Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Chapter 11
Moe van den maalstroom, waarin haar gedachten haar hadden gejaagd, verzonk ze in een stil, zwaarmoedig peinzen over deze vraag: zou ze niet 't beste handelen tegenover de anderen en tegenover zichzelf door te bekennen, dat haar leven een nederlaag geweest was, en als overwonnene heen te gaan; in plaats van door te leven van leugen en stukken van haar verbrijzeld bestaan, opgevende dat waar ze voor gestreden had en waar ze ontrouw aan geworden was: volle, zuivere waarheid in woorden en daden?
Maar zij was immers niet alleen.
't Beeld van een klein, zacht kinderkopje vervolgde haar; was dat goed een ander wezen meê te nemen; een licht te dooven vóór het nog aangestoken was?
Nieuwe twijfel, nieuwe pijn, nieuwe vragen martelden haar; waarom, was er toch niets--niemand om te helpen!
Eindelijk kwam hij--'t was over achten--haar man, waar ze niet op gewacht had; maar dien ze toch wist, dat om dezen tijd komen zou.
Hij ging nu door de vestibule, en zette zijn stok weg. Zou ze met hem spreken? hij was haar man, hem kwam de helft van dat jonge leven toe, dat zij had willen uitblusschen; hij sloeg de hand aan den knop van de deur en kwam binnen.
"Is hier iemand?" vroeg hij.
"Ik ben hier," antwoordde zij van de sofa.
"Ben je alleen?"
Er was iets in zijn toon, dat haar opjoeg; zij antwoordde niet; maar stak snel de hanglamp aan; haar hand beefde zóó, dat het glas tegen de ballon rammelde.
"Scheelt er wat aan, Wenche?"
"Scheelt jou niet eerder wat?" vroeg ze stug, want haar man liep onrustig heen en weer, met een boosaardigen, akeligen glimlach.
"Och ja!--mij scheelt wat,--niet veel, maar een kleinigheid, waar ik met je over spreken wou. Maar--mijn God!--wat zie je er uit, Wenche!"
Op eens kreeg ze den inval te doen, alsof ze niet begreep, dat hij haar beschreid en ongelukkig gezicht bedoelde, en ze greep de gelegenheid aan om het hem te zeggen.
"Hoe ik er uitzie?--Ik dacht, dat je het wist."
"Het wist?...... wist?......--Wat?"
"Heb je dan niet begrepen ...?"
Opeens verzamelde hij zijn gedachten; hij greep naar zijn hoofd, zag haar onderzoekend aan met zijn scherpe doktersoogen, wendde zich af en kwam weer terug, terwijl hij iets mompelde.
"Wat zeg je, Carsten?"
"Ik?--Ik zeg alleen: zoo, zoo!" antwoordde hij bleek.
"Ik ben bang, dat geen van ons beiden recht hart heeft voor die kleine stakker."
"Welke stakker?"
"Ons kind, Carsten. Ons arm kindje."
"Ons?"--antwoordde hij met dien zelfden leelijken glimlach en keerde zich een oogenblik naar haar toe.
Mevrouw Wenche zag hem een seconde in 't vertrokken gezicht, zonder hem te begrijpen.
Hij keerde zich om naar de deur, om weer heen te gaan.
"Carsten!" ze stoof plotseling op, "Carsten! wat zei je daar?"
Hij keerde zich om in de deur. De heele man was veranderd; zijn grijze haren stonden overeind, zijn tanden werden zichtbaar, zijn oogen waren als die van een dier, dat plotseling zijn kooi stuk slaat, heesch en ademloos zei hij haar vlak in 't gezicht: "Ik geloof je niet."
Ze vloog hem achterna met een gil en opgeheven handen; maar hij was al in de vestibule, en ze gaf het op. Ze kon hem toch niet neerslaan, en dàt had ze gewild.
