Vergif: Een Roman uit het Noorsch

Chapter 3

Chapter 34,111 wordsPublic domain

"Paragraaf vier," las Abraham, en deed alsof hij zijn neus vol snuif stopte: "De leerlingen moeten altijd schoon en netjes in de school komen. Jassen, mutsen, enz. moeten ze op de daarvoor bestemde toestellen hangen met inachtneming van orde en voorzichtigheid en Dezelve weer meênemen... Dezelve--met een hoofdletter--wat is dat?" riep Abraham.

"De toestellen," stelde Morten voor.

Een ander beweerde dat het op orde en voorzichtigheid doelde, en daarover ontstond een taalkundig dispuut.

Kleine Marius luisterde niet; want hij zat verbuigingen te mompelen met zijn neus in Curtius; 't was bijna donker op zijn plaats--de laagste van de klasse.

't Rooster voor Zaterdag was:

van 8 tot 9 Grieksch. ,, 9 ,, 10 Geschiedenis. ,, 10 ,, 11 Noorsch opstel. ,, 11 ,, 12 rekenen. ,, 12 ,, 1 Latijn. ,, 1 ,, 2 ,,

's Zaterdags moesten zij tot twee uur blijven, anders kwamen zij er om één uur al uit.

Eindelijk kwam de oude onderdirecteur Bessesen aan, bezig met overschoenen, regenjas, parapluie, handschoenen en polsmofjes. Zijn binnenkomen in de klasse maakte niet den minsten indruk. Abraham zei alleen heel kalm: "Ziezoo--daar hebben we nu het oude stekelvarken," en Morten bleef aan 't werk met de kachel.

Eerst toen de onderdirecteur zich afgepeld had en op den katheder gekomen was, maakten de jonge heeren aanstalten om naar hun plaats te gaan en het onderwijs te beginnen.

"Wil jij maar beginnen, Abraham Lövdahl," zei het stekelvarken, na in zijn zakboekje gekeken te hebben, waarin hij de cijfers noteerde.

"Ik had gisteren zoo'n hoofdpijn, dat ik mijn Grieksch niet leeren kon," antwoordde Abraham met een uitdrukking van spijt, maar vrijmoedig en oprecht.

Marius zette groote oogen op.

De oude glimlachte en bewoog zijn hoofd wat heen en weer. Toen zocht hij een ander uit om te overhooren.

De oude heer Bessesen had trouw stof gestrooid, jaren lang, en hield al lang geleden zijn 25-jarig jubileum. Zijn veld was niet groot, maar daar stond hij ook zoo vast als een muur.

Hij wist op een prik wat er van het Grieksch op het toelatingsexamen werd gevraagd; hij kon van te voren zeggen, welke vragen de examinandus krijgen zou bij elk stuk, dat hij lezen moest van de eenmaal vastgestelde schrijvers.

En dat bracht hij langzaam, maar zeker zijn beste leerlingen bij; de andere kwamen er niet zooveel op aan, omdat zij toch de heele school niet afliepen.

Hij zat daar zoo klein en verschrompeld, dat hij bijna verdween in zijn eigen jas. Zijn kin dook heelemaal in zijn boek weg, en 't kortgeknipte, geelroode haar stak naar alle kanten uit, terwijl hij een enkelen keer de oogen, met roode randjes, van den katheder ophief.

Want hij was een vreedzaam leeraar. Of ook iemand een vertaling naast zich had en die voorlas;--of er voorgezegd of geknoeid werd, dat het een aard had--hij zag of hoorde 't niet. De ervaring van een lang leven had hem geleerd, dat het de moeite niet loont over zoo iets drukte te maken, en het ging ook zooveel makkelijker, als de slechte leerlingen wat geholpen werden.

Hij was intusschen in 't geheel niet suf; de minste fout of onzekerheid trof zijn oor; hij sprong op, alsof hij geprikt werd, als iemand zich vergiste in de imperfectum of aoristus [10] maar behalve dat mocht er allerlei leven en beweging in de klasse zijn, als 't maar niet te erg werd.

