsteeckende plaet bij het vastelandt van Formosa, sijnde Taijouan" (Patr. Miss. 26 April 1650).--Gouvern. Pieter Nuijts schrijft 28 Febr. 1628 naar Batavia: "de luijden schijnen van Taijouan omdat het een sombere, dorre ende drooge plaets is een disgoest te hebben".--Den 14en Juli 1650 schreef de Bataviasche Regeering: "'t is wel een schoon eijlandt, gelijck sijne name metbrenght, maer verslint veel menschen vlees" [door het ongezonde klimaat].
[2] Zie Bijlage V_A, 1.
[3] Zie Bijlage V_A, 2. (Gen. Miss. 24 Dec. 1652).
[4] Zie Bijlage V_A, 3.
[5] Bij resolutie van Gouverneur Sonck en den Raad van Taijoan