Een oogenblik stond ze bevend stil; daarna richtte ze zich op. Ze ging de kamer uit en gaf de dienstmeisjes orders: de professor kwam zeker niet thuis voor 't avondeten. Zij zelf ging ook uit en nam den huissleutel meê. Niemand behoefde voor haar op te blijven.
Abraham was bij Broch en speelde kaart; ze had hem wel graag willen zien; maar 't was misschien het beste, dat ze niet meer in de war gebracht werd.
Ze deed haar bonten mantel aan, trok den kap over haar hoofd en ging naar buiten op straat.
Mevrouw Wenche ging regelrecht naar Mordtmann; de afstanden in de stad waren niet groot; en terwijl zij daar liep, dacht ze niet verder, dan dat ze nu vrij was--heelemaal vrij van haar man; nu ging ze naar Mordtmann om hem alles te vertellen; nu kwam er licht--waarheid, eindelijk! in hun verhouding zooals vroeger; veel geluk verwachtte zij niet.
Ze was nooit in Mordtmanns huis geweest; maar ze kende zijn vensters, die op de straat uitzagen. Er was licht aan. 't Huis was als de meeste anderen in de stad: de groote straatpoort open, geen gesloten entrée; ze ging regelrecht naar zijn deur, klopte aan en ging binnen.
Michal Mordtmann stond midden in de kamer met hoed en overjas, een pas aangestoken sigaar, juist bezig met de lamp neer te draaien, om naar de club te gaan.
In de kamer was een flauwe lucht van warm avondeten, vermengd met den fijnen geur van de eerste trekken aan een goede sigaar.
"Goeden avond Mordtmann!" zei ze en glimlachte droevig. "Nu kom ik bij je. Wacht maar even tot ik wat kalmer ben."
Hij stamelde--hij kon niets zeggen. Hij legde zijn sigaar weg en deed zijn overjas uit.
Deze dagen hadden hem bekoeld; het onheilspellend gezicht van den professor had hem op de gedachte gebracht, dat dit alles toch al te ernstig was.
Mevrouw Wenche was klaarblijkelijk ook al te ernstig, te weinig luchtig, dan dat zij een verhouding, zooals hij zich had voorgesteld, zou kunnen dragen.
Zij kwam zijn kamer binnen, ging in zijn sofa zitten en zei: "Nu kom ik!"--Wat ter wereld moest hij toch beginnen? welken toon moest hij aanslaan?--voor den drommel! hoe moest hij de zaak aanpakken?--Mooi was ze!--ze was prachtig, zooals ze daar op zijn sofa zat, bleek en wat verwaaid; maar wat hielp dat?--en dan die wonderlijke plechtige manier van doen.
Hij schonk haar een glas wijn in:
"Lieve Mevrouw Wenche! wat is er?--is er wat treurigs gebeurd?"
"Neen," antwoordde ze en zag weer glimlachend naar hem op. "Je zult misschien zelfs vinden, dat het wat goeds is, omdat het op eens je wensch vervult."
"Vertel, vertel!" riep hij geanimeerd en op een toon, die verrukt moest heeten.
Ze merkte niets,--vervuld als ze was van wat ze hem nu vertellen zou,--van dat oogenblik, dat ze het verbond met den eenen man verbrak om een nieuw met een ander te sluiten.
Ze begon daarom kalm, alsof ze hem om geduld wou verzoeken; 't zou een lang en ernstig verhaal worden:
"Ja, lieve Mordtmann!--ik ben van mijn man heengegaan en ben bij je gekomen; maar eerst is er nog iets anders."--
"U hebt...... zegt u...... u is van uw man...... ik begrijp niet recht......;" hij zag al 't heele stadje in oproer; Mevrouw Lövdahl,--de vrouw van Professor Lövdahl--van haar man weggeloopen, om den nacht in zijn huis--'t huis van een ongetrouwd man door te brengen!
Door 't lichaam van Mevrouw Wenche ging een lichte schok; ze zag hem snel aan en zei--als in 't voorbijgaan:
"Dat wil zeggen: ik heb een hevige scène met mijn man gehad; en daarom kwam ik hierheen om u om een goeden raad te vragen."
