Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Chapter 12
Want het geheim, dat hij zijn heele leven met inspanning van alle kracht had verborgen was dit: hij was jaloersch,--stil, verbeten jaloersch. Maar zooals zijn ijdelheid nooit bleek in iets wat ook maar in de verste verte op pralerij geleek, zoo vertoonde de duivel van zijn jaloezie ook nooit zijn bokkepoot in heftigheid en overijling.
Hij herinnerde zich altijd een woord, dat hij in zijn jeugd gelezen had: een jaloersch man is altijd belachelijk; maar 't meeste als hij met een dolk komt aanloopen.
Belachelijk te worden was voor Carsten Lövdahl het toppunt van menschelijke jammerlijkheid, en daarom had hij zich zelf eens voor al beloofd nooit met een dolk aan te komen.
Dat kwam ook niet met zijn persoonlijkheid overeen; en hoe diep hij zich ook gekwetst kon voelen, en hoe onmiddellijk hij 't minste krenkende woord opmerkte, of wanneer hij op zij gezet werd, nooit kwam er maar een schaduw op zijn gezicht, die iemand opmerken kon.
Daarom had hij van 't oogenblik af, dat zij getrouwd waren deze methode gekozen: te doen, alsof hij niets zag of begreep; hij was vriendelijk en voorkomend voor de jonge mannen, die zijn vrouw naderden, en in zijn spreken over hen vol lof--zoodat het haar zelf bijna verveelde.
Tevens hield hij zich wat op den achtergrond; liet al het ridderlijke in zijn persoon goed uitkomen; hij week uit of was bij de hand; zoo bescheiden en trouw, dat de jonge vrouw, wier volle liefde hij nu eenmaal niet bezat, toch liever tot hem terugkeerde als een of andere verhouding haar begon te verontrusten. Ten slotte was hij het toch, waar ze 't beste op vertrouwen kon.
Maar telkens als hij zulk een crisis had doorgemaakt, voelde Carsten Lövdahl, dat het een volgenden keer moeielijker werd. Dit was ook een van de redenen, waarom hij de hoofdstad verlaten had. Hier in de kleine stad ging het beter.
Wel maakte de onderdirecteur Abel zijn bezadigde strijkaadjes, en dat ergerde den professor; maar in werkelijkheid was dat toch heel onschuldig.
't Was, alsof hij eindelijk rust zou krijgen van de slang, die aan zijn hart knaagde;--maar toen kwam Mordtmann.
Al van dat onzalige diner, dat professor Lövdahl gegeven had, omdat hij vond dat het zijn plicht was, en omdat Mevrouw Wenche tot nu toe zoo onverholen haar onverschilligheid aan Mordtmann had getoond,--al van dien blik, waarmeê ze den jongen vreemde dankte voor zijn hulp in dat groote gesprek over de school,--van dat oogenblik af wist Carsten Lövdahl ook hoe het gaan zou,--dat wil zeggen: 't kwam niet in hem op, dat het zóó zou eindigen.
Maar hij voorzag een nieuwe beproeving, en volgde zijn oude methode: hij nam aandeelen in de fabriek "Fortuna," ging in 't bestuur en noodigde Mordtmann uit met zijn vriendelijksten glimlach.
Maar hij merkte al gauw zelf, dat het niet meer zoo gemakkelijk ging als vroeger. 't Werd hem bij den dag moeilijker zich te beheerschen. Niets ontging hem, hij wist en begreep alles; hij zag hun verhouding zich vestigen, groeien en groeien--lang vóór en veel duidelijker dan Mevrouw Wenche het zag.
En hij kookte! 't Was hem onmogelijk langer comedie te spelen, terwijl zijn huis op 't punt stond in elkaar te storten. De oude methode hielp niet.
Hij moest ingrijpen--of tegen den een of bij de andere.
