Venetië De Aarde en haar Volken, 1865

Part 3

Chapter 3 3,604 words Public domain Markdown

Maar mag men het er voor houden, dat de lijdende bevolking van Venetië zich niet te vergeefs met hare "nakende bevrijding" vleit? De omstandigheden schijnen die hoop alleszins te regtvaardigen. Van welken kant zal echter de bevrijding opdagen? Zal Frankrijk nog eens het zwaard aangorden, om zijn programma van 1859 volledig ten uitvoer te leggen? Dit laat zich niet verwachten, en de Hemel geve ook dat het vraagstuk zonder nieuwe bloedige tooneelen opgelost worde; dat dus ook Italië aan Oostenrijk den handschoen wegens het bezit van Venetië niet toewerpe; maar dat van Oostenrijks zijde zelf de oplossing kome. Hoe vreemd dit oppervlakkig ook moge schijnen, toch laat zich zulk eene ontknooping nog het gemakkelijkst denken. Zal het Oostenrijk niet eindelijk gaan verdrieten, Venetië als een wederspannigen gevangene te blijven bewaken? En zoo niet, zal het dan eindelijk niet gaan inzien, dat een afstand van Venetië zijne zwaar geteisterde financiën dubbel te stade moet komen, daar het dan eerst ernstig op de vermindering zijner krijgsmacht bedacht zijn, en tevens eene aanzienlijke geldelijke schadevergoeding voor het af te stane gebied eischen kan? Zeker meent men niet, dat Oostenrijk zich door zulk eene daad te veel zou verzwakken; want wat zou het verlies van 457 vierk. geogr. mijlen gronds te beteekenen hebben voor eene mogendheid, die er nog 11305 zou overhouden; en wat zou op eene bevolking van zeven- of acht-en-dertig millioen eene vermindering van 2,446,000 zielen zeggen? Acht men misschien het bezit van den geduchten vierhoek eene levenskwestie voor Oostenrijk? Maar hoe dan vóór 1797; hoe dan van 1805 tot 1815? Die vierhoek zou immers ook kunnen verdwijnen als Oostenrijks veiligheid dit vorderde, terwijl op de grenzen van Tyrol, Karinthië, Krain en Illyrië, door de natuur reeds half ontoegankelijk gemaakt, bolwerken zouden kunnen verrijzen, de geslechte in sterkte evenarende?

Wij begrijpen wat het Oostenrijk kosten moet, het hart van zulk een schoon gewest af te trekken; maar het besef van de onmogelijkheid, om na de gebeurtenissen der laatste jaren, bij de Venetianen het nationaliteits-gevoel op den duur te onderdrukken, moet het pijnlijke van het offer noodwendig verzachten. Al kon Venetië tegenwoordig, onder den constitutioneelen regeeringsvorm van Oostenrijk, eene vrijheid genieten, grooter dan waarin het zich ooit onder zijne eigenene oligarchen mocht verheugen, het zou dien zegen als niets achten, wanneer het van het overige Italië afgescheiden moest blijven. Aansluiting aan het één en ondeelbare Italië! Vrijheid en onafhankelijkheid onder de italiaansche banier! Dit is de zucht die de ziel van alle Venetianen vervult; en Oostenrijk, dat zich aangordde om dien kreet in de Elbe-hertogdommen te verhooren, mag en zal dien niet langer op zijn eigen gebied smoren. Op deze gronden meenen wij, dat de Venetianen zich hunne bevrijding niet ten onrechte als nakende voorstellen. [1]

Slaan wij thans een blik op Venetië's merkwaardigste plaatsen en beroemdste gebouwen; en vergeten wij daarbij zoo veel mogelijk het floers, dat in deze oogenblikken over de schoone Lagunenstad verspreid ligt.

IV.

De Piazzetta en de Piazza van San Marco.

Wanneer men, uit zee of uit Venetië's groot binnen-kanaal (het _Canalazzo_) komende, aan de moelje of den marmeren trap der Slavonische kade uit den gondel stijgt, gaat men tusschen twee hooge zuilen van oostersch graniet de Piazzetta op, die als 't ware den voorhof der Piazza of van het St-Marcus-plein uitmaakt en daarmede een rechthoek vormt. Op een dier kolommen prijkt de groote gevleugelde bronzen leeuw van den Evangelist Marcus, den patroon der stad; terwijl op den top der linker-kolom zich het beeld verheft van den H. Theodorus, Venetië's eersten beschermheilige, een krokodil onder den voet tredende. Het uitzicht dat men hier heeft is betooverend schoon, en vindt misschien nergens zijne wedergade.

