Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Chapter 5
"En waarom mag Mevrouw dat niet, als ik vragen mag?" De jurist wendde zich voor het eerst regelrecht tot Mordtmann.
"Omdat iemand, die een ingrijpende hervorming verlangt, er zich wel voor moet wachten met praktische voorstellen aan te komen. Want onder de groote menigte, die zich altijd tegen iedere hervorming verzet, zal er altijd wel een of ander zijn, die zoo'n praktisch voorstel verdraait, zoodat het belachelijk wordt, een karikatuur van wat er bedoelt wordt, en dan meent men, bewezen te hebben, dat de tijd voor de hervorming nog niet gekomen is."
"U zegt, men meent dat bewezen te hebben," riep de jurist uit de hoogte, "maar ik ben ook zoo vrij te meenen, dat de ontijdigheid van een hervorming voldoende bewezen is, als de practische onuitvoerbaarheid in confesso is."
"Ja, natuurlijk! De theorie kan schoon zijn, watte? Maar houd u aan de praktijk... aan de praktijk, jonge man!" Dat was de "blinde darm," die eindelijk losbarstte; hij was als altijd razend van verontwaardiging, als hij iets hoorde, dat op oppositie leek.
Michal Mordtmann keek naar het opgewonden gezicht van den leeraar met zijn Engelsche kalmte en wendde zich daarna weer tot den jurist.
"Bij hervormingen van dien aard, waar hier over gesproken wordt, is de praktische uitvoering een bijzaak en betrekkelijk van weinig gewicht en wie zich daarmeê 't eerst bezig houdt, begint van achter af en doet vergeefsch werk. Maar als u daarentegen de gedachte, die aan de hervorming ten grondslag ligt, tot de publieke opinie van uw tijd kunt maken,--als het in dit geval gelukt bij de ouders die sterke belangstelling voor de school te wekken,--ja, dan zal die belangstelling haar uitdrukking in de praktijk vinden,--gemakkelijk, natuurlijk, als van zelf. Maar zoolang die belangstelling niet opgewekt is, geeft het niets of men over de praktische moeielijkheden disputeert; en zoodra die gewekt is, zijn er geen practische moeielijkheden meer."
"Ach--dat is echt jeugd--watte?" schreeuwde de blinde darm; "alleen maar alles afbreken en niets opbouwen--watte? Neen, daar doen ze niet aan; want dat kunnen ze niet! dat moeten wij doen,--of de toekomst! maar afbreken--ja, dat is makkelijk, watte?"
"Ja," antwoordde Michal Mordtmann, "flinkweg iets afbreken, b.v. de jeugd, dat is zeker heel gemakkelijk. Maar zóó afbreken, dat er werkelijk wat valt, dàt is, zoover ik weet, minstens even moeielijk als opbouwen. Alles af te breken wat Mevrouw Lövdahl's schoolhervorming in den weg staat--aan de eene kant luiheid en onverschilligheid en aan den anderen kant hoogmoed en betweterij--zie, dat is zeker een heel inspannend en moeilijk werk, en ik kan wel berekenen, dat u en ik al lang ter ruste zullen gegaan zijn eer dat gebeurd is. Maar dat is toch mijn overtuiging--en mijn hoop, dat dit afbrekingswerk gedaan zal worden."
"Ja, afgebroken zal dat alles worden!" riep Mevrouw Wenche warm, "er moet een tijd komen, dat allen 't inzien, hoe gewetenloos het is 't eene geslacht na het andere aan oude vooroordeelen en versteende leerstellingen op te offeren."
"Hm," antwoordde Mr. Kahr, "wij hebben nu veel schoone en gevleugelde woorden gehoord en het zal zeker wel niet baten een kleine, praktische vraag te doen, te meer omdat het praktische juist niet aan de orde schijnt te zijn..."
"Kom, niet zoo scherp, heer jurist! Kom u maar met uw praktische vraag; als ik Mijnheer Mordtmann aan mijn kant heb, ben ik nergens bang voor."
"Nu dan, kort en goed. Waarom zendt u uw kind naar school! Wat wilt u dat hij leeren zal?"
"Daar zal ik u met genoegen op antwoorden, en ik zal dat zoo bezadigd doen, dat mijn kompagnon heel kalm blijven kan, want daar heb ik zelf zoo dikwijls over gedacht. Als wij--vaders en moeders--die zelf gevoeld hebben hoeveel er noodig is, hoeveel men weten moest, alleen maar om eenigszins zijn tijd, zijn plaats in het leven te begrijpen,--als wij onze kinderen naar school sturen, doen we dat natuurlijk omdat we willen, dat zij op tijd die kundigheden zullen verwerven, die wij nu door eigen dure ervaring weten, dat het leven eischt."