Hij stampte met zijn stok op den grond op dien avond, toen Mordtmann naar buiten kwam met dat geheele hartstochtelijke tooneel in zijn gezicht geschreven, zóó, dat de professor 't in één seconde gelezen had,--hij stampte met zijn stok op den grond, maar hij voelde op hetzelfde oogenblik, dat dit de laatste keer was dat hij het zoo kon doen.
Een paar dagen had hij zoo rondgeloopen; maar vandaag was hij thuisgekomen om alles aan zijn vrouw te zeggen,--alles! zooals het van den eersten dag af was gegaan tot nu toe. Aan het verootmoedigende wat daarin gelegen was dacht hij niet meer; hij wilde zich beklagen,--daar had hij recht toe; hij wilde haar tot haar plicht roepen, haar plicht, dien ze als rechtschapen vrouw niet kon ontkennen, waar ze zich niet aan kon onttrekken.
Maar toen trof het zoo ongelukkig,--die mededeeling, waarmeê ze hem tegemoet kwam,--zoo onaangenaam, zoo volkomen onverwacht. En toen verloor hij zijn kalmte, die hij met zooveel moeite bewaard had; hij was heelemaal buiten zich zelf toen hij haar die beleediging in het gezicht slingerde.
Hij had haar willen zeggen,--hij kwam om haar te zeggen, dat hij haar niet langer vertrouwde; dat hij was begonnen aan haar te twijfelen; hij wilde haar waarschuwen, haar smeeken, of haar hard toespreken, al naar 't gesprek liep.
Maar 't was verre van hem geweest haar te willen beleedigen. Dat haar hart van hem vervreemd kon worden--dat wist hij; en dat was immers zijn angst; maar dàt wist hij ook, dat zoodra het gebeurd was en de keus met bewustheid gedaan, dan zou ze uit zich zelf bij hem komen en het vertellen. Dat ze ontrouw zou zijn--op andere wijze--dat zou hij nooit in ernst van haar denken.
En allerminst op dit oogenblik, nu hij daar in zijn sombere gedachten verdiept zat en haar aanstaarde.
Ze lag daar zoo rein, zoo stil, zoo geheel zijn meerdere na 't volvoeren van haar besluit.
Hij zat daar, en hij voelde, hoe ze op nieuw en nu afdoende overwonnen had.
Want wat hem in haar oogen hoog gehouden had, was juist, dat hij trots alles wat zij lafheid en onwaarheid noemde, toch iets ridderlijks had bewaard, wat haar aantrok en waarvoor ze achting hebben kon.
Maar nu had hij juist in hun laatste samenzijn het slechtste, wat er in hem was, laten zien, zich op zijn allerleelijkst vertoond--en met dat beeld was zij heengegaan.
Hij kwam daartegen op met de diepste verbittering; zijn liefde voor haar was voor 't grootste gedeelte een brandende lust geweest om haar tot eerbiedige bewondering te brengen,--eerst dan was ook hij bereid tot bewonderen.
Nu was hij onverbiddelijk geslagen, ze had hem volkomen veracht, had hem den rug toegekeerd en was heengegaan.
Al zijn smart en teleurstelling, heel het overschot van zijn liefde, dat nog niet door zijn ijdelheid verslonden was, werd op dit oogenblik in haat tegen Mordtmann omgezet; dat zou voortaan zijn levensdoel zijn, hem op de knieën te dwingen, zich zelf en zijn nederlaag te wreken; iets anders bestond niet meer voor hem.
Maar hij had Abraham vergeten, Abraham was er immers nog, haar zoon; en bij die gedachte werd zijn bitterheid iets verzacht. Hem zou hij toch tot bewondering kunnen dwingen; hij zou de liefde die zijn vader hem aanbood, met dank en wederliefde aannemen, hij zou hem liefhebben, zooals Carsten Lövdahl bemind wilde worden.
Hij zou Abraham helpen zijn verdriet te dragen,--hij zou mogen treuren; maar tevens wilde hij hem ontwikkelen en vormen naar zijn beeld, hem zoo ver, zoo hoog brengen--zóó hoog als zijn liefde groot was. Dan zou de zoon hem ten minste schenken, wat hij van de moeder nooit had kunnen verkrijgen.
