dd. 14 Januari 1625 werd besloten "ons van de Sandplaet met alle
des Comp.es middelen aen de oversijde (op t' vastelant van Isla Formosa) te transporteeren" ... om "aldaer een volcomen stadt op te rechten." Tevens werd aan "t' alreede opgerechte Casteel" de naam Orangie gegeven en goedgevonden "de Stadt te noemen naer de seven geunieerde provintien de Provintien". De Regeering te Batavia gaf hare goedkeuring bij schrijven van 13 Mei 1625, maar de Bewindhebbers gelastten bij Missive van de Kamer Amsterdam dd. 17 Oct. 1626 "dat het Fort ende Stadt in Teijouhan afgesteeken ende begrepen zal genoemt sijn Zeelandia in plaetse van Provintien." (Missive Batavia naar Taijoan, dd. 27 Juni 1627 en Gen. Miss. 9 Nov. 1627).
Nu lagen echter het Casteel of Fort Zeelandia en de ontworpen stad niet op dezelfde plaats; het Casteel lag op een hoog duin op de zandplaat, en aan het einde van het Casteelsplein, aan de oostzijde, was eene nederzetting van Chineezen welke den naam van "'t Quartier ofte de Stad Zeelandia" droeg" ("'t Verwaerloosde Formosa", bl. 15, 17). De ontworpen stad op het vasteland van Formosa zal om die reden den naam Provintie hebben gehouden. Onder dien naam komt zij voor op eene kaart van Formosa van 1629 (Kol. Arch. no. 140) en bij haar schrijven van 10 Mei 1649 gelastte zelfs de Bataviasche Regeering aan den President Overtwater om "de plaetse Chiaccam op 't voorlant van Formosa welck voor desen geprojecteert ende ondernomen is om het beginsel van een stadt daerop te formeren, ende tot dien eijnde door de Heer Martinus Sonck saler den name Provintie gegeven ende sulcx van hier geapprobeerd was" [en welke Overtwater had herdoopt in "Hoorn"] "sijn vorigen naem van Provincie weder [te] geven."
Na het verzet van Chineezen in 1652 werd "om bij revolte ... Taijouan en Provintie niet te cunnen separeeren ... een suffisant redout aen de oversijde in 't midden van de cruijswech binnen voornde. Provintie" gemaakt (Gen. Miss. 24 Dec. 1652 en Miss. Batavia naar Taijoan dd. 26 Mei 1653, 18 Juni 1653 en 20 Mei 1654) welke redout in begin Mei 1661 aan Kosinga werd overgegeven. (Zie "'t Verwaerloosde Formosa").
Van "het vleck Provintie" spreekt ook de gewezen Gouverneur Verburgh in zijn "Rapport aengaende de gelegentheijt van Formosa", Batavia 10 Maart 1654 (Kol. Arch. no. 1097). Op de kaart onder no. 305 in de verzameling van het Alg. Rijksarchief opgenomen, staat vermeld: "het vlekje Provintie".
[6] De uitgetrokken soldaten en hulpbenden "vonden geen grooter troupen als van 10 à 12 bij den anderen die haer hier en daer in 't suijckerriet ende andere veltgewassen hadden verborgen. Werdende alle die attrapeerden door onse ende der inwoonders handen om 't leven gebracht, zulcx in voorsz. 2 dagen tijts, omtrent de 500 Chinesen massacreerden". ... "Soodat gedurende den oorloch in den tijt van 12 dagen tusschen de 3 à 4000 rebellige Chineesen in wederwraeck van 't verghoten Nederlants Christenbloet verslagen zijn, daermede oock dese revolte tot slissinge ende te niet doening is gebracht". (Gen. Miss. 24 Dec. 1652). De belooning aan inboorlingen, werd gerekend hun toe te komen voor 2600 gemassacreerde koppen.
[7] Als oorzaak van de revolte werd aangenomen "dat de principaelste Chineese lantbouwers wat geprospereert zijnde, nae staet ende gesagh traghtende, off wel door eenigh misnoegen off om al te groote vrijheeden die hun, om haer in dese Republicq aen te locken, toegelaten zijn, uijt eijgen movement dit verfoeijelijck ende verraders werck ondernomen hebben; 't sij soo het wil, dit is een goede waerschouwinge voor ons ende onse nacomelingen zoo wel hier op Batavia als Formosa, altijt een waeckend oogh jegens den arghlistigen ende trouweloosen Chinees in 't seijl te houden en besonder op Formosa wel in agting te nemen geen meester van eenigh geweer en werden. Bovendien hun de groote vrijheeden die se dogh in haer eijgen landt niet gewoon sijn te genieten, soo veel te besnoeijen als doenlijck sij" (Gen. Miss. 31 Jan. 1653).
Heeren XVII waren van hetzelfde gevoelen (Patr. Miss. 30 Jan. 1654) doch kregen weldra een anderen kijk op het voorgevallene: "In UE voorsz. missive van den 26 Maij 1653 nae Taijouan geschreven, hebben wij niet sonder ontsteltenis gelesen dat veele van gevoelen sijn dat de jongste revolte der Chinesen op Formosa waerdoor omtrent 3000 van die natie om 't leven geraeckt sijn, ten principalen soude veroorsaeckt sijn door de extorsien en gewelten die sij voorgeven hun van den Fiscael en andere over hen te seggen hebbende aengedaen. Sijnde voorwaer beclaeghelijck dat ons soodanige onheijlen door toedoen van onse eijgen Ministers overcomen" (Patr. Miss. 16 April 1655).
[8] "Hier nevens werden UEd. andermael overgesonden de schriftelijcke deductien ofte verthoogen der schraperijen, usurpatien, stoute onderneminghen ende vordere quaede handelingen ende practijcken door de predicanten Daniel Gravius ende Gilbert Happart geduerende den tijt haerer residentie op Formosa gepleegt" (Gouverneur Verburg aan de Indische Regeering dd. 26 Febr. 1652).
"In dezen tijd [1649] klaagden de Broeders zeer sterk over den Heer Landvoogd Verburg" (Valentijn, IV, 2e stuk, 4e boek, 1e hoofdstuk, bl. 89). Bedoeld zal zijn Gouverneur Pieter Anthonijsz Overtwater (Zie Res. ulto Juli 1649 waarbij Verburg tot zijn opvolger werd benoemd, en Missive Batavia naar Taijoan 5 Aug. 1649). Over dit krakeel handelt ook eene missive van 19 Jan. 1654 van den Kerkeraad te Batavia aan Heeren XVII. Hoe dezen hierover dachten, blijkt uit het volgende: "T valt seer moeielijck en verdrietigh te hooren de dissentien en onlusten die der telckens voorvallen onder de Ecclesiasticquen mitsgaders de clachten over derselver onbehoorlijcke comportementen, usurpatien en geltgierigheijt en dat in alle residentien van de Compagnie geheel Indien door, en principalijcken op Formosa" (Patr. Miss. 20 Jan. 1654).--"Wij hebben gesien dat volgens onse gegeven ordre, de Ecclesiasticquen nu ontlast sijn van de politijcke regieringe op de dorpen, maer UE sullen daer op hebben te letten dat sulcx niet alleen niet weder compt in te cruijpen, maer datse oock haer sullen hebben te vougen onder diegeene die door den Gouverneur en Raet aldaer de politijcke regieringe en gesach over de dorpen sal aenbevolen sijn" (Patr. Miss. 15 April 1654).--Over "de tusschen den Heer Gouverneur ... ende sijnen Raedt geresen onlusten" zie Res. 12 April 1651 en Miss. Batavia naar Taijoan, dd. 21 Mei 1652.
[9] Voor eenige grootendeels aan Compagnie's papieren uit Japan en Taijoan ontleende bijzonderheden aangaande dezen vermaarden Chinees, zie Bijlage V_C.
[10] "Alsoo nu eenigen tijt herwaerts verscheijdene onlusten in Taijouan onder de Chinesen geresen sijn, ende dat den soon van den grooten Mandarijn Equan niet langer machtich sijnde om den Tartar tegenstand te doen, met sijn bijhebbende macht sich te water begeven heeft, die dan gepresumeert wert het oogh op Formosa geslagen te hebben...." (Res. 10 April 1653; vgl. Miss. Batavia naar Taijoan 25 Juli 1652). Ook Heeren XVII vonden de onderstelling aannemelijk dat de in verzet gekomen Chineezen "daertoe opgemaeckt sijn door Cochin [Koksinga] de soone van Equan, en met hem daerover gecorrespondeert; mitsgaders secours en assistentie verwacht hebben, gelijck den Pater Jesuita [Martinus Martini, over wien zie Bijlage V_D] ons aengedient heeft dat op sijn vertreck uijt China soodanige geruchten daer liepen" (Patr. Miss. 20 Jan. 1654).
[11] Hij werd 1611 te Meurs geboren, was gehuwd met Sara de Solemne, weduwe van Pieter Smidt, en overleed 24 Sept. 1667 als Directeur Generaal. Zie over hem: De Haan, Priangan, I, bl. 216. Voor zijne benoeming tot Gouverneur van Formosa zie Bijlage V_A, 3.
[12] Res. 20 Mei 1653.
[13] Zie Bijlage V_B, 1.
[14] Zie Bijlage V_B, 2 (Res. 24 Mei 1653). Zijne Commissie als Gouverneur van Formosa dd.o 18 Junij Anno 1653, is te vinden in Kol. Archief no. 780.
[15] "Aen d'E. heer Cornelis Cesar, Raadt extraordinaris van India die gedestineert is om na Taijoan te vertrecken ende aldaer 't gouvernement van den E. Nicolaes Verburgh over te nemen mitsgaders de verdre scheepsopperhoofden, wert des middaghs ten huijse van d'Ed. heer generael een vrolijck scheijdmael gegeven, daer hem de heeren Raden van India ende meest alle de gequalificeerde Comps. dienaren alhier, nevens hare huijsvrouwen, als andere genoode gasten, mede laten vinden" (Dagr. Bat. 16 Juni 1653, bl. 82).--In den namiddag had plaats "de publijcke authorisatie van d'E Hr. J. van Maetsuijker in 't generale gouverne van India", welke wederom met "een frisschen dronk" werd bezegeld (a. v. bl. 84).--In Res. 16 Dec. 1681 wordt gesproken van het "ordinaire scheijdmaal" voor de zeilree liggende retourschepen.
