Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Chapter 10
Want als nu de geestelijke gaven zoo ongelijk verdeeld waren, en als nu Pontoppidan misschien niet voor allen zoo gemakkelijk te begrijpen was, dan zou het toch een groote onrechtvaardigheid zijn een jong mensch, dat er om vraagt, den toegang tot de gemeente en de genademiddelen te weigeren, omdat hij het vermogen miste iets van buiten te leeren.
Aangenomen moesten ze nu eenmaal worden; er kwam waarlijk nooit anders van dan last en misnoegen in de gemeente als men den kinderen toegang tot de bevestiging weigerde; waarom zou men dan moeilijkheden maken door onbillijke strengheid in zijn eischen? 't Koninkrijk Gods behoort aan de eenvoudigen van hart.
Nu en dan waren ze wel wat bedenkelijk "eenvoudig" en de proost voelde zich dikwijls weinig op zijn gemak tegenover de gymnasiasten, die soms bijna stikten van 't lachen. Daarom was hij ook wat koel en terughoudend tegenover Abraham in de eerste dagen.
Abraham was buitengewoon oud voor een aannemeling, en de proost had niet veel goeds van hem gehoord; 't was buitendien ook bekend genoeg dat zijn moeder tot de vrijdenkers behoorde. Maar langzamerhand kreeg hij een beter indruk van den jongen Lövdahl; hij was eerbiedig en ernstig en vertrok geen spier op zijn gezicht, als er de zonderlingste antwoorden van de lange bank kwamen. Hij was daarentegen attent en hielp den proost de jas aantrekken, gaf hem het boek opengeslagen aan en sprong op om het potlood aan te geven als het viel.
En eindelijk vond de proost, voor wie deze uren met zijn cathechisanten een marteling waren, er iets aangenaams in, dien welopgevoeden jongen man zoo dicht bij zich te hebben. En in het eene uur na het andere ontwikkelde zich een soort van vriendschappelijk elkaar verstaan tusschen den proost en Abraham, zoodat ze elkaar aanzagen als er iets bizonders onder 't overhooren gebeurde, of de proost mompelde een latijnsche aanhaling, die Abraham met een bescheiden glimlach beantwoordde, onverschillig of hij die begreep of niet.
De voorbereiding voor de aanneming werd daardoor een genoegen voor Abraham. 't Was al heerlijk om twee of drie uren in den morgen van school weg te mogen gaan, en als hij bij den katheder van Proost Sparre zat, had hij een prettig gevoel van de eerste te zijn.
Door zijn onderwijs op school kende hij 't heele boek van Pontoppidan al van buiten; zoodat hij niets wist van het ontzettend werken voor en den verschrikkelijken angst onder het overhooren, die de wildste jongens van de lagere school bleek en stil maakte met wijd opengesperde oogen.
Wat voor hen de gewichtigste gebeurtenis in hun levens was, een naalde-oog om door te kruipen met de grootste inspanning van alle krachten, dat was voor hem iets wat hem niet inspannen kon; hoogstens kon het vervelend worden.
Maar dat werd het nu niet door zijn prettige verhouding met den proost; en als hij een enkelen keer overhoord werd, spraken zij gewoonlijk niet over Pontoppidan, en 't werd dan meer een gesprek over theologische onderwerpen tusschen een oudere en een jongere, terwijl de anderen zaten te gapen of onder de tafel vast het volgende leerden.
--De proost overhoorde het tweede gedeelte: de artikelen des geloofs.
"Ole Martinius Pedersen, kun je mij zeggen hoeveel goden er zijn!"
"Twee soorten, n.l. goede en booze," antwoordde Ole Martinius Pedersen rad.
"Neen, mijn jongen! dat is niet goed. Je antwoordde op een andere vraag; op welke vraag antwoordde hij? Kan iemand me dat zeggen?"
"Op de vraag van de engelen," riep een kleine roodharige jongen, die achteraan bij den kachel zat.
"Juist, Jens Hansen. Er zijn twee soorten van engelen, n.l. goede en booze, maar God is één niet waar, Ole Martinius?"
"Slechts één eenig God," antwoordde Ole Martinius Pedersen, die een van de knapste op de lange bank was.
"Hoe heeft het Goddelijk wezen zich in de schrift geopenbaard?"
"Als één eenig wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest, welke toch allen één zijn en de heilige Drieéénheid genaamd worden."
"Kunnen wij wel met ons verstand dit begrijpen: dat God één en toch tegelijk drie is?"
