Vergif: Een Roman uit het Noorsch

Chapter 7

Chapter 74,190 wordsPublic domain

"Anders niet, anders niet! Ja, dat lijkt jou! Jij kunt bijna voor niets anders meer sympathie hebben, dan voor oproer en verzet tegen alles en allen. Maar nu wou ik je één ding zeggen--waarde Mevrouw--nu is mijn geduld uit. De jongen is ook van mij, en ik wil niet, dat hij een radikale warkop wordt, een uitschot in de maatschappij, tot schande en verdriet van zijn familie. Nu heb ik lang genoeg toegezien, dat je hem volpropte met je dwaze ideeën en nu heeft dat zijn vruchten gedragen. Maar nu moet je me ook niet kwalijk nemen, dat ik als vader mijn macht gebruik om te redden wat nog te redden is. Is hij thuis?"

"Ik heb hem niet gezien."

Mevrouw Wenche wist niet recht hoe ze zich houden moest tegenover haar man; zij wist ook niet precies wat Abraham gedaan had; en zij wilde niet vragen, zoolang haar man haar op deze manier behandelde.

Maar toen Abraham eindelijk moe en hongerig thuis kwam en bleek en ter neer geslagen de huiskamer binnensloop, zei ze: "Maar Abraham, wat hooren we toch van je? Wat heb je gedaan?"

Abraham staarde haar aan; zijn eenigste hoop was op zijn moeder geweest; maar vóór hij nog antwoorden kon, deed de professor zijn deur open en riep hem binnen.

Mevrouw Wenche hoorde hem aanhoudend spreken met een strenge stem; ze kon het niet uithouden. Ze wilde ook niet nu naar binnengaan. Ze ging naar de eetkamer.

"Hoe kon je me toch zoo'n groot verdriet doen, Abraham!" begon de professor ernstig, bijna bedroefd. "Ik had zoo stellig gehoopt een braaf en nuttig burger van je te maken, een zoon waar ik blij mee en trotsch op zijn kon. En in plaats daarvan begin je al nu, in je jeugd, neigingen te toonen, die je zoo zeker als iets in 't verderf zullen storten. Want luiheid, jeugdige lichtzinnigheid en wildheid--dat wordt beter met de jaren en door een verstandige behandeling; maar een geest van oproer is iets, dat bijna altijd toeneemt, als het eens wortel geschoten heeft. Je begint met je tegen je leeraren te verzetten en ze te honen, dan groei je je vader en moeder over 't hoofd en eindelijk wil je je niet meer buigen voor onzen lieven Heer zelf! Maar weet je wat dat voor soort menschen worden,--die dat doen? Ja, dat zijn de misdadigers, dat is het uitschot van de maatschappij, die de wetten trotseeren en onze gevangenissen vullen. Wat vandaag met jou is gebeurd, heeft me meer geschokt dan ik je zeggen kan; ik kan niet op je knorren, of je straffen. Ik weet niet eens, of ik zulk een zoon in mijn huis houden kan."

Met die woorden ging hij de kamer uit. Dit was een wel doordachte toespraak van den professor en die werkte sterk.

Van alles had Abraham zich voorgesteld op zijn eenzame wandeling,--al het ergste wat hij maar kon bedenken aan knorren en straf; maar dit was toch erger dan dat alles.

Die treurige, bedroefde toon; die harde woorden en dan eindelijk die vreeselijke mogelijkheid, dat hij misschien het huis uit zou worden gestuurd, van zijn moeder weg--eerst toen kreeg hij zijn gedachten in zoover bij elkaar, dat hij in tranen uitbarstte en lang op de sofa lag te schreien. Hoe onbegrijpelijk kwam 't hem nu voor wat hij gedaan had. Wat moest er toch van hem worden!

Lang daarna deed de professor de deur open en riep hem aan tafel.