"O, lieve Mevrouw! Ik wil alles voor u doen; u maakte me eerst heelemaal verschrikt; maar 't was toch vrij onvoorzichtig van u op dezen tijd te komen." Hij zette zich naast haar op de sofa.
Maar 't gezicht van Mevrouw Wenche werd heelemaal stijf, en rimpels, die er vroeger nooit geweest waren, legden zich stram om haar mond. Zij, die altijd de waarheid sprak, had een fijn oor voor al wat hol klonk en onvertrouwbaar was; op dit oogenblik doorzag ze hem geheel en onverbiddelijk.
En dat ze het niet vroeger gedaan had, was omdat haar eigen ontwakende liefde haar blind en vol vertrouwen gemaakt had; en behalve dat--er was, vooral bij hun laatste ontmoeting--zooveel echte hartstocht in hem geweest.
Maar nu, nu ze in haar eersten twijfel hem dien strik spande, verraadde hij zich dadelijk. Er was in zijn stem zóóveel verlichting, toen hij hoorde, dat het niet zoo ernstig was--alleen maar een hevige scène met haar man--dat het op eens Mevrouw Wenche duidelijk werd, dat ze op het punt stond zich zelf te vergooien--van lafhartigheid en huichelarij in de meest valsche valschheid te vervallen.
Ze stond op en zag hem in de oogen.
Hij stond ook op, zocht naar woorden, streed zoo goed hij kon met die oogen, die zich in hem boorden, zonder dat ze waren af te weren.
Een paar seconden hield hij het uit; maar toen moest hij zijn oogen afwenden.
En toen hij weer opzag, werd zijn gezicht heel bleek en hij hield de handen op, alsof er iets op hem neervallen en hem vermorzelen zou.
Maar toen had Mevrouw Wenche met hem afgedaan. Ze stak de hand uit als om het glas wijn te grijpen, dat op tafel stond. In dit pijnigend oogenblik werd ze hevig bevreesd voor een flauwte--hierboven, bij hem! maar ze bedwong zich met alle macht, hield zich staande en ging heen.
Ze was door de stille, leege straten zoover gegaan, dat er geen lantaarns meer waren; ze merkte dat eerst toen ze struikelde en den weg niet meer zien kon.
Langs de kanten waren groote steenen gezet en diep beneden zich hoorde ze 't zware geluid van de golven, die zich tegen de rots verhieven en weer naar beneden ruischten, met een zingend geluid rukkend aan het taaie zeewier.
Van de lantaarns in de stad blonken kleine strepen langs het fjord haar tegen; maar ze wendde zich af, ging op een steen zitten en zag voor zich uit in het duister.
"Arme kleine Abby--arme kleine Abby!" herhaalde Mevrouw Wenche halfluid. Hij was de eenige, van wie ze afscheid nam: hij was de eenige, aan wie ze zich verbonden voelde.
Want met Mordtmann had ze afgedaan--volkomen afgedaan. Ze schaamde zich, ze voelde zich vernederd en verontreinigd, doordat ze zich zoo lang door dien man had laten bedriegen. Maar niet alleen haar liefde had hij omlaag en door 't stof gesleurd; al haar ideeën, haar liefste en moedigste gedachten had hij stuitend voor haar gemaakt; na dit kon ze op niets of niemand meer rekenen;--ook niet op zich zelf.
En als ze nu van haar man heenging deed ze dat zonder zelfverwijt. Alles in hem wat hem in hun samenleven hoog gehouden had, was als weggevaagd door die laatste beleediging; toen was een ruwheid te voorschijn gesprongen--juist dat grove man-achtige, dat ze haatte, en dat hij tot nu toe met kunst voor haar had weten te verbergen.
Neen, naar hem wilde ze niet teruggaan.