"Neen; dit gaat ver boven--ofschoon niet tegen ons verstand; daarom is het een geloofs- en geen verstands-artikel; en God zou geen God zijn, als Hij door ons verstand begrepen kon worden."
"Heel goed--Ole Martinius, je weet je zaakjes als je je maar even bedenkt. Nu jij, Mons Monsen! Zijn dan de woorden: Vader, Zoon en Heilige Geest drie verschillende namen of eigenschappen in God en niets anders?"
"Ja!--het is meer dan enkel verschil in namen of eigenschappen; want ieder van hen duidt iets afzonderlijks aan, dat niet aan de anderen toekomt."
"Niet zoo gauw, mijn jongen. Waarin bestaat het verschil?"
"Niet in het wezen, zooals reeds gezegd is", antwoordde Mons Monsen in een vliegende vaart, en zonder ergens op te houden: "Niet in het wezen, zooals reeds gezegd is, maar... maar het woord dat vereenigd is met water--"
"Neen, neen Mons, nu ben je aan wat anders bezig; pas nu op: 'niet in het wezen, zooals reeds gezegd is; maar in zeker......'"
"--Maar in zekere persoonlijke, inwendige handeling, als kleeren, schoenen, eten en drinken, huis en haard, echtgenoote en kinderen, velden, vee--
"Neen, neen, neen, Mons! Nu ben je weer aan wat anders bezig; 'die ieder van hen......'"
"--die ieder van hen afzonderlijk toekomen, n.l. de Vader, die uit niemand is, doet zijn Zoon geboren worden uit de eeuwigheid; de Zoon is uit den Vader en de Heilige Geest is uit hen beiden. Dit alles is waar en zeker......
"Neen, neen Mons. 'Dit alles is......'"
"...... Dit alles is het diepe geheim van het geloof, dat ons verstand niet doorgronden kan."
"Juist, dat is goed, Mons Monsen! je ben een flinke jongen, als je maar wat kalm aan doet. Maar je praat zoo vreeselijk gauw, dat je in de war komt. Hier zijn de boeken wat verschillend--wat misschien de gymnasiasten gemerkt hebben," zei de proost tegen Abraham, "verscheidene jongens van de lagere school hebben uit een oude uitgave geleerd."
Dit was ook een eigenaardigheid van den proost die de andere predikanten bewonderden of waar zij zich over ergerden.
De meesten vonden namelijk, dat als het onderwijs in het Christendom een band zou vormen tusschen de gemeenteleden, dan moesten vóór alles de leerboeken dezelfde zijn voor allen; en daarom gaven zij onderwijs volgens de laatste uitgave van Pontoppidans boek, die door den koning was goedgekeurd en wilden van geen andere weten.
Maar Sparre nam aan wat de leerlingen gaven, als ze het maar behoorlijk van buiten kenden. Daarom moest hij ook die wonderbaarlijke kennis hebben van al de oude en de nieuwe uitgaven, zoodat hij ieder vragen kon en op gleê helpen met het antwoord.
Door over het verschil te spreken tusschen de oude en de nieuwe uitgaven dacht de Proost aan een ongelukkigen aannemeling, dien hij dit jaar had. De predikant Martens had hem in de konsistoriekamer een onverbeterlijken idioot genoemd.
't Was een groote, sterke jongen van 18 jaar, die als een reus tusschen de andere jongens zat, en al meermalen het saaie lokaal met onderdrukt gejubel over zijn grenzenloos dwaze antwoorden had vervuld.
De proost zelf begon te twijfelen. Maar toch sloeg hij hem nauwkeurig gade, en luisterde aandachtig naar de stukken en brokken, die de arme Osmund te hooi en te gras ten beste gaf, als hij gevraagd werd. Eindelijk meende de proost, dat hij een draad gevonden had, en vandaag wilde hij het probeeren. Hij nam vlug een sprong van de drieéénheid, om de proef te kunnen wagen.
"Jij daar, Osmund Asbjörnsen Sauamyren," begon hij vriendelijk en langzaam, om den ander tijd te geven zijn gedachten bij elkaar te halen: "kun je me antwoorden--mijn jongen--kun je me antwoorden op deze vraag: 'Welke zijn dan de genadegaven van het Evangelie?'"
