Vergif: Een Roman uit het Noorsch

Chapter 9

Chapter 94,193 wordsPublic domain

"Daar twijfel ik niet aan, Wenche! er kan zeker ook allerlei tegen het aannemen worden gezegd; maar hier is nu geen sprake van wat jij gelooft of wat ik geloof, maar van Abraham's geloof. 't Is niet, omdat ik zelf--hm"--hun oogen ontmoetten elkaar in den spiegel,--"nu, ik ben nu eenmaal niet godsdienstig aangelegd, zooals jij, en 't is dus niet om die reden, dat ik mijn zoon in de christelijke leer wil laten opvoeden. Maar naar mijn meening hebben noch jij, noch ik het recht om hem iets te onthouden, wat hem kan helpen bij die keus, of hem tot iets te dwingen, wat het hem onmogelijk maakt te kiezen. Hoe kunnen we nu eerlijk tegenover onzen zoon staan, als we niet tegen hem zeggen: Wil je dezen proef met jezelf nemen? Of heb je al van te voren gekozen?"

"Nu verdraai je de boel, Carsten."

"Neen, dat doe ik niet. Abraham is oud genoeg om te begrijpen waar het om gaat; daarom heb ik zoolang gewacht; laat hem zelf kiezen of hij wil worden aangenomen of niet. Dat dunkt mij, dat jij, met je sterk gevoel voor vrijheid en rechtvaardigheid goed moet vinden."

"Nu goed, laat hem kiezen!" riep Mevrouw Wenche; maar dadelijk liet zij er op volgen: "Ach neen,--wat geeft dat? zoo'n jongen!--hij kiest natuurlijk te zijn als alle anderen--om rust te hebben. Neen, neen Carsten! 't is zonde om hem met open oogen in leugen en knoeierij te zenden."

"Zeg eens, Wenche! Hoe lang heb je je voorgesteld voor je zoon te kiezen? Wil je mettertijd ook een vrouw voor hem kiezen?"

"Dat is onzin, Carsten. Ik ben het immers, die er altijd op sta, dat hij zijn vrijheid hebben moet."

"Dat is een wonderlijk soort van vrijheid! Als Abraham nu wezenlijk kiest om aangenomen te worden--"

"Dan is 't alleen, omdat hij nog niet wijzer is op dit oogenblik.

"En als hij nu over een paar jaar niet wijzer is en een vrouw wil nemen, waarvan je vast en zeker overtuigd bent--zooals je gewoonlijk bent,--dat ze je zoon grenzenloos ongelukkig zal maken, wat dan?"

"'t Is wezenlijk een ellende met je te praten--Carsten! want je haalt alles door elkaar."

"Laat ons nu niet heftig worden, want dat dient nergens voor. Ik vond juist, dat we hier zoo kalm en goed over praatten. Zou ik het nu wel zijn, die alles door elkaar haalt? Zou jij 't niet eerder zijn, die in je groote liefde voor Abraham onwillekeurig wat van de tyrannie mengt, ... pardon! die onafscheidelijk is van alle liefde? Zou jij niet, in je ijver om hem 't beste te bezorgen, voortdurend voor hem willen kiezen? terwijl je toch zoo dikwijls gezegd hebt, dat het 't beste is, dat een mensch zelf kiest."

"Ik wil graag kalm zijn--Carsten! en 't is niet om onvriendelijk te zijn, dat ik het zeg; maar 't is heusch gevaarlijk om met je te praten; want je draait me rond en zet alles ondersteboven. Nooit zou ik geloofd hebben, dat ik gewillig mijn zoon voor het aannemen zou zien voorbereiden; maar nu komt het me bijna voor, dat er iets van aan is wat je zegt."

"Ja, ik geloof, dat ik dezen keer 't meest in overeenstemming met je principes ben," antwoorddde de professor, die nu geheel gekleed was en wilde heengaan.

