Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Chapter 4
's Avonds was Marius bij Abraham gevraagd, de professor en zijn vrouw hadden gasten. Zij hadden alle kamers tot hun beschikking en 's avonds kregen zij een warm souper. En niets te doen voor morgen! Niets te leeren! als een vrij man te slapen tot tien uur! En toch werd nog de een of andere Zondagmorgen in bed in zijn gedommel gekweld door de gedachte: nu gauw opstaan en naar school hollen!
Brr, koud in de slaapkamer,--halfdonker--een massa boeken... hij kent er geen steek van...
Eindelijk overeind!--En dan was het Zondag! pardoes weer onder de dekens!
Zou iemand wel ooit vergeten, hoe zalig dat was?
VIERDE HOOFDSTUK.
Er was allang sprake geweest van een fabriek, die in de buurt van de stad zou gebouwd worden. Het heette, dat het een filiaal zou zijn van een groote Engelsche zaak in kunstmeststoffen. Maar de ondernemers wilden er ook graag kapitaal uit de stad in hebben en daar men in de stad niet veel verstand van zulke zaken had, kwam er een deskundige, om met de menschen te spreken, te verklaren wat men kon verwachten, dat er verdiend zou worden, een geschikt terrein te koopen, dat al was uitgezocht en naar aanleiding daarvan waren er gasten bij professor Lövdahl.
De deskundige in quaestie, die Michal Mordtmann heette, was als de meeste vreemden aan Professor Lövdahl aanbevolen. Trouwens, de professor kende hem nog wel van de universiteit. Mordtmann was indertijd begonnen in de medicijnen te studeeren. Maar toevallig was hij in Engeland gekomen, waar hij door connecties van zijn vader kennis maakte met een familie, die scheikundige fabrieken had.
Geheel onverwacht kreeg hij een aanbod van een mooie betrekking daar; de lust bekroop hem eens te probeeren verscheiden jaren in Engeland te blijven. Maar langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat deze verandering in zijn levensrichting niet zoo toevallig was als hij zelf wel meende.
Zijn vader--Isac Mordtmann en Co., in Bergen, dreef een groote zaak en had een goeden omzet; maar wat hij aan vast vermogen bezat wist niemand.
't Was een ondernemend, levendig handelsman, die er heelemaal niet blij om was, dat zijn eenige zoon absoluut dokter wilde worden. Maar Isac Mordtmann en Co. had geleerd geduld te oefenen en het geschikte oogenblik aan te grijpen. Zoo liet hij zeer in der minne zijn zoon doen wat hij wilde, tot hij zelf die reis naar Engeland in orde gemaakt had. 't Aanbod van de betrekking aan de Engelsche fabriek kwam ook door hem, en nu had hij het in zoo verre gewonnen, dat de zoon een practisch scheikundige geworden was en niet een arme dorpsdokter, Joost weet waar, ergens op de rotsen.
De bedoeling was nu, dat Michal de nieuwe fabriek zou aanleggen en besturen. Maar Isac Mordtmann en Co. hadden geen groot kapitaal om er in te plaatsen; de Engelsche firma, die in het prospectus als de "Moeder-zaak" werd voorgesteld, nam een voorzichtige houding aan; dus moest het grootste gedeelte van het kapitaal in de stad zelf opgenomen worden, waar het bizonder gunstig gelegen terrein gevonden was en al half en half gekocht.
Dit was dus de taak van Michal Mordtmann en hij toonde al dadelijk, dat hij er voor bekwaam was. Hij had het stijve Engelsche over zich, dat hem iets solieds, iets betrouwbaars gaf, en maakt, dat velen lust kregen hun geld in deze onderneming te steken, hoewel ze er geen zier van begrepen.