Osmund Asbjörnsen Sauamyren zat een oogenblik heel stil; toen begon hij, eentonig, maar vast, en steeds sterker zingend,--met een vaart, die hem bijna ademloos maakte:
"Dat zijn: de rechtvaardigheid van Christus, de vergiffenis der zonden, de uitverkorenheid der kinderen, de voorzorg van God den Vader, het erfrecht, de vrede met God, kinderlijk vertrouwen, de zoete geur van Gods liefde, toegang tot God en moed om te bidden, verzekerdheid van Gods genade, van gebedsverhooring en hulp in allen nood, buitengewoon krachtige bescherming tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden, geduld met onze zwakheden en genadige verschooning voor ons geheele leven; de voorsmaak van het eeuwige leven, blijdschap in den heiligen geest; besturing, licht, bezieling en kracht van den zelfden geest; bevrijding van straf voor en overheersching van de zonde, den vloek en den dwang der wet, van den Satan, de macht van hel en dood, van de wereld en een slecht geweten; de uitkomst van alle dingen, ook van het bitterst lijden, ten beste der geloovigen en een levendige hoop op de zaligheid, waarop eindelijk de onuitsprekelijke eeuwige blijdschap en heerlijkheid in den hemel volgt, en zoo voorts."
"Kijk nu eens hier," riep de proost triomfeerend, en noteerde iets in zijn boekje; "ik dacht wel, dat het met jou wel gaan zou--Osmund!--Je kunt misschien de vragen niet zoo gemakkelijk begrijpen als de jongens in de stad; maar je weet toch wel wat, mijn jongen!--ga jij maar door met werken en opletten, je zult zien dat het wel gaat."
De jongens van 't gymnasium waren teleurgesteld; zij hadden een kostelijke lachpartij verwacht; maar de heele lange bank boog zich voorover en keek Osmund met de grootste verbazing aan.
Zelf zat hij met open mond den proost aan te staren. Zooiets was hen nog nooit overkomen. Nooit had hij een woord van lof of hoop gehoord, maar ook nog nooit te voren had een predikant dit zijn groote en eenige bravournummer van de genadegaven van het Evangelie ontdekt.
Osmund Asbjörnsen Sauamyren had het al bij veel predikanten geprobeerd en--ik weet niet hoeveel--cathechisatie-boeken versleten.
Al van den tijd toen hij op veertien-, vijftienjarigen leeftijd het boek meê naar de bergweiden nam, waar hij de geiten hoedde, had hij tevergeefs geworsteld met vragen en antwoorden.
Slechts één enkelen keer, op een gelukkig oogenblik, hadden zijn hersens met een reusachtige inspanning, die groote vraag over de genadegaven van het Evangelie in zich kunnen opnemen. En met de wonderlijke toevalligheid, die met het van buiten leeren samengaat, was dit ééne dreuntje heelemaal, zonder fout of onzekerheid vast blijven zitten; en zóó dikwijls had hij dat nu in uren van moedeloosheid herhaald, dat het niet meer los kon gaan uit zijn hoofd zonder dat het broze Osmundsche verstand meê ging.
Maar hoe weinig hadden de genadegaven van het Evangelie hem tot nu toe geholpen! Tot spot voor allen en tot verdriet van zijn ouders was hij van jaar tot jaar blijven loopen als hopelooze aannemeling, thuis in zijn dorp en nu hier, nadat zijn vader naar de stad was verhuisd als opperman bij de fabriek. Nergens kon hij aan 't werk komen. Een jongen, die niet was aangenomen, kon nergens terecht; als looper met quitanties op kantoren, in winkels, noch bij de bureaux van 't zeewezen wilde men zoo'n dommen of ontaarden jongen hebben, die op zijn achttiende jaar nog niet was aangenomen. Zijn groot lichaam hielp hem ook niet veel. Zijn beenderen waren nog te zwak voor het handwerk van zijn vader en--behalve dat, wat kon een jongen, die nog niet aangenomen was, voor loon verwachten? Niet eens op zee wilde een reederij hem laten gaan vóór hij aangenomen was.
Osmund Asbjörnsen Sauamyren had niet zulke groote plannen, dacht ook niet zoo ver vooruit te komen in 't leven; en men zou meenen, dat er zooveel kansen waren, dat aan zijn bescheiden eischen voldaan zou kunnen worden.
Toch vond hij alle wegen zorgvuldig gesloten; voor hem was geen andere weg om vooruit te komen dan die langs den predikant; en telkens begon Osmund geduldig met een nieuwen predikant om een poosje bespot en dan weggestuurd te worden.