Aan de linkerhand heeft men de Zecca of het prachtige gebouw der Munt, door den beroemden bouwkunstenaar Sansovino gesticht, wien Venetië zijne voortreffelijkste monumenten te danken heeft. Achter de Zecca strekt zich het koninklijk park uit, een der zeer weinige groote tuinen, die de stad bezit. Vroeger bevatte het muntgebouw pok de vermaarde boekerij van S. Marco, uit 150,000 banden en eenige duizenden handschriften bestaande; maar deze kostbare verzameling werd in 1812 naar de groote zaal van het doge-paleis overgebracht. Rechts aanschouwt men den westelijken zijgevel van dit beroemde paleis, met zijn schoonen dubbelen bogengang en zijn façade van wit en rozerood marmer. Naast het hertogelijke paleis prijkt de wereldberoemde hoofdkerk van St. Marcus; met hare vijf tinnen koepels en hare vijfhonderd marmeren zuilen van allerlei kleur. Vlak tegenover deze basiliek, naast de Zecca en alzoo op den hoek der Piazza, verheft zich de trotsche Campanile, de op zich zelf staande toren der St.-Marcus-kerk, een der hoogste van geheel Italië. Deze toren--de reusachtige mast van het prachtige marmeren schip dat op de stille Lagunen drijft--bestaat uit eene breede vierkante zuil van ongeveer 320 voet, die van binnen langs een zóó zacht glooiend vlak--een trap zonder treden--bestegen wordt, dat men gemakkelijk te paard het klokkenspel zou kunnen bereiken, 't welk zich op eene hoogte van 170 voet van den grond bevindt. Boven het carillon rijst eene 154 voet hooge pyramide omhoog, op welker spits een groote bronzen engel staat. Van dezen toren, die aan Galileï tot observatorium verstrekte, en in weerwil van zijne hoogte de hem omringende gebouwen niet drukt, omdat hij tevens rank is, heeft men een allerprachtigst gezicht op Venetië met zijne paleizen, zijne honderde canalettos en het breede Canalazzo, dat de stad in twee bijna gelijke deelen verdeelt, die nagenoeg in het midden door den Ponte-Rialto vereenigd worden-- een enkele, uit glad marmer gevormde boog, ter lengte van zeventig en ter breedte van drie-en-veertig voet, die aan weerszijden, even als de Pont-neuf te Parijs, met winkels bezet is. Niet minder schoon is het gezicht dat men hier heeft zoowel op de vele eilanden die de stad omringen, en op de Lagunen en de zee, als op een gedeelte van het italiaansche vasteland, door de blauwe Alpentoppen van Friaul begrensd.

Maar spoeden wij ons weder naar beneden, om al het schoone te bezichtigen dat zich daar aan ons ter beschouwing aanbiedt. Aan den voet der hooge Campanile ligt, als een dwerg aan de voeten van een der grootste reuzen, de Loggia of Loggietta, een kleine uit rozerood marmer in den renaissance-stijl opgetrokken zuilenhal: een gebouw, zoo sierlijk en fijn bearbeid, dat het meer van een kostbaar meubelstuk, een _article de luxe_, dan van een monument heeft. Aan de noordzijde der Piazzetta, naast de schoone kathedraal en tegenover de Campanile, rijst boven een prachtigen boog, die den doorloop naar la Merceria, de breedste straat der stad, vormt, de een-en-tachtig voet hooge Torre del Orologio of klokketoren. Zijn uurwerk doet, naar beweerd wordt, in kunstigbeid niet onder voor dat van den Straatsburger dom. Zijne wijzerplaat, een azuren grond met vergulde cijfers, is ongemeen prachtig, en verdient evenzeer de aandacht als de twee bronzen reuzen, die met een grooten hamer op eene loshangende klok het uur slaan, dat in Italië niet zoo als bij ons tot twaalf, maar tot vier-en-twintig gaat.

