Vergif: Een Roman uit het Noorsch

Chapter 13

Chapter 133,275 wordsPublic domain

De professor zag hem intusschen met trots aan, en toen hij het nieuwe Testament opengeslagen op tafel zag liggen, klopte hij zijn zoon op den schouder:

"Dat is goed! Ik zie dat je het ernstig opneemt, Abraham."

Paschen viel in de eerste helft van April; en 't was toen de eerste zonnige dag, die wat warm was. De heele stad was op de been, de kerk vol, en velen stonden buiten om de aannemelingen te zien aankomen.

Enkele moedige winkeljongens traden reeds op in geheel licht grijze zomerpakken met ronde gebogen mouwen en verbazend wijde broeken, die bij de laarzen nauw toeliepen; maar dat was al te vroeg, 't was nog ijskoud in de schaduw.

Op de plaats vóór de kerk kwamen de aannemelingen bijeen uit alle straten; eerst de hoofdpersoon, dan de ouders en een paar broers of zusters.

De meisjes met natte gladgekamde haren, met dunne, blonde vlechten in den nek, lange grijze of zwarte omslagdoeken schuin omgeslagen met de punt heel tot aan den rand van de jurk neerhangend, met smalle schouders en weinig rokken aan, alsof ze uit het water waren opgehaald. Een paar uit de hoogere standen kwamen in een rijtuig en hadden een Weener shawl om.

Maar waren de meisjes klein en dun, de jongens waren nog kleiner; met buisjes en jasjes, waar de onmogelijkste plooien in zaten van achteren en van voren, met groote mutsen, die hun over de ooren hingen, alsof ze op 't punt waren als dompers neer te vallen.

Met de handen over 't gezangboek gevouwen en de oogen stijf op de nieuwe laarzen gericht, liepen ze zoo zachtmoedig en godvreezend naar de kerk, alsof 't voor hen maar een kleinigheid was den duivel en al zijn daden en heel zijn wezen te verzaken.

Maar het was maar goed, dat al hun goed op den groei gemaakt was, want al den volgenden dag waren 't heel andere kerels. En als men niet juist in de kerk geweest was en den proost had hooren verklaren, welk een diepe en ernstige verandering er door den heiligen geest in hen had plaats gehad, zou men die zachtmoedige en godvreezende jongelingen moeilijk herkend hebben in die bende halfdronken jongens, die den dag daarna de straten vulde,--trotsch en triomfeerend, omdat ze door 't oog van den naald gekropen waren en de pacht door den doop bevestigd hadden.

Er ging een gemompel door de menigte buiten en in de kerk, toen Professor Lövdahl met zijn zoon aankwam. Dat stond ook heel anders dan al die kleine zachtmoedigen met hun buisjes aan. Abraham was bijna even groot als zijn vader, en dat mooie, licht grijzende hoofd en die drie ridderorden in groot formaat straalden uit over de gemeente.

De heilige handeling begon. Abraham stond bovenaan, het dichtst bij het koor. Een enkelen keer zag hij op, maar ontmoette zóóveel blikken, dat hij dadelijk weer het hoofd boog als de anderen.

Zij, die bovenaan stonden aan den kant van de meisjes, zagen doodsbleek en waren op 't punt van neer te zijgen van angst, dat ze niet zouden kunnen antwoorden op de vragen van den proost. De eene mompelde 't antwoord op de groote "watervraag" en de ander worstelde wanhopend met het derde artikel, waarmeê ze in de war gekomen was.

Aan beide kanten was er spanning; maar een en ander van de godvruchtige jongelingen dacht ook wel: "Het kan mij niet schelen hoe het verder gaat, ik sta al vast hier."

Abraham was niet bizonder bang voor het vragen zelf, toch voelde hij zich sterk beklemd.

Zij lieten hem niet los, de oogen uit den droom, hij stond te beven en het was hem geen troost langs de rijen naar de anderen te zien.

Als nu eens een stem--b.v. een stem als die van zijn moeder, plotseling door dit heele spiegelgevecht heenklonk, alles bij den naam noemde, de comedie blootlegde, die zij allen met elkaar speelden;--of hem noemde, hem die daar bovenaan stond--op het punt van te liegen? Was hij dan de eenige leugenaar, de eenige huichelaar onder enkel oprechten?