"En u vindt niet, dat de school in die richting werkt?"
"Neen, daar is 't ver--heel ver vandaan! Zie nu b.v. mijn Abraham eens... Maar waar is de jongen toch?"
De professor, die juist was binnengekomen vertelde, dat hij Abraham naar bed gezonden had; "Hij vroeg of je hem goeden nacht kwam zeggen."
"Ja, ik kom dadelijk. Arme jongen! Ik heb hem heelemaal vergeten!--Maar wat ik zeggen wou: zie nu eens naar Abraham; hij is nu volle negen jaar op die gezegende geleerde school geweest. In 't begin ging het goed; maar in de laatste jaren wordt hij, voor zoover ik zien kan, steeds dommer, steeds meer zonder belangstelling. Zoodra hij zijn mond open doet, toont hij de grootste onwetendheid in de meest alledaagsche dingen. En 't ergste van alles is, dat hij er bijna op neerziet, als men iets verstandigs weet van de wereld zooals die is."
"Ja Mevrouw," sprak Mordtmann, "uw zoon leeft in de wetenschappelijke wereld. Hij schrijdt voort naar den hoogen Parnassus der groote geesten! Ik ken dat. Ik heb zelf den omweg over den Parnassus gemaakt."
"Wat meent u daarmeê,--watte?" vroeg Aalbom.
"O, dat kan ik u wel uitleggen! Ik ruik lont," zei Mr. Kahr. "De heer Mordtmann hoort zeker tot de moderne tegenstanders van de klassieke opvoeding. Ik wed, dat hij een hekel aan het Latijn heeft."
"Ja, dat heb ik zeker!"
Verscheidenen wilden tegelijk spreken, maar Professor Lövdahl behield het woord:
"U zult toch niet willen ontkennen, dat de studie van die heerlijke taal in buitengewoon hooge mate bij de jongelui het vermogen tot streng en logisch denken ontwikkelt?"
"Ik heb maar één ding opgemerkt, Professor, wat 't Latijn bij ons allen uitwerkt; en dat is, dat het ons buitengewoon pedant maakt."
"Sommigen onder ons, misschien," merkte de jurist op met een beetje boosaardigheid. Maar Mevrouw Wenche lachte vergenoegd.
"Ja, u hebt gelijk. Al toen ik klein was ergerde 't me, als mijn groote neven met Latijnsche zinnetjes aankwamen. Ik ben er van overtuigd, dat er geen slot of zin aan was. En zelfs nu erger ik me, als de oude heeren elkaar zoo beteekenisvol toelachen en met een paar Latijnsche woorden aankomen."
"Neen, maar dat is toch een onschuldig genoegen, lieve Mevrouw!" riep nu de oude rector. Hij had zich wat teruggetrokken. Het gesprek werd hem te heftig. "Wij mogen toch wel plezier hebben in ons gemeenschappelijk eigendom. Dat is een soort van vrijmetselarij."
"Ja juist," antwoordde Michal Mordtmann, die zich scheen te hebben voorgenomen, tot het uiterste toe tegen te spreken; "dat is karakteristiek voor de beschaving van den ouden tijd. Er was iets heel pikants aan geleerdheid, n.l. dit: dat ze was beperkt tot een kleinen kring;--dat het genot, het geluk geleerd te hebben, niet bestond in iets te weten, maar in iets te weten, wat anderen niet wisten. Maar nu zijn er gelukkig niet veel menschen, die hun kinderen naar school zenden, om ze op die manier geleerd te maken."
In de pauze, die hierop volgde, stond Mevrouw Wenche op om haar zoon goedennacht te gaan zeggen. Men moest ook aan tafel gaan: het was laat geworden.
Onder de geleerden heerschte een niet geringe opgewondenheid; terwijl daarentegen een paar oude kooplieden elkaar in stilte toeknikten.
"Ja, als U heengaat, Mevrouw," zei de jurist, die eindelijk ook geanimeerd geworden was, "dan loopt dit interessante gesprek zeker dood. Jammer, dat u zich niet hebt laten overhalen over de praktische dingen te spreken: wat er geleerd moet worden, b.v. zoudt u mij niet een paar vakken kunnen opnoemen?"