En dat arme stumpertje, dat ze nu meênam--ook dat maakte haar niet onrustig meer; want nu zag ze zoo zeker, zoo duidelijk, dat het een weldaad was--de laatste, die zij zou kunnen bewijzen,--het licht te dooven vóor het was aangestoken,--die kleine, dat meer dan twijfelachtige goed--een leven te sparen.
En in haar grenzenlooze eenzaamheid aan den uitersten rand van het leven, dat zij zich genoodzaakt voelde op te geven, werd dit voor haar als een flauwe schemering van moedervreugde,--alsof ze haar schreiend kindje in de armen hield en 't met zich droeg naar de gezegende rust.
Maar Abraham!--dat kind, dat ze had, was hij dan zoo heelemaal voor haar verloren, dat ze hem onmogelijk kon herwinnen?
Telkens op nieuw maakte ze die som weer over; en telkens als ze meende, dat die zou kunnen opgaan, kwam er iets, dat alles voor haar weer in de war bracht.
Neen! hem kon ze geen goed meer doen door te leven, zooals haar leven in 't vervolg zou moeten worden,--dat was onmogelijk.
Daarentegen zou ze zich kunnen voorstellen, dat de herinnering aan haar eens in zijn later leven hem tot een steun kon worden, tot een hulp om weer op te staan, als het hem ooit duidelijk zou worden--en dat hoopte zij--dat zij, zijn Moeder, haar best gedaan had zijn zieleleven gezond en waar te houden, en dat die anderen zijn jeugd hadden vergiftigd en hem laf en onvertrouwbaar gemaakt.
Haar arm hoofd kon bijna niet meer; ze was maar volkomen zeker van één ding: haar besluit. Haar smartelijke afrekening met het leven had haar gedachten vermoeid en verstompt; ze voelde het zelf en ze ging naar den dichtstbijzijnden lantaarn, om op haar horloge te zien.
't Was twaalf uur geworden.
Mevrouw Wenche wist al lang hoe zij het doen zou, en ze had aan hen gedacht, die na haar moesten leven.
Zij wikkelde zich in haar mantel en keek nog eens uit over het fjord en naar de lichten in de stad. En ze nam alles bijeen: haar jeugd, haar vreugd, haar geluk, al wat het leven haar aan zonneschijn gebracht had, liet alles in schemerachtige omtrekken aan zich voorbij gaan en koos toen weer de duisternis,--moe, maar vast en zonder aarzelen.
Toen ging ze haastig terug door de stad, regelrecht naar huis.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De professor wekte groote verbazing in de club door tot na tienen te blijven en toddy te drinken.
Hij was namelijk anders zoo geregeld als een klok: elken Vrijdagavond een partijtje whist op de club, maar alle andere dagen precies om negen uur naar huis. Hem als vandaag--op een Dinsdagavond zijn avondeten daar te zien gebruiken, en later "à la guerre" te zien spelen met een paar jongere heeren was een wondervreemd geval.
Hij lachte er ook zelf om en was heel opgewekt; maar toen hij thuiskwam--zoowat tegen elf uur, werd hij verwonderd en onaangenaam gestemd toen hij zijn vrouw niet te bed vond.
Hij had berekend, dat ze slapen zou--of zou doen alsof ze sliep, als hij zoo laat thuis kwam; en hij wilde voor geen geld van de wereld een gesprek hebben, nu alles nog zoo heftig was, zoo versch in 't geheugen lag.
Hij rekende na, waar ze wel kon wezen.
Veel vriendinnen had Mevrouw Wenche niet, maar er waren toch altijd drie à vier families, met wie ze zoo'n vertrouwelijken omgang hadden, dat ze daar een avond heen kon gaan zonder geïnviteerd te zijn, en zonder belet te vragen.
Maar half elf was laat, om van zoo'n bezoek thuis te komen.
Eerst kwam het niet in hem op, dat er iets gebeurd zou kunnen zijn. Hij keek of zij den anderen huissleutel meêgenomen had, en toen die weg was, nam hij den zijne uit het slot, opdat ze binnen zou kunnen komen.