Zoo leidde hij den tocht der tienduizenden--een kleine mijl per dag; en alle jonge menschen, die in den loop der jaren hem als hun aanvoerder gevolgd hadden, waren allen met dezelfde regelmatigheid, met dezelfde kleine dagmarschen door Xenophon, Homerus, Sofokles, Herodotus en Plutarchus heengekomen. 't Ging alles op dezelfde manier, zonder verandering of ommekeer. Zoowel in verzen als in proza was er dit zeer gewichtig verschil tusschen imperfectum en aoristus; en mocht het gebeuren, dat hij, die aan het vertalen was, begon te lachen om een grappige anekdote van Herodotus--dan keek het stekelvarken verbaasd op. Zooiets kon hij niet begrijpen.

Daarom ging de grauwe morgen eentonig en kalm voorbij. Zij, die geen lust hadden om overhoord te worden, hadden hoofdpijn of hadden hoofdpijn gehad, en dan moest het stekelvarken een ander zoeken, die bereid was een slag te wagen en klaar zat met de vertaling aan de eene zij, de zinnetjes en de aanteekeningen aan de andere.

Om negen uur pakte het stekelvarken al zijn zaken bijeen en wandelde verder naar de volgende klasse.

Het geschiedenis-uur van 9-10 ging ook vredig voorbij. Toen was Borring met zijn veeren pennen in de klas; en omdat er nu alleen Latijnen waren--Tolleiv en Reinert waren op zee, en de anderen waren weg--hielpen de leerlingen zichzelf en elkaar met afkijken en voorzeggen.

Als Marius zijn geschiedenis kennen zou, moest hij absoluut "op glee" geholpen worden; maar dat klopte niet altijd met de methode van den leeraar. Vandaag vroeg hij bijv.: "En wanneer nam het geluk een keer?" en daarop begon hij aan zijn veeren pennen; kort daarna zei hij: "Nu, wanneer nam het geluk een keer?" blies in een pen en sneed voort.

Marius kende 't heele dreuntje over Karel XII, maar hij wist niet, dat het geluk een keer nam in 1708. Abraham moest het hem influisteren.

Daardoor kwam Marius gelukkig op het dreuntje: "Maar in het jaar 1708 nam het geluk een keer," en toen ging het van een leien dakje.

Nu had Morten de achterblijver eindelijk de kachel roodgloeiend gekregen, en 't was zoo warm, dat men in 't vrije kwartier alle vensters open moest zetten.

"Wie heeft de kachel opgestookt?" vroeg de rector ook dadelijk, toen hij met de cahiers onder den arm in de klas kwam.

Geen antwoord: maar toen hij 't weer vroeg, op strenger toon, antwoordde No. 1 van de klasse.

"Ik geloof, dat Morten Kruse het gedaan heeft."

"Zoo, deed jij dat--Morten! doe jij zulke dingen? Kom eens hier en zoek eens naar de paragraaf in 't reglement waarin staat, dat de leerlingen zelf voor 't verwarmen van de school moeten zorgen."

Morten ging onwillig voor het reglement staan en staarde naar boven.

"Nu jongetje!--kun je die paragraaf ook haast vinden? of moet ik je een handje helpen?" vroeg de rector en trok hem aan 't oor met de eene hand, terwijl hij met de andere op het reglement wees, "zie je paragraaf 5 niet? Lees die eens voor: hardop en duidelijk!"

"Paragraaf 5," begon Morten met een zware stem, "in de school moeten de leerlingen dadelijk naar hun plaats gaan en nooit leven maken of onordelijk zijn. Zij mogen ook nooit hun plaats verlaten zonder uitdrukkelijke toestemming."

"Nu, jongetje! zie je nu hoe een leerling zich in de klasse gedragen moet, hè? Vind je, dat er iets staat over 't volproppen van den kachel, hè?--vind je dat? Hè?"