"Maar dat zeg ik je," riep plotseling Mevrouw Wenche, toen hij al op den drempel stond, "op den morgen, dat Abraham naar de kerk moet om die ongelukkige belofte af te leggen, wil ik als zijn moeder het recht hebben hem te vragen of hij weet wat hij doet. En is hij dan niet volkomen oprecht en eerlijk, dan zal noch jij noch eenig dominé in de wereld het gedaan krijgen, dat mijn zoon heengaat en een leugen zegt!"

"Dat mag je doen, zoo als je zelf wilt," antwoordde haar man en ging heen. "Die dan leeft, die dan zorgt"--Voorloopig had hij gedaan gekregen wat hij verwachten kon.

Maar Mevrouw Wenche was onrustig en ontstemd; zij had een pijnlijk gevoel, dat haar man haar listig haar toestemming tot het aannemen ontlokt had--dat aannemen--de walgelijkste comedie, die ze kende.

Ze sprak er met Mordtmann over, en hij gaf haar in alles volkomen gelijk; hij was nog heftiger in zijn uitdrukkingen. Maar overigens interesseerde de quaestie hem niet zoo sterk.

Toen nam ze Abraham bij zich en sprak ernstig met hem op een avond, dat de professor in de club was.

Ze legde hem uit, zoo duidelijk en openhartig als zij kon, wat ze van dit dominé's verzinsel:--het aannemen, dacht.

Ze liet hem zien dat die belofte, die ze eischten en aannamen van minderjarige kinderen [14] niets anders was dan het vreeselijkste spelen met het ernstigste; dat het niet anders zijn kon--absoluut niet anders--in aanmerking genomen de eischen, die het ware christendom aan de menschen stelde--dan dat de jonge menschen bij troepen het leven ingeleid werden door een grooten leugen heen, erger dan een meineed. Wilde hij dat met open oogen meêdoen? of had hij gekozen?

Als hij zonder vrees voor de menschen kon besluiten voort te werken, zonder die verbintenis, die alleen bestond om verbroken te worden,--kon hij dat, dan zou ze hem trouw helpen.

Abraham zat met neêrgeslagen oogen zonder te antwoorden, zonder haar in de rede te vallen. 't Was hem altijd pijnlijk, als iemand met hem over godsdienst sprak. Op school leerde hij godsdienst als ieder ander vak; en alleen de rector in zijn redevoeringen, of als er iets niet in den haak was, sprak met nadruk over God; de professor kon zoo nu en dan een uitdrukking doen als b.v. "Je mag onze Lieve Heer wel bidden je daarvoor te bewaren," of iets dergelijks.

Abraham wist wel hoe hij moest staan kijken, als zooiets gezegd werd, en kon ook wel een antwoord mompelen op den juisten toon; maar akelig vond hij het toch.

En nu met zijn moeder was het nog erger; want het hielp niet of hij bij haar met de gewone zinnetjes aankwam;--en den juisten toon wilde zij precies niet hebben; en hoe zou hij toch in ernst op haar vraag kunnen antwoorden?

Ja,--natuurlijk wou hij aangenomen worden, zooals alle anderen; 't was hem al lang een ergernis geweest, dat hij de laatste was van alle jongens, die even oud waren als hij. Dat sprak immers van zelf. En nu kwam zijn moeder en maakte het tot zooiets verschrikkelijk gewichtigs, alsof 't een keerpunt in zijn leven was.

En terwijl ze tegen hem bleef spreken, zoo ernstig en met een zachte stem over waar en eerlijk wezen, in welk geloof het dan ook was, zat hij er aan te denken hoe wonderlijk het toch was, dat juist zij zoo sprak. Dat was toch de verkeerde wereld!

De rector, waarvan nu toch iedereen wist, dat hij een buitengewoon godvruchtig man was, en zijn eigen vader, die ook godsdienstig was--zoo matig,--juist genoeg, vond Abraham--die alle twee, en behalve dat, alle christenmenschen in de stad, hielden het aannemen in eere, ja zij zouden een woord tegen die heilige handeling voor Godslastering houden.