Professor Lövdahl was zeer voorzichtig met zijn geld. Hij kocht liefst buitenlandsche effecten en staatspapieren in Kopenhagen en Hamburg; maar hij stak zoo min mogelijk van 't vermogen van zijn vrouw in ondernemingen binnen de stad. Er waren te veel wederzijdsche verplichtingen tusschen de kooplieden van leenen en helpen, en onderteekeningen en borgstellingen, dan dat de professor zou wenschen meê te doen in de handelswereld.
Daarom begeerde hij de hooge positie onder de groothandelaars niet, die hij zonder twijfel zou hebben ingenomen, wanneer het groote vermogen van zijn vrouw in de stad zelf geplaatst was.
Hij trok zijn rente en knipte in alle stilte zijn couponnetjes; men wist zoo ongeveer wat hij van den ouden Abraham Knorr had geërfd en dat hij zijn geld uit Bergen kreeg; maar velen peinsden er over, wat hij er dan meê deed.
Daarom had ook Michal Mordtmann moeite met den professor. De onderneming had immers een wetenschappelijk tintje, zooiets van scheikunde en geneeskunde; er was ten minste niemand in de stad, die iets van die analyses en al dat gepraat over fosforzuur begreep, behalve professor Lövdahl. En zoolang hij zich achteraf hield, vlotte het niet recht.
Intusschen kwam Mordtmann voortdurend als gast daar aan huis; en toen hij een veertien dagen in de stad geweest was, gaf de professor een groote partij voor hem.
Mevrouw Lövdahl was zeer teleurgesteld in Mordtmann. Hij was een jaar of vier jonger dan zij; maar zij kon hem zich nog heel goed herinneren uit Bergen, als een levendig jong mensch, een enthousiast taalman, met toasten op de vrouw, het volk en al wat het volk betrof. Nu kwam hij terug als een stijve Engelschman en praatte met vervelende menschen over soda en beendermeel. Ze had bijna geen tien woorden met hem gewisseld en Mevrouw Wenche vond, dat hij voor zijn ouderdom buitengewoon vervelend was.
Eerst dien avond viel het haar op, dat hij met zijn Engelsche kleeding en manieren goed uitkwam tusschen al die alledaagsche menschen, die zij van buiten kende.
't Diner was niet geanimeerd geweest; er waren enkel heeren en gedeeltelijk een soort van heeren, die anders niet bij de Lövdahls aan huis kwamen, maar wier kennismaking voor den jongen Mordtmann van belang kon wezen.
De professor was levendig en beminnelijk geweest, zooals altijd. Hij dronk op den eeregast, wenschte hem allen mogelijken voorspoed met zijn onderneming en de stad geluk met een zoo groot en zonder twijfel voordeelig bedrijf.
Maar 't zat toch in de lucht, dat de professor zelf nog geen enkel aandeel genomen had in deze ongetwijfeld voordeelige zaak, die hij aanprees en waar hij op dronk.
Michal Mordtmann voelde dat ook. In zijn antwoord had hij geprobeerd te schertsen over de langzaamheid en de overdreven voorzichtigheid van de Westlanders; maar tegelijk was hij geëindigd met te zeggen, dat als ze eens begonnen, dan ging het ook met stoom. Hij hoopte dan nu ook maar, dat het in dit geval... enz.
't Was een toast, die uitstekend geweest zou zijn in Bergen; mevrouw Wenche lachte ook een paar keer, maar zij stond bijna alleen: deze vroegere schipper en oude haringkakers--gedeeltelijk Haugianen [11]--waren in het geheel niet geschikt voor dit soort van humor en zagen elkaar aan.
Michal Mordtmann kwam in een kregele stemming van tafel; hij voelde, dat hij grond verloren had.
Als hij rondging bij deze menschen en onder vier oogen met hen sprak in een donker kantoor, zoo groot als een kleerenkast, werd hij zelf ernstig en sprak ook ernstig. Maar nu hij aan een feestelijken disch aanzat en wijn dronk, was zijn licht Bergensch bloed in beweging gekomen; hij improviseerde zijn amusante toespraak. Maar later begreep hij, dat hij liever een droge en fosforzure speech had moeten houden, zooals hij zich oorspronkelijk ook had voorgesteld.