Mevrouw Wenche had nog altijd niet heelemaal gehoord wat er gebeurd was; maar te oordeelen naar wat ze te weten kwam, moest ze toegeven, dat Abraham zich hoogst ongepast gedragen had. Maar toch verwonderde ze er zich over, dat die kleinigheid--want eigenlijk was het toch zoo erg niet--haar zoo door en door kon ontstemmen. Zij voelde zich zoo somber, zoo onuitsprekelijk ongelukkig en ze had het meest lust de armen om Abraham heen te slaan en uit te schreien.

Maar aan tafel werd geen woord gesproken.

Abraham boog zich geheel door berouw verslagen over zijn soep. En op dat oogenblik leek hij weinig op dien bleeken held, die met gebalde vuist tegenover den leeraar stond en hem een duivel noemde.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Het groote feit van den dag in de stad was, dat Professor Lövdahl tien aandeelen in de fabriek genomen had, en het ging zooals Jörgen Kruse voorspeld had. Allen tegelijk wilden op de lijst in de Handelsvereeniging teekenen; ja, er ging een paar dagen als 't ware een zweem van speculatiekoorts door 't anders zoo doode en trage handelsleven.

Na veertien dagen telegrafeerde Michal Mordtmann aan zijn vader, dat er voor 96,000 rijksdaalders aan aandeelen genomen was.

De jonge Mordtmann straalde van geluk,--hij was blij met het vooruitzicht aan 't hoofd te komen van zoo'n prachtige zaak en er niet weinig trotsch op, dat hij zoo fijn gespeeld had.

De booze gezichten van de Latijn-aanbidders raakten zijn koude kleeren niet; 't was de handelswereld, de wereld van de burgerschool, die hij moest veroveren en dat had hij gedaan.

Hij kreeg ook een erkentelijk schrijven van de firma Isac Mordtmann en Co., en andere instructie betreffende de directie, die gekozen moest worden; Professor Lövdahl moest er absoluut in komen.

Michal Mordtmann bracht dit den volgenden Zondag ter sprake bij Professor Lövdahl aan huis,--hij kwam daar geregeld elken Zondag eten; 't was er nu wel wat somber aan huis na die quaestie met Abraham, die voortdurend door zijn vader's koelheid in de pijnlijkste spanning gehouden werd.

De professor sloeg eerst het eervolle aanbod van een plaats in de directie af. Hij had geen tijd door zijn praktijk en hij was ook niet geschikt voor zooiets. Hij hield zich immers juist uit principe buiten zaken.

Eigenlijk was het maar om den naam te doen, meende Mordtmann, van eigenlijk werk was geen sprake. De chef van de bank: Christensen, zou administreerend directeur worden; 't was er maar om te doen, den naam van Professor Lövdahl in de directie te hebben.

"Kunt u mij niet helpen, Mevrouw, om uw man over te halen?"

"Neen, mijn man gaat zijn eigen weg in al zulke dingen," antwoordde Mevrouw Wenche zonder op te zien.

"Als je 't graag hebt, lieve! dan wil ik graag in de directie komen," zei de professor vriendelijk.

"Ik 't graag hebben? maar wie zegt dat? hoe kom je er bij?" zei Mevrouw Lövdahl zenuwachtig.

"Nu, nu! je interesseert je toch warm voor de fabriek van Mijnheer Mordtmann; en ik wil onzen jongen vriend ook graag een dienst bewijzen. Dus ik ben bereid om in 't bestuur te komen, Mijnheer Mordtmann."

"Hartelijk dank!" antwoordde deze, en in zijn blijdschap lette hij niet op de uitdrukking op 't gezicht van de vrouw des huizes; hij hief zijn glas op: "Ja, dan is dus alles in orde; nu beloof ik, dat het niet lang zal duren of de fabriek staat er."

Mevrouw Wenche was niet op haar gemak. De vertrouwelijkheid, die zoo snel was ontstaan tusschen haar en Mordtmann begon haar te hinderen; zij zag heel goed, dat haar man op elk woord en elken blik lette en ze wist, dat hij dacht, dat zij in die zaak met de fabriek met den jongen man had samengewerkt.