Bij elke vraag trok hij 't oor van den jongen meer naar boven, totdat Morten op zijn teenen stond.

De heele klasse lachte en Morten sloop naar zijn plaats.

Intusschen had No. 1 de cahiers uitgedeeld, na ze alle ingekeken te hebben om de cijfers na te zien.

Marius had 4 1/2, wat iets slechter was dan gewoonlijk, en dat was eigenlijk een teleurstelling, hij had het onderwerp zoo prettig gevonden, omdat het zoo lang was, dat 't bijna een kwart pagina vullen kon, als je wijd uit elkaar schreef; en hij vond het altijd zoo moeielijk om zijn opstellen lang genoeg te maken.

Het onderwerp was: "Vergelijking tusschen Noorwegen en Denemarken, met het oog op de natuur van de landen en het karakter en bedrijf van het volk."

De rector begon van onder op: "Je maakt slechte opstellen, Marius! wat is dat nu voor een ratjetoe, wat je vandaag bij elkaar gehaald hebt! luister nu zelf eens: Als men Noorwegen met Denemarken vergelijkt, dan ziet men een groot verschil tusschen deze landen. Noorwegen is een bergland, Denemarken daarentegen een vlak land. Noorwegen heeft, daar het een bergland is, mijnen, wat Denemarken niet heeft omdat er geen bergen zijn. Ook heeft een bergland altijd dalen...... Ach ja Marius, dat is zoo waar...... zoo waar, maar meen je nu, dat het noodig is ons dat te vertellen? 't is zoo onrijp... zoo treurig onrijp," hernam de rector bekommerd en liep een poos in gedachten verdiept op en neer. Marius begreep best, dat hij aan het overgaan tegen de groote vacantie dacht.

"Maar, goeie hemel! wat een hitte! bah!" riep de rector en gaf Morten een draai om zijn ooren, toen hij hem voorbij ging.

Toen begon hij weer aan 't opstel van Marius:

"Noorwegen heeft een goed verweermiddel in het Kjölengebergte; en als er oorlog kwam, dan zou men daar moeilijk met kanonnen over kunnen komen, vooral in den winter......

"Wat ben je oorlogszuchtig Marius. 't Is een wonder! Wie zou er nu over het Kjölengebergte willen trekken met kanonnen in den winter? De Zweden zijn immers onze goede vrienden en broeders. Neen, dan is het beter, wat een ander heeft geschreven, dat men nu liever het Kjölengebergte weg moest wenschen, zoodat de broedervolken zich geheel konden vereenigen. Wie heeft dat ook weer...?"

"Ik," zei No. 1 bescheiden.

"Juist! dat heb jij, Broch, ja, dat is heel goed. Marius daarentegen ziet alles van een oorlogszuchtig standpunt; luister nu maar verder: Als men de volken vergelijkt, vindt men dat de Denen weeker zijn dan de Noren. Ja, wat beteekent dat nu eigenlijk?" riep de rector knorrig en krabde zich het haar; hij werd hoe langer hoe heeter, 't was zeker ongeveer 85 graden, "hier zijn er meer in de klasse, die over die weekheid van de Denen geschreven hebben, waar dient dat voor? 't Is heel braaf zijn vaderland lief te hebben; maar vaderlandsliefde wordt een groote fout, als 't nationale hoogmoed wordt, dan ziet men op andere naties neer en roemt alleen zijn eigen. Vooral is 't belachelijk voor een klein, arm volk, als het onze, dat zoowaar niet veel heeft om trotsch op te zijn."

Broch's uitstekend opstel werd niet voorgelezen; want de warmte werd eindelijk zóó erg, dat de rector in wanhoop order gaf om deuren en vensters open te zetten en daar er toen een vliegende tocht in de kamer kwam, zond hij alle jongens naar de plaats. Alleen Morten Kruse moest voor straf binnen blijven.