[16] "Genoemde Heer Cornelis Caesar is tot becledinghe van sijn opgeleijde chergie met desselfs familie den 18 Junij laestleden pr 't jacht de Sperwer uijt Batavia reede naer Taijouan genavigeert, cargasoen f 64994.17.4" (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). Vgl. Dagr. Bat. 1653, bl. 84 en Bijlage III_A, 3.
[17] "Soo is dan mede verstaen het Jacht Sluijs dat tot de Taijouanse besendinge mede al eenige tijt aengeleght sij geweest alhier overtehouden, ende in desselfs plaets naer Taijouan de Fluijt de Sperwer te gebruijcken die wat grooter van last is" (Res. 9 Mei 1653).
[18] "Alsoo het Jacht de Sperwer dat volgens resolutie van dato den 9en Maij tot de eerste Taijouanse besendinge aengelecht sij geweest, tot noch tot de komst van de vaderlantse retourvloot opgehouden sij geworden om tot transport van eenige krijgsmacht, die wij met genoemde vloot met verlangen te gemoet sien, te konne dienen, ende alsoo deselve buijten gissingh nu komt te tardeeren, het mouson al hooch begint te verloopen om dese besendinge haer voortganck te laten.... is dierhalve in Raaden goetgevonden ende verstaen den 17 deser genoemde Jacht sijn affscheijt te geven en tot transport van de Heer Caesar die als Gouverneur naer Taijouan staet te vertrecken, te dienen ende met deselve 50 militaire coppen tot versterckinge van het Taijouanse garnisoen te laten inbarcqeeren" (Res. 6 Juni 1653). Zie ook de "Zeijlaas ordre", Bijlage III_A, 2.
[19] Den 15en Sept. 1651 ging de Sperwer van de reede van Batavia onder zeil en kwam den 12en Nov. 1652 daar terug. Als Secretaris van de ambassade, maakte Cornelis Speelman de reis mede. (Zie Speelman, Journaal van Cunaeus, uitg. A. Hotz).
[20] "Naer dat d' E. Heer Cornelis Caesar op 16 Julij pr 't jacht de Sperwer in Taijoan was gearriveert" (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). Vgl. Bijlage IIIA, 3.
[21] 27 Mei 1653 "vertrecken van hier directa naer Taijouan de fluijtschepen Trouw, Wittepaert, Smient, mitsgaders de lootsboot Ilha Formosa voor d' eerste besendinge" (Notitie van de schepen soo die van andere plaetsen hier gearriveert sijn als die van hier elders vertrocken sijn sedert 4en Januarij 1653 tot 31 December daer aen volgende).--In Res. 7 Juni 1652 wordt de Smient genoemd: "een hecht, oock wel beseijlt schip".
[22] "Tot vervolghe van den Japansen handel sijn uijt Taijoan 20 ende 29 Julij vervolgens derwaerts gesonden het fluijtschip het Wittepaert ende 't jacht de Sperwer, te weten 't Wittepaert geladen met een cargasoen van f 33803.12.4 en de Sperwer met een do ten bedrage van f 33819.14.15" (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). Vgl. Bijlage III_A, 3.
[23] Zie Bijl. III_A, 3-7, ook voor berichten aangaande den indruk door het vergaan van de Sperwer gemaakt.
[24] Patr. Miss. 25 Sept. 1642.
[25] Volgens de in het Koloniaal Archief aanwezige "Naamlijst der in Japan geregeerd hebbende Opperhoofden zoomede het getal der aangekomen en verongelukte schepen", loopende tot 1850, zijn aangekomen 716 en verongelukt 27 schepen.
[26] O. Nachod, Die Beziehungen, enz., bl.330 en Beilage 63 A.
[27] Wilhelm Volger, Opperhoofd, Daniel Six, tweede persoon, Nicolaes de Roij, ondercoopman en Daniel van Vliet, assistent.
[28] ".... ende naer datse de naemen der verblijvende Nederlanders, als swarte jongens, welke met de seven matroosen en een boukhouder (uijt Corre hier aengecomen) een getal van 29 personen uijtmaecken, opgenomen hadden" (Dagr. Japan, 19 Oct. 1666).
[29] Vijf eilanden; "a group of islands north-west of Kyushu, belonging to the province of Hizen" (Papinot, Dictionary).
[30] Decima, d. i. Voor-eiland. ".....comen voorm. scheepen hier voor Schisima offte 's Comps. residentieplaats ten ancker" (Dagr. Japan 14 Aug. 1646). Onze loge was van den beginne (1609) af te Hirado (Firando)--zie eene afbeelding van "De Loge op Firando" in: Montanus, Gedenkwaardige Gesantschappen, bl. 28--maar 11 Mei 1641 werd den onzen aangezegd "dat gehouden sullen sijn haer schepen voortaen in Nangasacque te doen havenen, met hunne gantsche ommeslach uijt Firando opbreecken ende die aldaer transporteren" (Dagr. Japan). De verhuizing duurde van 12 tot 24 Juni 1641 en 25 Juni kwam het Opperhoofd Le Maire van Firando voor goed naar Nagasaki (a. v.). (De "Naamlijst" vermeldt van Le Maire: "1641,den 21 Maij van Firando naar Decima verhuijst".Zie ook: Dagr. Bat. Dec. 1641, bl. 68). Hier moesten de onzen het kwartier betrekken dat in 1635 voor de Portugeezen was gebouwd (Dagr. Japan 3/4 Febr. 1635) en waarvan François Caron den 29en Juli 1636 deze beschrijving gaf: "... gingen het logement ofte gevanckenis der Portugeesen besichtigen, sijnde een werck 't welk in de baij van Nangasackij aen de Zuijtsijde van steen ende aerde uijt den water is opgehaelt,lanck een stadije ofte 600 voeten ende 240 voeten breedt, rondt omme met een dicht gependen pagger waerinne staen twee regelen huijsen en een straet in 't midden, hebbende een brugge omme van 't lant op dit eijlandt te gaen ende een waeterpoorte daer de Portugeesen twee mael in een voijagie passeeren sullen, te weten eens wanneer sij uijt haer galliotten gaen en eens als sij weder 't scheep gaen, sonder verder haeren voet daer buijten te mogen setten. Voorsz. woninge sal nacht ende dach met verscheijde wachtbercken ende wachthuijsen bewaert werden" (Dagr. Japan).
[31] "Dat geene Hollanders sonder vragen van 't Eijlandt en vermochten te gaan. Dat wel hoeren maar geene andere vrouwen, Japanse Papen nochte bedelaers op 't Eijlandt mochten comen". (Dagr. Japan 19 Aug. 1641).--Hoe ten tijde van hun verblijf in Firando, Compagnie's dienaren zich hadden te gedragen, blijkt uit de aanschrijving van Heeren Meesters (Patr. Miss. 3 Oct. 1637): "De onse moeten den Jappanders na de mondt sien en alles om den handel onbecommert te gauderen, verdragen"; zoomede uit de Instructie aan het Opperhoofd Nicolaes Couckebacker (ulto Mei 1633, Kol. Arch. no. 759)--Vgl. "Dat hij [nl. Couckebacker] sich in alle sijnen handel, wandel ende civilen ommeganck zoo lieftallig,vrundelijck ende nederig tegen alle en een ijder, soowel groot als clijn, sal hebben te comporteren dat hij bij de Japanse natie, die selfs van conditie wonder glorieus is, oock geen grootsheijt, trotsheijt of hoovaerdije in vreemdelingen can verdragen, bemint ende aengenaem sijn mach" (Gen. Miss. 15 Aug. 1633).
[32] Bijlage I a.
[33] Bijlage I b.
[34] "Hij [het Opperhoofd Elseracq] apprehenderende meer en meer de groote precisiteijt van die natie dewelcke d' onse involgen moeten omme daer wel te staen" (Patr. Miss. 26 April 1650).--"hoe nauw wij hier bepaalt zijn ende hoe veelderlij moeijelijckheden onderworpen door de groote precisiteijten der Japanse regenten die door der tolcken timiditeijt--voortcomende van hare onbequaemheijt--nogal meer beswaert werden, is UE. bij sijn aenwesen alhier ten deele gebleecken" (Memorie voor den E. Martinus Caesar, Nagasaki 2 Nov. 1670).
[35] Zie Journaal, bl. 65 en Bijlage I a.--Vgl. ".... Vervolgens getreden zijnde tot Japan is gelezen den brief van den Generael ende Raden derwaerts gesz. vanden 30 April, soo oock die vanden 9 Maij, 5 en 20 Julij 1667, voort d'antwoort daerop van't Opperhoofd Daniel Six en den Raet aldaer van 13 en 22 Octobr. daeraenvolgende, Noch de vragen doorden Gouvernr. van Nangasacki de 8 persoonen in Corea soo lange jaeren gevangen of gedetineert geweest zijnde, voorgehouden end'antwoort door deselve daer op gegeven, Item 't gene inde generale brieven vanden Generael ende Raden daer van staet aengehaelt. Het geconcipieerde vande Heeren Commissen. daer op gaet hier neffens" (Verbaal gehouden van het gebesoigneerde van de heeren Commissarissen uijtte resp. Cameren van de Oost Indische Compagnie deser Landen.....alhier in 's Gravenhage vergadert enz., Vrijdag den 29 Meert 1669. Kol. Arch. no. 301).
[36] Zie Bijlage I a en I b.
[37] Zie Bijlage I b en I d.
[38] Zie Bijlage I f-h.
[39] Zie Bijlage I i-j.
[40] Dagr. Bat. 28 Nov. 1667: "arriveeren hier van Japan de fluijtschepen Spreeuw ende Witte Leeuw".
[41] Zie Bijlage I o.
[42] "Zijn wij den 28 December Anno 1667 van Batavia 't zeijl ghegaen, ende na weijnigh tegenspoet den 20 Julij 1668 tot Amsterdam aengekomen" (Journaal, Uitg.-Saagman).