De professor nam de lamp, om Abraham te wekken, en hem zoo voorzichtig mogelijk te zeggen, dat hij zijn moeder verloren had.
De dienstmeisjes waren niet weer naar bed gegaan; ze wachtten met ongeduld, dat de dag zou aanbreken zoodat ze naar buiten konden komen en 't nieuws vertellen; onderwijl maakten zij den kachel aan en kookten koffie.
Abraham had in den slaap gemerkt, dat de kachel in zijn kamer was aangelegd, en daarom had hij den indruk, dat het tijd werd om naar school te gaan.
Toen hij nu door zijn vader gewekt werd, ging hij met een ruk overeind zitten en meende, dat hij zich verslapen had.
"Is het al acht uur!"
"Neen--mijn jongen!--'t is nog pas zes uur; maar ik maak je wakker, omdat ik iets heel treurigs te zeggen heb.--Je moet sterk zijn--Abraham!--en God bidden je kracht te geven; want we hebben van nacht allebei een groot verlies geleden. Je Moeder is plotseling ziek geworden--"
"Is Moeder dood?" riep Abraham wanhopend en greep zich aan zijn vader vast.
"Kalm nu, mijn jongen! je ziet, dat ik ook kalm ben; je moet het dragen als een man, hoe jong je ook bent. Och--Ja! Onze lieve Heer heeft ons beiden een zware beproeving opgelegd; je moeder werd vannacht plotseling ziek. 't Was een beroerte, die geen menschenmacht voorkomen of genezen kon, en nu--nu heeft zij het goed en wij beiden zijn alleen."
Abraham was nog niet recht helder; hij greep haastig naar zijn kleeren in een vage behoefte om op te staan en bij zijn moeder te komen.
"Neen, neen, Abraham, blijf nu stil liggen! 't is nog zoo vroeg, en je zult nog tijd genoeg hebben om te treuren, stakker!"
"Maar Vader, Vader! Is 't wel zeker waar?" Abraham barstte uit in luid en heftig schreien en wierp zich in de kussens.
Lang zat de vader aan 't bed en streelde zijn hoofd. Maar toen het schreien langzamerhand wat bedaarde, stond hij op:
"Blijf nu liggen tot het licht wordt--Abraham--of zoo lang je wilt. Je hoeft niet naar school te gaan in deze dagen; ik kom gauw weer bij je."
't Was zoo wonderlijk, zoo onmogelijk om te begrijpen, dat Moeder dood was, onherroepelijk dood en weg, "dood," herhaalde hij halfluid in zich zelf.
Hij zat overeind in het bed en staarde naar het roode punt in de deur van den kachel, tot de tranen hem weer te machtig werden, en hij ging weer liggen en schreide; hij hoefde niet naar school, dat was maar goed ook; hij schreide tot hij in slaap viel en hij sliep lang.
Telkens als hij bijna wakker werd, kwam het hem voor, alsof hem iets heel akeligs wachtte; maar hij hoefde niet naar school en hij zette het van zich af.
Zoodoende stond hij niet op voor elf uur. Zijn ontbijt was in zijn kamer gezet, terwijl hij sliep; maar hij kon niet eten; hij was als half bedwelmd.
Abraham kwam eindelijk uit zijn kamer en wilde over de smalle gang naar de kamer van zijn ouders gaan,--maar de deur was afgesloten, zoodat hij door den keuken gaan moest.
Daar verbaasde het hem eerst de kookvrouw te vinden, die gewoonlijk kwam als er een diner of souper gegeven werd. Ze was bezig met vleesch te schrappen en op het fornuis stond een groote pan soep te koken.