Bij de Campanile links omslaande, komt men op de Piazza. Terwijl de oostzijde van dit plein door de hoofdkerk wordt ingenomen, zijn zijne drie overige zijden door drie prachtige kolossale paleizen bezet, te weten: de noordzijde door de Procurazie vecchie, een gebouw in renaissance-stijl, waarin weleer de procuratoren van St. Marcus gehuisvest waren, en dat thans aan particulieren wordt verhuurd; de zuidzijde door de Procurazie nuove, waarvan het gedeelte dat aan de Piazzetta grenst tot Sansovino's meesterstukken behoort. De Procurazie nuove, even als de Procurazie vecchie, met drie op elkander rustende bovengangen prijkende, werden door de Franschen in een residentie-slot voor den onderkoning van Italië herschapen, en strekten sedert 1815 tot verblijf aan den keizer van Oostenrijk, wanneer hij de Lagunenstad bezocht. De westzijde der Piazza werd eertijds ingenomen door de kerk van S. Geminiani; daar echter dit gebouw de bogenrij afbrak, die zich langs de noord- en zuidzijde van het plein uitstrekt, werd het in 1810 op last van Napoleon afgebroken, en in de plaats daarvan een vleugel van het residentie-slot gebouwd, waardoor de rij arkaden kon worden doorgetrokken. Dit nieuwe gebouw draagt den naam van Nuovo-fabbrico.

In de gaanderijen, door de reeks van honderd-acht-en-twintig arkaden gevormd, bevinden zich, even als in het Palais Royal te Parijs, rijke winkels en sierlijke koffiehuizen. Onder de zeilen of verandahs dezer laatsten worden, vooral des avonds, door eene menigte bezoekers, vrouwen van allen ouderdom, zoowel als mannen, ijs en koffie en andere ververschingen gebruikt. Het koffiehuis van Florian is het vermaardste van allen: van oudsher was het de beurs en het _rendez-vous_ van het patricische deel der bevolking.

Aan de oostzijde der Piazza, vóór de St.-Marcus-kerk, verheffen zich drie hooge cedermasten, die eens de groote banieren van drie aan Venetië onderworpen rijken: Morea, Candia en Cyprus, droegen en waaraan thans de oostenrijksche [2] vanen wapperen. De drie eeuwenoude bronzen voetstukken dier staken, door Leopardo in griekschen stijl bewerkt, zijn nog zoo fraai en ongeschonden, als of zij pas de werkplaats van den beroemden kunstenaar verlieten.

Het St-Marcus-plein wordt het hart van Venetië genoemd; en daar die stad tegenwoordig kwijnt en treurt, zoo zijn--wij vernamen het reeds van Paul de Musset--de kloppingen van dat hart veel flauwer dan vroeger. Als er echter slechts eenige lust en leven in de Lagunenstad heerscht, is dit plein niet alleen de wandelplaats, maar de vergaderzaal der Venetianen, het _salon_ harer _beau-monde_, eene plaats waaraan enkel eene zoldering ontbreekt om haar tot eene werkelijke zaal te maken; dan ziet men er zich onophoudelijk eene bont en weelderig gekleede menigte bewegen, en hoort men er bijkans alle talen en tongvallen spreken. Des middernachts is het tooneel er zelfs nog vroolijker dan op het midden van den dag: want te Venetië begint men in den laten avond pas te leven: eerst na het uitgaan der opera nemen er de avondgezelschappen of _conversazioni_ een aanvang.

Ofschoon het plein niet meer, zooals in den bloeitijd der republiek, het vereenigingspunt van allerlei Oosterlingen is, ziet men er ook thans nog vele Grieken en Armeniërs, die, onder de purperen zeilen der koffiehuizen gemakkelijk uitgestrekt, hunne koffie slurpen of schaakspelen.

Het St.-Marcus-plein was ten allen tijde en onder de meest verschillende omstandigheden het toevluchtsoord van het venetiaansche volk; de plaats waar het bij overwinningen of heugelijke uitreddingen vreugdekreten kwam aanheffen, en waar het in oogenblikken van misnoegen en lijden kwam samenrotten; de plaats der openbare terechtstellingen zoowel als het hoofdtooneel van het karneval en van andere volksverlustigingen.

De Piazza is 800 voet lang en ruim 500 voet breed, en evenals de Piazzetta en de Slavonische kade met groote marmeren tegels bevloerd. In de gebouwen van de Piazza en de Piazzette merkt men dezelfde scherpe contrasten op als bij hunne bezoekers, zoodat die pleinen met recht gezegd kunnen worden, eene in steen gebeitelde historie van de ontwikkeling van den bouwstijl gedurende de laatste dertien eeuwen te zijn.

Beschouwen wij thans een paar der vluchtig aangeduide gebouwen nog een weinig meer van nabij.