[43] ... "Sijn ons den 18en Maij Godtloff wel en behouden toegecomen de schepen het Wapen van Hoorn, Alphen en Constantia ... voort den 13en en 15en Julij respectievelijck de schepen de Hollantsche tuijn, 't Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Vrijheijt, Jonge Prins en de Spreeuw, mitsgaders den 20 en 23 daaraanvolgende de Amerongen, de Tijger ... en den 23 en 25 van deselve maent, Godtloff oock behouden in 't Vlie gearriveert de schepen de Wassende Maen, Vlaerdingen en Loosduijnen. Met de voorsz. schepen zijn ons dan geworden UE. generale brieven van den 5 October, 6, 23 en 31 December, alle des voorleden jaers 1667" (Patr. Miss. 22 Aug. 1668).
Mei 1668. "Den 18 Meij arriveerden in Tessel 3 Nederl. Retour-Schepen als 't Wapen van Hoorn en Alphen voor de Kamer Amsterdam ende Constantia voor de Kamer van Enckhuijsen. Waren den 6 October 1667 van Batavia vertrocken ... Brachten mede dat jaer noch 8 Retour-Schepen van Batavia en 3 van Ceylon stonden te volgen ..., Doe quam op Batavia advijs, dat eenige Maets op Coeree van 't Schip de Sparwer waren gebergt, en ettelijcke sich met een Bootje aen Japan hadden gesalveert" (Hollantse Mercurius XIX, 1668, bl. 82-83). Dit "advijs" was al, met de Esperance, den 30 Nov. 1666 te Batavia gekomen.
[44] Monsterrol van 't Jacht Amerongen in dato 24 Dec. 1667 (Brieven en papieren overgekomen voor de Kamer Amsterdam, 1660-1668. Kol. Arch. no. 1153).
[45] "In dese landen daer en teghens arriveerden den 15, 16 en 20 Julij de navolgende retourschepen uijt Oost-Indiën: als de Hollantsche Thuijn, 't Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Tijger en Dordrecht den 7 December 1667, de Vrijheijt, Jonge Prins en Amerongen den 23 December, en 't Jacht de Spreeuw den 1 Januarij van Batavia af-geseijlt". (Hollantsche Mercurius, XIX, 1668, bl. 113).--Den 19en Juli 1668 al berichtte de Kamer Amsterdam aan de Regeering te Batavia de behouden aankomst van de Hollantsche Tuijn, 't Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Vrijheijt, de Jonge Prins en de Spreeuw; den 24en d.a.v. dat "Amerongen op den 20 deses in Tessel wel gearriveert" was. (Particuliere brieven van de Camer Amsterdam. Kol. Arch. no. 484).
[46] Zie Bijlage I d. Dit Rapport was "gedateert den lesten November" [1666]. (Verbaal Commissarissen 's Gravenhage van 23 Maart 1668. Kol. Arch. no. 301).
[47] Artikelbrief van de Geoctroijeerde Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, dd. 8 Maart 1658. (N.I. Plakaatboek II, bl. 265, 270). Art. 42: "... sulcks dat een yeder 't peryckel sijner Maent-gelden sal loopen op 't Schip ende goederen daer hy op vaert, ende dienvolgende 't selfde schip met alle syne ingeladen goederen ('t welck Godt verhoede) komende te verongelucken, oock alle syne Maentgelden ... verliesen". Art. 51: "... Ende sullen de bedongen Maentgelden van alle sodanige Gevangens cesseren ende ophouden vanden tydt haerder gevanckenisse, tot dat sy wederom gerelaxeert sullen wesen".--Resolutie Kamer Amsterdam dd. 20 Nov. 1653: "Maentgelden. Van 't volk van geblevene schepen te betalen tot den dag van 't blijven, af 1/# part na gewoonte". Vgl. nog Res. 9 April 1669 (jacht de Jonker) en Res. 23 Jan. 1690 (jacht de Zijp).
[48] Zie Bijlage I k.
[49] Zie Bijlage I q-r.
[50] Zie Bijlage I (bl. 78 en 82).
[51] "The Japanese government had always made use of Tsushima in its communications with the Coreans, and the agency at Fusan was composed almost exclusively of retainers of the feudal lord of this island" (Griffis, Corea, 1905, bl. 86).
[52] Zie Bijlage I n (slot).
[53] "De overgeblevenen zijn door toedoen van den Keizer van Japan, op verzoek van de Nederlandsche Oost-Indische Maetschappye, naderhand overgelevert, behoudens een, die aldaer wilde blijven" (Witsen, 2e dr., I, bl. 53).
[54] Zie Bijlage II a-d.
[55] Witsen, 1e dr. II, bl. 23; 2e dr. I, bl. 53.
[56] "Het jacht Pouleron bij de Eijlanden van Maccauw van de Schermer afgeraect zijnde heeft den 26 en 27 Julij op de noorderbreedte van omtrent 30 graeden bij de modderbancq een soo vervaerlijcke storm beloopen dat alle zijn ronthout except de bezaensmast heeft verlooren, de boechspriet eerst door den wint achterover int schip gesmeeten zijnde is de fockemast gevolcht en daegs daeraen oock de groote mast door het vreeselijck slingeren; aen het Queelpt. hebben haer stompen gerecht en zijn zoo, tusschen d' Eijlanden van Gotto door, den 13en Augo. goddanck hier binnen gecomen"...... "Pouleron dat aent Queelpaert heeft geanckert gelegen ende door de Eijlanden van Gotto is geboucheert". (Missive Nagasaki naar Batavia 19 Oct. 1670).
"d' eerste joncke van Batavia dit henen gezeijlt, werden wij bericht dat op Corree is verongeluct en daer van omtrent 40 Chineesen in Gotto zijn aengecomen en dat d' andere in Corree werden aengehouden" (a. v.).
"Wij hebben UEd. jongst geschreven dat de joncke van Batavia vertrocken, op Corree was verongeluckt en eenich volck daer van op Gotto waren aengelant; zedert zijn d' andere Chineesen met een opgemaeckt vaertuijgh meede van Corree hier binnen gekomen met noch soodanige geborgene coopmanschappen als bij 't joncke boekje blijckt geschat op Ts 13000 vercoops. Men secht ons dat dit volck is geweest aen een lant van Corre oft eijland dat onder Japans gebiet staet. T' is apparent datse hier weder sullen equiperen en na Batavia comen" (Missive Nagasaki naar Batavia primo Nov. 1670).
[57] Zie Bijlage II a (slot).
[58] Zie Bijlage II c-d, en Dagr. Bat. 1668 bl. 204.
[59] Dagr.Bat. 1669 (bl. 301). 8 April: "komt de fluijt Nieuwpoort van Coromandel".
[60] Dagr.Bat. 1668 (bl. 203). 30 November: "Des avonds comt de fluijt Buijenskercke van Japan".
[61] Zie Bijlage II i.
[62] Griffis, Corea, 1905, Chapter XXII, The Dutchmen in exile (bl. 176): "The fate of the other survivors of the Sparrowhawk crew was never known. Perhaps it never will be learned, as it is not likely that the Coreans would take any pains to mark the site of their graves".--Zelfs Mr. Pieter van Dam schijnt van hunne bevrijding en terugkomst niet te hebben geweten. Zie zijne onuitgegeven Beschrijvinge van de Oost-Indische Compagnie: "Agt Nederlanders met een kleijn vaartuijg van de Coreese eijlanden tot Gotto aangekomen en door den Heer van 't Land tot Nangasacki opgesonden zijnde, waren in 't jaar 1653 op het Quelpaarts eijland met 't jagt de Sperwer verongelukt en waar van haar 36 menschen sterk aan Corea hadden gesalveert. Volgens haar voorgeven zijnse van die van Corea seer armelijck getracteert, dan na 't een dan weder na 't ander eijland vervoert, Invoegen dat in 13 jaren dat aldaer gesworven hadden, 20 van deselve sijn gestorven en van waar de voorsz. agt met een kleijn vissers schuijtje sijn gevlugt en de andere agt daer nog verbleven..... De voorsz. agt Nederlanders uijt Corea verlost, na dat sij in Japan seer naeuw op alles waren ondervraegt, en 't selve pertinent was aangeteijckent en na het Hoff gesonden, en daer op haere demissie hadden verkregen, sijn van daer mede na Batavia vertrocken". Over de "daer nog verbleven" schipbreukelingen, spreekt Van Dam verder niet.--Vgl.: K. Gützlaff, Reizen langs de kusten van China, enz., bl. 250: "Meer dan twee eeuwen geleden strandde aan deze kust een Hollandsch schip; de manschap werd verscheidene jaren gevangen gehouden, tot er één ontsnapte en te Amsterdam zijne lotgevallen bekend maakte".--"To those who hail from Great Britain it is of special interest to know that one of the unfortunate mariners who did not succeed in making his escape was "Alexander Bosquet, a Scotchman". One wonders if his tomb or those of any of his mates will ever come to light, as that of Will Adams did in Japan". (Foreword van M. N. Trollope, bij de uitgave van Hamel's Journaal in Transactions Corea Branch R. A. S. IX, 1918, bl. 94-95).
[63] "The only relics of these unfortunate captives so far discovered have been two Dutch vases unearthed in Seoul in 1886. The natives knew nothing of their origin, beyond a vague belief that they were of foreign manufacture. The figures on them, however, told their own tale of Dutch farm-life, and the worn rings of the handles bore marks of the constant usage of years. We may well fancy them to be the last of the household gods of the shipwrecked Wetteree, who, like Will Adams of Japanese history, lived and died a captive exile though the honoured guest and adviser of the king and government. The presence of these captive Dutchmen in Corea may perhaps explain what must always seem an anomaly among Asiatic races, namely blue eyes and fair hair. These peculiarities have been frequently observed by travellers in various parts of the peninsula, exciting comment and conjecture without, hitherto, any definite explanation" (J. Scott, Stray notes on Corean history etc., Journal China Branch R.A.S., New Ser. XXVIII, 1893-94, bl. 215).
[64] "Durant mon séjour a Tchae-Tchiou [28 Sept.-3 Oct. 1888] je demandai fréquemment des renseignements sur Hamel. Mais tout souvenir de sa visite s'est évanoui avec la génération qui l'a vu" (Chaillé-Long-Bey, La Corée ou Tchosen, bl. 46).