Abraham ging de huiskamer binnen om in de slaapkamer te komen. In de kamers zag hij Mevrouw Bentzen en verscheiden andere dames, die hij kende. Ze waren allen in 't zwart, en over de tafels en stoelen lag veel wit goed. Overal rook het naar muskus. Niets drong helder tot hem door, vóór hij bij zijn moeders bed stond.
Daar lag zij: nu zag hij het.
"Moeder," zei hij heel zacht; "Moeder!" riep hij wat harder.
Toen was het alsof hij stikken zou. Op eens begreep hij den onverbiddelijken dood. Hij kon niet schreien.
Zijn vader kwam zachtjes binnen, en sprak vriendelijk tot hem. "Wij beiden, Abraham, moeten ons bij elkaar aansluiten. Zij heeft uitgestreden. Zie maar, hoe rustig zij daar ligt."
Daarop nam hij hem voorzichtig meê uit de slaapkamer.
Er was een liefderijke stemming en een stille gedempte drukte in huis. De witte gordijnen moesten hoe eer hoe beter voor de vensters gehangen worden [15], en 't huis was groot, met veel vensters aan de straat.
Alleen in de spreekkamer van den professor mocht niemand komen. Daar zocht Abraham zijn toevlucht.
Zijn vader zat telegrammen te schrijven, hield nu en dan op en zuchtte. Abraham keek naar buiten op de plaats, waar de herfstdag gelijkmatig troosteloos neerzeeg.
De professor werd gestoord door een bleeken, zachtmoedigen man, dien Abraham kende als den aanspreker; en terwijl ze samen spraken, sloop hij weer naar de slaapkamer.
Daar zat hij en staarde zijn moeder aan; hij schreide bijna niet, staarde maar als verlamd naar die bekende trekken, die hij maar niet in beweging kon brengen. Zouden de anderen zich toch niet kunnen vergissen? Stel je voor! Als zij zich nu eens naar hem toekeerde en zei: "Abbylief, ik ben niet dood."
Zijn vader kwam weer binnen en vond hem daar; hij sprak wat met hem en bracht hem zachtjes de kamer uit.
De professor sprak fluisterend in 't voorbijgaan een paar woorden met het mooie vrouwtje van den commissaris van politie; en kort daarna vroeg ze hem--'t moest van zelf heeten, maar Abraham begreep het best:--
"Toe, kom eens hier en houd de trap vast, Abraham! en geef mij de spelden één voor één aan, wil je?"
Zij stond op de trap en was met de gordijnen bezig.
Abraham ging naar haar toe en hielp haar. De dames hielden hem om strijd bezig en overstelpten hem met lof, omdat hij zoo flink en handig was. En zoo ging de dag voorbij tot etenstijd.
Toen begreep Abraham ook waarom de kookvrouw er was. Want in de groote kamer was een lange tafel gedekt; al de behulpzame dames zouden daar eten.
Abraham ging op zijn gewone plaats zitten: maar toen hij de oogen opsloeg en zag, dat Mevrouw Bentzen naast hem zat voor de soepterrine en soep opschepte, barstte hij plotseling in luid schreien uit en moest van tafel worden weggebracht.
En eerst toen voelde hij heel zijn verdriet voluit. 't Kwam over hem als een stortvloed: het grootst en bitterst verdriet, waarvoor geen troost te vinden is in zóó'n jong hart;--het overstelpend kinderverdriet, waarvan de volwassenen meenen, dat 't zoo gauw voorbijgaat, omdat er zooveel over héen groeit.
Met een doordringende bitterheid, zooals geen ander verdriet heeft, boort dit zich diep in den bodem van het hart; en alles, wat daar later kan opgroeien, dat alles wortelt in die heilige smart.
't Leven en de tijd kunnen later wel buigen en wijzigen; maar een gemeenschappelijke stempel, een gemeenschappelijke pijnlijke plek zal er altijd zijn voor hen, die de eigenschap kregen, dat zij begrijpen en lijden kunnen, en dan dadelijk moeten beginnen met het allergrootst verlies--het eenige, dat nooit vergoed kan worden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De winter ging stil voorbij voor Abraham. Hij treurde en miste zijn moeder zoo smartelijk in het begin en zat menig avond in den hoek bij den kachel te schreien in de leege kamer.