Maar zijn moeder, die zelf dikwijls gezegd had dat 't met haar geloof niet zoo heelemaal in orde was,--en Abraham had van buitenaf toespelingen gehoord op erger dingen--dat zij nu dat alles, waar ze zelf niet aan geloofde, en wat ze dus ook niet echt begrijpen kon--dat zij het aannemen ernstiger, plechtiger opnam dan de geloovigen zelf--dat vond hij al héél vreemd; en terwijl hij daaraan dacht werd hij onwillekeurig een beetje ongeduldig. Hoe kon zij, die zelf niet geloofde, hooger eischen stellen dan de geloovigen! Zelf werd zij tenslotte ook ongeduldig toen zij den jongen daar zag zitten als een stok: stijf en stom.

"Antwoord me nu, Abraham!--wat kies je? Wil je aangenomen worden?--of wil je het niet?"

"Ik weet het niet", antwoordde Abraham.

"Ja, maar dat moet je toch weten. Je ben nu groot genoeg om te weten, dat je zelf moet kiezen. Denk er nu maar eens een paar dagen over na; maar dàt wil ik je zeggen, wat ik van morgen tegen je vader gezegd heb: op den dag, dat je naar de kerk gaat zul je eerst bij mij biechten; en kun je dan niet naar waarheid tegen mij--je moeder--zeggen: 'Ik wil en kan die belofte afleggen' dan zul je niet naar dat leugenfeest gaan, zoo waarachtig als ik Wenche heet."

Een poos later kwam de professor thuis; ze gebruikten het avondeten en er werd over andere dingen gesproken. Maar Abraham liep verscheidene dagen rond met dat pijnlijk gevoel van te moeten kiezen.

Ja, natuurlijk wilde hij aangenomen worden! Als ze hem op school vroegen of hij in 't najaar voor zijn aannemen zou gaan leeren, antwoordde hij ja. Over een paar weken moest hij ingeschreven worden; zijn moeder vroeg hem niets; zijn vader ook niet. En intusschen ging de tijd voorbij.

Op school was niet veel afwisseling; alleen had hij in de nieuwe klasse meer Latijn en meer Grieksch. Hij begon langzamerhand zich bij Broch aan te sluiten; vroeger had hij niet van hem gehouden. Maar nu zaten ze naast elkaar als de twee hoogsten in de klasse en Abraham was vlijtig geworden.

Kleine Marius had geen spoor achtergelaten. Hij was verdwenen; zijn nummer door een ander bezet. De stroom sloot zich over hem, en zijn naam werd nooit meer genoemd, omdat allen hem al spoedig vergeten hadden. Het dagelijksch geblok in dezelfde kamer, in dezelfde vakken, dezelfde lessen, 't zitten--dat alles maakte, dat hun gedachten zich niet bezig hielden met wat voorbij was. En Marius Gottwald werd al gauw voor hen een kleine jongen, dien ze jaren geleden gekend hadden, toen ze zelf klein waren en in de lagere klasse zaten.

De eenige, die aan hem bleef denken, was Abraham.--Niet alleen om die herinnering, die hem hinderde, en waaraan hij maar liefst zoo zelden mogelijk dacht.

Mevrouw Gottwald, die nu niets meer in de wereld te doen had dan de herinneringen aan haar lieven kleinen Marius te koesteren, klampte zich aan zijn besten vriend vast.

Wanneer ze Abraham ook maar in 't oog kreeg liep ze naar buiten of klopte aan het raam.

Abraham vermeed dat 't liefste; hij vond het niet prettig, als iemand hem naar binnen zag gaan, en hij vond het ook niet prettig naar Mevrouw Gottwald te luisteren.

Zoodra ze hem goed en wel op de sofa had gekregen, begon zij over kleine Marius te praten. Ze kon immers den heelen langen dag geen woord spreken over het eenige, waar ze dag en nacht aan dacht.

Schuw en teruggetrokken als ze was, had ze geen vriendinnen. Alleen 's avonds kwamen de oude stamgasten,--de sombere gedachten aan schande en berouw--de kleine kamer in en gingen in 't rond tegen de wanden zitten en staarden haar aan.