En dat ergerde haar, want het was immers niet waar. Maar ze voelde, dat, als zij zich probeerde te verdedigen, haar eerlijkheid te kort zou schieten tegenover het wantrouwen van haar man en dat de verwarring daardoor maar grooter zou worden.

Daar kwam bij, dat zij in deze dagen voor 't eerst gevoeld had, waar ze zoo dikwijls grooten angst voor had gehad; dat haar zoon van haar vervreemden kon of ten minste, dat er iets tusschen hen zou kunnen komen en de onbegrensde vertrouwelijkheid zou kunnen breken, waarin ze tot nu toe geleefd hadden.

Toen ze eindelijk de heele historie van Marius en Aalbom van Abraham zelf hoorde,--hij vertelde 't met neergeslagen oogen en was nog heelemaal onder den indruk van wat hij gehoord had,--toen nam de moeder hem in haar armen en riep: "Neen maar... lieve Hemel!--hebben ze daarom op je geknord? moest je dan blijven zitten en 't aanzien hoe je beste vriend gepijnigd werd?--'t was flink van je, Abraham!"

Maar hij zag schuw naar haar op en voor 't eerst voelde zij tot haar smart, dat hij haar niet ten volle vertrouwde.

Op 't zelfde oogenblik kwam ook de gedachte bij haar op, dat 't wel eigenaardig was haar man ronduit tegen te werken,--den zoon te leiden vierkant tegen den vader in; hem te prijzen voor iets wat ze wist, dat haar man verschrikt en bedroefd had.

Mevrouw Wenche had er vaak over gedacht, dat de tijd komen zou, dat de zoon de groote klove in 't oog zou krijgen, die er in de ernstigste zaken tusschen zijn vader en zijn moeder was.

Maar ze had aan de groote godsdienstige quaesties gedacht en daar was ze op voorbereid. Zij had zich voorgenomen als Abraham zoo oud werd, dat hij verlangde daarover ingelicht te worden, hem open en eerlijk te zeggen, dat ze volstrekt niet aan alles geloofde waar andere menschen aan gelooven.

Dat was al begonnen, en ze had verscheiden keeren met hem over zulke onderwerpen gesproken. Moeilijk was het; maar ze hoopte toch altijd, dat ze door groote eerlijkheid van haar kant hem duidelijk zou kunnen maken, dat hij in alles volkomen op haar vertrouwen kon, al geloofde ze nu ook niet precies als andere menschen. 't Kwam haar voor, dat het niet goed was hem op allerlei huichelarij te wijzen, die ze om zich heen zag en waar ze in leven moest. De professor nam Abraham mee naar de kerk, sprak nu en dan eens van "Onzen lieven Heer," en zooiets; maar ze wist immers vast en zeker, dat er geen spoor van echt christendom in hem te vinden was.

Dat kon ze haar zoon immers niet uitleggen, en dat was en bleef een groote moeilijkheid, wat het godsdienstige betreft. Wel scheen Abraham ook niets anders voor godsdienst te gevoelen, dan dat hij er als voor elk ander schoolvak, goed voor werken moest, en dat bij het kerkgaan een bepaald soort van gezicht en een bepaalde manier van spreken hoorde.

Maar alleen dit b.v. dat ze hooren kon, als hij vroeg: "Waarom gaat u nooit naar de kerk, Moeder?"--dat die vraag niet uit hem zelf kwam; ze voelde dat anderen--wie, wist ze niet--hem op zulke dingen in haar opmerkzaam maakten.

En toch had ze altijd de hoop behouden dat het wel gaan zou. Ja 't kwam haar soms voor, dat het wel goed voor Abraham wezen zou, als hij den onvermijdelijken tijd van twijfel doormaken moest, zijn moeder onder de menschen te weten, die niet geloofden;--dat moest--meende zij--hem aansporen tot een ernstige keus en hem er voor bewaren, laf weg te kruipen onder de groote menigte huichelaars.