Waar ze ook was--hij wist, dat men daar in huis er voor zorgen zou, dat ze naar huis gebracht werd en trouwens de stad was heelemaal niet gevaarlijk, zelfs laat in den avond voor een dame, die zoo bekend was als de vrouw van Professor Lövdahl.
Hij kleedde zich dus snel uit en ging naar bed, opdat hij doen kon, alsof hij sliep, als zij thuis kwam. Vóor alles was het er hem om te doen, dat dit gesprek, dat hij wist, dat komen moest, tot morgen zou worden uitgesteld.
's Avond was het onmogelijk; het leidde maar tot meer heftigheid en oneenigheid. Maar 's morgens was alles weer binnen de perken gebracht en minder gewichtig; de meest brandende strijdvragen konden dan voorzichtig als kleinigheden behandeld worden in de koele morgenlucht.
Professor Lövdahl was zich ten volle bewust, dat hij zich te buiten gegaan was en zijn vrouw ten diepste gekwetst had. Als correct man schaamde hij zich, dat hij een stemming verraden had, terwijl hij er zijn eer in gesteld had die te verbergen.
Tegenover zijn vrouw schaamde hij zich bijna minder omdat hij zelf wist, dat hij die booze woorden niet in ernst gemeend had en omdat hij er vrij zeker van was, dat ook zij, als ze even nadacht, wel zou inzien, dat het maar een gezegde was, dat hem in de eerste opwelling van misnoegen ontvallen was. Want dat was ontegenzeggelijk een vervloekte geschiedenis met dat nieuwe kind.
Nu had hij zich al zooveel jaren lang gewend aan de gedachte aan dien éénen zoon. Zoowel in zijn armenpraktijk, als in zijn statistische studiën, had hij zooveel treurige gevolgen gezien van veel kinderen in een gezin; hij had er zelf zooveel en zoo scherp tegen gesproken en geschreven.
Kwam hij nu niet een beetje in een komisch daglicht, als hij vijftien, zestien jaar daarna, op zijn ouden dag, tegen zijn eigen theorie in begon te handelen. Al die geestigheden, die hij zou moeten slikken! glimlachjes, toespelingen en steken onder water!
En al die last in huis; al die moeite en akeligheid, die men zoo gemakkelijk draagt als men jong is en alles nieuw; maar die de rust verstoren en 't huis overhoop halen, als men eenmaal alles in orde heeft.
Dat alles was op eens over hem gekomen, had zich met de booze, opgewonden stemming vermengd, waarin hij al een poos verkeerde en had eindelijk dien beschaafden man, zoo vol zelfbeheersching, uit het evenwicht gebracht en die woorden uitgelokt, die in zekeren zin zijn geheim verraadden, hoewel hij in werkelijkheid er ver van was, wat hij gezegd had te meenen, zooals Mevrouw Wenche het moest opgenomen hebben.
Maar morgen zou alles er anders uitzien.
Aan de zaak zelf was immers niets te doen en Carsten Lövdahl was juist de man om het onvermijdelijke met gratie te dragen. Hij was ook bereid tegenover zijn vrouw excuses te maken; maar kalm, half schertsend, uit de hoogte:--morgen.
Hij deed het licht uit; 't was eigenlijk het allerbeste rustig te gaan slapen; maar dat gelukte hem niet: hij kon niet in slaap komen.
Integendeel hij werd buitengewoon wakker, gespannen, warm en zenuwachtig,--hij lag naar het lichtste geluid te luisteren en het kwam hem voor, dat de stille nacht vol geluiden was, terwijl de stad sliep, met slechts hier en daar een wegstervende voetstap op haar straten.
En in 't donker groeide een sombere angst op, sneller en sneller met fantastische omtrekken, en kwam al nader en nader, zwaarder en meer beklemmend met iedere vijf minuten, als hij meende, dat er weer een kwartier om was en een lucifer aanstak.