Er was een gast bijgekomen, erger dan de anderen. 't Was het knagend verwijt, dat zij uit ijdelheid haar zoon meer had willen laten leeren dan zijn hoofd verdragen kon; maar daar durfde zij nooit over spreken.

Overigens vertelde zij iederen keer hetzelfde, vroeg of het niet waar was, dat kleine Marius de allerknapste in het Latijn geweest was, en werd niet moede te vertellen, hoeveel hij van zijn vriend gehouden had, hoe hij hem bewonderde en tot hem opzag;--"Ja, het ging zóóver,"--hier lachte de bleeke dame met een klein, flauw lachje--"dat ik, zottin!--heel jaloersch werd op dien Abraham Lövdahl. Zie eens hier, achter in een van zijn themaboeken heeft hij met groote letters geschreven: 'A. L. is de grootste held van de school.' Dat ben jij--dat is U......" Mevrouw Gottwald werd verlegen; ze wist bijna niet, of ze "jij" kon blijven zeggen tegen Abraham; hij was zoo stijf, zoo groote mensch-achtig.

't Was haar ook niet mogelijk hem te bewegen om lang achter elkaar te blijven of dikwijls terug te komen; tot ze eindelijk op 't idee kwam hem op wijn en gebakjes te tracteeren; en dat hielp een beetje.

Hij kwam nu soms uit zich zelf--liefst in 't donker en zat nogal geduldig naar de oude verhalen te luisteren; nu en dan vertelde hij ook trekjes uit hun samenleven, die de arme Mevrouw Gottwald in verrukking brachten.

Maar Abraham sloop altijd stil heen en terug naar deze bezoeken, hij voelde wel, dat zijn vader het in 't geheel niet goed zou vinden, dat hij den omgang met de moeder van kleine Marius aanhield.

Maar wie kan op zijn zestiende jaar de verzoeking van wijn en boterspritsen weerstaan?

--Intusschen bleef Michal Mordtmann steeds even vol van zijn fabriek, die nu bijna klaar was. Maar toen de herfstregens doorzetten was 't niet zoo prettig daar iederen dag heen te gaan. Daarom richtte hij in de stad een kantoor in voor de fabriek "Fortuna."

Over zijn verhouding met Mevrouw Wenche was hij niet recht tevreden; die ging al te langzaam vooruit,--misschien wel heelemaal niet. Hij was nu zeer door haar bekoord; een liaison met zoo'n mooie en interessante vrouw van zulk een liberaal man stelde hij zeer op prijs. Dat zij werkelijk ook,--in alle geval bijna--verliefd op hem was, dat wist hij zeker; hij had het al ontelbare malen aan kleinigheden gemerkt.

Mevrouw Wenche had trouwens iets vreemds over zich gehad in den laatsten tijd, iets zenuwachtigs, iets ongestadigs. Nu eens staarde ze voor zich uit en sprak weinig; dan weer was ze zoo redenrijk, dat het bijna pijnlijk werd.

Mordtmann was er van overtuigd, dat hij de oorzaak van al haar gemoedsbeweging was en ze was juist in dezen tijd zoo mooi, zoo bekoorlijk, dat de anders zoo voorzichtige man zijn zelfbeheersching begon te verliezen.

In plaats van de bezoeken op het middaguur waren er op de lange herfstavonden vertrouwelijke, langdurige gesprekken gekomen in de schemering bij het schijnsel van den kachel. Mevrouw Wenche placht heen en weer om de tafel te loopen; hij zat op de sofa in het roode kachellicht.

De professor was bijna altijd uit op dien tijd, maar soms kwam hij ook thuis en vond hen zoo, en altijd waren zij of hij dan wat verlegen.

Maar in Michal Mordtmann's bloed was onrust--als hij daar zat en haar zoo kalm en regelmatig langs zich heen zag loopen.

