Vergif: Een Roman uit het Noorsch

Chapter 6

Chapter 64,092 wordsPublic domain

Hij wendde zich af en ging in den grooten ouden tuin aan de andere zijde van het huis. Hier had hij een vredig plaatsje onder een stokouden perenboom, waar hij 's zomersavonds nadenkend zat te snuiven. Maar ook hier, ver van de stad en de geheele wereld, achter den hoogen kerkhofmuur--ook hier lieten de onrustige gedachten hem niet met vrede.

Hoe onsympathiek was hij hem--heel die nieuwe drukke tijd,--en hoe ongerust maakte hem die minachting voor de klassieke studiën, die zich overal begon te vertoonen! oprecht ongerust: hij voelde die als een stap terug naar de barbaarschheid.

Maar hij wilde den moed niet verliezen: nog stonden ze daar--Goddank!--de oude klassieken, door niet één van de mannen uit later tijd overtroffen, hoog uitstekende boven alles, zooals die mooie kerk, met zijn nobele, ernstige lijnen, uitstak boven 't domme bekrompen visschersdorpje. En 't was alsof er van de kerk een zweem van verheffing uitging over de school en over hem zelf, terwijl hij van de bank opstond. Gesterkt als na een gebed ging hij vol kracht en vertrouwen naar zijn studeerkamer om zijn hoofd te breken met Tacitus.

En de uilen stoorden hem niet. De school en het dorp waren hun te groot en te druk geworden, ze verdwenen op eens en kwamen niet terug.

ZESDE HOOFDSTUK.

Michal Mordtmann werd zeer verrast in de eerste dagen na dien avond bij Professor Lövdahl.

Den volgenden morgen meldde hij alvast aan zijn vader, dat de vooruitzichten voor hun plan niet heel schitterend waren. Toen dat gedaan was troostte hij er zich meê, er aan te denken, hoe hij de oude katuilen had opgeschrikt en hoe uitstekend Mevrouw Wenche zich gehouden had.

Ze was ook mooi en zoo wonderlijk jong. Daar hij wel vooruit kon zien, dat zijn verblijf in de stad nu niet zoo heel lang duren zou, besloot hij haar dikwijls te bezoeken;--als hij nu zijn fabriek moest opgeven, zou hij in elk geval van de genoegens profiteeren, die 't vervelende plaatsje kon opleveren.

Maar toen hij tegen den middag naar de club ging, waar hij gewoonlijk at, kwam de dikke Jörgen Kruse naar hem toe, midden op straat, drukte hem de hand en zei: "Ik dank u, Mijnheer Mordtmann, ik dank u wel, voor wat u gisteren avond zei. U hebt dien geleerden heeren eens flink de waarheid gezegd, en het was zooals ik 't zelf had willen zeggen, dat was het, wat Mevrouw Lövdahl zei van de jongens op de Latijnsche school. Want zie nu mijn Morten eens. Hij was waarachtig even flink als de anderen, toen hij nog klein was, hij hield zijn centen bij elkaar en hielp in den winkel. Maar nu--hij is waarachtig bijna zestien jaar--nu al die Latijnsche geleerdheid in hem gevaren is, nu is hij zóó dom geworden, man! dat ik hem den winkel geen half uur zou durven toevertrouwen--ja, en hij zou er ook niet wezen. Nu, in dat Latijn heb ik niet veel vertrouwen en was het niet om zijn moeder, dan nam ik hem morgen van school."

Michal Mordtmann wist heelemaal niet wat hij antwoorden moest; en toen wat verder in de straat de onderdirecteur Aalbom hem neuriënd voorbij liep, zonder hem te willen zien, begreep hij dat veel beter.

Maar niet alleen de dikke Jörgen Kruse dacht zoo; verscheidene van de welgestelde kleine kooplieden lieten hem min of meer ronduit merken, dat zijn optreden in het huis van den professor hun bizonder goed was bevallen.