[65] Zie Dr. H.P.N. Muller, Azië gespiegeld, I, bl. 371.
[66] Zie Bijlage I k.
[67] Dagr. Bat. 1667, 11 December: "Hendrick Hamel, gewesen boeckhouder op het jagt de Sperwer, den 16en Augustus 1653 aan een der Corese eylanden, by ons het Quelvaerts eylandt genaemt, verongeluckt, zynde den 28en November jongstleden, nevens nogh 7 persoonen van gemelte jagt, met de fluyt de Spreeuw, uyt Japan hier aengecomen, heeft nu aen haer Ede overgelevert een daghregister van het gepasseerde sedert dien tyt tot haere aencomste alhier, behelsende een verhael van 't verongelucken des gemelten jagts, mitsgaders wat ellende en miserie sy aldaer hebben uyt gestaen, hoe ende op wat wyse zy eyndelyck uyt haere gevangenisse syn gevlugt; voorts een corte beschryvinge van het coninckryck Coree, den ommegangh der inwoonders, haere justitie, politie, Godsdienst en andere saecken van speculatie, leggende het gemelte daghregister onder de papieren, desen jaere van Japan ontfangen".--Aan het slot van een uitg.-Saagman van Hamel's Journaal wordt gezegd: "Na eenige dagen vertrocken wij met een Schip dat daer in Ladinge lagh, na Batavia, daer wy den 20e November wel aen quamen, en by den Generael ontboden wierden, die wy al ons wedervaren verhaelde: wy hebben hem oock een Journael behandight, en hy ons voorts wel onthaelt hebbende, heeft ons verlof gegeven om na het Vaderlandt te vertrecken", enz.--Hamel had--gelijk wij aannemen--ons handschrift aan het Opperhoofd te Nagasaki afgegeven, daardoor was hij niet in de gelegenheid daarin den datum van aankomst te Batavia in te vullen en over de ontvangst aldaar iets te zeggen. Zie verder bl. XXV-XXVI.
[68] Vgl. de Haan, Priangan II, bl. 38 (26).
[69] Zie Bijlage I o.
[70] Zie de Bibliographie.
[71] A. Montanus, Gedenkwaerdige Gesantschappen enz.
[72] Bl. 429-436.
[73] Noord en Oost Tartarye ('t Amsterdam 1692). Zie Tiele, Nederlandsche Bibliographie van Land- en Volkenkunde, bl. 269. Het exemplaar uit de Utrechtsche Universiteitsbibliotheek hebben wij kunnen raadplegen.
[74] Noord en Oost Tartarye ('t Amsterdam 1705). Zie Tiele, a.v. bl. 269.
[75] Dl. I, bl. 148.
[76] "....de Nederlanders die op Korea gevangen zijn geweest, verhaelen, dat zy eerst aen Quelpaerts Eiland aen quamen, gelegen op drie en dertig graden, en dertig minuten Noorder breette, van de vaste Koreaensche Kust, omtrent veertien myl, genaemt by de Inwoonders Schesure of Moese" (dl. I, bl. 150 noot).
[77] Onder dezen naam is de hoofdstad van Quelpaerts-eiland nergens vermeld gevonden. Misschien is Moggan de transcriptie van eene Koreaansche uitdrukking voor de residentieplaats van een Mok-så of Gouverneur.
[78] Zie Journaal, bl. 11.
[79] Uitg.-Saagman: "Moggaen, zijnde de residentieplaets van de Gouverneur van 't Eijlandt, bij haer Mocxa genaemt,". Daarentegen in de uitg.-Stichter en Van Velsen,....."bij haer genaemt Moese".
[80] "Mok-sa. Mandarin de 1er ordre dans les villes où il y a des satellites pour arrêter les voleurs (le 2e dans l'ordre civil, le 1er au-dessous du gouverneur)" (Dict. Cor.-Franç., bl. 244). Moese is de Chineesche uitspraak van Moksa.
[81] Witsen, 2e dr., bl. 59.
[82] Uitg.-Stichter, Rotterdam, 1668.
[83] Uitg.-van Velsen, Amsterdam, 1668.
[84] Uitg.-Saagman, "'t Oprechte Journaal", Amsterdam, bl. 30-31.
[85] Zie de Bibliographie.
[86] De tekst van de in Churchill's Collection of Voyages and Travels, Vol IV (1732) opgenomen Engelsche vertaling is herdrukt in Transactions of the Korea Branch of the R.A.S. Vol. 9 (1918) alleen met een "Foreword" van den President Mark Napier Trollope, Bishop in Corea, die over Hamel's Journaal zeer gunstig oordeelt maar de opmerking maakt: "there are points, like his circumstantial account of the man-eating "crocodils" to be found in Chosen, which sound rather like a "traveller's tale", though it is possible that such animals may have existed two hundred and fifty years ago and yet be extinct now". Hamel gaat echter vrij uit; over krokodillen komt in zijn Journaal evenmin iets voor als over olifanten.
[87] O.a. Griffis, Corea, the Hermit Nation (1905), Chapter XXII: The Dutchmen in exile; en Idem, Corea, without and within (1885).
[88] Mededeeling van den Landsarchivaris te Weltevreden, Dr. F. de Haan.
[89] Zoo diende de oud-Gouverneur Generaal Hendrik Zwaardecroon een verzoekschrift in aan de Indische Regeering, zonder dit te teekenen. (Zie Indische Gids, 1917, II, bl. 1539). Ook de rekesten vermeld in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.I. deel 73, bl. 401, waren ongeteekend.
[90] Zie Bijlage Ia (bl. 78).
[91] Zie facsimile tegenover den titel.
[92] Zie facsimile.
[93] "Les meurtres & autres excès sont bien plus rares dans ce récit que dans celui du voyage de Pelsaert. Aussi est-il devenu beaucoup moins populaire" (Tiele, Mémoire bibliogr., bl. 275).
[94] Zie bl. 13.
[95] Zie Bijlage III_B.
[96] Zie Bijlage I_A.
[97] "Le récit de leurs aventures quoique très simple et nullement scientifique, ne manque pas d'intérêt". (Mémoire bibliogr., bl. 274). Vgl.: "Hamel, the supercargo of the ship, wrote a book on his return, recounting his adventures in a simple and straightforward style" (Griffis, Corea, 1905, bl. 176).
[98] "When this account was printed in Holland, the eight men mention'd at the end of this Journal, were all in Holland, and examin'd by several persons of reputation, concerning the particulars here deliver'd, and they all agreed in them; which seems to render the relation sufficiently authentick... There's nothing in it that carries the face of a fable, invented by a traveller to impose upon the believing world" (Churchill's Collection of Voyages IV (1732), Preface bl. 574).
[99] "Kinderen en wijven, die eenige daer getrouwt hadden, verlieten ze" (Witsen, ie dr., bl. 23; 2e dr., I, bl. 53.
[100] Zie Bijlage Io.
[101] Witsen, 1e dr., bl. 23; 2e dr. 1, bl. 53.
[102] "Thirteen years residence in Corea, was time enough to have given a much more perfect description, and many men in that time would have made it more ample and satisfactory; but the author gave what he had, and I suppose his memoirs were small and ill digested, having leisure enough, but perhaps little inclination, to write in that miserable life, as not knowing whether ever he should obtain his liberty, to present the World with what he writ" (Churchill's Collection IV, Preface, bl. 574).
[103] "Le Sécrétaire du Vaisseau qui a fait ce Journal, n'avance rien dans la Description de l'estat présent du Royaume de Corée qui ne s'accorde avec ce qu' en a écrit Palafox et ceux qui ont traitté de l' invasion des Tartares" (Relation du Naufrage d'un vaisseau holandois sur la Coste de l' Isle de Quelpaerts etc. Avertissement au Lecteur).--"The book, which contains... a racy description of the country and people, deserves careful study. It throws some interesting sidelights on the history of the "Coresians" two and a half centuries ago, then as always between the upper and nether mill-stones of the "Japoneses" and the "Chineses" to north and south of them" (Foreword van M. N. Trollope bij de uitgave van Hamel's Journaal in Transactions Corea Branch R. A. S. IX, 1918, bl. 93-94).
[104] "The French translater indulges in skepticism concerning Hamel's narrative, questioning especially his geographical statements. Before a map of Corea, with the native sounds even but approximated, it will be seen that Hamel's story is a piece of downright unembroidered truth. It is indeed to be regretted that this actual observer of Corean life, people, and customs gave us so little information concerning them" (Griffis, Corea, 1905, bl. 176).--"Mit Hülfe unserer japanischen Karte von Korai (Atlas No. 6) konnten wir die Reiseroute, der Hamel gefolgt is, nachweisen und die meisten verstümmelten Ortsnamen, deren er in seinem Tagebuche erwähnt, entziffern" (v. Siebold, Geschichte Entd. Japan, bl. 37).
[105] "Like the Japanese, and all the nations of eastern Asia, the Coreans have always bowed down before the greatly superior mental power of the Chinese; and have borrowed from them some of their customs, more of their words, and, perhaps, all the principal books in use between the Yaloo and the western shores of the Pacific" (Ross, History of Corea, bl. 300).--"Whatever note-worthy knowledge the Japanese and other nations possess, they obtained from China, while she has always been self-contained" (Ross, the Manchus (1891) bl. XV). Vgl. J. S. Gale, The influence of China upon Korea (Transactions Korea Branch R. A. S. I, bl. 1-24) en H. B. Hulbert, Korean Survivals (Id. bl. 25-50).
[106] "It was not until the seventeenth century that Europeans came in contact with Coreans, when some unfortunate Dutchmen were shipwrecked on the coast and held captive for years. The narrative of the Dutch supercargo Hamel, written towards the close of the seventeenth century, gives a graphic account of Corean manners and customs, and, as read at the present time, conveys an exact picture of the people and country. Place after place which he mentions in their captive wanderings have been identified, and every scene and every feature can be recognised as if it were a tale told of to-day. So strong is native conservatism both in language and habits that Hamel's description of two hundred years ago reproduces every feature of present Corean life" (Scott, Stray notes on Corean History etc., Journal China Branch R. A. S. New Ser. XXVIII, 1893-94, bl. 215).--"Hendrik Hamel was plainly a shrewd observer, and much of his description of the country and the people and their customs tallies well with our own experience of the last thirty years, though one would not care to subscribe to every one of his statements". (Foreword van M. N. Trollope bij de uitg. van Hamel's Journaal in Transactions Corea Branch R. A. S. IX, 1918, bl. 94).