V.

De St.-Marcus-kerk.--Paus Alexander III en Frederik Barbarossa.--Het Doge-paleis.--De Ponte dei Sospiri en het Orfano- kanaal.--Marino Faliero.--De plechtigheid van het huwelijk van den Doge met de zee.--Het arsenaal.--De kerken van Venetië.

De metropolitaan- of hoofdkerk van S. Marco trekt minder de aandacht door hare hoogte of haar kolossalen vorm, dan wel door den glans van haar veelkleurig marmer, den rijkdom harer versierselen in byzantijnschen, gothischen en renaissance stijl, en de vreemdheid van haar voorkomen, dat meer aan eene mohammedaansche moskee dan aan een christelijken tempel doet denken. Boven de middelste der vijf poorten of arkaden aan de voorzijde van het gebouw, prijken de vier beroemde bronzen paarden, waarvan Lysippus, de vermaarde beeldhouwer uit den tijd van Alexander den Groote, voor den maker wordt gehouden, en die achtereenvolgens Korinthe, Athene, Rome, Konstantinopel, Venetië en Parijs versierden, om in 1815 hunne plaats op de kathedraal der doge-stad te hernemen: eene gebeurtenis door keizer Frans I in een latijnsch opschrift met vergulde letteren herdacht. Hooger nog dan deze paarden, staat, op een gouden en azuren veld, de gevleugelde leeuw van St. Marcus. De bouw der kerk werd in 976 door Pietro Orseolo aangevangen en eerst in 1455 voltooid. Daar er verscheidene vreemde bouwmeesters aan arbeidden, is het niet te verwonderen dat zij eene mengeling van bouworden vertoont. Zoo de tempels van Palestina en Griekenland een ruim aandeel leverden tot de versiering van het uitwendige der kerk, haar inwendige, de overdadige rijkdom van aziatisch porfier en afrikaansch marmer, van albast, onyx, smaragd en andere kostbare gesteenten, die het oog hier onwederstaanbaar boeien, herinnert niet minder aan de veroveringen van Ptolemaïs, Tyrus, Sidon, Morea en Konstantinopel, en aan de overwinningen op Turken en Barbarijers behaald. Elk venetiaansch vaartuig dat naar de Middellandsche zee stevende, ontving den last om een steen voor de metropolitaan-kerk aan te voeren, die de Sophiakerk van het oude Byzantium zoo niet in grootte dan toch in pracht moest overtreffen. Bij geen enkel verdrag door de republiek gesloten, werd de hoofdkerk vergeten: de gewapende en gevleugelde leeuw van Venetië's beschermheilige eischte van allen buit, dien zijne beschermelingen binnenhaalden, een echt leeuwendeel voor zich.

De middelste der vijf koepels rust op zes-en-dertig marmeren zuilen van allerlei kleur, van welke acht, uit serpentijnsteen gehouwen, van Konstantinopel afkomstig zijn, even als de koperen deuren, die toegang tot de kerk verleenen. Onder dezen koepel bevindt zich het hoogaltaar met eene verwonderlijk rijke reliekenkast en een kunstig gebeiteld verhemelte van serpentijnsteen, terwijl achter het altaar vier zuilen van echt, doorschijnend albast omhoog rijzen, die gezegd worden tot Jeruzalems tempel behoord te hebben. Al de altaren en wanden schitteren overigens van kostbaar en veelkleurig marmer, van goud en edelgesteenten, van mozaïeken in zuiver zilver en goud gevat. De kerk is 104 schreden lang en 75 voet breed; haar vloer bestaat uit mozaïeken van jaspis en porfier. Onder de standbeelden, die zij bevat, behooren die van den Evangelist Marcus en der twaalf Apostelen. Hoe rijk versierd echter, is Venetië's wereldberoemde metropolitaan-kerk niet groot en hoog genoeg om een diepen indruk te verwekken, terwijl het er zelfs op den vollen dag zeer duister is, zoodat alleen des avonds, bij eene schitterende verlichting, hare pracht ten volle uitkomt.

Volgens de overlevering bevat de hoofdkerk het stoffelijk overschot van den Evangelist Marcus, dat door twee venetiaansche kooplieden uit Alexandrië derwaarts zou zijn overgebracht, ten einde het tegen de schennende hand der ongeloovigen te vrijwaren. Deze kostbare reliek werd door de Venetianen met de levendigste geestdrift ontvangen, en bij die gelegenheid de Evangelist tot patroon der stad verkozen.