"Wel," antwoordde Mevrouw Wenche snel, "ze moesten natuurlijk historie leeren, geneeskunde, rechtsgeleerdheid, sterrekunde..."
"Ik dacht, dat je geneeskunde noemde, Wenche?"
"Ja, natuurlijk. Kennis van hun eigen lichaam, van ziekten en geneesmiddelen."
"Neen maar Wenche, hoe kun je je nu verbeelden......?"
"Maar zeg je niet telkens zelf, Carsten! wel honderdmaal in een jaar: 'Ja, had dat mensch in zijn jeugd op zijn oogen gepast, dan zou hij nu niet als een half blinde stakker rondloopen.' Maar hoe zullen ze leeren op hun oogen te passen, als ze daar niet anders van leeren dan: 'indien uw oog u ergert, ruk het uit,' of voor hun lichaam zorgen, waar ze van leeren, dat het een ellendig en onwaardig omhulsel voor de onsterfelijke ziel is."
"Maar rechtsgeleerdheid... watte? Jura! moeten de jongens ook dat wettengedoe in de school leeren?" riep de blinde darm; zijn nijdigheid steeg naarmate het gesprek werd voortgezet, zonder dat hij iets vond om op aan te vallen.
"Ja, natuurlijk moeten ze op de hoogte zijn van de wetgeving in hun land; hoe en door wie het recht en orde gehandhaafd worden. Maar vraag b.v. mijn Abraham, die toch anders een knappe jongen is, wat een arrondissements-rechtbank is. Hij heeft er geen flauw begrip van."
"Maar vraag hem naar curules, aediles, tribuni plebis en zulke dingen, dan kent hij ze op zijn duim," zei Mordtmann.
"Ja, ziet u, zulke ouderwetsche onzin, daar heeft hij zijn hoofd vol van, de stakker. Maar van zijn eigen vaderland, de staatsinrichting daar, de strijd om de vrijheid..."
"Politiek! Politiek! Moeten de jongens ook al politiek leeren?" klonk het van alle kanten en een nieuwe koortsachtige agitatie overviel allen.
"Natuurlijk! Ja zeker, moeten ze politiek leeren," antwoordde Michal Mordtmann onvervaard.
Er ontstond een sterke beweging en algemeene verontwaardiging; zelfs Mevrouw Wenche keek bedenkelijk. Maar boven alles uit schreeuwde de blinde darm in de hoogste discant:
"Neen, maar...! God beware ons! Watte? Zullen we nu ook nog de scènes beleven, dat kleine jongens over politiek debatteeren, alsof ze volwassenen waren."
"Vindt u ze zooveel beter, de scènes, die niet zoo zeldzaam zijn, dat volwassenen over politiek debatteeren, alsof ze kleine jongens zijn?"
Mevrouw Wenche zag den jongen man aan en glimlachte; toen haastte ze zich naar haar zoon. Maar de strijdlustige stemming verdeelde het gezelschap en allen verspreidden zich door de verschillende kamers, waar ze de vreedzame kaartspelers een doodschrik op het lijf joegen, door in groepen midden op den vloer te gaan disputeeren, terwijl ze in de hoeken hier en daar, twee aan twee elkaar bij de knoopsgaten vasthielden als twee aan den gordel samengebonden worstelaars en als hanen stonden te kraaien, met de neuzen vlak bij elkaar, met vuurroode gezichten en het haar in vlokken bijeen.
Misschien was er wel niemand, die heelemaal meêging met de oproerige ideeën van Mevrouw Wenche en dien vreemde; maar velen vonden toch, dat er wel iets van aan was. En al de geleerden streden als razenden, geheel niet gewend aan, en verbitterd over het feit, dat een uit hun eigen leger zijn afvalligheid geopenbaard had voor de oogen van al die haringschippers en kruideniers.
Aan het souper ging het voortdurend warm toe, en zelfs toen de gasten het huis verlaten hadden hoorde men in de straten, door den stillen nacht: "Hervorming--Latijn--Ephor--politiek--watte?"
Toen Michal Mordtmann zijn gastvrouw goedennacht zei, reikte ze hem weer haar beide handen, terwijl ze hem hartelijk en vroolijk bedankte voor zijn goede hulp. Hij antwoordde met een paar beleefde woorden, maar zag haar tegelijk diep in de oogen. En zij, die in lang niet zulk een blik ontmoet had, liet hem los en wendde zich tot de anderen.