[107] ".... c'est le seul ancien ouvrage connu qui donne de première source des détails importants concernant la Corée & ses habitants" (Tiele, Mémoire bibliogr., bl. 275).--"Das Schicksal des H. Hamel van Gorcum ... ist lehrreich als ein Blick in das innere Leben des Koreischen Staates und Volkes, und seine Notizen über dasselbe sind mit Unrecht bisher unbeachtet geblieben, da sie, bei Koreas stationairem Zustande, auch heute noch nicht veraltet sind, und gleiche Autorität wie jene oben angeführten haben, welche durch die anspruchlosen Angaben des redlichen Holländers bestätigt oder selbst im wesentlichen noch vervollständigt werden" (C. Ritter, die Erdkunde von Asien, III, 1834, bl. 637-638).
[108] Rev. J. Ross, History of Corea, [1880]; en Ch. Dallet, Histoire de l' Eglise de Corée, 1874.
[109] "On n'a jamais prêché la religion chrétienne dans la Corée, quoique quelques Coréens ayent été baptisez en différens tems à Peking" (Observations géographiques sur le royaume de Corée, tirées des Mémoires du Père Regis, in Du Halde, Description, etc. IV (1736) bl. 532).--"The first attempt of a foreign missionary to enter the hermit kingdom from the west was made in February 1791" (Griffis, Corea, 1905, bl. 353).
[110] ".... les missionnaires sont les seuls Européens qui aient jamais séjourné dans le pays, qui en aient parlé la langue, qui aient pu, en vivant de longues années avec les indigènes, connaitre sérieusement leurs lois, leur caractère, leurs préjugés et leurs habitudes" (Dallet, Histoire, etc. I, bl. IX).
[111] "In 1368.... the warrior monk was enthroned in Peking, emperor of all China. Next year... the king of Corea, sent an ambassador with letters of congratulation to the new emperor, to his new capital of Nanking, and the pleased emperor formally acknowledged him king of Corea" (Ross, History of Corea, bl. 268).
[112] "Fifty years previous to the Manchu conquests, Japan had overrun Corea in a war of pure conquest; and though, with Chinese assistance, she was ultimately driven out, she never abandoned her foothold in the port of Fusan, which has always remained, under the daïmiös of Tsushima, as a port of commercial intercommunication" (Parker, China Past and Present, bl. 340).
[113] "Corea heeft sich de Tartar onderworpen" (Gen. Miss. 21 Jan. 1622). Zie ook: Parker, The Manchu relations with Corea (Transactions Asiatic Society of Japan XV, 1887, bl. 93).
[114] Ross, History of Corea, bl. 276-286.--C. I. Huart, Mémoire sur la guerre des Chinois contre les Coréens de 1618 à 1637 (Journal Asiatique, 7e Série, XIV, 1879, bl. 308 e. v.).--W. R. Carles, A Corean monument to Manchu clemency (Journal North-China Branch R. A. S. XXIII, 1888, bl. 1).
[115] "Ever since the Manchus established themselves in China, Corea has paid regular tribute to Peking, and been a most faithful vassal.There was, until fifteen years ago (1883), absolutely no interference on the part of China in her internal administration: all she had to do was to send as tribute a few local articles of nominal value at fixed periods, for which she received a liberal return; and to apply for recognition when a demise of the Royal crown took place and a successor inherited" (Parker, China Past and Present, bl. 340).
[116] "Shogun is simply the Chinese tsiang-kün or generalissimo, being the word "Imperator" in its original military significance" (Parker, China, 1917, Glossary).
[117] Diary of Richard Cocks (Uitgave Hakluyt Society 1883) I, bl. 255, 301, 304, 311, 312, 313; en C. J. Purnell, The Log-Book of William Adams 1614-19 (Transactions of the Japan Soc. of London, XIII, 1916, bl. 178.--Het eerste Koreaansche gezantschap kwam in Japan in 1608, het tweede in 1617. "From this time down to the year 1763 Korea sent ambassadors to Japan on the occasion of the appointment of a new Shogun. Altogether such missions arrived in Japan eleven times" (I. Yamagata, Japanese-Korean relations after the Japanese invasion of Korea in the XVIth century, Transactions Korea Branch R. A. S. IV, 2 (1913) bl. 8).--Dat het optreden van een nieuwen Sjogoen niet de eenige aanleiding was voor het sturen van een gezant, blijkt uit deze aanteekening in Dagr. Japan 1643 onder 6 Mei: "Gemelte Heere [van Firando, die aan de Compagnie geld schuldig was] soude na voorgeven noch wel 4 a 5 kisten gelt betaelt gehadt hebben, ten ware den ambassadeur van Korea, die naer Jedo verreijsde om Keijserlijcke Maijt [d.w. den Sjogoen] over de geboorte van den jongen Prince geluck te wenschen, door of bij de uijterste palen langs van zijn Heerlijckheijt gecomen ware, bij welcke gelegentheijt gemelte Heere ettelijcke kisten gelts hadde moeten aen oncosten maecken."
[118] "De Coreese Ambassade is in April weeder ghekeert naer Coree met treffelijcke presenten, in gaen en commen overall vrij gehouden; haer versouck is geweest assistentie tegens de Chijneesen die sij claechden haer veel overlast te doen; het scheen haer goede hoope tot assistentie is ghegeven geweest. Men liet een groot gerucht van preparatie tot oorlooghe loopen dan is corts naer haer vertreck als roock verdweenen; 't schijnt dese Kaijser meer genegen is sijn landtsheeren met bouwen van Casteelen arm te houden dan die door vreemde oorloghe rijck te maecken" (Opperhoofd Firando naar Batavia dd. 17 Nov. 1625.--Zie ook Dagr. Japan 24 Maart 1637, Bijlage IV).
[119] "In het volgende jaar 1655, is in Japan niets bijzonders voorgevallen, alleenlijk sijn daer uijt Corea drie ambassedeurs van 't Hoff geweest met een gevolgh van drie hondert personen om d' Hommagie te doen; sijnde die van Corea gewoon dat om de drie jaren te laten geschieden" (Mr. P. van Dam's Beschrijvinge, Boek 2, deel 1, caput 21, fo 289).--"In 1710 a special gateway was erected in the castle at Yedo to impress the embassy from Seoul, who were to arrive next year, with the serene glory of the sho-gun Iyénobu ... The intolerable expense at last compelled the Yedo rulers to dispense with such costly vassalage, and to spoil what was, to their guests, a pleasant game. Ordering them to come only as far as Tsushima, they were entertained by the So family of daimios" (Griffis, Corea, 1905, bl. 151). Vgl. Chinese Repository X, 1841, bl. 163 (noot).
[120] "...het ophouden der joncquen .. ontstaet ... door den Hr. van Tsussima (met licentie ofte passen des Keijsers de negotie op Corea ende dat onder seecker getal van joncquen exerceerende) nu al eenige jaeren herwaerts onderstaen heeft de voorn. passen, soo die van den Keijser aen de Coreesen als die vande Grooten in Corea aenden Keijser, op te houden ende naer sijns welgevallen ende meesten profijt andere in plaetse doen schrijven" (Missive Opperhoofd Couckebacker, Jedo 23 April 1635).
[121] "Onsen handel is daer noch jonck ten aensien van de Portugesen, Japan van over de 100 jaeren gefrequenteerdt hebbende" (Patr. Miss. 31 Aug. 1643).
[122] "Van desen hoeck af voortaen, soo streckt de Custe weder nae het noorden toe, wijckende daer nae innewaerts noordwestwaert aen, aen welcke Custe comen die van Japon, traffijckeren met het Volck van die contreye, diemen noemt Cooray, ende men heeft daer Havens ende beschutsels, hebben een tuych van smalle ende ondichte stucken gheweeft werck, 't welcke die Japonen aldaer comen verhandelen, waer van ic goede, breede, ende waerachtighe informatie hebbe, als oock vande Navigatie naer dit Landt toe, vande Pilooten die 't aldaer ondersocht ende bevaren hebben, als volght.
Van desen hoeck van den Inham van Nanquin af, 20. mijlen zuydtoostwaert aen, zijn gheleghen etlijcke Eylanden aen het eynde, vande welcke, te weten, aende oostzijde leyt een seer groot ende hooch Eylandt van veel Volcks bewoont, soo te voet als oock te peerde.
Dese Eylanden worden vande Portugesen gheheeten As Ylhas de Core, ofte d' Eylanden van Core: maer het voorschreven groot Eylandt is ghenaemt Chausien, heeft vande zijde van het noordtwesten eenen cleynen Inwijck, hebbende een Eylandeken in de mont ligghen, t' welcke de Haven is: maer heeft weynich diepten, alhier houdt de Heer van het landt sijn residentie: Van dit Eylandt af, 25. mijlen zuydtoost aen, is gheleghen het Eylandt van Goto, een van d'Eylanden van Iapon, twelcke leyt vanden hoeck vanden Inham van Nancquin af, oost ten noorden t' Zeewaert aen, 60. mijlen weeghs ofte weynich meer" (Jan Huyghen van Linschoten, Reys-Gheschrift van de Navigatien der Portugaloysers in Orienten enz. [1595], bl. 70).
[123] "Hirado. In W. Japan, H before i is pronounced F, and n is inserted before d." (The Voyage of Captain John Saris to Japan, 1900, bl. 78, noot 4).
[124] De Jonge, De opkomst van het Nederlandsch gezag in O.I. dl. III, bl. 300; en Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, 1858, bl. 29.