Ze was somber dien avond en zij spraken over den dood en over treurige dingen; hij sprak weinig, zij antwoordde met een paar woorden, en ze waren het er over eens, dat het leven niet veel waard was.

Maar dat was zijn stemming niet; hij ging met haar meê. Zelf was hij vol ongeduld en hoop; hij berekende de gevolgen niet, en had geen gewetensbezwaren; telkens als ze langs hem liep, kostte het hem meer moeite haar te laten gaan, zonder op te springen en haar vast te houden.

Na een pauze bleef zij vlak voor hem staan en zag hem in 't opgeheven gezicht.

"Maar waarom zit u nu dat alles te zeggen, wat u immers heelemaal niet meent?"

"Ik ben het ook niet, die hier zit, en hier spreekt! ik weet niet wat ik doe; ik weet alleen, dat ik dit niet langer uithouden kan."

Terwijl hij dit zei, had hij zijn arm om haar middel geslagen en haar neer getrokken, zoodat zij in 't schijnsel van 't vuur op zijn linkerknie zat.

Hij boog zijn hoofd over haar en kuste haar op de wang. "We kunnen ons toch niet langer voor elkaar verbergen; het is toch waar."

"Ja, het is waar," antwoordde ze mat en legde haar arm op zijn schouder.

Maar langzamerhand maakte zij zich voorzichtig los en stond op.

"Neen, neen," zei ze--als 't ware nog half in een droom.

Maar hij sprong op en wilde haar grijpen, met hartstochtelijke woorden, zonder samenhang.

"Neen--neen!" riep ze heftiger en op eens, als of ze wakker werd: "raak me niet aan! Is u dwaas! Meent u, dat ik twee mannen hebben wil?"

"Maar je bent nu van mij--van mij alleen."

"Neen, neen volstrekt niet, bedenk toch......!"

"Denk zelf maar na, hoe vaak hebben we daar niet over gesproken; heb je niet altijd het recht van de liefde verdedigd?"

"Niet nu--niet zoo,--breng me niet in de war, laat me met rust; zie toch eens wat we al niet vernielen;--neen, laat het blijven als vroeger, of als dat niet mogelijk is; ga dan heen!--Ik smeek u, Mijnheer Mordtmann, laat mij met rust."

"Maar ik dan,--ik? daar denk je niet aan. Wat moet er dan van mij worden?"

Ze nam hem bij de schouders, keerde hem naar het licht en zag hem oplettend in 't gezicht. Hun beider ademhaling was kort en ongeregeld, en zijn gezicht was bleek en vertrokken; terwijl hij onverstaanbare woorden stamelde en haar handen heftig drukte.

"Wat heb ik gedaan!" riep Mevrouw Wenche; want zijn hartstocht was zoo onmiskenbaar en waar op dat oogenblik, dat die haar geheel overtuigde en sterk aangreep: "ik heb ons beiden kwaad gedaan!"

"Neen, neen, dat heb je niet! je hebt gekozen, je bent de mijne.--Als je me niet bedriegt!"

"Ik bedrieg je niet, beste vriend."

"Kom dan!--Blijf niet halverwege staan. Wees de mijne!"

"Luister nu, luister even naar een verstandig woord, we zijn op dit oogenblik immers beide half toerekenbaar; nu moet ik handelen, ik ben de oudste."

"Och......" viel hij haar ongeduldig in de rede, maar zij legde de hand op zijn mond:

"Ga nu heen, ga heen, lieve Mordtmann en kom over een paar dagen terug; we moeten beiden nadenken en alles overwegen. Laat ons niet in den roes van dit oogenblik onherstelbaar verdriet over ons zelf en anderen brengen. Doe nu wat ik zeg. Je weet wel dat ik gelijk heb."

Hij wilde niet luisteren, maar met smeeken en liefderijke woorden drong ze hem naar de deur, nog eens greep hij haar aan en kuste haar; daarop stoof hij de deur uit en liep half bewusteloos door de vestibule.