Maar toen alle gasten weg waren, en haar man rustig was gaan zitten om de couranten te lezen, zei Mevrouw Wenche:
"Neen maar, wat was ik verrast door den jongen Mordtmann. Ik had er geen flauw vermoeden van, wat er in hem zat. We moeten hem toch dikwijls vragen, dat is nu eindelijk eens iemand, daar ik meê praten kan."
"Och, me dunkt waarachtig, dat jij met alle menschen wel praten kunt," antwoordde haar man knorrig; hij was er eindelijk achter gekomen, welke weinig correcte dingen er in zijn huis gezegd waren.
"Nu, nu, Mijnheer de Ephor," zei Mevrouw Wenche, terwijl ze de haarspelden uit haar dik haar nam; maar door 't noemen van het woord "Ephor" moest ze weer lachen en lachend ging zij in haar slaapkamer.
Professor Lövdahl sprong op; maar ze was al weg; hij mompelde een paar woorden, maar ging toen weer zitten.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De uilen woonden in het gebeeldhouwd lofwerk om de hooge spitsboog-vensters van de Domkerk en in de vierkante openingen in den muur boven in de torens.
Geluidloos hadden ze zeshonderd jaar lang tusschen kerk- en kloostervensters heen en weer gevlogen, van schoorsteen tot schoorsteen, door poorten en gaten en in lange nauwe gangen, waar ze geleerde mannen tegenkwamen op pantoffels, met boeken en perkamenten.
In storm en donkere nachten hadden zij op de steenen voor het kleine boogvenster gezeten, waar een lichtstreep viel; en hun wilde kreten hadden den bleeken man daar binnen er toe gebracht een kruis te slaan en de oogen op te heffen van de duistere plaats in Tacitus naar het crucifix aan den witten wand.
Maar het crucifix werd afgerukt en in een zak gestopt; in de lange gangen en naar boven vluchtten de bange monniken en naar binnen stormden de in dierenhuiden gekleede mannen met bebloede bijlen, doorzochten kisten en banken tot in alle hoeken, haalden de monniken te voorschijn en pijnigden ze tot ze de schatten van het klooster gaven en joegen den bisschop door zijn heele huis, door de geheime gang--tot heel voor het hoogaltaar en hieuwen hem neer, zoodat zijn bloed over de steenen in het koor stroomde. En het visschersdorpje, dat zich schuw tegen de kloostermuren aandrukte, met nauwe straten en houten huizen, brandde in een oogenblik af en het vuur teisterde kerken en kapellen.
Maar langzamerhand groeiden de houten huisjes weer op; zware boeken en rijke geschenken stroomden het huis van den bisschop binnen, het tiende van wat zee en land opbrachten en de bekoorlijke zilveren daalders moesten denzelfden weg op en 't wemelde van vreemde monniken en kanunniken, zoowel dikke sterke Engelschen als zwartharige geestelijken uit het Zuiden met fijn besneden gezichten.
Macht en geleerdheid bouwden muren en torens, en wierook vulde de prachtige kerk, waar de geestelijken zongen voor de visschers en boeren, die met het hoofd op den grond gebogen lagen en mompelden wat zij niet begrepen.
Er kwamen vreemde schepen aan de steigers en brachten met goud bewerkte miskleeden, kerkklokken en wierookvaten en sterken wijn voor de koele kelders in de kloosters.
Maar in de nauwe straten en schuilhoeken achter den boomgaard--daar lagen de monniken op de meisjes te loeren; en terwijl ze boven in de kerk de mis hielden en zongen, brandden er een paar lampen in den gewelfden kelder onder de kapel van den bisschop; en daar zongen ze ook, terwijl 't wijnvat klokte en de meisjes lachten; en daar dansten de monniken, zoodat hun pijen rondzwierden. Maar aan den dans kwam een eind en die heerlijkheid verging en de meisjes werden met rust gelaten door de woeste geestelijken.
Op een grooten brandstapel werden alle documenten van het domkapittel verbrand, alle papieren en boeken in goudleer en wit kalfsleer gebonden; maar alles wat op zilver en goud leek, werd verzameld, afgehouwen, afgerukt, afgeschrapt tot het laatste korreltje, dat glinsterde, toe en in plaats daarvan kwam kalk, van binnen en van buiten,--overal kalk, doodsch wit, droog en koud.
Nu kwam de beste tijd voor de uilen, terwijl kloosters en kapellen langzaam tot ruïnen vervielen; en wat de tijd bij kleine beetjes deed, volbrachten de menschen in 't groot.