[125] Peper.--"...bij de Chineezen in Nangasaq ende die van Corea niet werdende getrocken" Firando 3 December 1634. (Opperhoofd Couckebacker aan den Gouverneur van Formosa, Putmans).--Vergelijk echter de volgende berichten: "At our returne to the English house [te Firando], I found three or foure Flemmings there; one of them was in a Iapan habit, and came from a place called Cushma [Tsushima], within sight of Corea. I vnderstand they sold Pepper and other Commodities there, and I thinke haue some secret trade into Corea, or else are very likely to haue" (The Voyage of Captain John Saris to Japan, bl. 170).--"Peper werd daer [Japan] vercocht tegen 15 ende 16 taijl t' picol; dese werdt ten deele in Japan gesleten, pertije naer Corea vervoert" (Gen. Miss. 3 Febr. 1626).
[126] "Langasacki 3 November 1610. Thin is op Corea seer getrocken waeromme hijer veel vertijert wert, ick hebbe versocht off het mogelijck sijn soude wij eenighe handelijngge op Corea hijer vuijt Jappan mochten doen; tot dijen fijne ick in Martij passado eenen Assistent met 20 picol peper naer het eijlandt Tuxcijma sijnde ontrent 30 mijlen van hijer gesonden hebbe dije met dije van Corea, dat noch 25 mijlen van daer is, handelijng [te] drijven ende hun vaert 3 a 4 maelen 's jaers derrewaerts maecken, doch is d' voirsz. door de strenge wetten des landts onmogelijck bevonden, dat den Gouvr. vant' voirsz. eijlandt oock nijet consenteeren will, want hem schadelijck sijn soude, dan sullen 't voirsz. noch nijet achterwege laten vorder te versoucken want groot profijt can gedaen worden, soo in sijdewerck, leeren, medecijnen ende andersijnts dat van daer gebracht wort" (Aan Heeren XVII; ongeteekend maar waarschijnlijk van Specx. Ook in vertaling in Nachod, Die Beziehungen enz. Beil. 8, bl. XXIII).
[127] "Voorts alzoo mijne onderdanen genegen zijn, om alle landen en plaatsen met handeling in vriendschap en sincerelijk te bezoeken; zoo verzoeke ook aan Uwe Keiz. Majesteit, dat dezelve den handel op Corea door Uwer Majesteits faveur en behulp mogen genieten, om alzoo met gelegener tijd de noordcust van Japan mede te mogen bevaren, daaraan mij zonderlinge vriendschap geschieden zal" (18 Dec. 1610). (Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, bl. 38).
[128] "The Flemynges ... have som small entrance allready into Corea, per way of an iland called Tushma, which standeth within sight of Corea and is frend to the Emperor of Japan" (30 Nov. 1613). (Diary of Richard Cocks (Correspondence) II, bl. 258).
[129] "I make noe doubt but your seruant Edward Sares is by this tyme in Corea, for from Tushina I appoynted him to goe thither, beinge incouradged by the Chineses that our broad cloath was in greater request ther than hear. It is but 50 leagues ouer from Iapann and from Tushina much less" (17 Oct. 1614). (The voyage of Captain John Saris to Japan, bl. 210).--"We cannot per any meanes get trade as yet from Tushma into Corea, nether have them of Tushma any other privelege but to enter into one little towne (or fortresse), and in paine of death not to goe without the walles thereof to the landward" (25 Nov. 1614). (Diary of Richard Cocks II, bl. 270).--"Sayer is out of hope of any good to be done there [Tushma] or at Corea" (Firando 9 March 1614). (Letters written by the English Residents in Japan, bl. 130).--"Ambassadors from the King of Corea to the Emperor of Japan were attended by about 500 men and were royally entertained, by the Emperor's command, by all the Tonos or Kings of Japan through whose territories they passed, and at the public charge... Endeavoured to gain speech with the Ambassadors, but was unsuccessful, the King of Tushma (Tushima) the cause, he fearing that the English might procure trade if Cocks got acquainted with the ambassadors" (Firando 15 Febr. 1618 (Letters written by the English Residents in Japan, bl. 222).
[130] Zie Missiven Commandeur Cornelis Reijersen van 10 Sept. 1622, 20 Nov. 1622 en 5 Maart 1623, zoomede de Missive der Regeering te Batavia aan Reijersen van 2 April 1624; en Gen. Miss. van 6 Sept. 1622 en 20 Juni 1623.
[131] "Camps aviseert ons dat den Hondt, keerende van de bocht van Spirito Sancto na Japan, op Corea vervallen ende van 36 oorloghsjoncken die de Coreers aldaer gestadigh tot bevrijdinghe van haere cust houden, bespronghen ende furieuselijck met bassen, roers, boogen ende ontallijcke hasegaijen bevochten is geweest, doch sonder schade, na dat mannelijck tegen de Coreers gevochten hadden, daer affgecomen; dit schrijven UE. op dat verdacht mooght weesen de scheepen oft jachten, welcke die wegh uijtgesonden werden, te waerschouwen ende te belasten wel op haer hoede voor soodanighe resconter te wesen ende dit off diergelijcke volck niet veel goets te betrouwen". (Missive Reg. Batavia aan Reijersen 3 April 1623. Verg. ook: Instructie Martinus Sonck 11 Juni 1624 en Gen. Miss. 20 Juni 1623). (Het advies van Camps is in het Kol. Arch. niet aangetroffen).
[132] Zie bl. XLII, noot 3, slot.
[133] "Wij verstaen uijt UE. brieven hoe den gesandt van Corea door Firando met een gevolch van 500 dienaeren naer Jedo om de reverentie voor den Keijser te doen gepasseert was. Wij hadden wel gewenst ons daermede aengeschreven wierden wat haer verricht is ofte versouck sij. Item met wat presenten voor de Maijesteijt verschijnen; voorvallende occasie souden wel begeerich wesen door UEd. de gelegentheijt van dat lant ondersocht wierden, met wien correspondeert, wat handel aldaer gedreven ofte oock vreemdelingen admitteeren ende wat commoditeijten uijt geeft, ofte daer oock gout ofte silvermijnen sijn ende diergelijcken. Wij hebben alhier verstaen deselve opulente eijlanden insonderheijt van sijde te wesen, welcker seeckerheijt achten wij UEd. aldaer best vernemen sult.... nevens een descriptie van de gelegentheijt ende de particulariteijten van bovengeroerde Corea waermede des Compagnies dienst gevoirdert wert" (Missive Batavia naar Firando, 25 Juni 1637).
[134] "...Belangende de gelegentheijt van 't lant van Corea hebben voor tegenwoordich niet anders connen vernemen als UEdt. uijt de nevensgaende notitie ofte aenteeckeninge sult gelieven te beoogen ..." (Zie Bijl. IV) (Missive Firando naar Batavia, 20 Nov. 1637).--"Verstonden mede uijttenmonde van voorn. Daniel [Reijniers, die met drie trompetters te Jedo was achtergebleven].... dat 4en Januarie passado de Coreesche gesanten sijnde twee principaele Heeren met haerluijder suijte binnen de Keijserlijcke stadt Jedo geaccornpagneert wesende van verscheijden treffelijcke Japanschen adel, waren gearriveert, ende in naervolgende ordre naer haer logiement gereden: Eerstelijck enz." (zie Bijl. IV en Witsen 2 dr., I, 48). (Dagr. Japan, 5 Febr. 1637).--"In wat voegen de Gesanten van Corea in Jappan aengelanght; bij de Rijcxraeden aengesien, wat schenckagie den Majt. gepresenteert ende eijntlijck haer demissie becomen hebben, wert largo int daghregister geinsereert waervan ons gedient ende gesien hebben dat voorde Compe. in dat landt, zooveel als noch geopenbaert wert, niet te bejaegen is" (Missive Batavia naar Firando, 26 Juni 1638).
[135] "Een weynigh boven Iapon op 34. ende 35. graden, niet verre van de Custe van China, leyt een ander groot Eylandt, ghenaemt Insula de Core, van welcke tot noch toe gheen seker bescheydt en is van de groote, tvolck, noch wat waren daer vallen" (J. H. van Linschoten, Itinerario enz. bl. 37). Hieruit blijkt dat op het laatst der 16e eeuw, Korea hier te lande nauwelijks bekend was.
[136] ".... bij noorden Japan te keeren, de custe van Tartarien, China als 't land Corea t' ontdecken ende t' onderstaen wat proffitable trafficque daeromtrent voor de Generale Compe. te behalen sij...." (Instructie Quast 7 Juli 1639).
[137] Zie Bijlage I o.
[138] Zie Bijlage II e, f en h.
[139] Zie Bijlage I o.
[140] "Bij de agt Nederlanders hiervoor vermelt voorgegeven sijnde dat op Corea voor de Comp: een voordeeligen handel soude sijn te drijven in sodanige waaren als wij gemeenlijck in Japan aanbrengen, is naderhand ondervonden dit soo breet niet te segge...." (Van Dam, Beschrijvinge, enz. Boek 2, deel i, caput 21, fo 324).
[141] Zie Bijlage II j en k.
[142] "Aangaande Corea, daer van daen de Japanders haere grote behoeften van coopmanschappen mede krijgen, is daer voor de Compagnie niets te doen, vermits dat Eijlant onder de contributie en van China en van Japan staende; die vorsten aldaer geen andere Handelaers willen admitteren, behalven dat men volgens d' ordre van Japan buijten Nangasackij nergens anders om te handelen mag te komen" (Van Dam, Beschrijvinge, enz., Boek 2, deel I, caput 21, fol. 428).--"Von Niederländischen Seefahrern blieben fortan die Küsten von Korai unbesucht" (Von Siebold, Nippon, VII, bl. 27).
[143] 't Jacht Corea werd in 1669 aangebouwd voor de Kamer Zeeland (Van Dam, Beschrijvinge, Boek 1, deel 1, caput 17, fol. 343), liep 20 Mei 1669 naar zee (Patr. Miss. 25 Aug. 1669), kwam 10 Dec. 1669 te Batavia aan (Kol. Arch. no. 1159); werd op Onrust in 1679 zoo onbekwaam gevonden dat werd besloten het aan den meestbiedende te verkoopen (Res. 11 Nov. en 2 Dec. 1679).
[144] "the envoy from Quelpart.... circa Ao. 650" (Parker, China Review XVI, bl. 309).