Maar nu,--die schoolquaestie, zoo klein in verhouding tot gewichtiger dingen, maar zoo veelbeteekenend, omdat die zoo scherp de klove deed uitkomen tusschen de twee, die samen dien éénen zoon bezaten,--hoe moest ze die oplossen? In haar hart vond ze, dat 't flink geweest was van Abraham, en dat ze daarom nog meer van hem hield; maar ze kon toch niet vierkant tegen zijn vader en de heele school in hem prijzen, omdat hij Aalbom voor een duivel had uitgescholden. Als 't maar niet eerst zoo ernstig was opgenomen, was ze er misschien gemakkelijker mee klaar gekomen door hem eens aan zijn haar te trekken en hem tot wat meer bezonnenheid te vermanen.

Maar zooals 't nu geloopen was, was 't een ernstige quaestie geworden en ze kon er geen oplossing voor vinden.

Intusschen stond Abraham voor haar en begreep, dat zijn moeder in gedachten verdiept geraakt was; en toen ze eindelijk--zelf niet wetend wat ze doen moest, weer tot zich zelf kwam, en den jongen even angstig en onzeker voor zich zag staan,--toen wist ze niet beter te doen dan haar armen om hem heen te slaan en hem heen en weer te wiegen, zooals ze placht te doen en hem toe te fluisteren. "Och jij arme kleine Abby, wat moet er van je worden."

Hierdoor nog meer verward, bleef Abraham in één spanning. Op school werd hij behandeld als een gevaarlijk misdadiger, dien men toch door een zachte behandeling wilde probeeren te redden. Zelfs Aalbom was zoo vriendelijk dat Abraham er van rilde.

Eerst prezen zijn kamaraden hem en voorspelden hem de vreeselijkste straffen. Maar toen alles in stilte afliep en de leeraren even vriendelijk tegen hem bleven, kwamen zij tot de conclusie, dat je gemakkelijk moedig wezen kon, als je de zoon van Prof. Lövdahl was.

Had hij maar straf gekregen--dacht Abraham zelf; maar die gedempte, plechtige ernst, die wonderlijke vriendelijkheid van alle kanten, brachten hem ten laatste op 't idee, dat hij toch zeker tot het uitvaagsel behoorde, en dat men er over dacht hem naar de een of andere inrichting te zenden. Hij werd bang en schuw en zocht de eenzaamheid.

Zijn beste vriend--kleine Marius--was trouwens ook ziek; hij had hersenontsteking. De goede rector bezocht hem bijna dagelijks en was innig bezorgd over zijn kleinen Professor.

Maar iederen keer als onder de les zijn oogen op Abraham Lövdahl rustten, stond dat tooneel weer zoo levendig voor hem: Abrahams grenzelooze brutaliteit was zóó nauw aan die ongelukkige ziekte van kleine Marius verbonden, dat het eindelijk op hem den indruk maakte, alsof dat alles de schuld van Abraham Lövdahl was. Hij sprak bijna nooit met hem.

De professor lette in stilte nauwkeurig op zijn zoon en overtuigde er zich van dat de behandeling, die hij in overleg met de school gekozen had, ook goed werkte. Dikwijls als Abraham bleek en schuw voorbij hem 't huis in sloop had hij zoo'n innig medelijden met hem; maar hij bedwong zich een langen tijd, tot hij vond dat het genoeg was.

Toen zei hij eindelijk: "Wij hebben nu de zaak overwogen; wij--je ouders en de school; en we zijn tot het besluit gekomen, dat we zullen probeeren je hier te houden en misschien nog eens een goed en bruikbaar mensch van je te maken."

Abraham wierp zich in de armen van zijn vader en schreide luid. Ze hadden hem eindelijk buiten zich zelf van angst gemaakt. Hij had gedacht, dat hij zou worden weggezonden naar vreemden, hij had gedacht, ja, wat voor vreeselijke dingen had hij al niet gedacht in die uren, als hij wakker in bed lag. En nu,--nu hij blijven mocht--vond hij, dat zijn vader overstelpend genadig en zacht was.