Spoedig werden de muren en de oude boomgaarden geslecht om plaats te maken voor een nieuwe straat; 't volgend jaar werd de sierlijke capella domestica van den bisschop afgebroken, omdat de vrouw van den proost van het materiaal een nieuw varkenshok wilde laten inrichten en ten slotte stond de Domkerk daar nog maar alleen--geheel bouwvallig, in haar kleed van kalk, met domme kleine huisjes er om heen en van al de paapsche heerlijkheid bleef niets over,--geen steen en geen perkament.
Alleen één ding bleef over achter op het oude terrein--behalve de uilen.
De macht was verdwenen. De geleerdheid was verdwenen; de kalk had alles wat er nog aan schoonheid over was, begraven; maar het Latijn was blijven zitten--de Latijnsche school--de plak en 't Latijn.
De koorknapen werden scholieren, kostersjongens en eindelijk gewone leerlingen; zij verhuisden van één kamer, naar twee kamers, die aan de oude kloostermuren werden vastgeplakt, tot ze in een nieuwe, vierkante schoolkist werden gestopt, met kale muren en vensters van matglas; de plak en 't Latijn verhuisden meê.
En als de uilen, die ook trouw waren meêgegaan, in de groote beukenboomen voor de studeerkamer van den rector zaten, kromp hij ook ineen bij hun woeste kreten en hief zijn oogen op van Tacitus,--'t was dezelfde interessante, maar duistere plaats.
Want in de vele honderde jaren, waarin alle geleerdheid in die schoone, ontwikkelende taal geleefd had, was er--wonderlijk genoeg--niets voortgebracht, waard om in het Latijn gelezen te worden. Nu--als voor zeshonderd jaar--zaten de geleerde bollen en braken hun hoofd met deze interessante, maar duistere plaats in Tacitus.
En voortdurend ging geslacht na geslacht op naar "mensa rotunda," waar de plak en de gramatica het offer van tijd en vlijt van de jeugd aannamen, om tot belooning de knapsten onder hen zoover te brengen, dat zij hun hoofd konden breken met Tacitus.
De beukenboomen waren niet oud in vergelijking met de ruïnen, waarbij ze waren opgegroeid. Maar ze hadden toch meer dan honderd jaar lang hun kronen over 't lage houten stadje verheven en zich ver over de ruime schoolplaats uitgebreid.
En onder de takken had het vroolijk geluid geklonken van jonge geslachten, die kwamen en gingen: overdag het aanhoudend wisselen van de stilte in de lessen en 't uitgelaten gedruisch in 't vrije kwartier, als honderd kleine voeten op den grond trappelden en er kreten door de lucht klonken als van wilde vogels. Maar als de dag voorbij was en de leeraren al hun tyrannie en al hun verveling mee naar huis hadden genomen, dan werd de schoolplaats vol van den vrijen arbeid der gepijnigde jeugd.
Alles wat er te vinden was aan gebouwen, boomen, trappen en poorten kreeg leven en namen. En na het doode spel van den dag met doode namen en levenlooze vormen, speelde de levende jeugd een fantastisch leven vol namen met klank, die weerklank vonden in hun uitgedroogde hoofdjes. Dan zeilden zij om de aarde en de kapers schoten te voorschijn van achter de boomen en de hoeken van huizen, of roovers lagen op den loer onder de trap. En naarmate het licht afnam en de schemering de herinnering aan de harde dressuur van den dag uitwischte, ontwaakten en groeiden de ongebruikte en verspilde krachten. En ridderlijkheid, onverbreekbare vriendschap en heldenmoed vlamden op in de kleine woeste vechtpartijen en quaesties, die nooit vergeten werden.
Maar in de stille herfstavonden, als 't beukenloof dicht onder de boomen lag, vóór de storm het nog had weggezweept, of de pedel 't onder in zijn kelderkamer bijeengegaard had, kwamen Indianen en stroopers in de schaduwen aansluipen,--of het was de praetendent, de ongelukkige Stuart--, die voortworstelde door storm en onweer naar de hut van Betty Flanagan.
En als de deur van de kelderkamer van den pedel openging, zoodat het roode licht in streepen in 't donker onder de boomen viel, dan zaten er veel rondkoppen dicht bijeen om 't vuur, met zware laarzen aan, met korte, ronde mantels en ijzeren sporen; hun mantels hingen bij den schoorsteen te drogen en hun lange zwaarden met een kruis aan 't heft, stonden tegen den wand. De oude Betty hief het ronde houten deksel op--zwart verbrand aan den kant, en uit de geweldige pan steeg de sterke lucht op van schapenvleesch, kool, aardappels en kruiderij, die door elkaar gekookt werden,--het lievelingsgerecht van de Hooglanders!