't Regende niet meer; maar de wind was koud en 't was modderig op de plaats, zoodat ze niet veel pleizier hadden van dit lange vrije kwartier. Marius liep te rillen van angst voor de rekenles, want volgens alle menschelijke berekening zou hij vandaag een beurt krijgen.

Abraham had hem geholpen, en kleine Marius had gezegd, dat hij 't begreep. Hij had werkelijk van een en ander een beetje begrip gekregen. Maar hij wist wel bijna zeker, dat hij, als hij voor 't bord stond, niet zou weten wat 1/2 × 1/2 was.

De onderdirecteur Abel kwam binnen huppelen en de vensters werden gesloten. Hij had zijn nieuwe regenjas over den arm en neuriede, wat altijd beteekende, dat hij in zijn humeur was.

Dat troostte Marius intusschen niet erg, want als de onderdirecteur in een goede bui was, dan kon hij de jongens zoo leelijk voor den gek houden.

De onderdirecteur Abel was ongetrouwd en de kwast onder de leeraars. 't Was zijn trots, zijn schunnig gekleede collega's met hun gele boordjes te verrassen met nieuwe en bizondere kleedingstukken--nu eens een das met roode moezen, dan een lichten broek; nu was een gutta-percha regenjas aan de orde.

Allen hadden er in geknepen en er aan geroken; allen hadden naar den prijs gevraagd en allen hadden dien gehoord.

Als leeraar had hij dit principe: "De menschen kunnen worden verdeeld in twee soorten: Zij, die wiskunde kunnen leeren, en zij, die het in 't geheel niet kunnen. En ik neem op me binnen een maand uit te maken of een jongen wiskunde leeren kan of niet."

En op grond van die theorie bracht hij de knappe jongens heel ver; en liet de anderen zonder gewetensbezwaar links liggen.

De leeraar sloeg het stof van den katheder met zijn zijden zakdoek, vóór hij plaats nam. Marius zat in stilte te beven, terwijl hij in zijn zakboekje keek.

Maar Broch werd opgeroepen. Marius kon zijn geluk haast niet gelooven; 't scheen wel alsof Abel van boven af begon, en dan kwam hij misschien vandaag weer vrij.

Ze waren pas begonnen met vergelijkingen van den eersten graad met een onbekende, en kleine Marius had geduldig allerlei voorbeelden gevolgd van manieren om die x te vinden.

Hij had hooren zeggen, dat die gevonden was en 't voorbeeld zien uitvegen, ja, wat meer was, hij had zelf alle voorbeelden in zijn boek opgeschreven; en toch bleef die eene onbekende hem even ver en vreemd.

Hij hield die x in 't oog; hij schreef trouw op hoe die als een haas van de eene lijn naar de andere gejaagd werd met vermenigvuldigingen, verkortingen, breuken en al zulke duivelsche dingen achter zich aan tot het arme, uitgeputte dier eindelijk alleen aan den linkerkant stond;--en dan bleek het, dat die vreeselijke x niet anders dan een heel goedig getal was,--bijv. 28.

Marius kon langzamerhand desnoods begrijpen, dat x een verschillende waarde had in de verschillende voorbeelden. Maar wat wou men toch met die x? waarom al die omslag--waarom moest er over het heele bord over stok en steen op die eene onbekende gejaagd worden, als die toch niet anders was dan bv. 28, of misschien maar 15?--neen, dat kon Marius wezenlijk niet begrijpen.

Toch nam hij zijn boekje en schreef zorgvuldig de som op, die Broch moest uitrekenen:

Aan Pythagoras werd gevraagd hoeveel leerlingen hij had.

De wijze man antwoordde: "De helft studeert philosophie, het derde gedeelte wiskunde, en de overige, die zich in het zwijgen oefenen, maken met de drie, die ik onlangs kreeg, het vierde gedeelte uit van hen, die ik vroeger had." Hoeveel leerlingen had Pythagoras, vóór hij er de drie laatste bij kreeg?