De professor liet hem den tijd dien indruk goed in zich op te nemen, en zei toen: "Ja, laat ons hopen, met de hulp van onzen lieven Heer, dat je ons niet weer zulk een groot verdriet doet."

Neen, dat zou Abraham zeker niet! hij voelde zich zóó gebroken, zoo verbrijzeld en zoo dankbaar voor de vergiffenis; er zou zeker nooit meer een sprank van verzet in hem opkomen.

--Maar in de kleine kamers van 't huis van Mevrouw Gottwald was het stil en treurig; de bel was omwikkeld en ze had een juffrouw genomen voor hulp in den winkel.

Want kleine Marius werd erger. Dokter Bentzen had aan professor Lövdahl gezegd, dat men maar hopen moest, dat de jongen sterven zou: hij zou nooit zijn volle verstand terugkrijgen.

Dat wist Mevrouw Gottwald niet. En nacht en dag herhaalde ze in zich zelf: "Hij mag niet sterven, hij mag niet sterven!" 't Was immers onmogelijk, ondenkbaar, dat het eenigste, wat ze had, haar zou worden ontscheurd! Ze had al zóóveel geleden.

Kleine Marius lag rattenknoopen in zijn laken te leggen, met een heet hoofd en half gesloten oogen. Hij mompelde bijna onafgebroken verbuigingen en vervoegingen, en regels en uitzondering,--zijn arme hersens waren heelemaal omsluierd door Madvigs wijden plooienmantel, en hij tastte angstig rond in het duister.

't Waren mooie, lichte lentedagen; juist weer om te hopen. En Mevrouw Gottwald liep heen en weer en wilde aldoor een teeken van beterschap zien.

Maar op een avond werd het haar duidelijk, dat het eind naderde. Kleine Marius werd onrustig en mompelde al sneller en sneller.

"Lieve Marius,--lieve kleine Marius! Je mag niet sterven en je moeder alleen laten; je mag niet, want je weet niet half, wat je voor je moeder bent, toe zeg me, dat je niet van me weggaat, zeg me dat!"

"Monebor Moneberis Monebitur Monebimur Monebimini Monebuntur" antwoordde kleine Marius.

"Ja, je bent een flinke jongen! Je bent de knapste van de heele klasse in 't Latijn, dat zei de rector vandaag weer, toen hij hier was. Maar je kende hem niet. Maar mij ken je wel, niet waar, lieve Marius? Je kent Moeder wel, is 't niet? Je kent me wel?"

"Ad, adversus, ante, apud, circa, circiter," begon kleine Marius.

"Neen, neen lieve jongen! geen Latijn, dan ben je lief. Ik weet wel hoe knap je bent en ik ben zoo dom, weet je? Maar zeg me alleen maar, dat je me kent, dat je van me houdt, dat je niet van me zult weggaan, dat ik je lieve moeder ben. Zeg dat alleen maar. Zeg maar: Moeder."

"--fallo, fefelli, falsum," antwoordde kleine Marius.

"O God! mijn God, die vreeselijke taal! Wat hebben ze toch met mijn armen jongen gedaan--hij zal nog sterven zonder zijn moeders naam genoemd te hebben. Zijn ellendige, ijdele moeder, die hem vermoord heeft met die vervloekte geleerdheid!"

Ze vloog de gang in; ze hoopte daar den dokter te vinden, maar 't was maar een van de pensionnaires van boven, die thuiskwam.

Ze ging weer terug in de slaapkamer, maar in de deur sloeg ze de handen in elkaar en riep vol vreugd:

"O Goddank! nu ben je zeker veel beter, lieve Marius! Je lacht zoo tevreden!"