In de kelderkamer en onder het heele schoolgebouw door liepen verborgen gangen en geheime openingen tussen de oude onvergankelijke kloosterkelders, waarin de moedigsten doordrongen, en van waar zij met stof en kalk overdekt terugkwamen.
En wat zij vertelden ging van de eene klasse naar de andere, en legde onder de gehate school een griezeligen ondergrond van oude, gruwelijke kloostergeschiedenissen, van geheimzinnig verkeer met doode monniken, die daar spookten, vensters met lage bogen, lange strepen van doodsbleek maanlicht.
En zelfs het spel hield op, als het goed donker werd en de katuilen begonnen te schreeuwen. Dan gingen ze in dichte groepen bijeen staan en maakten elkaar bang met witte gestalten, die ze in de schaduwen zagen; en uit de zwarte kelders van de monniken kwam er zóóveel akeligs en griezeligs, dat ze naar huis draafden om hun lessen te leeren.
't Waren hooge, mooie boomen, de beukenboomen op de schoolplaats. Maar op eens begon de 't meest naar 't Noorden staande te kwijnen en 't volgend jaar ging hij dood; hier en daar in de rij werd een boom ziek; zware takken--van binnen vergaan--vielen 's winters af, als 't waaide. Allen, die verstand van boomen hadden, kwamen in beweging; en men kwam met velerlei vermoedens en voorstellen aan.
Sommigen meenden, dat de aarde om de wortels te vast ineengetrapt was, en wilden, dat men die wat los zoude maken; anderen wilden de stammen afkrabben; en enkelen vermoedden, dat er geen licht genoeg tusschen de takken doorkwam en wilden, dat de kronen zouden worden uitgekapt. Niemand scheen te willen begrijpen, dat de grond zuur was, de boomen oud en vergaan, zoodat geen kunst verhinderen kon, dat ze verdorden en doodgingen.
Maar zooals de boomen kwijnden, zoo was het ook, alsof er een druk kwam over de school zelf en de jeugd, die zij beschaduwden.
De plak danste niet langer lustig met de grammatica,--die was weggelegd. En na die scheiding scheen de grammatica weg te kwijnen als een weduwe, die haar beter ik verloren heeft. Het Latijn wilde niet recht groeien, niettegenstaande alle mogelijke moeite: niemand kon er blind voor zijn, dat de kennis van die heerlijke taal van jaar tot jaar afnam.
En niettegenstaande zij niet half zooveel Latijn leerden als voor dertig jaar, zag de jeugd er toch bleek en overspannen uit. 't Was ellendig de bleekneuzige dwergjes te zien, die zich nu met moeite door de allereenvoudigste thema's heen worstelden op 't admissie-examen,--en als men dan eens dacht aan de flinke kerels, die vroeger examen deden.
De leeraars liepen rond, alsof ze spoken waren. Een dor, knorrig troepje mannen, die in den loop der jaren hun eigenaardigheden tot het karikatuur ontwikkelden; omdat hun eenzaam leven bestond in het zitten op een katheder en stof strooien op een jeugd die zij niet begrepen.
Maar velen merkten het verkwijnen van de geleerde scholen. Van het heele land kwamen dezelfde waarnemingen en klachten en alle onderwijs-mannen kwamen in beweging, staken hun neus in de papieren en joegen wolken extra-fijn philologisch stof op.
Sommigen meenden, dat het weer in orde zou komen als de leerlingen afzonderlijke lessenaars kregen en groen geschilderde kokers; anderen riepen om een nieuw en beter ventilatie-systeem; enkelen beloofden een nieuw opbloeien van geleerdheid en gezondheid voor de lieve jeugd, als het zwaartepunt in het onderwijs van het Latijn naar het Grieksch werd verlegd.
Niemand scheen te willen begrijpen, dat het systeem verouderd was en de geleerdheid zelf vergaan, zoodat geen kunst langer vermocht te verhinderen, dat het doode het levende vergiftigde.
De rector zuchtte menig avond, als de maan over de schoolplaats scheen en ver over de stad, die op haar manier groeide en tierde. De school tierde niet: ieder jaar vond hij minder hoopvolle leerlingen voor de Latijnsche afdeeling; terwijl er flinke jongens genoeg waren, die het al vroeg opgaven en naar zee gingen of naar het buitenland, om voor den handel te worden opgeleid.