En langzamerhand werd het hem duidelijk, dat het een soort van feest was geweest voor al die menschen, die al zoo dikwijls gehoord hadden, dat ze niets wisten en nergens verstand van hadden, dan van geld bijeen te schrapen--dat uit den kring van de geleerden zelf zich iemand tegen die hooge, trotsche mannen keerde.

"Never mind," dacht Michal Mordtmann, "willen ze niets anders--mij is 't goed." Het kapitaal is de hoofdzaak, en daarvoor kon hij toch niet veel verwachten van ambtenaren en schoolmeesters; als hij zijn plan zou volbrengen en vrij komen van een vernederenden terugtocht, dan moest hij ook niet tegen wat moeite opzien.

Hij liep daarom met vernieuwden moed rond en sprak over fosforzuur in de donkere kantoren, en de kooplieden mochten hem graag; maar als hij tot het groote punt kwam,--het nemen van aandeelen, dan stootte hij altijd op een verhindering, op een bepaalden steen des aanstoots, en dat was de professor.

Zoolang Professor Lövdahl zich achteraf hield, bleef het bij enkel praten. Hij was toch de eenige, die verstand van de zaak had. Geleerd was hij, en rijk--en als hij niet meê wou doen, was er zeker een luchtje aan de zaak, hoe schitterend ze ook leek.

"Als eerst Professor Lövdahl teekent dan doe ik meê en velen met mij," zei Jörgen Kruse.

De vlugge kop van Michal Mordtmann had niet lang werk met dat bezwaar. Hij knoopte zijn lange jas dicht en ging Mevrouw Wenche een visite maken.

"Eindelijk!" riep ze, toen hij binnenkwam.

"Pardon, Mevrouw!--ik had zeker al eerder u een bezoek moeten brengen, om u te danken..."

"Neen, dank u, hooggeëerde heer! Van dien toon moet ik niets meer hebben! U hebt nu eens en voor altijd uw recht verbeurd om den Engelschman te spelen tegenover mij. Ga zitten als 't u belieft, maar als oud taalman en eerlijk radikaal. Kunt u de andere vertoornde goden verzoenen met uw afschuwelijke soda, dan om mij met alle genoegen. Maar hier is u mijn man... mijn landgenoot en al uw correct optreden is vergeefsche moeite, dat verzeker ik u, heelemaal vergeefsch!"

"Ik kom, Mevrouw...;" maar hij kwam niet verder, want zijn gastvrouw en hij barstten beiden zoo hartelijk in lachen uit, toen ze dachten aan hun laatste samenzijn en aan zijn mislukte poging om vormelijk te zijn, dat ze eindelijk elkaar hartelijk de hand schudden, en in een oogenblik waren zij zóó vertrouwelijk, als ze anders in een langen omgang met elkaar zeker niet zouden zijn geworden.

"U was onbetaalbaar Dinsdagavond," zei Mevrouw Wenche en nam haar naaiwerk weer op; hij zat in een laag stoeltje vlak bij haar naaitafeltje; "U kunt u niet voorstellen wat dat voor me is, eindelijk eens iemand te ontmoeten, die denkt zooals ik en den moed heeft dat uit te spreken. Hier is wel een enkele--de onderdirecteur Abel--die zich zoowat met nieuwe vrijzinnige ideeën bezighoudt--maar in stilte, alsof 't gevaarlijke, ontplofbare stoffen zijn......"

"Dat zijn 't trouwens ook, Mevrouw! U zaagt 't immers zelf, hoe de bom barstte vlak voor den neus van de geleerde heeren."

"Ja, 't is waar! Nooit in mijn leven vergeet ik het gezicht van Aalbom. Ik was bijna bang, dat hij stikken zou. Maar à propos! Hebt u wel over de gevolgen van uw overmoedig optreden op dien avond nagedacht. U moet weten, dat men hier in 't stadje zooiets niet verdragen kan. Met mij is 't wat anders; ik hoor nu eenmaal hier thuis, en ze weten allemaal, dat ik onverbeterlijk ben. En dan ben ik ook maar een dame! Maar voor u..."

"Och--ik stel ook niet zooveel prijs op de publieke opinie hier in de stad."