Maar zijn vader hield zich op allerlei manieren met hem bezig, en wandelde met hem, en liet hem zoo dikwijls hij lust had Broch en andere vrienden bij zich vragen.
Alle menschen trouwens hielden zich met hem bezig; de heele stad stroomde over van medelijden met den armen moederlooze; ofschoon toch de meesten in hun hart dachten en in vertrouwelijke oogenblikken zeiden, dat 't misschien beter was zulk een moeder als Mevrouw Wenche niet te hebben.
Haar plotselinge dood werd een treffend voorbeeld voor de gemeente; en velen, die in lang niet in de kerk geweest waren, kwamen nu opdagen om den predikant te hooren preeken over de onboetvaardigen, die door den dood te midden van hun zonde en weerbarstigheid overvallen worden.
Prof. Lövdahl zat in zijn bank daarnaar te luisteren met die mooie, droevige uitdrukking op zijn gezicht en gevouwen handen. Abraham zat er ook en boog zijn hoofd, zoodat hij al die oogen niet ontmoette, die op hem gericht werden.
Hij wist niet, wat hij van zijn moeder denken moest.
Maar een indruk, die meer en meer opdook, was de gedachte, dat ze dus nu niet bij hem binnen zou komen op den morgen van zijn bevestiging, om hem in 't verhoor te nemen.
Hij zag 't zoo duidelijk voor zich, hoe ze de deur in zou komen, met die oogen, waaraan geen ontkomen was. En wat moest hij antwoorden? Nu was die zorg voorbij; hij schaamde er zich over, dat 't hem een verlichting was als hij daaraan dacht. En toch was het zoo.
De professor, die vroeger ook al bemind was, werd van nu af aan eenvoudig aangebeden. Van mond tot mond gingen de uitvoerige verhalen van dien vreeselijken nacht, toen hij wakker werd en zijn vrouw stervend vond, en allen waren gesticht door er op te letten hoe manlijk hij zijn verdriet droeg en hoe mooi het was, zooals hij zijn troost in den godsdienst zocht.
Maar die laatste avond van Mevrouw Wenche werd nauwkeurig onderzocht; waar was zij geweest?
De vrouw van den commissaris van politie kon al spoedig inlichtingen geven: zij was bij Mordtmann geweest,--wel maar heel kort, maar tien minuten worden al gauw twintig als ze wat gerekt worden. En dan ook--in korten tijd kan veel worden afgesproken. Mordtmann was dien zelfden avond naar Bergen vertrokken.
De vraag--de vraag waar alles op neer kwam--was nu: "Waar was Mevrouw Wenche geweest van even over negenen tot over elven?"--Zie--dàt was het ergste: de boot naar Bergen ging eerst te middernacht.
Maar toen moesten Mevrouw With èn Mevrouw Bentzen beiden bekennen, dat ze wisten--en heel, heel zeker wisten, want zij hadden beiden geïnformeerd, dat Mevrouw Wenche den avond had doorgebracht bij die zoogenaamde Mevrouw Gottwald, waar ze nu en dan een visite maakte--Mevrouw Wenche bemoeide zich nu altijd 't liefst met menschen, waar een steekje aan los was. Dit bedierf de combinaties van de vrouw van den commissaris van politie en maakte een eind aan de onderzoekingen. Mevrouw Gottwald had er zelfs bijgevoegd, dat Mevrouw Lövdahl zich dien heelen avond heel onwel gevoeld had.
Laat op dien avond was Mevrouw Gottwald bij kleine Marius op het kerkhof geweest en toen ze naar de stad terug ging, zag zij Mevrouw Wenche bij den lantaarn, met een gezicht, dat zij nooit vergeten zou.