Hij dacht aan dezen en genen in de rij van de jongens en aan vele anderen; de ergste kon hij niet wezen; maar toch was alles in hem pijnlijk in oproer, en hij begreep niets van de gezangen, die hij mee-zong. Maar nu kwam de proost langzaam uit het koor om met het ondervragen te beginnen. Zijn gezicht was ernstig en nadenkend, terwijl hij nog onder het loopen een blik in zijn altaarboek wierp, waarin losse bladen geplakt waren met namen en getallen.

Het was ook geen kleinigheid, het overhooren zoo te regelen, dat ieder zijn vraag kreeg, zonder dat iemand in de gemeente, of de kapelaan in de predikantenbank al te groote sprongen merkte.

Maar toen hij voor Abraham stond, helderde zijn gezicht op; hier behoefde hij in ieder geval niet bang te zijn om te vragen naar wat dan ook; en hij koos daarom wat hem het eerst inviel.

"In welken persoon in God gelooft gij, mijn waarde Abraham Lövdahl, volgens het tweede artikel?"

"In den zoon Jezus Christus," antwoordde Abraham, zeker van zijn zaak.

Toen de proost hem naderde beefde hij over het heele lichaam, maar zoodra de eerste vraag kwam richtte hij zich dadelijk op. De dagelijksche oefening in het ondervraagd-worden ontnam aan dit oogenblik al het plechtige, wat hem zoo juist bijna overweldigd had. Van nu af aan antwoordde hij vlug en duidelijk met de oogen op den proost gericht.

"Is het van groot gewicht Christus te kennen?"

"Ja, er is geen verlossing in iets anders, want er is ook geen andere naam onder den hemel aan de menschen gegeven door welke wij verlost kunnen worden."

"Heeft Christus niet alle menschen verlost?"

"Ja, Hij gaf zich zelf tot verlossing en schulddelging voor allen."

"Maar worden dan niet velen verdoemd?"

"Ja voorwaar," antwoordde Abraham flauw, en zijn oogen gleden neer langs de plooien van de lange toga van den proost.

"Maar wat is dan de oorzaak van hun verdoemenis?"

"Hun eigen onboetvaardigheid en ongeloof."

"Zeer juist, mijn jongen vriend; dat is hun eigen onboetvaardigheid en ongeloof," herhaalde de proost tevreden; hij wilde nu het leerboek verlaten en een van zijn theologische uitstapjes ondernemen om recht met zijn beste aannemeling te schitteren: "Blijkt eens menschen ongeloof altijd in booze, goddelooze handelingen?"

"Neen,--niet altijd," antwoordde Abraham zonder op te zien.

"Niet altijd, dat is waar," herhaalde de proost en liet zijn oogen over de gemeente glijden om te genieten van de bewondering, die zijn lieveling wekken moest.

Maar de proost schrikte; het was ademloos stil in de kerk, allen rekten de halzen uit en zagen Abraham aan, maar niet met bewondering, het was eerder een boosaardige, wreede nieuwsgierigheid.

En op eens ging den proost een licht op; daar zat nu de heele gemeente en meende, dat hij met de vragen aan Abraham op diens moeder doelde.

De proost zag in zijn eersten schrik naar den professor en toen naar Abraham; zij ook geloofden het allebei. Professor Lövdahl hield zijn oogen stijf op den proost gericht en Abraham was als het ware in één gezonken; hij verborg zijn gezicht in zijn zakdoek en zag er uit, alsof hij in den grond wilde kruipen.

De proost kwam zóó in de war en was zóó ongelukkig over zijn misgreep, dat hij heelemaal niet meer wist hoe hij het had. Men zou niets kunnen bedenken dat minder op hem leek, niets dat minder in zijn bedoeling kon liggen, dan onaangenaam of hinderlijk te zijn voor zijn lieveling--en dat nog wel voor den zoon van Professor Lövdahl.

In zijn verwarring wist hij niet beter te doen dan zijn hand op Abrahams schouder te leggen en een lofrede op hem te beginnen.

"Het is mij een genoegen, ja een vreugd voor mijn hart geweest," zei hij met warmte, "U, mijn lieve Abraham Lövdahl, voor de heilige handeling van dezen dag voor te bereiden.

"Zelden heb ik een jongeling ontmoet, die zóó begaafd was, zoo heerlijk toegerust met de beste eigenschappen van hoofd en hart en ziel. En nu gij als volwassen lid van de gemeente toetreedt, hoop en vertrouw ik zeker, dat gij ons ouderen tot vreugde en stichting zult worden en voor de jongeren een goed en navolgingswaardig voorbeeld."--

Dit nu was iets volstrekt ongehoords! De kapelaan, Pastor Martens, grinnikte wat achter het groene gordijn in de predikanten-bank, en de geheele gemeente luisterde aandachtig. Maar de vele oogen, die op Abraham gericht waren, werden toch zachter hierna. Het deed hun allen goed uit den mond van den proost te hooren, dat er nog hoop was dezen zoon van de verloren moeder te redden.