Nu zag hij eindelijk een eind aan al zijn moeite; hij zat er lang over te denken, wat Moeder wel zeggen zou, als hij thuis kwam, en eer hij 't wist, begon hij te schreien.
't Wekte algemeene vroolijkheid, toen men merkte dat Goliath huilde; Abraham lachte ook toen de proost glimlachte.
Hij was alles samengenomen heel blij met zijn goede verstandhouding met Proost Sparre; en hij was nu alleen nog maar bang voor den morgen, dat zijn Moeder komen zou en hem tot een oprechten biecht dwingen. Zoo dikwijls stelde hij zich dat voor, dat hij haar als 't ware binnen zag komen. En wat moest hij haar antwoorden?
Die voorbereiding voor de aanneming kon hem immers heelemaal niet ernstig stemmen--laat staan hem diep ontroeren; en hij wist, dat hij bij zijn moeder alleen met ernst aan durfde komen; de kleinste poging dat te ontduiken zou ze dadelijk ontdekken.
Intusschen ging de herfst voorbij en 't duurde immers nog lang eer 't Paschen was.
Abraham vond langzamerhand, dat Broch een goede kameraad was; ze gingen 't meest om met de hoogsten in de klasse, met de "kranen," die 't volgend jaar admissie-examen moesten doen. Ze rookten en speelden kaart en 's avonds wandelden ze met de jonge meisjes.
Er was iets in Abraham, dat hem een zeker aanzien, een zeker prestige gaf onder zijn kameraden.
De onderdrukte lust tot oppositie, die in hem was, kreeg een anderen uitweg door spotten en belachelijk maken. Hij kon geestigheden zeggen over ernstige en godsdienstige zaken; en hoe vreedzaam en eerbiedig hij op school en thuis was, kon hij de ergste zijn in 't spotten en den draak steken met allerlei, als ze onder elkaar op een kamer zaten, in een dikke wolk tabaksrook.
Broch was slap van lachen, en die bijval moedigde Abraham aan, zoodat hij hoe langer hoe erger werd en nergens meer om gaf,--alsof hij zich schadeloos wou stellen voor den dwang door echt wild en dwaas te zijn als hij zich heelemaal durfde laten gaan.
Hij probeerde ook karikaturen te teekenen; en lang ging er een teekening rond in de vierde klasse van 't gymnasium, die de hel voorstelde, waar de heeren Aalbom en Borring van weerskanten onder elkaar een vuurtje stookten, terwijl de Conferensraad Madvig en Erik Pontoppidan een woesten "pas de deux" uitvoerden in de vlammen.
Op school ging het hem nu heel goed. Abraham was vlijtig genoeg en had ook langzamerhand een eigenaardige manier gevonden om met de leeraren om te gaan; zelfs Aalbom vergat dien "duivel!" door zijn innemende vriendelijkheid en alleen de rector had nog iets tegen hem gehouden.
Professor Lövdahl sloot zich in dezen tijd dicht bij zijn zoon aan, deed 's Zondags groote wandelingen met hem en sprak bijna met Abraham, alsof hij volwassen was.
Dat was niet alleen omdat de Professor met alle macht zijn zoon tot zich wilde trekken, maar ook, omdat hem iets drukte, zoodat hij er behoefte aan had opgebeurd te worden door de vroolijkheid van den jongen.
De vertrouwelijkheid tusschen hen werd zoo groot, dat Abraham zelfs een en ander vertelde, wat hij anders stellig zou verzwegen hebben.
Zoo kwam hij er eens toe in den loop van het gesprek, half tegen zijn zin, een geschiedenis uit de school te vertellen.
Er was een ruit gebroken, in de hoogste klasse en alle jongens wisten, dat Morten Kruse het gedaan had, maar toen de rector er naar vroeg, wilde niemand antwoorden. Toevallig was Broch ziek, zoodat Lövdahl de eerste was.
Nu was er niets, dat den rector zoo driftig maakte, als wanneer hij merkte, dat er verzet was; en als oud schoolmeester begreep hij dadelijk, dat de klasse had afgesproken den schuldige niet te verraden.
Hij was toen regelrecht op Abraham afgekomen: "Pas nu op, Lövdahl! denk er aan, dat je al eens vroeger je aan oproerigheid hebt schuldig gemaakt; maar pas op voor den tweeden keer. Weet je wie het gedaan heeft--of weet je het niet?"
"Je antwoordde toch dadelijk?" vroeg de professor bezorgd.