't Huis, waarin Professor Lövdahl woonde, was heel groot en ouderwetsch met een tuin aan den achterkant; hoewel het midden in de stad lag. Hij had het gekocht van de gemeente, die vroeger het huis als feestlokaal gebruikt had, of om er een koning of prins die door het land trok, onder dak te brengen.
't Waren groote en hooge kamers, waar het ietwat ouderwetsche ameublement, dat Mevrouw Wenche meêbracht, goed in paste.
Dien avond was de geheele woning in gebruik genomen--er waren een vijftig heeren. Ze zaten tot in de wachtkamer van den professor. Hier begon de tabak en die vulde langzamerhand de andere kamers, maar bleef hangen bij de portière van 't boudoir van de huismoeder zelf, die daar koffie zat te schenken.
Er waren verscheidene speeltafeltjes en bij de toddy, die al dadelijk na het maal rondgediend werd, verzamelden zich groepjes, die de vracht en den prijs van het zout bespraken of de hoofden bijeen staken over de nieuwe fabriek.
Michal Mordtmann liep zich te ergeren; overal scheen hij te merken, dat hij een bok geschoten had; en toen hij zich dat eenmaal in het hoofd gezet had, werd het natuurlijk erger dan het was.
Maar het ging hem werkelijk zeer aan 't hart. Een paar dagen geleden had hij nog aan zijn vader geschreven, dat hij alle hoop had. Zou hij nu moeten bekennen, dat hij zich op een diner verpraat had en de menschen afgeschrikt?
Gedurende zijn verblijf in Engeland was hij met hart en ziel handelsman geworden. Hij lachte, als hij er aan dacht, dat hij eens een enthousiast taalman was en dat het zijn ideaal geweest was in, voor en met het volk te leven.
Het Engelsche welvaren met het voortdurend baden en wasschen en het schitterend witte linnen hadden zijn smaak veranderd en hem van het volk gescheiden. En wat er aan leven en geestdrift in zijn ziel geweest was, had zich--als bij zijn vader--omgezet in een sterken lust in speculeeren, in vooruit komen, in veel te besturen hebben.
En aan den anderen kant had de omstandigheid, dat hij reeds nu zoo'n diepe verachting voelde voor datgene, waar hij toch tot zijn vijf en twintigste jaar zoo meê gedweept had--hem een wantrouwen gegeven in sterke hartstochten over 't algemeen; het had hem ook tegenover vrouwen voorzichtig en koud gemaakt--wat hem zeer ten goede gekomen was.
Met zijn vader stond hij nu op een bizonder vertrouwelijken voet. Samen hadden zij dit plan van de fabriek gemaakt: de zoon directeur, de vader handelsdirecteur en behalve dat commissionnair agent, voor het Engelsche huis; daar was allerlei kans op goede winst, en in geval van tegenspoed was het bijna uitsluìtend aandeelhoudersgeld, dat er bij inschieten zou.
Maar als dat geld nu niet kwam!
Michal Mordtmann wierp zijn sigaar weg, dronk een glas grog en ging in de kamer van Mevrouw Lövdahl.
De koffie was rondgediend en 't dienstmeisje was aan het afnemen. Om Mevrouw Wenche heen stonden eenige heeren, die niet rookten of toevallig met haar waren blijven praten. 't Waren meest ambtenaars en enkele van de huisvrienden, die zich in dit gemengd gezelschap niet erg thuis voelden.
"Ik dank u voor uw toast, Mijnheer Mordtmann," riep Mevrouw Wenche vriendelijk.
Hij boog stijf en zag haar wantrouwend aan.
In een hoek van de ruime zaal zocht hij een plaatsje achter een étagère, waar hij in albums begon te bladeren, terwijl het gesprek in den kring om de vrouw des huizes heen weer vlot werd.