Ze wierp zich op de sofa en hield de handen voor de oogen. Zijn kussen brandden haar; ze had hem lief; daar lag een smart in, die haar als vastsnoerde in een gelukzaligen angst en haar gedachten stonden stil voor dat ééne.

Ze kon er niet toe komen aan haar man en aan haar zoon te denken; maar een halfbewust gevoel van angst, waar ze al lang meê gestreden had, mengde zich pijnlijk in deze onuitsprekelijke verwarring.

Haar man kwam thuis. Hij ging uit de vestibule dadelijk in zijn kamer. Daar hing een kastje aan den muur, waarvan hij den sleutel altijd aan zijn sleutelring droeg en waarin hij enkele zeldzame geneesmiddelen bewaarde;--de apotheek was niet bijzonder vertrouwbaar.

De professor zocht een fleschje versterkende droppels uit, mengde een sterke dosis met water en dronk het uit. Toen bekeek hij zijn gezicht in den spiegel; dat was heel bleek.

Toen hij zoo een poos gestaan had, deed hij het licht uit en ging door de huiskamer, om zich in zijn slaapkamer te wasschen, zooals hij altijd deed, als hij 's avonds van zijn visites thuiskwam.

"Goedenavond Wenche, zou je de lamp niet opsteken?" vroeg hij, terwijl hij haar voorbij ging.

"Ja," antwoordde zij van de sofa, zonder zich te bewegen.

Abraham zat over zijn boeken. Hij was met Broch op de kamer van Morten Kruse geweest, waar ze rookten, en hij had een warm hoofd en een prikkelig gevoel in zijn huid; hij voelde zich niet wel.

"Nu--Abraham," vroeg de vader, terwijl hij ouder gewoonte heen en weer door de kamers liep onder 't toilet maken. "Heb je al een besluit genomen hoe het met het aannemen gaan moet? Dat moet gauw gebeuren, als je er dezen keer bij wilt zijn. Of wil je liever niet?"

"Ja, ik wil liever wèl."

"Goed!--je weet, dat je daar vrij in bent. Wil je aangenomen worden, dan mag je. Heb je 't al aan Moeder verteld?"

"Neen,--wilt u dat niet liever doen?"

"Neen,--waarom? Beste jongen, ga nu maar meteen naar binnen en zeg het. Moeder is in de kamer."

Abraham ging heel verlegen naar binnen.

"Zeg, Moeder," begon hij toen hij een poosje bij de kachel gezeten had; "ik geloof toch, dat ik voor mijn aannemen leeren wil."

"Ja, dat dacht ik wel,"--antwoordde Mevrouw Wenche bijna hard. Ze was zoo volkomen in haar gedachten verdiept.

Maar Abraham kreeg een schok.

Dat ze dat nu zóó op kon nemen! Ze had hem zoo open en liefdevol gezegd, dat hij zelf kiezen mocht. Hij sloop even verlegen weg, als hij gekomen was; en hij begon al te rillen van angst voor dien morgen, dat zijn Moeder bij hem zou komen om hem duchtig in verhoor te nemen.

--Toen Michal Mordtmann duizelend de huisdeur uitvloog, was hij vlak op Professor Lövdahl aangeloopen, die juist thuiskwam.

De professor stootte met zijn stok op de steenen en het kwam Mordtmann voor, alsof hij iets zeggen wilde, maar zich bedwong. Het scheen hem ook toe, dat het gezicht van den professor een zonderlinge uitdrukking had, toen hij vluchtig opzag en groette.

Maar hij was al te veel vervuld van wat er met Mevrouw Wenche gebeurd was. Hij ging haastig naar huis en sloot zijn deur af, om alleen en ongestoord zijn geluk te genieten.

Hij liet zich in zijn leuningstoel neervallen, sprong weer op en liep heftig heen en weer, zocht het portret op, dat hij van haar had, sprak er tegen en sprak tegen zich zelf,--gelukkig, zonder belemmerende gedachten, trotsch dat hij zijn doel bereikt had.