[145] "Auf der Karte von Jan Huijgen van Linschoten (1595) ist Korai als eine Insel mit der Aufschrift Ilha de Corea, I dos Ladrones, Costa de Conray angegeben deren Südspitze unter 33° 22' N. B. liegt. Ebenso ist noch auf Joannes Janssonius Karte von Japan (1650) Coraij Insula zu sehen und im S. derselbe eine kleine Insel die den Namen I. de Ladrones trägt; Letstere ist das einige Jahre später bekannt gewordene Quelpaard Eiland" (Von Siebold, Nippon I, bl. 89).--Vgl. O. Nachod, Die älteste abendländische Manuscript-Spezialkarte von Japan von Fernao Vaz Dourado 1568. Roma, 1915.
[146] "Nach Hamel's Entweichung aus der Gefangenschaft wurde die berüchtigte Insel Quelpaard in den Seekarten der Niederländisch-Ostindischen Compagnie eingetragen. Auf der obenerwähnten "Paskaart" von Eskild Juel liegt die Mitte der Insel unter 33° 15' N.B. und etwa 127° O.L... Es blieb aber auf den Karten des 17 und der ersten Hälfte des 18. Jahrhunderts die Ilha de Ladrones welche unstreitig dieselbe als Quelpaard ist, in einer Entfernung von etwa 20 geogr. Meilen im N.W. derselben liegen; ebenso liegt sie auch unter dem Namen Fong ma auf der von d' Anville herausgegebenen "Carte générale de la Tartarie Chinoise" und vom "Royaume de Corée" und erhielt sich, wenn auch nur als ein Schattenbild, auf den neuesten Karten von dieser Gegend" (Von Siebold, Nippon I, bl. 89).
Op de "Carte générale de la Tartarie Chinoise" in d' Anville's atlas van Maart 1732 (Universiteits-bibliotheek Leiden) ligt het eiland "Fongma" noordwestelijk van "Quelpaert Isle suivant les cartes hollandoises".--Vgl. Teleki, Atlas zur Geschichte der Karthographie der Japanischen Inseln (1909): Kaarten V, 3 (1599), V, 2 (1607-9), VII, I (1650) en VIII, 2 (Isaac de Graaf): I de Ladrones. Kaarten VIII, 1 (1664) en VII, 3 (1688): Fungma. Kaart X, 2 (1687) van Joan Blaeu (Kol. Arch. no. 288): 't Quelpaert. Kaart XVI, 2 (1734): Quelpaert. Kaart XV, 1 (1735): I de Quelpaert. Kaart XIV, i (1750): I de Quelpaert.
[147] N.G. van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa II, bl. 121: "Zij zetteden vervolgens hunnen togt naar Japan voort doch strandden ten zuiden van Corea op een eiland hetwelk zij Quelpaert noemden".--Dr. J. de Hullu, Iets over den naam Quelpaertseiland, Tijdschrift Kon. Ned. Aardr. Gen., 2e ser., dl. XXXIV (1917) bl. 860: "dat het van hen zijn Europeeschen naam heeft ontvangen getuigen zij zelf in het journaal".--Zie ook: "F. E. Mulert, Nog iets over den naam Quelpaertseiland, T.K.A.G. 2e ser. dl. XXXV (1918) bl. 111).--Vergl. nog Witsen, 2e dr., I, bl. 46: "Op de kust van dit Korea, 13 mijl uit de wal, leit een eiland, by de Nederlanders Quelpaerts Eiland en by d' Eilanders zelfs Moese, en in de Sineese kaarten Fungma genoemt".
[148] 18 September 1648: "Lossen aen Campen wierd op de middagh geeijndigt, aen de Witte Valck naer gewoone monsteringh begonnen, dat gewenst voortgingh; terwijl daer aen boort was quam 't Fluijtschip de Patientie oock deese baeij inseijlen en sette sich bij de Koe; den E. Dircq Snoucq was op denselven van Taijouan gescheijden 27 Augustus met een lading van f 23172:13:11 daer en boven aen Tonquinse sijde uijt de Witte Valck overgenomen f 68413:38:7 ende koehuijden van Siam uijt de Witte Druijff f 3990:17. Aen 't Eijland 't Quelpaert 30 mijlen bewesten Firando gelegen, hadden getracht, om water te halen, met de boot te landen; d'Inwoonders desselffs hadden hun affgewesen, stracks daer op een roer gelost, en een van d'onse getroffen voor aen sijn kin, dat het schroot 't been kneuste ende diep in steecken bleef, sonder dat hun eenigh leet van ons geschiet was". "Dagh-Register der Compie in Nangasackij 't sedert 3 Novemr. Ao 1647 tot 8en Decembr 1648". (Kol. Arch. no. 11678). Zie ook Valentijn V, 2e stuk, 9e boek, 9e hoofdstuk bl. 89.
[149] Kol. Arch. no. 434.--Vgl. J.E. Heeres, Tasman's Journal of his discovery of Van Diemens Land etc., 1898, bl. 116, noot 2: "Quel is another name for a galiot"; en bl. 1, noot 3: ""Quelpaert" an old name for a galiot".
[150] Deze resoluties zijn overgenomen in het hiervoren aangehaalde opstel van Dr. J. de Hullu (bl. 856).
[151] Voor de op dit schip betrekking hebbende bijzonderheden zie Bijlage III_C.
[152] Vgl. De Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, dl. I, bl. 799; "Lijste van Nederlantse navale macht op 30 November Ao 1640 in India bevonden, omtrent Malacca: 't Quelpaert".
[153] "Op de onbequaemheijt van Firando's haven door het quaet acces dat de heete stroomen veroorsaecken ende d' ongelegentheijt die de Japanse tuffons daer, aen verscheijde onser scheepen hebben toegebracht" (Miss. Batavia aan President Couckebacker in Japan, 2 Juli 1636).--"Soo sijn oock met het transport van Comps. ommeslagh uijt Firando in Nangasacqui wel te vrede, met UE. verstaende het daer gelegener plaetse tot den handel sij als in Firando" (Miss. Batavia aan den Regent van 't Eijland Schisinia [Decima] 23 April 1643).
[154] "des ouden Keijsers pas, grootvader van dese regerende Maijesteijt daer in Japan menichmael ondersoeck om gedaen ende naer gevraeght is, om redenen dat gesustineert wierdt denselven civieler ende tot der Nederlanders vrijicheijt favorabelder als den gevolghden ingestelt was." (Miss. Batavia naar Japan, 2 Aug. 1641).--Vgl. Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, bl. 40.--In het "Verbael uijt d' advijsen van verscheijde quartieren (16 Nov. 1641-16 Oct. 1642) wordt gezegd dat "do. pas weijnigh differeert met het pas dat gestadich ia Japan verbleven, aen den Hre Hendrick Brouwer verleent en onlanghs [aan] de grooten vertoont is".
[155] W. P. Groeneveldt, De Nederlanders in China, I (Bijdr. Kon. Instituut voor de Taal-, Land-en Volkenk. v. Ned.-Indië VI, 4 (1898), bl. 290).
[156] "Volgens d' advijsen dit voorleden noorder mousson van Teijouhan becomen, ende nae de rapporten van verscheijden overgecomen Chinesen alhier, mitsgaders nae de loopende geruchten in Japan, schijnt het seeker ende buijten alle twijffel te gaen dat den vijant van Manilha verleden zuijder mousson ao 1626 aent Noordt eijnde van Formosa gecomen ende op seecker cleijn eijlandeken genaemt Kelang-Tansuij, niet verre van 't groot Eijlant gelegen, plaetse geincorporeert, ende een drijpuntich fort op den houck van t' Eijlandeken begrepen heeft, sijnde nae rapport van seecker Chinesen tolck inde maent Junij ao pasto met drij gallijen, een fregat ende seven joncken, gemant met ontrent tachentich zeevarende Chinesen, idem met noch ontrent 180 Castilianen van Luconia gescheijden, ende in voughen als geseijt is op Kelang Tanghsui nedergeslagen met intentie om voor hen den Chinesen handel aldaer te funderen, welcke in Manilha, soo ten respecte onser vestinge in Teijouan gelijck mede door 't cruijsen onser scheepen daerontrent genouchsaem begon te verdwijnen; voorts, soo als de geruchten in Japan sterck liepen, om ons in Teijouwan met een goede macht zelfs te comen besoucken ende van daer te slaen. De gelegenheijt vande plaetse waer ontrent den vijant fortificeerde, was d' onse noch niet ten rechte bekent, doch t' was aant Noort eijnde te doen. Wat de Baeij belanght, dezelve was met dit eylandeken (goelijck een quartier mijle vant Groot Eijlant gelegen) beslooten binnen t'welcke t'vaertuijch genouchsaem voor alle winden beschut lach, connende van twee sijden vuijt ende in. De diepte vant incomen nae de Witt [Commandeur Gerrit Frederickszn de Witt, wl Gouverneur] verstaen conde, soude ontrent 40 vadem ende binnen de Baeij zelffs niet meer als 5 a 6 vadem houden. Dit is in substantie 't gene wij tot noch toe van dese zaecke hebben connen verstaen" (Memorie voor d'E. Pieter Nuijts dd. Batavia 11 Mei 1627. Zie ook Gen. Miss. 29 Juli 1627).--Vgl. The Philippine Islands 1493-1898 ed. Blair and Robertson, XXII, bl. 98, 168 en XXIV, bl. 153; en de aldaar aangehaalde Historia de Philipinas, V, 114-122.
[157] "Kelung, in latitude 25° 9' N and longitude 121° 47'.... is situated on the shores of a bay.... In this bay is Kelung Island, a tall black rock about 2 miles from the actual harbour.... The ruins of an old Spanish fort still exist on the small island in Mero Bay" (W. F. Mayers, The Treaty Ports of China and Japan, 1867, bl. 323).
[158] "Overtredende tot de gelegentheijt van Formosa daar de Compe residentie heeft genomen op insichten omme aldaer te trecken den handel uijt China ende te gauderen de commoditeijten van dat waerdich Eijlant, mitsgaders de blinde heijdenen tot het Christengelove te brengen ende onder onse subjectie te houden" (Missive Batavia naar Taijoan, 4 Juli 1644).