"Maar, lieve hemel, voor u moet het toch van het grootste belang zijn, dat u een goeden indruk maakt."

"Ja--in zooverre, dat men liefst altijd een goeden......"

"Neen, neen--begrijpt u niet, dat ik aan de soda denk--en al die andere stinkstof, die u maken wilt."

"O zoo! U denkt aan de plannen voor de fabriek; maar daar zal vooreerst wel niets van komen."

"Zoo?--dat is toch jammer voor u. Carsten zei laatst, dat hij meende, dat de stemming onder de kooplui gunstig was."

"Meende de professor dat?--ik ben helaas tot een ander resultaat gekomen, in ieder geval ben ik van plan binnenkort te vertrekken."

"Vertrekken?--Hier vandaan?"

"Ja, terug naar Engeland."

"Geeft u de fabriek op?"

"Ja, voorloopig ten minste; ik kan hier niets doen."

"Maar daar ben ik volstrekt niet mee gediend!" riep Mevrouw Wenche uit. "Eindelijk heb ik een fatsoenlijk mensch gevonden, waar ik mee praten kan en nu gaat hij weer weg. Dat gaat niet aan! Vertel me ten minste, wat er aan hapert; waarom moet u 't opgeven? Zijn ze bang voor hun dubbeltjes--de haringkoninkjes?"

"De kleinen zijn niet de ergste."

"Zijn 't dan de groote huizen, die niet mee willen doen? With, of Garman en Worse?"

"Nog hooger op Mevrouw. Zal ik u in vertrouwen zeggen op wie mijn fabriek schipbreuk lijdt?"

"Ja zeker, en gauw ook."

"Op uw man."

"Op Carsten? De Ephor! Maar lieve hemel, hij interesseert zich immers warm voor u."

"Ja, 't is zonde! De professor is allervriendelijkst voor me geweest; maar......"

"Nu dan! maar......"

"Aandeelen wil hij niet nemen."

"Zoo?--Dat is toch vreemd. Ik hoor anders altijd, dat Carsten zoo knap en voorzichtig in geldzaken is. Hoor u eens. Zeg me eens oprecht--zoo onder vier oogen--gelooft u zelf in uw onderneming?"

"Wil Mevrouw het prospectus zien?" vroeg Mordtmann en greep in zijn zak.

"Neen, natuurlijk niet, maar antwoord u me eens.--Gelooft u zelf......"

"Hier hebben we," viel hij haar in de rede op zijn ernstigen zakentoon, "zooals u ziet een heele reeks analyses......"

"Schei toch uit met uw akelige analyses," lachte Mevrouw Wenche.

"--en verder een gespecificeerd overzicht, met een berekening," ging Mordtmann voort; en nu was het niet mogelijk een ernstig woord uit hem te krijgen, hij amuseerde haar nog een poos met zijn zakentoon en met tooneeltjes op te voeren van zijn bezoeken bij de burgers in de stad, tot hij opstond en afscheid nam.

Maar toen hij weg was dacht Mevrouw Lövdahl over alles na. 't Zou toch àl te ergerlijk zijn als hij nu heenging. Zij zou toch Carsten eens vragen, waarom hij niet een paar aandeelen kon nemen, als nu alles op hem vast zat.

De professor antwoordde--'t Gesprek begon aan tafel,--dat hij uit principe niet graag geld stak in ondernemingen in de stad.

"Maar dit is toch zeker heel voordeelig?"

O ja, 't kon best zijn dat dit een goede zaak werd.

"Ja, antwoord mij nu eens, Carsten! Je heb immers wat verstand van die zaak, zegt men, heb je vertrouwen in die fabriek?"

"Eerlijk gezegd: neen; en dat--omdat ik weinig of niet van practische chemie weet, en de anderen, die geld moeten geven, weten er nog minder dan niets van, en uit zooiets komt meestal geen goede zaak tot stand."

"Maar lieve hemel! Mordtmann zal immers directeur worden. En hij heeft er immers verstand van,--niet waar?"