Zelf wist hij niet hoe hij zich houden moest. Waarom moest hij geprezen worden boven alle anderen? Dit kon nooit goed gaan! De proost veegde zijn voorhoofd af en ging verder langs de rijen. Zijn eerste tegenspoed maakte hun dubbel attent, en het overhooren ging schitterender dan ooit.

De kapelaan boog zich voorover en hoorde met stijgende verbazing de goede antwoorden van de onmogelijkste idioten, die hij zelf had opgegeven, maar hij viel bijna achterover in zijn bank, toen Osmund Asbjörnsen Sauamyren in zijn zingend boerendialekt zijn stem verhief en zijn groote bravouraria over de genademiddelen des Evangelies voordroeg.

Het duurde eindeloos lang, eer de twee rijen overhoord waren; een van de jonge dames met de mooie shawls om werd onwel en moest naar de consistorie-kamer om wat water te drinken.

Langzamerhand overwon de vermoeidheid ook Abraham's onrust en angst; hij begon zich veiliger te voelen, de doordringende oogen zag hij niet meer; daarentegen louter welwillende gezichten; en toen hij eindelijk aan de plechtige belofte toe was, was zijn gevoel volkomen stomp.

"Geef dan den Heer uw hart en mij uw hand," zei de proost ernstig en zacht, en Abraham reikte hem de hand; die van den proost was zacht en glad en gaf hem een warmen, vertrouwelijken handdruk.

Eindelijk was de heilige handeling ten einde; die had van 's morgens negen uur tot 's middags drie uur geduurd; zóóveel aannemelingen waren er en zoo grondig deed de proost het.

De bleekzuchtige, jonge dames in de mooie shawls moesten half naar den wagen gedragen worden; de smalgeschouderde meisjes met de gele staartvlechtjes zagen er nog steeds uit, als of ze uit het water kwamen en de zachtmoedige, godvreezende jongelingen staarden nog vromer en ootmoediger naar hun nieuwe laarzen.

De kookvrouw bij Professor Lövdahl was wanhopend en 't was de laatste maal--dit zwoer zij met een duren eed--dat ze naar een aannemelingenpartij ging.

Driemaal had ze nu al aardappelen gekookt, verleid door valsche en overijlde berichten van de door haar uitgezette wachtposten.

De gasten, waaraan de uitnoodiging gericht was om te komen: "na afloop van de godsdienstoefening" liepen rond in den tuin en buiten op de markt, of ze zaten zich in de kamers te vervelen, met allerlei heilwenschen aan het adres van Proost Sparre, die nooit het einde kon vinden.

't Was over half vier eer men eindelijk aan tafel kwam in de groote kamer. Abraham aan 't hoofd van de tafel, met zijn vader aan de rechterhand en den proost aan de linker; verder alleen oudere heeren en Hans Egede Broch, die als Abraham's beste vriend was uitgenoodigd.

't Waren de rector en de meeste van Abraham's leeraren; de ambtman en de burgemeester, de andere ambtenaren en de doktoren uit de stad, een twintigtal uitverkoren vrienden en collega's van den professor.

Abraham kon in 't eerst niet op zijn gemak komen als hoofdpersoon in dit waardig gezelschap; maar naarmate ze wat warm door den wijn werden, ging het beter en werden ze allen gezelliger.

't Was de eerste groote partij, die de professor na den dood van zijn vrouw gaf, en allen waren blij, dat ze weer bijeen waren in het gastvrije huis. Professor Lövdahl was zelf een groot liefhebber van conversatie en werd al spoedig opgewekt.

Er was nog iets, dat de stemming verhoogde, het gezelschap was goed gekozen; geen wanklank was mogelijk, men kon zelfs over politiek spreken; en nadat de proost en de rector elk hun toast op Abraham uitgebracht hadden, werd er op den koning, de koningin, den kroonprins, de kroonprinses, de koninklijke familie, het heele koninklijke huis, de Unie en Zweden gedronken onder eenstemmig gejubel.