"Ja, ik kan op dit punt niet toegeven, Mijnheer de rector," zei Mevrouw Wenche; "u zegt, dat ik me maar kalm moet houden en hopen......"
"Neen, pardon Mevrouw! zóó zei ik het niet. Ik zei, als het onderwijs en de geestelijke ontwikkeling van een kind is overgelaten aan mannen, die kennis van zaken en ervaring vereenigen met een goeden wil, dan moeten de ouders hopen en vertrouwen, dat hun kind met Gods hulp wel bewaard is."
"Ja, maar wie staat mij in voor dien goeden wil en al dat andere?"
"De staat, het ministerie van onderwijs, een zorgvuldige regeering. Gelooft u mij, Mevrouw, ons onderwijs kan zich meten met dat van welk land ook in Europa en 't staat wat godsdienst en zedelijkheid betreft boven dat van de meeste landen."
"Ja, maar als ik nu met mijn eigen oogen zie, dat het verkeerd gaat, dwars en glad verkeerd! Wat moet ik dan doen?"
Zij lachten allen goedig om het geänimeerde vrouwtje. En zij lachte meê, ofschoon het voor haar hooge ernst was.
"U is--hm... U is een heele strenge dame," zei de rector glimlachend, terwijl hij zijn grooten neus met snuif vulde. "Hier zijn juist verscheiden mannen van 't onderwijs. Wij moeten ons wel heel schuldig gevoelen."
"O neemt me niet kwalijk, heeren! daar dacht ik niet aan. Dat weet u toch allemaal wel, niet waar?" Zij zag met haar open glimlach van den een naar den ander. "Dat is mijn ongelukkig Bergensch temperament--zooals Carsten zegt. Als ik eenmaal een overtuiging heb, moet ik die uitspreken, ronduit. En nu heb ik al lang een duister gevoel gehad, dat het heelemaal mis is met ons schoolonderwijs."
Behalve de rector was de onderdirecteur Abels ook in de kamer; (hij vond het bizonder aangenaam, dat de menschen zeiden, dat hij Mevrouw Wenche het hof maakte;) ook was de directeur van de lagere school Klausen er en later kwam ook Aalbom binnen.
"Zoudt u niet zoo vriendelijk willen zijn ons te zeggen wat er mis is, Mevrouw?"
"Alles!--Alles. Van 't begin tot 't einde?"
"Meent u dat ook van de lagere school, Mevrouw?" vroeg meester Klausen.
"Die ken ik niet; maar ik ben er zeker van, dat als de school voor de kinderen van de welgestelden zoo slecht is, die voor de kinderen van de armen natuurlijk nog slechter moet zijn."
't Waren harde woorden, die Mevrouw Wenche dien avond sprak; harder nog dan gewoonlijk. En de heeren zagen elkaar aan. Maar de goedige en wat politieke glimlach van den rector zegevierde en beheerschte eindelijk de stemming: op stuk van zaken was 't toch maar een dame!
"Ik geloof wel, dat ik ten minste één ding weet, dat Mevrouw wat irriteert," begon de oude rector handig.
"En dat is?"
"Dat u met uw mooie, krachtige handjes niet kunt ingrijpen, dat u niet eens redderen kunt onder de leeraren en den rector zelf niet wat aan den band houden."
"Ja, juist," riep Mevrouw Wenche, "dàt is het! Ik zie wel, dat jelui allen lachen; maar ik meen het in ernst; dat is het juist, dat ik niets--niets meer voor mijn zoon kan doen, terwijl ik toch duidelijk zie, dat hij bedorven wordt en zijn krachten verspild worden."
"Nu, nu, lieve Mevrouw. Zóó erg willen we hopen dat het niet is. Maar hebt u wel gelijk als u zegt, dat u niets meer voor uw zoon kunt doen, als u vindt, dat de school in een of ander opzicht verkeerd doet? Iedere opmerking......"