"'t Kan zijn van wel, maar 't kan ook wel zijn van niet. Het Engelsche huis, waar altijd over gepraat wordt, heeft nog geen aandeelen genomen."

"Ja, maar je bedenkt niet alle voordeelen, die er aan verbonden zijn; Mordtmann, die zelf zoo'n inrichting in Engeland bestuurd heeft en die......"

"Heb je pas den jongen Mordtmann hierover gesproken?"

"Ja, hij maakte hier van morgen een visite. En toen vertelde hij me, dat 't hem niet mogelijk was aandeelen te plaatsen, omdat jij niet wou voorgaan."

"O! nu gaat me een licht op! en toen was Mijnheer Mordtmann zoo uitgeslapen slim......"

"Bah, Carsten! Jij denkt altijd, dat alle menschen zoo berekenend zijn als jij zelf bent. Hij zat me hier alles heel gewoon te vertellen en 't kwam in ons geen van beiden op, dat ik me met die dingen bemoeien zou."

"Nou...... Michal Mordtmann--hij is nu......"

"Ik kan wel aan je zien, dat je zeggen wilt: 'een uit Bergen,' zei Mevrouw Wenche wat bitter.

"Ja, zoo iets," antwoordde de professor; "maar als je graag aan die onderneming wilt meêdoen, ja lieve hemel! ik wil met alle pleizier zooveel aandeelen nemen als je maar wilt, 't is immers jouw geld."

"Foei toch, Carsten!...... Je weet wel, dat ik niet wil, dat je daar mee aankomt; ik wil volstrekt niet hebben, dat je aandeelen neemt voor mijn pleizier."

Mevrouw Wenche werd gauw heftig in 't gesprek; maar dan werd haar man altijd kalmer.

"Ja zeker zul je aandeelen hebben, lieve Wenche. Ik zie wel, dat je er lust in hebt. Dan houden we ook dien aardigen Mijnheer Mordtmann hier."

Abraham zat in stilte van de een naar den ander te kijken. Hij begreep niet wat er gebeurde, maar hij zag, wat hij al zoo dikwijls gezien had, dat zijn moeder heftig was en zijn vader zacht en vriendelijk. Na 't eten zou hij, als gewoonlijk, met Marius werken; maar hij had er zoo weinig lust in. 't Was in de eerste dagen van Mei, en zij hadden repetities in alle vakken voor dat vreeselijke overgangsexamen, dat over 't lot van kleine Marius beslissen zou.

Daarom zat hij vlijtig in zijn boeken; maar Abraham had zoo weinig lust. De zon scheen op 't jonge groen aan de kruisbessenstruiken in den tuin en boven aan den hemel was geen enkel wolkje.

Abraham zat maar gekheid te maken over Grieksch en wiskunde, tot grooten schrik van Marius. Eindelijk begon hij te preeken uit een stichtelijk boek, dat zij bij het godsdienstonderwijs op school voor de zevende of achtste maal weer doorwerkten. Marius lachte nu eens en smeekte hem dan weer om op te houden: maar Abraham was in een uitgelaten stemming: hij slingerde alle boeken op zijn bed en riep: "Kom laten we gaan roeien en visschen."

Ja--kleine Marius was zwak. En ze roeiden in de baai en vischten kleine kabeljauwtjes in den stillen mooien lenteavond.

Maar 't gevolg was, dat het met Marius den dag daarna slecht ging. Alleen al 't gevoel, dat hij niet zooveel en zoo goed geleerd had als anders, maakte hem verward en onzeker in de eenvoudigste dingen. Daarenboven wilde het ongeluk, dat de rector binnenkwam onder de Latijnsche les van Aalbom, om te luisteren, zooals hij nu en dan deed, als hij tijd had.

Nu kwam het er voor Aalbom op aan tegen 't eind van 't jaar den rector te toonen hoever zijn lieve leerlingen onder zijn leiding gekomen waren, en daarom nam hij eerst No. 1 van de klasse en toen Marius.