"Ja,--ik antwoordde,"--Abraham wendde het hoofd af.
"Je zei, dat het Morten Kruse was."
"Ja, want hij had het gedaan."
"Natuurlijk moest je antwoorden; 't was immers krankzinnig geweest om nog eens schandaal te maken in de school--vooral nu je voor je aannemen leert. Ik weet wel, dat deze en gene met overspannen praatjes aan zou komen, dat je je vriend niet verraden mag--of iets dergelijks;--maar daar moet je je maar in 't geheel niet aan storen. Gehoorzaamheid--zie je--tegenover je superieuren is absoluut de allereerste plicht en de hoogste deugd voor een jong mensch en een braaf burger; door met misdadigers om te gaan wordt je er ten slotte zelf een, terwijl je je zelf en de rechtvaardigheid dient door het booze en strafbare bekend te maken."
Toen ze een eind verder geloopen hadden zei de professor zoo in 't voorbijgaan: "Dat hoef je nu niet aan Moeder te vertellen. 't Is beter er niet over te spreken."
Abraham zag niet op; zij ontweken elkaars oogen een poos. 't Was alsof ze geheimen voor Moeder hadden; en terwijl Abraham zich gerust stelde met zijn vaders goedkeuring, dacht hij er niet veel meer over, dat zijn moeder de zaak anders zou beschouwd hebben.
Maar zij was zoo vreemd in dezen tijd. Ze was eigenlijk zich zelf niet; want er was iets anders bij gekomen, behalve Mordtmann.--Haar nerveuse angst was nu zekerheid geworden, en die zekerheid vervulde haar met een smart, waarover zij zich schaamde en die zij zocht te bestrijden.
Mevrouw Wenche kon het zich namelijk niet langer ontveinzen, dat zij weer moeder worden zou.
ELFDE HOOFDSTUK.
Er waren eenige dagen voorbijgegaan, zonder dat Mevrouw Wenche iets van Mordtmann gemerkt had. Op een middag ging hij voorbij, toen hij van de fabriek kwam, maar zij trok zich terug van het venster en verborg zich.
Het gebeurde met Mordtmann was wat op den achtergrond gekomen; zij had nu geen gedachten voor iets anders dan voor dat wat haar wachtte: dat zij nog eenmaal moeder zou worden.
Toen Abraham ter wereld gekomen was had zij lang gewenscht, dat hij een zusje zou krijgen, maar toen de jaren voorbijgingen had zij die hoop opgegeven: en nu waren haar gedachten over kinderen en kinderopvoeding van dien aard geworden, dat zij zich gelukkig prees, omdat zij maar voor één de verantwoording droeg.
Haar man zou ook niet blij zijn, als hij het hoorde; dat kon zij wel van te voren weten.
Maar het ergst, ja, bijna niet uit te houden werd die gedachte, als zij zich mengde in haar verhouding tot Mordtmann.
Zij werd rood van schaamte, telkens als zij dacht aan hun laatsten avond.
Hij had haar gekust en gezegd, dat zij alleen de zijne was;--en zij--wat had zij gedaan?--en wat moest zij doen?
Zij kon immers niet alleen blijven rondloopen midden in dit alles; wat--of wie moest zij kiezen? Wat nu gebeuren ging moest gebeuren en wat dan?
Zij ging op een schemeravond op de sofa zitten, nadat zij het dienstmeisje op het hart gedrukt had niemand binnen te laten,--ook Mijnheer Mordtmann niet. Zij had zich de wanhoop nabij gevoeld en was plotseling bang geworden voor haar verstand. Nu wilde zij trachten een overzicht van alles te krijgen om te zien waar zij stond.
Maar dat werd een droevig overzicht en Mevrouw Wenche zag met ontzetting waar zij stond.
Want zij stond immers diep in leugen en verwarring aan alle kanten. Zij, die zoo kloek en zonder omzien zich door het leven geslagen had, zonder ooit zelf te liegen en zonder anderen te laten liegen, voor zoover zij er iets aan doen kon; zij, die geloofd en beweerd had, dat wie oprecht wenscht waar en eerlijk te zijn zonder schade door het leven zal kunnen gaan, hoe boordevol het ook is van leugen en lafheid.
Daar lag zij nu. In welke van die verhoudingen, die haar het sterkste bonden, was zij op dit oogenblik volkomen waar? Zij ging ze één voor één na, en begon met Abraham.