Onder den bogengang der kathedraal wijst men tegenwoordig nog den porfieren zerk aan, waarop Frederik Barbarossa in 1177 lag neêrgeknield, toen hij door Paus Alexander III van den kerkelijken ban werd ontheven. Deze gebeurtenis maakt ook het onderwerp uit eener fraaie schilderij in het paleis van den doge. Zij stelt het oogenblik voor, waarop de Paus zijn voet op den hals des Keizers zette, en deze, om de diepe vernedering die hij onderging eenigszins te verminderen, zeide: "_Non tibi, sed Petro_" (Niet aan u, maar aan den Apostel Petrus onderwerp ik mij); waarop de kerkvorst trotsch antwoordde: "_Et mihi et Petro_" (Aan mij zoowel als aan Petrus). Althans zoo luidt de traditie. Verlaat men de hoofdkerk door de deur der doopkapel, dan bevindt men zich vlak tegenover den fraaien ingang van het doge-paleis, die _della Carta_ geheeten wordt en in 1439 door den beroemden beeldhouwer Bartolomeo Bon vervaardigd werd. Het gezicht van het Palazzo ducale maakt een eigenaardigen indruk op den beschouwer. De hooge, vestingachtige muren van het gebouw, en zijne smalle en niet overtalrijke vensters doen onwillekeurig aan een saraceenschen oorsprong, aan een oostersch serail denken. Terwijl een der zijden van het groote vierkante paleis naar de metropolitaan-kerk gekeerd is, zien de drie andere zijden uit op de _Piazetta_, op de reede en op de beruchte staats-gevangenissen, waarmede het palazzo aan zijne achterzijde door de _Ponte dei Sospiri_ (Brug der Zuchten) verbonden is.

Dit ontzaglijke paleis, zoo geheel den stempel dragende der machtige, vastgewortelde, in zich zelve gesloten venetiaansche aristokratie, is noch het werk van ééne eeuw, noch van één man. Naar men wil, is het plan voor het tegenwoordige paleis ontworpen door Calendario, omstreeks de helft der veertiende eeuw; verder noemt men onder de opvolgende bouwmeesters: Giovanni en Bartolomeo Bon, Antonio Rizzo, Pietro Lombardo, Palladio en anderen. Binnen in het paleis ziet men bijna alle bouworden, arabische en gothische, renaissance en décadence-stijl dooreen vermengd. De prachtige trap, die van het binnenplein naar den bovenarkadengang voert en waarop de dogen na hunne verkiezing aan het volk werden voorgesteld, heet de Reuzentrap, naar de twee kolossale standbeelden, die op zijne leuning prijken. In de nabijheid van dezen trap ziet men nog openingen in den muur, op de plaats, waar zich vroeger de gapende leeuwenmuilen bevonden met het opschrift: _Denunzie segrete_. Een andere, niet minder fraaie trap, de _Scala d'oro_ of gouden trap genaamd, (zie blz. 32), geleidt naar de elf voornaamste zalen van het paleis. Deze bevatten, behalve een schat van kunstwerken van Titiaan, Tintoretto, Veronese en andere beroemde meesters en van overschoon beeldhouwwerk van Vittoria, een tal van prachtige standbeelden, deuren, lijsten, schoorsteenen en zolderingen van gebeeldhouwd en verguld cederhout, vloeren met kostbare houtsoorten en gesteenten ingelegd, alles zonder eenige overlading. Uitstekend schoon is vooral de Anticollegio-zaal (de _antichambre_ voor de vreemde gezanten). De wanden van dit vertrek zijn door vermaarde meesters geschilderd: terwijl de schoorsteen, door Scamozzi naar eene teekening van Titiaan vervaardigd, tien duizend gouden kronen kostte. Door de Collegio-zaal, waar de vreemde ambassadeurs ten gehoore werden ontvangen, en die door Antonio da Ponte en Compagna, onder het toezicht van Veronese, geschilderd werd, komt men in de zaal van den Senaat of den _Consiglio dei Pregadi_, een soort van scheidsgericht; deze zaal munt uit door hare prachtige zoldering, waaraan de beroemdste beeldhouwers en schilders hunne talenten ten koste legden. Nevens deze vertrekken bevonden zich de folterkamer der inquisitie, en de raadzalen der inquisiteurs en der Tienmannen, die alleen des nachts en nooit anders dan gemaskerd vergaderden. Eene thans dichtgemetselde deur in de zaal der inquisiteuren verschafte toegang tot de Brug der Zuchten (bladz. 45), die naar de kerkers en _piombi_ voerde, waaruit zelden iemand levend terugkeerde. Deze brug joeg den Venetianen eene killer huivering aan, dan het op den vollen dag tusschen de twee zuilen op de Piazzetta, of soms, bij buitengewone gelegenheden, op de Piazza zelve, opgeslagen schavot. De flauwste lichtstraal, die des avonds of des nachts door de tralievensters der brug drong, deed de voorbijgangers op de Slavonische kade schier van schrik verstijven; en wanneer de bark met de roode toorts door het tusschen het palazzo en de gevangenissen gelegen canaletto voer, zou men geen gondelier hebben kunnen bewegen er zijn gondel in te sturen.