Abraham zat op spelden; hij kende Marius immers door en door en hij wist hoe licht alles in dat groote hoofd onherroepelijk door elkaar liep, als hij eenmaal in de war kwam. 't Was in 't vorige uur al verkeerd gegaan met het Grieksch; maar het stekelvarken had met groote liberaliteit toegelaten, dat Abraham hem alles over de tafel heen had ingefluisterd.

In 't vrije kwartier had kleine Marius gezegd:

"Je hadt me niet moeten overhalen om te gaan visschen, Abraham! Nu ken ik geen woord van mijn lessen en ik krijg zeker bij alles een beurt. Dan krijg ik zessen en ga niet over met de vacantie."

Abraham begon te begrijpen, wat dat zeggen wou voor kleine Marius; hij had daar eigenlijk nooit ernstig over nagedacht. Maar toen kleine Marius nu met veel fouten een Ode van Horatius ging voorlezen, zat hij er aan te denken, hoe volkomen hulpeloos zijn beste vriend worden zou, als hij moest blijven zitten met nieuwe kameraden; terwijl hij,--Abraham zelf--natuurlijk overging naar de vierde klasse.

"Neen, neen, Gottwald! je verspreekt je," zei Aalbom poeslief; want Marius maakte de eene fout na de andere, maar hij durfde niet in scheldwoorden uit te barsten om den rector; "--denk nu eens na, mijn jongen--watte?--'falls, fefelli' zeg je; dat is heel goed; maar nu de supinum [12]--de supinum, mijn beste jongen."

"... fe... fe... fe..." stamelde Marius, totaal hulpeloos: hij had niet één heldere gedachte meer in zijn hoofd.

"Neen maar! Groote goden! Wat wil je nu met die reduplicatie in de supinum?" riep Aalbom; maar een blik van den rector trof hem: "denk nu eens na, Gottwald! je kent die werkwoorden zoo goed, als je maar even nadenkt, er zijn er maar een stuk of vier zoo; je weet wel: pello, pepuli, pulsum--dus fallo, fefelli... nu?"

"---- pulsum," antwoordde Marius en rukte den blauwen zakdoek om zijn vingers.

"Onzin Gottwald! Houd je me voor den gek?--Ja zeker, Mijnheer de Rector, U hebt gelijk, laten we 't kalm opnemen, watte? kalm aan maar, mijn jongen, dan kom je er wel. Dus nu beginnen we met het begin--met dingen, die je wel droomen kunt, kalm aan maar, watte? mijn jongen," zijn stem beefde van nijdigheid, "dus amo, amavi--nu 't supinum?--ama."

"... Ama..." herhaalde Marius en liet zijn zakdoek vallen.

"Nu, dat gaat te ver"--schreeuwde Aalbom en vergat den rector heelemaal, "ben je dwars, jou lummel! wat is: de ronde tafel in 't Latijn?--de ronde tafel?--nu, wil je wel eens antwoorden?"

Maar kleine Marius gaf geen geluid en de leeraar vloog op hem toe, alsof hij hem slaan wou--niettegenstaande de tegenwoordigheid van den rector. Maar hoe dat ook zij--Marius viel neer tusschen de tafel en de bank, vóór de leeraar bij hem was.

"Viel hij?" vroeg de rector en kwam op Aalbom toe, die over de tafel gebogen stond en neerkeek op Marius.

Maar op dat zelfde oogenblik klonk een stem door de klasse, trillend van gemoedsbeweging en afgebroken als door schreien.

Allen keerden zich om en zagen Abraham Lövdahl; hij stond overeind, doodsbleek met vertrokken gezicht: "'t Is schande! 't is een groot schandaal"--zei hij weer en hief zijn gebalde vuist tegen Aalbom op.

"U is een... U is een duivel," bracht hij er eindelijk met moeite uit en hield zich vast aan den rand van de tafel.

"Maar...... maar Abraham! Abraham Lövdahl, ben je stapelgek geworden, jongen," riep de rector. Nooit in heel zijn pedagogische werkzaamheid was hij zóó verschrikt geworden. Zelfs Aalbom stond als versteend en vergat bijna kleine Marius, die daar op den grond lag zonder zich te bewegen.