"Ja, dat is niet zoo gemakkelijk om daar achter te komen," dacht kleine Marius verheugd, omdat hij veilig op zijn plaats zat. En terwijl Broch daar in de verte op 't bord dadelijk met 1/2 x en 1/3 x begon om te springen, verdiepte Marius zich in overpeinzingen over dit ingewikkeld vraagstuk. Vooral liep hem alles door elkaar als hij aan dat "vroeger" dacht; want dan was 't toch finaal onmogelijk daarop te antwoorden. En dan gingen zijn gedachten vol medelijden naar dat arme derde gedeelte, dat wiskunde studeerde en hij werd het er met zich zelf over eens, dat hij zich zeer zeker 't allerliefst bij "de overigen, die zich oefenen in 't zwijgen," zou aansluiten. Hij werd uit zijn overpeinzingen gewekt doordat hij opgeroepen werd.

Of de leeraar had gemerkt, dat hij zat te soesen, óf hij had in zijn boekje gezien, dat het lang geleden was, dat Gottwald een beurt had gehad. Hij liet Broch naar zijn plaats gaan midden in de som,--die ook al te gemakkelijk voor hem was--en toen Marius half suf voor het bord kwam, stonden daar een paar rijen getallen en x-en, waar hij geen zier van begreep;--alleen zweefde hem flauw iets voor den geest toen hij ergens 1/3 zag staan, dat dit zeker betrekking had op dat rampzalige derde gedeelte, dat wiskunde studeerde.

"Nunc--parvulus Madvigius! qvid tibi videtur de matrimonio?" riep Abel en zwaaide zijn lorgnet. "Voor jou is het maar een kleinigheid dit sommetje uit te werken; jij kent immers je Pythagoras--niet waar? Madvigius! Pythagoras, qvi, dixit, se menimisse, gallum fuisse. Alsjeblieft, Mijnheer de professor! ga voort, geneer je niet. Ja, want zooals je ziet, de som is haast af. Broch heeft immers, vóór hij naar zijn plaats ging, gezegd, wat er verder gedaan moest worden. Of had de professor misschien wat anders te doen dan te luisteren? Kleine Gottwald moest er liever aan denken dat hij moest overgaan voor de groote vacantie en zijn moeder geen verdriet doen."

Marius stond met het gezicht naar het groote zwarte bord gekeerd, dat op een ezel stond midden op de vloer, en hij voelde 't lachen en spotten van de heele klasse als steken in den rug. Maar toen zijn moeder genoemd werd, voelde hij de oogen vol warme tranen komen, de krijtfiguren liepen in elkaar en hij gaf het op.

De heele klasse--d. w. z. zij, die wiskunde leeren konden--, amuseerde zich kostelijk. De onderdirecteur was onweerstaanbaar geestig, als hij de "sprakeloozen" een beurt gaf. Zóó noemde hij hen, die geen wiskunde konden leeren.

Alleen Abraham zat zich te ergeren, omdat het zijn vriend gold, maar ook omdat Marius zoo'n stoffel was; soms moest hij wel meêlachen.

"We moeten hem een hulpprofessor geven," zei Abel, en zette zijn lorgnet op. "Jij, Morten, met je mooien bijnaam. Sta op en sta je broeder in den geest bij."

Morten stond onwillig op; er was een stil verzet in hem, dat toch nooit verder kwam dan tot gemompel en 't trekken van een zuur gezicht; hij was niet knapper dan Marius en de groote en de kleine leerling zagen er even dom uit, zooals ze daar naar het bord stonden te staren.

Toch ging er een schemerachtig licht voor Morten op; hij deed een greep in de krijtdoos om wat op te schrijven en vergat, dat hij al een groot stuk krijt in de hand had.

"Ja, flink zoo Morten!" riep de leeraar, die het opmerkte. "Krijt moet er bij, man! als 't goed zal worden. Zou je de krijtdoos niet onder je arm nemen? En de spons in je zak steken, 't lineaal tusschen je beenen, dan ben je goed toegerust! Ach, Morten, Morten! Je bent dom en wordt elken dag dommer."