[159] Nagasaki 2 October 1642. ".... Over 5 à 6 jaren geleden is wel ernstelijck bij de Gouverneurs van Nangasacqij aen de Presidenten Couckebacker ende Caron gerecommaudeert sulcx bij der handt te nemen, opdat daerdoor den loff bij de hooge overicheijt van Japan mocht becomen" (Missive Jan van Elseracq aan Paulus Traudenius).--".... the reason why the Dutch have made so great efforts to capture Hermosa Island, going to attack it year after year, was that they had promised the Japanese that they would do so, and would expel the Spaniards from it" (The Philippine Islands, ed. Blair and Robertson, XXXV, bl. 150. Bericht uit Macasar, Maart 1643).
[160] De Regeering te Batavia schreef 23 Mei 1637 al aan Gouverneur Van den Burch: ".... soo dan de goudtmine op Formosa sich mede ten proffijte van de Compagnie opende, soo waere dan niet alleen den Papegaij maer den Arent geschooten, doch alles moet zijn tijdt hebben ende werden groote Steeden in eenen dagh niet gebouwt".
[161] "Op de gelegentheijt van de Spagnarts vestinge Kelang Tamsuij overlang gerecommandeert sullen nu oock te meer moeten letten om de Compagnie daervan te verseeckeren en door middel van dien 't eijlandt Formosa te gunstiger te besitten, 't welck hoognoodich is. Men verlangt hier seer nae de successen van de goutmijnen dewelcke sonderlinge in dese gelegentheijt van tijdt te passe souden comen, als de silvermijnen voor de Compagnie in Japan geslooten blijven souden, 't welck wij nochtans verhopen dat anders uijtvallen sal, ende een blijde tijdinge soude wesen" (Patr. Miss. 12 April 1642).
[162] ".... de Compagnie's middelen moeten gesuppediteert worden tot maintenue van de groote lasten, ende dat het de participanten van deselve Compagnie vrij meer om winsten uijt India te trecken te doen sij, als dat blooten renommee hebben van veel volckeren sonder voordeel onder haer gebieth te sijn" (Missive Batavia naar Formosa, 23 Juni 1643).
[163] "Tgene van de goutmine geschreven werd, heeft ons verheugt, maer sullen [ons] veel meer verblijden als door ondervindingh (dat reede volgens d' advijsen ende rapporten des Gouverneurs Traudenius bij der hant moet genomen sijn) comen te vernemen gout-rijck ende wel te genaecken is; deselve van importanse zijnde sal geheel voor de Compe moeten versekert werden, ende sonder op nader ordre te wachten ons daervan meester maken, de besitters verplaetst, verdelght ofte verdreven...." (Missive Batavia naar Taijouan, 23 April 1643).--"Het verdelgen ende uijtroijen vande menschen daer omtrent de mine residerende (dat VE. soo ernstigh bij hare brieven recommanderen te doen) connen wij hier niet goed vinden" (Patr. Miss. 21 Sept. 1644).--"Of the island's mineral products Gold is the most important.... It may be said.... that of the limited area investigated the north ... possesses the most valuable Gold deposits" (Davidson, The Island of Formosa, bl. 460).
[164] "Omme dan de rechte vruchten van dit costelijck eijland Formosa de Compe. te doen gevoelen, ende ons daervan geheel meester te maecken, hadden wij volgens resolutie van den 12en April ende 17 Junij passado g'arresteert den Castiliaen uijt Kelangh te slaen ende derzelver forten te bemachtigen" (Gen. Miss. 12 Dec. 1642).--Gouverneur Traudenius zond 17 Aug. 1642 eene krijgsmacht onder Capitein Harouse daarheen; deze arriveerde aldaar den 21en Aug. en landde denzelfden dag, met het gevolg dat de bezetting "haer den 25 daeraenvolgende rendeerden, ende daeghs daeraen met vliegende vaendels uijttrocken tot aent Clooster". Onze verliezen waren 5 dooden en 15 gekwetsten.--Vgl. Leupe, De verovering van het fort La Sanctissima Trinidad op Formosa in 1642, Bijdr. Kon. Inst. II, 2 (1859), bl. 73; en The Philippine Islands, XXXV, bl. 135 e.v. Het bericht van de verovering werd 9 Nov. 1642 te Batavia aangebracht (zie schrijven naar Bantam dd. 22 Nov. 1642) en bij particulieren brief van G.G. van Diemen dd. 12 Dec. 1642 werd daarvan mededeeling gedaan aan de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden.--Tijdens Koksinga's aanval op Compagnie's nederzetting op Formosa, welke eindigde met de overgaaf van Taijoan en Formosa (1 Febr. 1662) werd Kelang door de onzen verlaten (2 Juni 1661) (zie Dagr. Bat. bl. 430 en Dagr. Japan 5 Juli 1661). Commandeur Bort vestigde zich in Aug. 1664 opnieuw te Kelang (Dagr. Bat. bl. 515) dat ook tegen eene bestorming der Coxingers op 14 Mei 1666 (Gen. Miss. 25 Jan. 1667 en vgl. Dagr. Bat. bl. 193) werd gehouden, maar toen de havens van China voor de Compagnie gesloten bleven en daarom Kelang voor haren handel niet van waarde was, werd deze plaats op 18 Oct. 1668 voor goed verlaten (Res. 20 Juni 1668 en Dagr. Bat. bl. 211).
[165] "Omme d' overwinningh der Castiliaense vestingh op Kelangh de Japanse Regenten te cundigen, alsoo seecker g'opineert wert 't selve den Keijser soude aengenaem wesen, is den 11en September passado van Taijouan nae Nangasacque affgesonden 't Quel de Brack ... ende verhoopen met die van Taijouan ... het den Japanderen een aengename tijding wesen sal, alsoo op den Castiliaen ende Portugees seer verbittert sijn" (Gen Miss. 12 Dec. 1642).
[166] De fluit Patientie vertrok 20 Nov. 1648 over Taijoan naar Batavia, waar zij 11 Jan. 1649 aankwam. Noch in den brief van het Opperhoofd Coijett ddo Nagasaki 19 Nov. 1648 naar Batavia, noch in diens gelijktijdig schrijven naar Taijoan, wordt van eenig voorval op of bij Quelpaerts-eiland melding gemaakt.
[167] Zie Bijl. III_C, bl. 108 (Dagr. Japan, 27 Oct. 1642).
[168] In de "Zeijlaes-Ordre's", in den tijd toen de Sperwer naar de noorderkwartieren stevende, medegegeven aan de van Batavia rechtstreeks naar Japan varende schepen, b.v. de Smient en de Morgenster (1 Juli 1652), de Haes en de Witte Valck (21 Juli 1653), Calff (13 Juli 1654), wordt Quelpaerts-eiland evenwel niet genoemd: ".... wanneer dan weder de Cust van Aijnam aensoecken ende soo voort de Golff van Japan in loopen cunt; doch sootgeviel dat inde Golff eenige contrarie winden quam te ontmoeten, soo sult in sulcken geval soo veel noort soecken als het doenlijck zij--in voegen dan aen uw reijse niet te twijfelen hebt, alwaert oock schoon dat ind' Eijlanden van Couree [Coeree, Coerre] quaemt te vervallen, zoo zoude echter daeruijt comen, ende de gedestineerde plaetse bestevenen cunnen."
[169] De opper-stuurman Hendrik Jansz. van "de Sperwer" heeft misschien een kaart gekend of bezeten waarop het "Quelpaerts-eiland" stond aangegeven, en daarom kunnen vaststellen waar zijn schip strandde. Zie Journaal bl. 9.
[170] Zie bl. XLII, noot 1.
[171] "Possibly these riddles might be solved if life were long enough to devote a dozen years or more to explore the hidden corners of knowledge" (The voyage of Captain John Saris to Japan, Preface, bl. VIII).
[172] Quelly--s. m. Mamm. Espèce de léopard de Guinee (Dictionnaire national, par M. Bescherelle aîné. Paris, 1851).
[173] Zie Journaal bl. 73.
[174] Zie Bijlage I a.
[175] Patr. Miss. 25 Maart 1651.
[176] Gen. Miss. 19 Dec. 1651.
[177] Dr. F. de Haan, Uit oude notarispapieren II: Andreas Cleyer, Tijdschr. Bat. Gen. XLVI, 1903, bl. 423.
[178] Zie Bijlage I a.
[179] Mededeelingen van den Heer W.F. Emck Wzn. te Gorkum.
[180] Alsdan zal tevens kunnen blijken of er verwantschap heeft bestaan tusschen Hendrik Hamel en de volgende naamgenooten:
1o. Heyndrick Hamel, patroon der kolonie aan de Zuidrivier (Nieuw-Nederland). Zie Korte historiael, enz. door David Pieterszoon de Vries, 1618-1644, ed. Dr. H. T. Colenbrander. [Uitgave Linschoten-Vereeniging (1911), bl. 147].
2o. Mr. Johan Hamel, Secretaris van Amersfoort 1612-1630 en in 1633 Schepen aldaar (Abraham van Bemmel, Beschrijving der stad Amersfoort, Utrecht 1760).
3o. Joan Hamel en Adriaan Hamel, blijkens Resolutie van Gouverneur Generaal en Raden, 7 Febr. 1653, toen klerken ter generale secretarie te Batavia.
4o. Maria Hamel, weduwe van Bartholomeus Blijdenbergh, met haren zoon Hendrik wonende te Amsterdam, aan wie uit Indië wissels zijn overgemaakt (Res. Heeren XVII 25 Nov. 1683 en 24 Nov. 1688).
In "Beschryvinge der stadt van Gorinchem en landen van Arkel, door Mr. Cornelis van Zomeren, 1755," is de naam "Hamel" nergens aangetroffen.
[181] Vgl. echter: "The present Japanese régime in Korea is doing everything in its power to suppress Korean nationality. The Government not only forbade the study of Korean language and history in schools, but went so far as to make a systematic collection of all works of Korean history and literature in public archives and private homes and burned them" (H. Chung, Korean Treaties, New-York 1919).
[182] Zie: Memorials of the Empire of Japan in the XVI and XVII centuries, edited by Th. Rundall (Part II. The letters of William Adams); Letters written by the English Residents in Japan (Part I, bl. 1-113); The Log-Book of William Adams, 1614-1619, edited by C. J. Purnell, Transactions of the Japan Society of London, XIII,