"Mensa rotunda," antwoordde kleine Marius--en stierf.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Michal Mordtmann had zich aangewend even bij Mevrouw Wenche binnen te loopen als hij om twaalf uur uit de fabriek kwam.

Er was een groote groep arbeiders aangenomen voor de veelomvattende werkzaamheden om het terrein in orde te maken. Er moesten solide steenen kaaien langs het strand gelegd worden, de fondamenten voor de ontelbare gebouwen moesten worden gelegd en de schoorsteenen opgetrokken.

De maatschappij op aandeelen was gevormd met een grondkapitaal van 100,000 rijksdaalders en de stad was ten slotte zoo moedig geworden, dat men had besloten het Engelsche huis niet uit te noodigen tot het nemen van aandeelen, nu het zich zoo voornaam had teruggetrokken.

't Heele kapitaal werd dus in de stad geplaatst en de fabriek "Fortuna," zooals ze in veel champagne gedoopt was, werd de trots en de lieveling van 't stadje.

Mordtmann was blij en vol hoop. Nooit was hij zóó tevreden over zich zelf en alle andere menschen geweest. Van een ondergeschikte in een vreemd land, was hij nu de eerste in een nieuwe onderneming geworden, die hij zelf van den beginne af zou leiden.

Daar noch de directeur, noch de aandeelhouders een flauw begrip van de zaak hadden, werd hij al gauw een orakel; en hij werkte sterk op 't effect! Waar zijn kennis hem in den steek liet, was hij er niet bang voor te schermen met groote woorden, die allen volkomen dupeerden.

Een massa arbeiders kregen vast werk; hij betaalde Zaterdags de loonen uit; de vrouwen kwamen bij hem om voorschot; en hij werd in korten tijd bekend en bemind bij groot en klein. Alleen in de ambtenaarskringen en in enkele oude stijf conservatieve huizen bleef men een diepen afkeer tegen hem koesteren en dààr beklaagde men Professor Lövdahl, omdat zijn vrouw zulke menschen ontving.

Maar Mordtmann stoorde er zich niet aan, hij voelde zich vroolijk en gezond als hij 's morgens vroeg in de mooie zomermaanden naar zijn fabriek ging,--dicht buiten de stad. De arbeiders waren niet als de Engelsche, die alleen aan hun werk denken. Hier namen ze de pet af en zeiden "Goeden morgen," en namen den tijd voor een praatje, als hij dat wilde.

't Was ook iets om trotsch op te wezen, dit alles op te zien groeien en te zien schikken volgens zijn eigen plan; de vele zonderlinge gebouwen, die door de stad als wonderen van zijn vernuft werden beschouwd; heel dien grootschen aanleg met onbeperkt opperbevel en geld in overvloed--'t was wel iets voor een jong werklustig man om met vreugde onder handen te nemen.

En toch was er iets anders, dat langzamerhand hem liever werd dan al het andere;--dat waren de bezoeken bij Mevrouw Wenche.

Hij had niet met veel dames in de stad kennis gemaakt; zijn zaak had hem van den beginne aan alleen met mannen in aanraking gebracht, en nu hij werkelijk zoo veel te doen had, dat zijn dag er geheel door was ingenomen, had hij geen aanleiding of behoefte om meer conversatie te zoeken dan de club en de familie Lövdahl.

Maar des te meer kwam hij bij den professor aan huis. Men had hem eens vooral gezegd, dat hij daar ten allen tijde welkom was en Mordtmann had alle reden te vermoeden, dat dit oprecht gemeend was; de professor was altijd even beminlijk en voorkomend.

Toch was het duidelijk, dat zijn bezoeken de vrouw des huizes golden, en zij voelde dat zelf.

Elken dag tusschen twaalf en één wachtte zij hem met een glas wijn, dat hij opdronk, terwijl ze een half uurtje vroolijk babbelden.

Maar als het regende en slecht weer was kwam hij alleen maar voor 't raam en liet haar zijn modderige laarzen en zijn natte jas zien, en dan spraken ze gewoonlijk af, dat hij 's avonds zou komen.