"Ach, lieve Mijnheer de rector, hoe kunt u mij toch op dit punt tegenspreken. U weet toch zelf wel, dat een kind op de openbare school achter driedubbele muren zit, en wee den vader--en nog meer wee de moeder, die de hand in dat wespennest steekt."
"Hm, ik kan u zeggen, Mevrouw Lövdahl," viel meester Klausen in, "dat er bijna geen dag omgaat, dat ik niet vier of vijf oude wijfjes op mijn dak krijg, die een mondje open komen doen over een of ander wat met hun lieve bengels gebeurd is."
"Pardon, Mijnheer Klausen! die oude wijfjes--zooals u ze verkiest te noemen--hebben met veel pijnen hun kinderen het leven gegeven--wat ik nog nooit van een hoofd van een school gehoord heb; en al daarom alleen hebben ze het recht naar hun beste weten het oog op haar bengels te houden, (die voor haar even lief zijn als de onzen voor ons) wanneer ze gedwongen zijn hen aan wildvreemde menschen over te geven."
"Ja, dat zou me een lieflijke optocht van moeders geven, als je al hun praatjes aan wou hooren!--Dat zou 't hoofd van een school eenvoudig 't leven onmogelijk maken."
"Dat kan me heelemaal niet schelen," antwoordde Mevrouw Wenche droog. "Moeders hebben het recht en den plicht hun kinderen op den voet te volgen, zoover ze maar kunnen;--en God gave, dat ze 't allen deden, al zouden dan ook ontelbare schoolmeesters sterven. Met uw welnemen, Mijnheer Klausen."
"Neen maar... maar lieve, beste Mevrouw Wenche!" riep de rector en stak smeekend de handen naar haar uit. "U kunt toch niet bedoelen, dat vaders en moeders iederen keer bij troepen moesten komen aanzetten als..."
"Neen, neen, beste vriend," viel Mevrouw Lövdahl hem lachend in de rede en greep vriendschappelijk zijn hand; "ik bedoel alleen, dat ik wou, dat er zooveel belangstelling voor de kinderen was onder ons ouders. Dan zou de belangstelling, zoodra ze sterk en levendig genoeg was, wel een of anderen vorm vinden om zich in te uiten, zoodat wij, die toch zelf het onderwijs betalen, ook wat invloed en wat controle zouden krijgen op wat daar achter die dikke schoolmuren gebeurt."
De zaakwaarnemer Kahr had vreedzaam in een hoekje gezeten onder den invloed van het digestieproces na tafel; en de levendige discussie tusschen zulke volkomen onjuridische personen amuseerde hem zeer.
Nu vond hij, dat er langzamerhand zóóveel menschen in de kamer van Mevrouw Lövdahl bijeen gekomen waren, dat het tijd werd een beetje logica en methode in het gesprek te brengen.
"Er was iets in het laatste wat Mevrouw zei, dat mij aanleiding geeft tot een vraag," begon hij met humoristischen ernst op zijn rood glimmend gezicht,--'t was immers maar een dame--; "zei u niet, geachte Mevrouw, dat de belangstelling van de ouders voor hun kinderen een uiting vinden moest door feitelijken invloed op het werken en het wezen der school."
"Ja, juist."
"Een vertegenwoordiging--of zoo iets--van de belangstelling der ouders."
"Ja, zoo iets wilde ik hebben."
"Maar...... ja, pardon, Mevrouw!" zei Mr. Kahr en deed alsof hij heel verlegen was, "maar zooiets hebben we immers."
"Ja?--daar weet ik niets van," antwoordde Mevrouw Wenche en kreeg een kleur; het gebeurde nu en dan in gesprekken als dit, dat zij haar hoofd stootte aan dingen, waar ze 't bestaan niet van vermoedde.
"Dat verwondert mij, Mevrouw!--U schijnt u toch in dat soort van zaken ingewerkt te hebben... of ten minste er zoo warm belang in te stellen. Wij hebben immers juist een vorm gevonden voor de gedachte, dat de ouders ook in de staats-scholen vertegenwoordigd moeten worden; dat hebben wij immers: in 't Ephoraat, het Ephoraat van de school."