Maar Morten de achterblijver trok met tegenwoordigheid van geest de bank van de tafel weg en lichtte Marius op. Hij was bleek en zijn oogen waren gesloten.

"Haal wat water," zei Morten op zijn toon van verzet; terwijl hij Marius ophield.

"Ja, water--watte!" begon nu de leeraar; "Gottwald is ziek;--'t is een schande den jongen naar school te sturen, als hij ziek is!--watte?"

Onder dit alles stond de rector vlak voor Abraham en keek hem strak aan; eindelijk zei hij kalm en streng: "Ga naar huis--Lövdahl!--ik zal met je ouders spreken."

't Was doodstil in de klasse, toen Abraham zijn boeken opnam en heenging. De verbittering, die in hem kookte, terwijl de leeraar Marius pijnigde, zakte zoo wonderlijk gauw; en toen hij alleen wegging over de schoolplaats,--'t was midden onder de les,--begon hij er aan te denken wat hij gedaan had en wat zijn vader wel zeggen zou.

Hij durfde niet direct naar huis gaan, maar bracht zijn boeken bij den bakker, die hij kende en deed een lange wandeling door 't oostelijk gedeelte van de stad, waar hij niet veel kans had zijn vader tegen te komen.

Intusschen kwam kleine Marius bij, toen hij het koude water in zijn gezicht kreeg; hij lag een half uur op de sofa in de huiskamer van den rector, waar zij hem Hoffmansdroppels gaven, tot hij zoo veel beter was, dat de Pedel hem naar huis kon brengen.

Mevrouw Gottwald woonde dicht bij.

Kleine Marius verliet de school--bleek en half bewusteloos, leunend op den pedel, die al zijn boeken droeg. De stinkdieren stroomden samen en liepen voor hem uit, om hem in 't gezicht te zien. Sommigen wilden den ratten-koning bespotten; maar een van de grooten zei: "Laat hem loopen, hij is ziek." En zoo kwam hij voor 't eerst tusschen zijn vijanden door, zonder geplaagd te worden.

De rector zou zich heel wat meer met zijn kleinen professor hebben beziggehouden, als niet dat geval met Abraham zijn gedachten heelemaal had ingenomen.

Dat een leerling onder de les ziek werd, was immers iets wat gemakkelijk gebeuren kon; kleine Marius was zeker den heelen dag al niet wel geweest; men kon 't al merken toen hij een beurt kreeg; hij had zelfs metrische fouten bij 't lezen gemaakt, iets wat Marius anders nooit kon overkomen. En de rector moest bijna Aalbom gelijk geven, als hij steeds herhaalde, dat het een schandaal was zieke kinderen naar school te zenden.

Maar Abraham--Abraham Lövdahl--brutaal--oproerig, openlijk in verzet! daar kon men zich niet in vergissen; die jongen verborg onder een welopgevoed en vrijmoedig uiterlijk de allergevaarlijkste kiemen.

Was het nog de zoon van ruwe, onbeschaafde ouders geweest--zooals er helaas zoo veel zijn--maar een zoon van Professor Lövdahl!--een man zoo welgemanierd, zóó humaan, zóó door en door beschaafd! en dat zich dan bij zijn eenigen zoon zoo plotseling een afgrond van verzet en een oproerige geest openbaren moest!

"Zijn moeder heeft een sterk oppositioneel karakter," bracht Aalbom voorzichtig in het midden; hij wist hoe hoog Mevrouw Wenche bij den rector stond aangeschreven.

Maar de ander wendde de oogen af en antwoordde niet. Hem kwam het laatste gesprek op dien avond bij professor Lövdahl in de gedachte.