Toen nu de geruchten begonnen te loopen, reeds op den volgenden dag, was er iets in Mevrouw Gottwald, dat alles begreep of vermoedde en zij zond dien kleinen leugen van haar winkel uit.
Was niet Mevrouw Wenche de eenige geweest, die haar met eerlijke vriendelijkheid was te gemoet gekomen, zoodat die haar nooit drukte. En behalve dat was ze immers Abrahams moeder.
Dat geen gerucht van den waren toedracht van de zaak opdook, was alleen doordat niemand op die gedachte kwam. En door de volkomen zekerheid van den professor, Dr. Bentzen, de dienstmeisjes en Mevrouw Gottwald bleef er geen reden tot twijfel over.
Anders zou het immers een feest geweest zijn voor al die vrome harten en vlugge, onvervaarde tongen, om alles--wat dan ook! op het hoofd van die ongeloovige te laden--zij, die zich met vrijdenkers ophield en nooit naar de kerk ging.
Maar--Goddank! er was nog genoeg op haar te zeggen; en Mevrouw Wenche kreeg een lang grafschrift, waarin niets vergeten werd.
Dit alles vervulde zoozeer den atmosfeer in de stad, dat 't niet anders kon dan dat Abraham het dikwijls merken moest. Hij werd bang om den naam van zijn moeder te noemen en dat werkte storend op zijn verdriet,--vooral in dezen tijd, nu hij voor zijn aanneming werd voorbereid en twee keer in de week, behalve des Zondags, godsdienstonderwijs ontving.
Hij was nu volkomen veranderd. En zelfs de rector moest toegeven, dat Abraham Lövdahl een leerling was, waar de school op alle manieren trotsch op wezen kon. Hij legde toen zijn tegenzin tegenover hem geheel af; en alle leeraren hadden al lang die geschiedenis met kleine Marius vergeten. Vlijtig en onderdanig sloop hij door de school naast Hans Egede Broch, en velen begonnen hem voor even knap te houden.
Alleen onder de meest vertrouwde vrienden was hij de oude--ja, erger dan vroeger; en er gingen niet veel weken na zijn moeders dood voorbij, vóor hij weer het middenpunt in hun kring was.
Allen waren over hem tevreden; maar de proost vooral! Was hij begonnen met wat antipathie tegenover dezen jongen man, dan was die nu overgegaan in de sterkste voorliefde.
Dat was juist een jongen naar zijn zin: stil, bescheiden, en welgemanierd, ver in zijn kennis van 't Christendom als maar weinig anderen en daarenboven nog bezat hij een zeldzaam vermogen om een redeneering te volgen.
"Hij moet absoluut in de theologie studeeren; hij heeft een buitengewoon helder hoofd," zei de proost vaak tegen den professor.
"Ja, dat moet nu maar gaan zooals de Heer wil," antwoordde de professor. Hij vond--eerlijk gezegd--niet, dat de theologische studie iets voor zijn zoon was.
Maar de proost was zóó met Abraham ingenomen, dat hij hem boeken leende en hem zelfs op een avond vroeg.
't Was met een wonderlijk gevoel, dat Abraham dat huis betrad, dat voor nog geen twee jaar het doel van zijn liefste wenschen omsloot, en waarheen hij zooveel liefdeblikken had opgezonden.
Er was nog een heele schaar ongetrouwde dochters; zijn vroegere geliefde was op een na de oudste en was een jaar geleden met haar telegrafist getrouwd.
Abraham zag haar terug met bruine vlammen in het gezicht en met een treurig figuur.
Zijn droomenpaleis stortte ineen. Die ridderlijke tijd met den trouwen kleinen Marius aan zijn arm werd iets belachelijks, iets om zich over te schamen; en den volgenden dag lag Hans Egede Broch weer slap van lachen, toen Abraham een verhaal deed van den avond bij den proost en voorstellingen gaf van zijn vroegere liefde.