"Ephoraat?" vroeg Mevrouw Wenche onzeker.
Maar vóór Kahr of een van de anderen partij konden trekken van deze overwinning, vroeg een droge, heldere stem:
"Pardon ... heeft ooit een van de heeren een levenden Ephor gezien?"
Aller oogen wendden zich naar Michal Mordtmann, die korrekt en innemend bij de étagère stond; maar toen Mevrouw Wenche en hij elkaar aanzagen, barstte zij uit in haar gewoon vroolijk lachen.
"Ik dank u, Mijnheer Mordtmann, dank u voor uw hulp!--Ja, nu vraag ik ook: wat is een Ephor voor een ding?--wie zijn Ephoren hier aan de school?"
"Maar Mevrouw," riep de rector heelemaal verbluft, "weet u werkelijk niet, dat Professor Lövdahl een van de Ephoren aan de school is?"
"Carsten!--mijn man!--neen, dat is prachtig! Ach, Mijnheer Abel! Wilt u mijn man even roepen? Ik moet hem toch eens zien als Ephor!"
De onderdirecteur vloog als een pijl uit den boog door de portière en kwam met den professor terug, die kaarten in de hand had.
"Wat is er voor een grap, Wenche?" vroeg hij vroolijk.
"Een kostelijke grap!--Ze zeggen dat je een Ephor bent--Carsten!"
"Ja zeker ben ik een Ephor..."
"En dat jij de uiting bent van de belangstelling der ouders in de schoolkinderen..."
"Ja zeker. Heb je me dan niet vooraan zien zitten op zoo'n stoel met een hoogen rug naast den burgemeester op examenfeesten?" zei de professor onvoorzichtig, "maar nu moet je me met rust laten; ik heb de hand vol troeven."
De andere heeren dachten in stilte, dat, als Professor Lövdahl het gesprek gevolgd had, hij zeker anders zou hebben geantwoord. Maar Mevrouw Wenche was op eens ernstig geworden:
"Ja zie je, daar heb je 't weer! Als ik niet juist op 't goede oogenblik dit groote woord in gelach gesmoord had, zooals het verdient--dan zou ik me nu, zooals veel andere menschen verbeeld hebben, dat ook op dit punt alles zoo goed en wijs is ingericht door de autoriteiten, dat wij eenvoudigen en vrouwen maar te zwijgen hebben, en alles zijn gang moeten laten gaan. Maar nu zal niemand--ik dank u nog eens voor uwe hulp, Mijnheer Mordtmann--nu zal niemand me meer overbluffen met groote woorden. Als Carsten Ephor is, dat weet ik wel, dat het Ephoraat niets anders is dan een schakel in den ketting van administratief gedoe, dat ons allen smoort en steeds dommer maakt."
"Zacht wat, zacht wat, lieve Mevrouw!" begon de rector weer. "Er moet toch een bestuur zijn! wij kunnen toch niet allen regeeren."
"Dat verlang ik ook niet; maar in iedere zaak moeten zij besturen, die feitelijk de verantwoordelijkheid hebben; en in de zaak: kinderbehandeling hebben die menschen de verantwoordelijkheid, die de vrijheid namen kinderen in 't leven te roepen. Maar in plaats van een wezenlijk deelnemen aan den arbeid in de school in verhouding tot die verantwoordelijkheid, hebben we de comedie van een Ephoraat, dat bestaat in 't zitten op een stoel met een hoogen rug naast den burgemeester. En dat past... ja, wat past dat niet prachtig in 't heele gedoe van ons land. De verantwoordelijkheid wordt zóó van de een op de ander geschoven tusschen groote woorden en prachtige titels, dat het niet mogelijk is ze zelfs met kaarsen en lantarens weer te vinden. Maar de onverantwoordelijkheid bouwt zich een veilige piramide, die in een punt uitloopt; en die is zoo onverantwoordelijk, dat ze heilig wordt."