De schemering bij Morten was al weer weg, hij stond te vloeken, zoodat Marius het kon hooren. De klasse amuseerde zich, en No. 1 van de klasse was slap van lachen en zag bewonderend op naar den katheder.

"Nu moeten we nog een laatste poging wagen," meende de leeraar, en riep vier anderen van de "sprakeloozen" op, die geen wiskunde konden leeren.

Met vereende krachten kregen ze eindelijk het vraagstuk opgelost van de vroegere leerlingen van Pythagoras; en Marius, die heelemaal op zij geduwd was, moest voor het bord komen en het heele stuk weer oplezen; en verklaren, dat deze keer x gelijk aan 72 was.

"Ziezoo!" riep Abel vrolijk, "nu zullen wij met de massa gaan werken, zooals Napoleon. Hier is de keurbende verzameld! In waarheid een fiere schare! 't Is precies als in de comedie van Cortes, als Jörgen Tambur en de twee getuigen den bloem van Frankrijk's adel moeten voorstellen. Goeiemorgen jelui ganzen----"

"We zijn geen ganzen," bromde Morten.

"Goeiemorgen jelui ganzen, alle twintig," zei de Vos. "We zijn niet met ons twintigen; maar als er zooveel bij kwamen, als er nu zijn en nog half zooveel, en dan nog anderhalve gans en een ganzerik--dan waren we met ons twintigen. Hoeveel ganzen waren er dus? O Morten!"

Maar noch Morten, noch een van de andere sprakeloozen deed zelfs een poging om aan die ganzen te beginnen; en toen Abel vond, dat die comedie lang genoeg geduurd had, riep hij:

"Ga naar huis en begeef u ter ruste en hef het oude lied aan:

"Ga in, o burger, tot de welverdiende rust!"

"Jelui krijgt alle broederlijk, zonder aanzien des persoons jelui zesje. En als je verlangt mijn meening te hooren over jelui toekomst hier op aarde, dan is die deze: dat ik niet geloof, dat jelui voor iets anders gebruikt kunnen worden dan om eieren uit te broeden; jij... Morten, met je mooien bijnaam, jij kunt 't misschien brengen tot den jongen van den knecht van den koster. Abraham Lövdahl kom eens voor het bord."

Toen Marius op zijn plaats teruggekomen was, zag hij hoe Abraham in een wip het ganzenvraagstuk had opgeschreven: 2x + 1/2x + 2 1/2 = 20; maar hij was te moe om er verwonderd over te wezen, te veel gebukt onder de nieuwe zessen, die, zooals hij wel wist, het overgaan voor hem nog onzekerder zouden maken; maar vooral veel te moedeloos bij de gedachte aan dien trek om Moeders mond, als ze weer een 6 op zijn rapport zag.

't Was twaalf uur, en de oude vrouw, die krakelingen en stroopkoeken aan de gymnasiasten verkocht, stond al bij de stoep.

De jongens van de vierde klasse, met jassen aan, liepen op en neer op hun vaste plaats; die van de derde, nog met buisjes aan, stonden in groepjes te eten; terwijl de gelukkige kleintjes, die om twaalf uur vrij kwamen, de poort uit stoven met Zaterdagsche vaart.

De lucht klaarde op. De wind draaide naar 't westen, 't zou best mogelijk zijn, dat hij heelemaal naar het Noorden omsloeg tegen den nacht; dan kwam er vorst, en dan kon 't ijs toch misschien morgen al goed zijn.

Kleine Marius stond alleen zijn stroopkoek te eten, zonder er op te letten, dat de stinkers, die hem voorbij liepen, hem voor "Rattenkoning" en allerlei ander moois uitscholden; hij had een gevoel, alsof zijn heele hoofd leeg en hol was,--en nu moesten er nog twee uren komen!