Intusschen kwam Paschen en de dag van 't bevestigen al nader. Abraham zag vreeselijk tegen dien dag op, als tegen iets onaangenaams, dat nu eenmaal moest worden doorgemaakt; maar wat toch later nuttig werken zou.
De professor nam de bevestiging van zijn zoon heel ernstig op.
In het eenzame huis met die vele gedachten en herinneringen, die hem kwelden, kreeg hij lust zich te troosten en zijn zoon zoo gauw mogelijk volwassen te laten worden. Een kamer op de bovenste verdieping, met een alcoof werd gemeubileerd en voor Abraham ingericht, en zijn vader wilde volstrekt, dat hij in een rok naar de kerk zou gaan.
Dat was geen gebruik meer. De aannemelingen waren nu zoo jong en klein, dat ze altijd in een buisje of kort jasje gingen. Abraham stribbelde zoo lang mogelijk tegen, omdat hij er zich voor schaamde.
Maar de professor hield hem voor, dat hij immers ouder was dan de gewone aannemelingen en bovendien zooveel meer ontwikkeld en volwassen.
Toen gaf Abraham toe; eigenlijk wilde hij ook wel graag een rok hebben; bovendien zou hij een gouden horloge met ketting krijgen, en de professor dacht er over hem spoedig verlof te geven om thuis te rooken.
Maar op den morgen van den bevestigingsdag zelf, onmiddellijk vóór hij wakker werd, droomde Abraham, dat de deur openging en zijn moeder binnenkwam heel anders dan hij zich zoo vaak had voorgesteld.
Hij stond op, verlegen, angstig. In de kerk luidden de klokken--voor 't eerst. Nu moest hij er heen, vooraan in de rij staan, zoodat de heele gemeente hem zien kon en die gelofte afleggen. En de oogen van zijn moeder, die oogen, die dwars door hem heen gingen, die hem volgden; hij voelde ze. Zij was gekomen om zijn oprechten biecht te hooren.
Kon hij heengaan en die gelofte afleggen?
De rok, waar hij zich op verheugd had, en die zoo mooi en nieuw was met het zijden gaas in de achterpanden, hinderde hem nu; hij legde die ter zijde.
Hij was aan 't denken geraakt over al den ernst, die eigenlijk aan dezen dag besteed was. Hoe was het nu met hem gegaan? Was hij behoorlijk voorbereid--of stond het op zijn voorhoofd geschreven, dat hij een onwaardige was? een huichelaar en leugenaar, zou zijn moeder gezegd hebben.
De proost had hen allen zoo innig vermaand gisterenmiddag, toen zij het geld brachten, om zich zelf ernstig te beproeven en zich voor te bereiden om voor het aangezicht des Heeren te treden.
Abraham nam zijn nieuwe Testament en ging zitten lezen. Hij was zoo onder den indruk, dat hij klappertandde.
Daar hoorde hij zijn vader uit zijn kamer komen.
Abraham sprong op en trok zijn rok aan.
De professor kwam binnen, geheel gekleed, met een breede witte das aan en zijn drie ridderorden in groot formaat. Niemand in de stad had er zoo veel:
"Goeden morgen, mijn jongen. De Heer zegene dezen dag voor je."
Daarop reikte hij hem een groot etui over, dat Abraham niet durfde opendoen.
"Doe 't maar open. En doe aan wat er in zit. 't Is je horloge, voor je aanneming."
Abraham deed het open; er lag een gouden horloge in, met ketting en medaillon; hij deed nu ook dit open; maar maakte op 't zelfde oogenblik een onwillekeurige beweging.
Daar waren die doordringende oogen, die hem sinds zijn droom van dien morgen vervolgden.
"Dat is van je moeder zaliger," zei de professor aangedaan en drukte hem aan zijn borst.
Abraham dankte hem stamelend en maakte het horloge vast. Nu stond de rok ook beter; hij was lang en slank geworden; maar het gezicht was nog in de overgangsperiode, de neus te groot, en de huid niet zuiver.