Welke gewaarwordingen moeten de deerniswaardige slachtoffers dezer staats-inquisitie vervuld hebben, wanneer des nachts de kleine waterpoort van den kerker openging en zij in de noodlottige bark werden gebracht! Zij ademden dan weder de versche lucht in, zagen door den zwarten sluier, die hun over het hoofd geworpen werd, de sterren aan het luchtgewelf schitteren, en vingen de tonen der feestmuziek op, die door de marmeren gangen van de paleizen der nobili ruischten: tonen, die de zucht tot het leven en naar vrijheid sterker dan ooit in hunne borst deden ontwaken. Maar de schuit verwijderde zich al meer en meer van den wal, de liefelijke tonen stierven weg, en allengs naderde men den mond van het geduchte Orfano-kanaal (bladz. 33), waar het water diep en de bodem slijkerig genoeg was om alle sporen der wandaad, die men bedrijven wilde, uit te wisschen. Weldra was men den staak met het bord voorbij gevaren, waarop de waarschuwing gelezen werd: "Hier mogen geen netten worden uitgeworpen"; en nu werd de schuit aan een der palen vastgelegd in den omtrek van het Madonna-beeld, waarheen de laatste beden en verzuchtingen der ongelukkigen gericht waren; een beeld door de gondeliers daar geplaatst, en waarbij, op kosten van hun gild, alle nachten een lantaren brandde. Nog weinige oogenblikken slechts, en de beul en zijne knechten lieten hun offer, aan handen en voeten gebonden en met een zwaren steen om den hals, in den eeuwig zwijgenden vloed glijden; terwijl de deurwaarder der inquisitie bij het rosse toortslicht het proces-verbaal der straf oefening opmaakte.

Vóórdat wij het hertogelijk paleis verlaten, moeten wij nog een woord over de zaal van den Grooten Raad zeggen, die thans hoofdzakelijk tot boekerij dient; eene boekerij, waartoe Petrarca, door het afstaan van kostbare handschriften, den grond legde, en die eene eeuw later door kardinaal Bessarion, patriarch van Konstantinopel, aanzienlijk verrijkt werd. Deze zaal, die 154 voet lang, 75 vt. breed en 45 voet hoog is, beslaat schier de geheele lengte van den op de reede uitzienden vleugel van het doge-paleis. Een harer reusachtige muurvakken wordt door het vermaarde "Paradijs" van Tintoretto ingenomen, dat eenige duizende figuren bevat.

Tegen de bovenlijst der zaal prijken de beeltenissen van zes-en-zeventig venetiaansche dogen. Op de plaats, waar die van Marino Faliero moest hangen, leest men op een zwart schild: "Dit is de plaats van Marino Faliero, onthoofd om zijne wandaden." Men weet, dat deze Faliero de beroemdste der drie dogen van dien naam was, welke Venetië gehad heeft. De aanleiding tot zijn bekenden aanslag was eene beleediging, hem door Michael Steno, een jong edelman, aangedaan, welk feit de Raad der Veertigen weigerde naar verdienste te straffen. Hierover ten diepste gekwetst, vatte Faliero het plan op, om zich op den ganschen adel te wreken en al de leden van den senaat te vermoorden. Des avonds vóór de volvoering van dit plan werd de tachtigjarige doge echter met zijne medeplichtigen, onder welke ook de architekt van het palazzo ducale, Calendario, behoorde, gevangen genomen, en twee dagen later ter dood gebracht. Het hoofd van den doge werd door den scherprechter van het balkon van het paleis aan het volk vertoond.