Waar blijft ze toch? Over half twaalf! Nu moest er toch iets gebeurd zijn.
Hun laatste gesprek, haar gil toen hij vluchtte, omdat hij bang was dit gesprek voort te zetten--dat alles stond hem voor den geest.--En zij, die zoo heftig was, zich nergens aan stoorde......!
Die overspannen naturen toch!--hij kende ze. Wat konden ze niet verzinnen! Waar was ze op dit oogenblik?--hij duizelde. Zwierf ze alleen rond in den nacht? Of lag ze al te drijven bij de steile rotsen in het fjord?
Hij ging overeind in bed zitten en stak een kaars aan. Hij sprak kalmeerend tegen zich zelf als tegen een koortspatiënt; maar het hielp niet.
Eindelijk hoorde hij de huisdeur.
Dadelijk deed hij de kaars uit, ging liggen en haalde langzaam en geregeld adem, alsof hij al lang sliep. Hij voelde zich grenzenloos verlicht en glimlachte over zijn angst.
Mevrouw Wenche kwam binnen, stak licht aan en trok haar japon uit, terwijl ze haar man aandachtig gadesloeg; hij sliep vast en rustig.
Stil en voorzichtig--zoodat niet één sleutel rammelde, legde zij haar hand op zijn sleutelring, nam de kaars meê en ging de slaapkamer uit.
Hij merkte, dat ze de kamer weer uitging, maar dacht daar niet verder over. Nu was ze thuis, zijn angst was voorbij, morgen zou het wel weer in orde komen. En zooals hij daar nu gerustgesteld en moe van ontroering lag en deed, alsof hij sliep, viel hij werkelijk in slaap en sliep vast en rustig twee, drie uur.
Maar toen hij midden in den nacht wakker werd en voelde, dat het bed van zijn vrouw leeg en koud was, schrikte hij weer op in angst, stak de kaars aan en keek rond. Alles was stil; 't was over drieën; hij zag geen spoor van zijn vrouw, behalve de japon, die zij uitgetrokken had.
Carsten Lövdahl voelde zijn hart stilstaan: het werd hem duidelijk, dat er nu toch iets gebeurd was. Hij verzamelde al zijn kracht, hij wapende zich met alle kalmte, die in zijn natuur lag en die het leven en zijn werk nog in hem had versterkt en ontwikkeld.
Toen hij zich half gekleed had, nam hij het licht mee om haar te gaan zoeken.
Door de kamers viel een lichtstreep uit zijn spreekkamer; de deur stond op een kier. Hij moest even blijven staan; maar toen deed hij de weinige voetstappen naar de deur; hij wist nu wat hij zien zou.
Toch moest hij zich vasthouden en de kandelaar was hem bijna uit de hand gevallen.
Stijf uitgestrekt in zijn grooten leunstoel lag het lijk van Mevrouw Wenche. De kaars op de tafel was bijna uitgebrand; en uit haar hand, die zij in 't laatste oogenblik over de tafel had uitgestrekt, was een van zijn kleine fleschjes gerold, die hij kende.
Hij zette de kaars weg en wilde zich op haar werpen. Maar een gedachte drong zich op eens aan hem op en maakte hem stil en koud: nu moest hij er aan denken wat hem nu te doen stond, wat er nog verborgen kon worden; nu was het tijd om een man te zijn.
En weer bedwong hij alle gevoel met zijn door gewoonte sterke zelfbeheersching, hield een spiegel voor haar mond, ofschoon hij wel weten kon, dat de dood onmiddellijk was ingetreden, toen het fleschje leeg was. Hij nam het op en zette het weer in het kastje, en lichtte langs den vloer om de kurk te vinden.
Daarop sloot hij zijn medicijnkast en stak den sleutelring in de zak.
Met afgewend gezicht boog hij zich over haar neer, nam haar op en droeg haar de kamers door naar haar bed.