Waar was haar zoon gebleven? Zij had hem zoo dicht bij zich gehad, dat zij iedere kleine beweging in zijn ziel had kunnen zien, iedere, ook de kleinste gedachte of twijfel, die in zijn jong hoofd opkwam, had kunnen volgen en verstaan.
Waar was hij nu? Wat wist zij nu van hem? Het hielp niet veel, dat ze zei: "Zij hebben mij hem afgenomen." Want dat was het immers juist, wat zij had moeten verhinderen; ze had op hem moeten passen, hem vasthouden in een helderen zuiveren atmosfeer van waarheid; niet uitwijken, niet los moeten laten, niet moe mogen worden in den dagelijkschen strijd.
Dat was het immers, dat zij zich zelf duizend keeren beloofd had, als zij hem op haar armen droeg, toen hij klein was;--en nu--nu hij zoo groot was geworden, dat hij er behoefte aan had, dat zij aan haar beloften dacht, kon zij nu voor hem gaan staan en zeggen:
"Hier ben ik. Hier ben ik,--je trouwe moeder."
Kon hij nog op haar vertrouwen zooals vroeger?
"Neen", zei Mevrouw Wenche hardop en het klonk zoo treurig in de leege kamer, "neen, dat kan hij niet."
Tweemaal, eerst met die geschiedenis op school en later in de quaestie met het aannemen had zij het opgegeven, haar principe prijs gegeven, was zij zichzelf ontrouw geworden en had voor goed het vertrouwen van haar zoon verspeeld. Nooit had hij haar zien wankelen, dan juist tegenover deze twee zaken, die voor hem de gewichtigste waren geworden. En wat waren dat voor redenen, waarom zij overwonnen was?--Goede hemel, hoe ellendig kwamen ze haar nu voor in vergelijking met dat groote: haar plicht om haar zoon staande te houden.
Neen, het was iets anders wat haar machteloos gemaakt had, en dat was Mordtmann. Terwille van hem, en van hem vervuld, had zij haar zoon verlaten!--verlaten? Neen, verraden!
En nu dacht zij over Mordtmann en ging hun verhouding na, en die kwam haar zoo onrein voor. Die scheen haar in dit oogenblik zoo weinig waard.
Zij dacht over haar liefde en beproefde daar de kracht van, door zich af te vragen of zij bereid was, haar huis, haar positie, haar man, haar zoon, haar goeden naam te offeren en telkens als er weer iets bijkwam zag zij angstig naar haar liefde en het einde was: dat zij te oud was.
Zij was te oud, meende ze, voor die alles overweldigende liefde, die verleidelijk is als een zaligheid en dwingend als een plicht. Zij wist al te veel van het leven om zich door eenige illusie te laten verblinden en was te rechtschapen en te plichtmatig om niet de rechten van anderen te erkennen. Zij hield veel van Mordtmann. Uren lang kon het als een bekoring over haar komen, als zij zich dacht als de zijne. Een leven met een man, die het zoo geheel met haar eens was, zoo vrij van vooroordeelen, zoo kloek en edel in ieder opzicht.
En als ze dan dacht aan haar leven, zooals het van nu af worden zou met haar man, dan rilde zij van die leugens; en dan werd haar dat alles zóó walgelijk, dat het eenige, wat het beste in haar redden kon, een breuk was--een breuk met alle gezonde, hartverscheurende smart, die daaraan verbonden was, en dan een nieuw leven--hetzij dan zooals 't worden moest--met Mordtmann.
Maar ze kon immers niet naar Mordtmann gaan zooals ze nu was.
En een oogenblik vergat ze al haar verdriet in een bitter medelijden met dat kind, waarvan de moeder 't niet verwachtte met verlangen en liefde, en dat niemand welkom wezen zou, als het kwam.
Zij was geen moeder, waar een kind mee gebaat zou zijn; geen vrouw voor een man, geen vertrouwbare vriendin,--niets voor wie dan ook--was 't niet het beste, dat ze maar heenging?
De dood kwam haar niet zoo zwaar voor; ze had zich vaak met de gedachte bezig gehouden vrijwillig heen te gaan; en ze meende, dat als eerst het besluit genomen was, de moed haar niet zou ontbreken.
Ze had geglimlacht over de minachting, waarmeê over 't algemeen gesproken werd over de lafhartigheid van hen, die kiezen zelf uit 't leven heen te gaan; want die gedachte was haar zóó nabij gekomen dat zij wist, dat er moed toe behoorde--vooral moed om te kiezen.