"Kalm wat, mijn beste Mevrouw," riep Mr. Kahr. Ze lachten nog!--'t Was immers maar een dame. Maar zulke woorden moesten toch niet gesproken worden in het huis van een man met zoo'n positie.
Daar dacht Mevrouw Wenche heelemaal niet aan; zij was gewend in haar kamer vrijuit te spreken; en haar man had het niet verder gebracht, dan zooveel hij kon te kalmeeren en te verzachten.
Michal Mordtmann had een poosje naar Mevrouw Lövdahl geluisterd en langzamerhand kreeg hij een onbedwingbaren lust om meê te doen. Wonderlijk gestemd en moedeloos als hij was, omdat de koopman in hem een nederlaag geleden had, voelde hij behoefte den taalman los te laten--den ouden vrijheidsman--en een oogenblik den Engelschen dwang af te werpen; zijn zaak was toch hoogstwaarschijnlijk al bedorven.
Hij trad wat naderbij en zei met zijn mooie, zuivere manier van spreken, en met een kalmte, die de anderen, en vooral Aalbom zeer irriteerde.
"Ook mij is het steeds verkeerd voorgekomen, ja, eigenlijk schandelijk, dat juist de school en alles wat daartoe behoort, als een gesloten arena is ingericht, waar alleen de meest voortreffelijke geleerdheid en kunde worden toegelaten; terwijl er voor de vaders en de moeders, die toch het kostbaarste inzetten bij dit spel, niets meer dan een bescheiden plaatsje onder de toeschouwers buiten wordt overgelaten, vanwaar zij het philologische stof, dat in den strijd wordt opgejaagd, mogen waarnemen."
"Bravo! Bravo!" riep Mevrouw Wenche verrukt en reikte hem haar beide handen. "Wie zou dat van u gedacht hebben? Mijnheer Mordtmann! Ik dacht eerlijk gezegd, dat... maar het doet er niet toe, wat ik dacht; ik ben blij, dat ik me vergiste. Maar komt u nu hier; wij tweeën moeten ons bij elkaar aansluiten. U ziet, dat de vijand ons aan alle kanten omringt."
In werkelijkheid waren er veel heeren binnengekomen, zoodat er niet alleen een groep om Mevrouw Wenche heen stond, maar 't werd langzamerhand bijna vol in de kamer; en velen van de kleine kooplieden, menschen, die niet gewend waren op groote partijen te komen, slopen naar binnen en namen plaats langs de muren.
Het levendige gesprek interesseerde hen veel meer dan het kaartspel, voor velen was het al een ergernis dat te moeten aanzien.
"Maar als u nu niet tevreden is met de manier, waarop nu het onderwijs is ingericht,"--Mr. Kahr wendde zich uitsluitend tot Mevrouw Lövdahl, zonder op Mordtmann te letten; maar zijn toon was toch iets meer formeel dan vroeger; 't werd nu heel wat anders, nu een man--een aan de universiteit gevormd man--meêging met zulke verreikende denkbeelden; "als u zoo ontevreden is, Mevrouw, bijv. met dat ongelukkig Ephoraat, wilt u ons dan niet eens de praktische manier uitleggen, waarop u zich hadt voorgesteld de ouders aan het werk in de school te laten deelnemen?"
"Ja zeker, met alle genoegen," antwoordde Mevrouw Wenche vrijmoedig; "eerst zou ik willen, dat alle vaders en moeders van kinderen uit dezelfde school een groote vergadering hielden om te bespreken wat..."
"Pardon Mevrouw, neemt u mij niet kwalijk, dat ik u in de rede val," zei Mordtmann onrustig, "maar nu u zelf zoo vriendelijk is een verbond tusschen ons beiden voor te stellen, moet ik u als uw bondgenoot ten sterkste afraden praktische voorstellen met betrekking tot de hervorming te doen."