Ze werden steeds vroolijker; allen trokken een lijntje met Abraham, en Broch en hij wisselden nu en dan een blik over de vroolijkheid van de oude heeren. De blinde darm en het stekelvarken zaten met elkander te lachen en te fluisteren over een karaf oude Madera, en na tafel trok de onderdirecteur Abel zijn jongen vriend met een glas Curaçao in een hoek en sprak over zijn heerlijke moeder, tot hij van aandoening schreide.

Het gezelschap ging vrij vroeg op den avond uiteen; want omdat ze naar aanleiding van zooiets ernstigs bijeen waren, werd er geen kaart gespeeld.

Toen zij alleen waren--vader en zoon--sprak professor Lövdahl:

"Ja, nu--goedennacht, mijn lieve Abraham.--Je zult wel moe zijn. Je bent nu het leven ingetreden als volwassen man, en ik kan naar waarheid zeggen, dat ik over je tevreden ben. Hoe het je verder in de wereld gaan zal, ligt zeer zeker--zooals de proost zei--in 's Heeren hand; maar 't hangt ook voor een groot gedeelte van je zelf af.

"De natuur heeft je in alle opzichten goed toegerust: je bent geboren op een gelukkig gekozen plaats in de maatschappij; je zult mettertijd over een vermogen beschikken--groot genoeg naar onzen stand, en ik, je vader, heb een invloed, die je ten goede kan komen, welken weg je ook kiest.

"Je bent dus een van hen, die ver, héél ver komen kunnen en moeten in de maatschappij.

"Maar--er is nog één punt, dat ik nu moet aanroeren--ik hoop, dat het voor het laatst tusschen ons ter sprake zal komen;--er is nog maar één punt, dat me zorg geeft.

"Er is een neiging, die voor een paar jaar bij je tot een uiting kwam,--je weet wel bij welke gelegenheid. Welnu, het is Goddank! beter gegaan dan het toen scheen te kunnen worden: je hebt je dwaling ingezien, en je hebt later--voor zoover ik heb kunnen nagaan--je fout hersteld. Maar laat mij toch op dezen voor jou zoo gewichtigen dag je waarschuwen voor dat, wat misschien je nog in 't bloed zit.

"Er is--zie je--in iedere maatschappij, zelfs in de best geordende--een misnoegd element, een zaksel, een klein troepje, samengesteld voor de helft uit dweepers, voor de helft uit misdadigers, menschen zonder geweten, zonder ware vaderlandsliefde, zonder God!

"Waar je ook in de wereld komt, overal zul je zulke menschen vinden. Zij komen--en daarom waarschuw ik je juist--ze komen meestal als de beschermers der onderdrukten met mooie woorden over 'de kleinen tegenover de grooten' en iets dergelijks.

"Zie je, Abraham,--die menschen zijn het juist, waar je voor oppassen moet; want dat zijn de schadelijke dieren in de samenleving, die het volk bederven, en voortdurend trachten de maatschappij te ondermijnen.

"En ik--ik, als je vader, ik geef er je hierbij mijn woord op, dat er achter al wat deze menschen zeggen en doen, bewuste leugen en slechtheid, hoogmoed en heerschzucht schuilen.

"En als je naar hen luistert, dan stort je jezelf zeer zeker in het verderf.

"Nu kun je kiezen tusschen je vader en... je... en,... en die anderen."

De professor was zoo heftig geworden, dat hij zich bijna versproken had; maar Abraham reikte hem beide handen, en zei: "Ik kies U, Vader!"

Dat zei hij ernstig en met overtuiging. Zijn onrustige stemming van dien morgen was nu geheel overwonnen. De openlijke lof in de kerk, het feest en de volwassen mannen, die hem in hun midden opnamen en nu ten slotte die toespraak van zijn vader maakten, dat hij zich rustig en veilig voelde; hij zag zich zelven reeds onder de besten, en zijn leven in glans en eere.

Toen hij was heengegaan, zag Carsten Lövdahl vergenoegd om zich heen in de kamer. In de oogen van Abraham had hij de liefde en de bewondering gelezen, die hij zocht. En hij voelde zich gelukkig.

Eindelijk had hij in zoover overwonnen: zijn zoon zou hem geven, wat de moeder hem onthouden had; en dat verzachtte eenigszins de pijnlijke bitterheid in de herinnering aan haar.

Maar Abraham spoedde zich naar boven, de horlogeketting rammelde zoo mooi, als hij zich maar even bewoog. Hij verheugde er zich op, te zien, hoe zijn mooie kamer er uit zou zien bij licht en ook op het optrekken van zijn klok.