Hij had nu wel in die beide uren Latijn, waar hij minder bang voor was; maar dat laatste wiskunde-uur had hem zoo vermoeid.

't Was heel iets anders met den dikken Morten en de andere "sprakeloozen." Zij gaven geen zier om den spot van den onderdirecteur. Maar kleine Marius was heel gevoelig voor hoon; soms had hij zijn vijanden zijn moeder hooren mengen in beleedigende uitdrukkingen, die hij niet begreep, maar die toch zijn bloed deden koken.

"Wat is dat toch voor een aap, die de kachel heeft opgestookt, hè?" begon Aalbom, zoodra hij in de klas kwam. 't Was heelemaal niet warm meer, maar hij had den rector gesproken. "Dat heb jij zeker gedaan, Kruse! Jou, dikke ezel! Bah! Waar moeten we beginnen? Vers 122: qvas deas,--lees op--Gottwald, hardop! Och nonsens! Is dat nu hardop lezen? qvas deas per terras! doe toch je bek open, hè? die luie Westlanders kunnen niet eens hun tanden van elkaar krijgen, zit toch niet te mompelen of je een aardappel in je mond hebt, uil die je ben, hè!"

Dit was zoo zijn manier om de les te beginnen; vooral in de laatste uren, als hij zelf zenuwachtig en knorrig was, na van 8 uur 's morgens gebromd en gescholden te hebben.

De klasse boog 't hoofd onder den storm, ofschoon zij er aan gewend was; maar kleine Marius ging bevend voort met lezen en kreeg heel veel knorren omdat hij niet hard genoeg sprak.

't Was niet gunstig voor Marius, dat de rector in de twee lagere klassen Latijnsche les gegeven had; want nu wilde Aalbom nooit toegeven, dat de rector den kleinen Gottwald zoo heel ver had gebracht; maar aan den anderen kant was hij bang, dat de rector zou willen beweren, dat zijn lieveling achteruit was gegaan, sinds hij bij Aalbom in de klasse gekomen was.

Daarom eischte hij alles van Marius, maar had nooit een woord van lof voor hem. De leeraar liep op en neer voor de klasse, als een roofdier loerende op een fout om er op aan te vliegen; hij was buitengewoon lang en mager en daarenboven bijziende, waarom zijn lieve leerlingen hem nooit anders dan "de blinde darm" noemden.

Marius spande zich in en kwam er goed af; maar daarna was hij ook zoo uitgeput, dat hij bijna sliep.

't Uur ging voorbij met knorren en rumoer en toen was er nog maar één over. Het laatste uur werd voor een Latijnsche thema gebruikt. Aalbom gaf hun een van de stukken in het boek van Henrichsen op en ging op den kruk in den katheder zitten, om zijn beenen te laten bengelen en in de lucht te kijken.

Er was niet veel meer in een van de leerlingen overgebleven om een Latijnsch opstel van te brouwen; de meesten schreven er maar op los, en Marius ook,--dus dat werden prachtige opstellen!

Maar toen was eindelijk de school uit, en zelfs de bleekneuzige Latijnen waren wat levendiger toen ze over de plaats liepen, want het was Zaterdag.

Haring, zoete soep en pannekoeken--er bestond niets lekkerders in de heele wereld; want dat was 't Zaterdagsmaal in de heele stad.

't Klaarde werkelijk op en 't werd een heldere vorstavond met maneschijn, zoodat de vierde klasse met de bakvischjes ging wandelen, terwijl de jongere kameraden in groepjes liepen te zingen en elkaar tegen de jonge paartjes aan duwden als ze voorbij kwamen. Maar Abraham en Marius wandelden arm in arm en zagen van uit de hoogte op dat alles neer; nu en dan hief Abraham zijn gebalde vuist op tegen de vreedzame woning van Proost Sparre, waar hij wist, dat de telegrafist zijn vroeger geliefde een bezoek bracht.