Mevrouw Wenche had de zaak zoo opgenomen, dat ze hem een beetje moederlijk behandelde, wat haar door haar positie gemakkelijk afging, al was het verschil in ouderdom tusschen hen eigenlijk niet noemenswaard.

Hij vond dat niet prettig, maar had geen moed een verandering voor te stellen; en zij hield hem in een schertsenden toon, die menig woord en menig blik voor minder kon laten doorgaan dan ze werkelijk waren.

Zij had te veel sympathie voor hem en ze stelde zijn gezelschap te veel op prijs om te willen begrijpen, dat hij haar het hof maakte. Had ze niet nu al jaren lang den onderdirecteur Abel om zich heen zien smachten; en hij had haar wezenlijk in 't minst niet gehinderd.

Mordtmann was nu wel heel anders dan Abel, maar toch, zij was waarlijk niet bang, noch voor wat ze zelf deed, noch voor wat anderen er van zeiden.

Ook tegenover haar man vond zij er geen bezwaar in; hij had nooit een zweem van jalouzie getoond. Van het oogenblik af, dat zij getrouwd waren, was Carsten Lövdahl een en al beminnelijkheid geweest tegenover de jonge mannen, die haar naderden--aangetrokken door haar schoonheid en levendigheid.

Een enkelen keer had Mevrouw Wenche gevonden, dat hij in deze liberale houding wel wat ver ging; maar later had ze steeds moeten erkennen, dat zijn verstandig en kalm gedrag veel weer in orde gebracht had wat anders moeilijk genoeg had kunnen worden.

Zelf was ze nooit ernstig bewogen geworden, misschien juist wel omdat alles zoo kalm en vrij toeging. En dat, niettegenstaande ze niet lang getrouwd was geweest met Carsten Lövdahl, vóór ze merkte in hoe weinig zij harmonisch dachten.

Hij was zoo voorzichtig, zoo irriteerend, door altijd in den vorm te blijven dat ze vaak vond, dat hij laf en onvertrouwbaar was. Maar er was toch ook iets beschaafds en ridderlijks in zijn karakter, dat hem altijd in haar achting staande gehouden had. En al stelde zij hem niet zoo bizonder hoog, en al was hij niet zoo heel veel voor haar, er was daarentegen toch nooit zulk een groote leegte gekomen in haar hart, dat zij zich geheel van hem afwendde.

En nu was ze immers oud, met een halfvolwassen zoon; een vrouw van ervaring, een gezeten burgeres, waarom zou ze gemoedsbezwaren hebben?--was het niet eerder belachelijk van haar, dat ze zich nog verbeeldde zoo gevaarlijk te zijn?

Ze liet dus de menschen praten,--(en dat deden ze) en gaf zich zonder bedenking over aan het aangename gevoel dagelijks als vriend een knap, beschaafd man, die vrij van vooroordeelen was, om zich heen te hebben, die met bewondering luisterde naar alles wat haar man "overspannen ideeën" placht te noemen.

Maar daardoor deed ze Abraham te kort, zonder dat zij het wist. Ze voelde dat nog minder nu het samenviel met een verandering, die in den knaap zelf had plaats gevonden. Hij kwam niet langer met honderd vragen, begeerde ook niet meer, dat ze met hem stoeien of damspelen zou; en bovendien had zij het gevoel van onzekerheid tegenover hem nog niet overwonnen, zoodat ze hem misschien een beetje minder vrij en vroolijk tegemoet kwam.

Bij de begrafenis van kleine Marius had Mevrouw Gottwald den wensch uitgesproken, dat Abraham vlak achter de kist, naast den predikant zou loopen, hij was de beste vriend van kleine Marius; en hij had immers in 't geheel geen familie.

Maar de rector had er zich tegen verzet. Abraham mocht alleen in den stoet met zijn kamaraden meegaan; en hij moest nog blij toe zijn, dat hij dat mocht.