Maar naarmate hij wat tot rust kwam, betrapte hij er zich telkens op, dat hij aan den professor dacht. Dat was toch eigenlijk een zonderling gezicht, dat hij gezet had.

Het begon Mordtmann onrustig te maken. Hij begon er over te denken hoe ontzettend onvoorzichtig ze gehandeld hadden. Nog maar een paar minuten later en de professor zou hen verrast hebben in een ontroering, die onmogelijk te verbergen zou zijn geweest.

Dit moest heel anders ingericht worden,--die verhouding,--als dat zou kunnen doorgaan en dat gaf zijn overdenkingen een andere richting.

Hij stak een sigaar aan en ging zitten om na te denken.

TIENDE HOOFDSTUK.

De Proost Sparre was met zijn cathechisanten bezig in 't oude vergaderinglokaal van de Haugianen en hoewel er een massa jongens waren, scheen het toch maar een klein troepje in de groote, lage, grauwe zaal met vensters aan drie zijden.

De cathechisanten waren zoo geplaatst, dat er een scherpe afscheiding tusschen hen was.

Op een lange bank vlak voor den katheder zaten de kinderen van de lagere school; 't verst naar de hoeken de arme kinderen uit West-end en de andere uithoeken van de stad.

Maar aan de rechterhand van den predikant, vlak bij den katheder, op kortere banken die recht op den muur stonden, daar zaten de goedgekleede jongens van de andere scholen; 't gymnasium op de eerste bank en Abraham heel bovenaan bij den predikant.

De proost had altijd een menigte cathechisanten, want hij had den naam, dat bij hem de leerlingen er veel gemakkelijker "door kwamen" dan bij de andere predikanten in de stad.

Onmogelijke domooren, die het al meermalen te vergeefs geprobeerd hadden, werden zonder moeilijkheden door den proost aangenomen. En men moest waarlijk niet zeggen, dat dit kwam doordat hij het niet zoo nauw nam met hun kennis van het christendom. Men moest die domooren maar eens hooren, als ze in de kerk stonden, op de cathechisatie! Ze antwoordden van een leien dakje, en dat dikwijls op de allermoeilijkste vragen uit de heele Pontoppidan.

Daarom werd de proost zeer bewonderd--meer dan hij verdiende--eerlijk gezegd; want hij nam zijn geheime maatregelen.

De proost wist namelijk even goed als ieder ander predikant of leeraar, dat er onder de kinderen van de lagere school niet één jongen of meisje was, die een syllabe begreep van wat er in Pontoppidan's boek stond. Daarom was het heelemaal toevallig wat er in de minder heldere hoofden van het geleerde bleef hangen en van buiten gekend.

Terwijl dus de knapsten onder hen op iedere vraag uit het heele boek konden antwoorden, als hij maar oplette, dat hij woordelijk vroeg, precies als de vraag luidde, waren er veel anderen, die maar een enkel stukje ontgonnen grond in hun hoofd hadden, terwijl de rest een en al vraagteekens bevatte.

Nu had de proost deze methode, dat hij scherp uitkeek naar de kleine ontgonnen plekjes in al die hersens; en als hij merkte, dat er een paar woorden als vastgespijkerd zaten in één van de domste hoofden, dan schreef hij dat in een notitieboekje op.

Op den grooten dag, dat hij de cathechisanten in de kerk moest overhooren te midden van de gemeente, was het een wonder, hoe hij kon springen van 't eene onderwerp op het andere, hier en daar een vraag doen en altijd den cathechisant voorbereid vinden, en goed voorbereid.

De proost zelf was heel bezorgd voor dat geheim. In het kleine notitieboekje stonden enkel getallen, die er voor den oningewijde uitzagen als cijfers, die hij den kinderen onder de cathechisatie gegeven had. Maar hij was alleen bezorgd, omdat hij heel goed inzag hoe gemakkelijk zijn handelwijze verkeerd begrepen kon worden en verkeerd uitgelegd.

Tegenover zijn eigen geweten daarentegen was hij volkomen gerust.