Toen hij de kaarsen weer naar de slaapkamer gebracht en nog eens rondgekeken had, ging hij naar boven en riep de dienstmeisjes.
Een liep dadelijk naar buiten om Dr. Bentzen, een van de gemeente-artsen te roepen: Mevrouw was ziek, gevaarlijk ziek, 't ging om leven en dood.
"'t Is al voorbij--lieve vriend--hier is niets meer te doen, een hartverlamming, plotseling! in een oogenblik!" zei de professor, toen hij Bentzen in de gang tegemoet kwam.
"Arme vriend!" antwoordde Bentzen en drukte hartelijk zijn hand, "kom ik te laat om je te helpen?"
"Och neen! ik kwam eigenlijk ook zelf te laat, zie je, ik lag te slapen; zij ging later naar bed dan ik; en zoo stil en plotseling is alles gegaan, terwijl ze zich uitkleedde, dat ze al bewusteloos was en de doodstrijd al begonnen was, toen ik wakker werd."
Prof. Lövdahl sprak in groote spanning en uitvoerig--als een moordenaar, die den indruk van vrijmoedigheid maken wil.
"Heb je haar muskus gegeven?" vroeg Dr. Bentzen wat verrast, terwijl hij zich over haar boog.
"Ja, wat moest ik doen?" antwoordde de professor met een gebaar van radeloosheid; "ik was wanhopend en alleen--even voor je kwam greep ik wat ik bij de hand had. Maar ze was zonder twijfel al dood toen ik het haar in den mond goot. Ik ben altijd bang voor Wenche's hart geweest;--maar dat het zoo zou gaan....."
Bentzen legde de hand op zijn schouder: "Wees een man--Lövdahl--wij beiden hebben al zoo vaak zulke dingen zien gebeuren, dat we ons sterk moeten toonen, als de slag ons zelf treft. Ik zie ook, dat je kalm bent en behalve dat--je weet, Goddank! waar je de beste troost op den duur kunt vinden."
De gemeentearts Bentzen vond altijd een paar vrome zinnetjes bij zulke gelegenheden, ofschoon zijn mond in 't dagelijksche leven vol was van vloeken en minder fijne verhalen.
Maar toen hij weg was, de huisdeur gesloten, het ergste verborgen en zijn positie gered, toen was 't uit met Carsten Lövdahls zelfbeheersching; hij sloot zich op bij de doode, wierp zich neer naast het bed en steunde.
Zóó was het dan geëindigd, zijn huwelijk.
't Was voor hem één lange strijd geweest, waarin hij voortdurend verloren had--ook dezen keer.
Hij had gestreden om zijn vrouw te winnen op een andere manier dan in verliefdheid.
Zij zou leeren hem heelemaal te waardeeren--ook zoo, dat ze zijn levensopvatting als de ware erkende en zich daarvoor boog.
Carsten Lövdahl's ijdelheid was zijn karakter; alles had bijgedragen om die te versterken--alleen zijn vrouw wilde zich niet voor hem buigen.
En naarmate zij in hun samenleven elkaar leerden kennen, begreep hij, dat de kans steeds kleiner werd, dat zij zich zou buigen in bewondering en des te sterker wenschte hij te overwinnen.
't Zou toch ten slotte wel eens blijken, dat ze niets bereiken kon zonder hem; al haar overspannen ideeën zouden eens blijken te zijn wat ze waren: praatjes en groote woorden.
Maar toch imponeerde ze hem. Die grenzenlooze vrijmoedigheid, die vaste, zekere blik, dien hij op zich voelde rusten, al was ze ook aan het andere eind van de kamer, zoo vaak hij handig en prettig een loopje met de waarheid nam;--dat alles drukte en irriteerde hem, omdat hij haar nooit aan het wankelen kon brengen.
Alleen op éen punt had hij overwonnen; dat was in den strijd om Abraham. Maar tegelijk was er iets bij gekomen en dat was erger dan al het andere en had alles vernield.