Daarom ging hij ook niet zelf naar de Lövdahls, zooals hij eerst had willen doen; maar hij schreef een ernstigen brief aan den professor, legde de zaak uit en sprak zijn overtuiging uit als pedagoog en oud vriend van den huize: dat men enkel door de grootste gestrengheid en door dit zoo ernstig mogelijk op te nemen nog de booze kiemen van kwaad kon onderdrukken, die helaas in het karakter van hun lieven Abraham aan den dag waren gekomen.

Professor Lövdahl kreeg dien brief in zijn spreekuur van 12-1; en hij werd zóó verschrikt, dat hij dadelijk de patiënten wegzond, die nog konden wachten tot den volgenden dag en zich haastig van de anderen afmaakte.

't Was hem nooit in de gedachten gekomen, dat zijn zoon zich zóó kon gedragen. Zelf was hij welopgevoed en correct door het leven gekomen. Verootmoedigd had hij zich eigenlijk nooit--dat kon niemand van hem zeggen. Integendeel: hij had de menschen op een afstand weten te houden. Maar nooit was hij in botsing gekomen met een van zijn superieuren, nooit was in zijn ziel iets opgekomen, wat op een geest van oproer leek.

Hij kon eerst zelfs niet begrijpen wat Abraham bezielde; en bovendien was het ook iets, dat hem in 't geheel niet aanging. Of nu de leeraar misschien ook wat driftig tegen Gottwald was--daarom hoefde Abraham toch zoo niet uit te varen en 't er op te wagen de grootste onaangenaamheden te krijgen ter wille van een ander.

Maar dat was die dwaze jongensvriendschap, die overspannen ideeën van moed en trouw, waarvan de professor de bron maar al te goed kende.

Al sinds lang had hij een beslissenden strijd met zijn vrouw om zijn zoon voorzien. Hij had dien voortdurend ontweken en uitgesteld, want hij haatte strijd en oneenigheid in huis.

Maar veel scheen er nu op te wijzen dat het beslissend oogenblik naderde. 't Gesprek, dat op dien avond met de gasten in de kamer van zijn vrouw gevoerd was, had men zóó besproken en met commentaren voorzien, dat het al een gewichtig gedeelte van de inwendige geschiedenis van de stad geworden was, en veel had de professor moeten verdragen van vrienden en vriendinnen, omdat in zijn huis plaats geweest was voor iets wat zooveel op een schandaal leek.

Behalve dat was er een onuitgesproken gevoel van oneenigheid tusschen hem en zijn vrouw, sinds zij gisteren over de aandeelen in de fabriek gesproken hadden.

De professor was regelrecht naar de Handelsvereeniging gegaan, waar de leege lijst langen tijd als een vreemd wit ding gelegen had. Hij had tien aandeelen genomen van 500 rijksdaalders.

Later had hij toch zelf gevonden, dat het veel was; maar dat was overeenkomstig de methode, die hij tegenover zijn vrouw volgde.

Nu--na die historie met Abraham--was hij er heelemaal weer boven op. En hoe het hem ook hinderde, ja bedroefde--wat nu met den jongen gebeurd was--hij kon toch niet anders dan met een zeker genoegen denken aan alle scherpe woorden, die hij nu tegenover zijn vrouw zou kunnen gebruiken.

Jaren lang was hun huwelijk stil en dor geweest: zij geneigd tot heftigheid, hij altijd kalm, bereid haar onregelmatigheden te bedekken; langzamerhand voelde ze een beetje verachting voor hem, terwijl hij, die dat dadelijk voelde, verteerd werd van verlangen haar te overwinnen en haar te dwingen door zijn oogen te kijken.

"Daar hebben we nu de gevolgen van je methode," begon hij dus, toen hij met den brief in de hand de huiskamer binnentrad: "Ik heb altijd gezegd dat je den jongen bedierf met je overspannen ideeën, en nu is 't zoover. Hier is een brief van den rector: 'Abraham heeft oproer op school gemaakt.'"

"Maar--Carsten! Wat zeg je daar!"

"Hij heeft zich tegen zijn leeraars verzet, met gebalde vuisten gedreigd en leeraar Aalbom een duivel genoemd."

"O Goddank, anders niet!" zei Mevrouw Wenche verlicht.