Maar toen hij de kaarsen had aangestoken stond er een groote bouquet van de prachtigste, zeldzaamste bloemen op tafel.

Abraham greep verrast en blij naar het kaartje, dat tusschen de bloemen gestoken was; maar hij liet het weer vallen alsof hij er zich aan gebrand had. Zijn gezicht werd gloeiend rood en hij wendde zich af, alsof hij zich schaamde.

Op het kaartje had Mevrouw Gottwald met een onvast dameshandje geschreven: "Van kleine Marius."

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Roman over het verstikkende leven op een Noorse middelbare school.

[2] Grieksch: de Onderwereld.

[3] Madvig: Leerboek der Latijnsche taal.

[4] Mensa: tafel, het eerste woord, dat men in 't Latijn leert verbuigen.

[5] Parnassus: de berg der Grieksche Goden, hier: zetel der Klassieke Geleerdheid.

[6] n.l. 't dialect van de stad Bergen in Noorwegen.

[7] Schrijver van de Noorsche Koningssagen en de jongere Edda.

[8] Voorstanders van de "landstaal," 't zoogenaamde "nieuwe Noorsch," verschillend van 't Deensch.

[9] Bovenaardsche wezens, die de strijders in den slag beschermden bij de oude Noren.

[10] Vervoegingsvormen der klassieke werkwoorden.

[11] Een godsdienstige secte in Noorwegen, gesticht door Hans Nielsen Hauge (1771-1824.)

[12] Grammaticale vorm in 't Latijn.

[13] In Noorwegen dragen de kinderen vóór den naam van den vader die van de moeder. Ook de vrouw draagt haar eigen naam vóór dien van haar man. Mevr. Lövdahl heet officieel W. Knorr Lövdahl.

[14] In Scandinavië worden de kinderen op hun veertiende jaar aangenomen.

[15] Bij een sterfgeval worden in 't Noorden witte gordijnen voor de vensters gehangen.

WERELD-BIBLIOTHEEK

EERSTE JAARGANG

Serie A. Letterkunde:

Romans en Novellen:

No. 1 en 2. HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART. Door E. Bekker en A. Deken, met portret, gravures en Inleiding door Prof. dr. L. Knappert.

No. 5 en 6. ALBERT VERWEY. Inleiding tot de nieuwere Nederl. Dichtkunst, (1880-1900) met aanhalingen uit de voornaamste werken.

No. 15. CHARLES DICKENS. Een Kerstlied in Proza, uit het Engelsch door J. Kuylman.

No. 17 en 18. G. v. HULZEN, Getrouwd. Een Roman.

No. 20. GRAAF LEO TOLSTOJ. Iwan de Dwaas en andere vertellingen. Uit het Russisch vertaald door J. Brandt en Dr. D. C. Hesseling, met portret.

No. 22. M. SCHARTEN-ANTINK. Sprotje.

No. 24 en 25. H. G. WELLS. Godenvoedsel en hoe het op aarde kwam, uit het Engelsch door J. Kuylman.

No. 30. HONORE DE BALZAC. Het gevloekte kind. Vertaling en Inleiding van C. en M. Scharten-Antink en portret.

No. 33. S. FALKLAND. Kleine Vertelsels.

Boeken voor Jongeren:

No. 7. ALADDIN EN DE WONDERLAMP, door J. W. Gerhard, met 24 illustraties.

No. 8. ALI BABA EN DE VEERTIG ROOVERS, idem.

No. 9 en 10. JUDITH GAUTIER. Gedenkschriften van een Witten Olifant, met 11 illustraties; vert. J. Kuylman.

No. 11 en 12. CHARLES KINGSLEY. De Waterkindertjes, door M. v. Eeden-v. Vloten, met 7 illustraties; van G. v. d. Wall-Perneé.

Tooneelstukken en kunst:

No. 4. HENRIK IBSEN. Steunpilaren der Maatschappij. Vert. F. Kapteyn, met Inleiding van L. S.

No. 16. MOLIÈRE. Schelmstreken van Scapin. Vert. S. J. Bouberg Wilson.

No. 19. FRIEDRICH HEBBEL. Maria Magdalena. Vertaling van Louis Landry.

No. 21. WILLIAM SHAKESPEARE. Coriolanus. Vertaling Dr. Edw. B. Koster.

No. 28 en 29. F. SCHMIDT-DEGENER. Rembrandt Harmensz. v. Rijn, zijn leven en werk, met 32 auto-typieën op plaatpapier.