Veel Gemin, geen Gewin

Part 6

Chapter 63,862 wordsPublic domain

(Dikkop af.)

KONING. Biron, laat hen niet komen, zij maken ons te schande. 512

BIRON. Wij zijn door de schande heen en wij krijgen een beter roep, Indien er nog slechter acteurs zijn dan de koning en zijn troep.

KONING. Neen, zeg ik, weg daarmee!

PRINSES. Neen, waarde heer, word overreed; een spel, Dat geen der spelers spelen kan, slaagt wèl, Als ijver zwoegt om bijval te verwerven En ijver juist het heele stuk doet sterven; 't Vermaak is groot, als zotheid de' ernst bewaart, De berg een muis, na zwaren arbeid, baart.

BIRON. Een juiste schild'ring van ons spel, mijn vorst!

(Armado komt op.)

ARMADO. Gezalfde, ik smeek u zoo veel mededeeling van uw koninklijken adem af, als noodig is om een koppel woorden van u uiting te geven.

(Armado spreekt zacht met den Koning, en overhandigt hem een papier.)

PRINSES. Is dit een man, die God dient?

BIRON. Van waar die vraag?

PRINSES. Hij spreekt niet als een mensch van Gods maaksel.

ARMADO. Het komt alles overeen uit, mijn schoone, liefelijke honig-monarch; want ik bezweer het u, de schoolmeester is buitengemeen phantastisch, al te, al te ijdel; al te, al te ijdel; doch laat ons dit overlaten aan de fortuna della guerra, zooals men pleegt te zeggen.--Ik wensch u den vrede des gemoeds, allerkoninklijkst dubbelgesternte!

(Armado af.)

KONING. Dit belooft een prachtige heldenvertooning te worden. Hij stelt Hector van Troje voor, de boer Pompejus den Grooten, de dorpsgeestelijke Alexander, Armado's page Hercules, de schoolpedant Judas Maccabæus;

En oogsten die vier helden veel lof in 't eerste bedrijf, Dan wiss'len die vier van kleed'ren en spelen de and're vijf.

BIRON. In 't eerste bedrijf zijn er vijf, zoo 'k gis.

KONING. Neen, neen, maar vier; dit hebt gij mis.

BIRON. De schoolpedant en de blaaskaak, de preekheer, de nar en de jongen; Niets boven de vijf in 't novem, maar anders vindt gij schier Ter wereld zulke vijf niet, een elk op zijn manier.

KONING. Het schip is onder zeil, en stevent fier naar hier. 549

(Dikkop komt op, gewapend, als Pompejus.)

DIKKOP. "Pompejus ben ik,"--

BOYET. Enkel naar den schijn.

DIKKOP. "Pompejus ben ik,"--

BOYET. Luipaard-kniestuk! fijn!

BIRON (tot Boyet). Braaf, oude spotter! laat ons vrienden zijn.

DIKKOP. "Pompejus ben ik, die de Lange heet,"--

DUMAINE. De Groote! de Groote!

DIKKOP. "De Groote", o ja! "Pompejus, die de Groote heet, En vaak in 't veld met schild en zwaard mijn vijand zweeten deed; Nu kom ik hier aan deze kust, en land toevall'ger wijs. En leg mijn spiets hier aan den voet der maagden van Parijs."

Als uwe edelheid nu wilde zeggen: "Dank, Pompejus," dan was ik klaar.

PRINSES. Grooten dank, groote Pompejus.

DIKKOP. Zooveel is het niet waard; maar ik hoop, ik heb het goed gekend. Ik maakte een kleinen flater bij "Groote".

BIRON. Mijn hoed tegen een halven stuiver, dat Pompejus de beste der Helden blijkt.

(Nathanaël komt op, als Alexander.)

NATHANAëL. "Oost, west en zuid en noord verwon ik na elkander; De aard was, toen ik op aarde was, mijn knecht; Mijn wapenschild getuigt, dat ik ben Alisander";--

BOYET. Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.

BIRON. O neuswijs ridder, die hem met den neus weerlegt!

PRINSES. De wereldvorst ontstelt; ga voort, goede Alexander.

NATHANAëL. "Oost, west, en zuid en noord verwon ik na elkander",--

BOYET. 't Is waar, 't is juist, dit deedt gij, Alisander.

BIRON. Pompejus de Groote!

DIKKOP. Uw dienaar, heer, en Dikkop.

BIRON. Weg met den wereldvorst, verwijder Alisander! 576

DIKKOP (tot Nathanaël). O geestelijke heer, gij hebt Alisander, den wereldvorst, omvergeworpen. Daarvoor zult gij van de wandtapijten worden uitgekrabd, en uw leeuw, die met een houwbijl op een nachtstoel zit, zal aan Caxtor gegeven worden; die zal de negende Held zijn. Een wereldvorst, en bang om te praten! Maak u van schaamte uit de voeten, Alisander! (Nathanaël gaat heen.) Ja, met verlof van uw edelheid, een mal goedhartig man, een beste man, ziet gij, maar gauw uit het veld geslagen! Hij is een opperbeste buur, ja, zeker, en een goed kegelaar; maar als Alisander,--nu gij ziet, hoe het is;--die rol is hem wat te zwaar.--Maar er komen nog Helden, die wel anders van zich af zullen spreken!

PRINSES. Ga wat op zijde, goede Pompejus.

(Holofernes komt op, gewapend, als Judas Maccabæus; en Mot, gewapend, als Hercules.)

HOLOFERNES. "Den grooten Hercules ziet gij in dezen kleuter, Die Cerb'rus met de knots versloeg, den driekop-canis; Die, toen hij nog een zuig'ling was, een wicht en peuter, Aldus twee slangen doodde met zijn kleine manus. Quoniam de onmondigheid het spreken hem verbiê, Ergo kom ik en spreek hier deze apologie." (Tot Mot.) Wees statig bij uw exit en verdwijn.

(Mot treedt ter zijde.)

"Judas ben ik",--

DUMAINE. Een Judas!

HOLOFERNES. Niet Iscarioth, heer.-- "Judas ben ik, gebijnaamd Maccabæus."

DUMAINE. Dus, valt de bijhang weg, eenvoudig Judas.

BIRON. Een kussende verrader!--Toon uw Judasschap!

HOLOFERNES. "Judas ben ik,"--

DUMAINE. 't Is zonde en schande, Judas.

HOLOFERNES. Wat meent gij, heer?

BOYET. Dat gij beginnen moest met u op te hangen.

HOLOFERNES. Ga gij dan voor, heer; uw leeftijd heeft den voorrang.

BIRON. Goed geantwoord, Judas, den voor-hang.

HOLOFERNES. Ik wil hier niet voor 't hoofd gestooten zijn.

BIRON. Wees gerust, gij hebt geen hoofd.

HOLOFERNES. Wat is dit dan? 613

BOYET. Het hoofd van een cither.

DUMAINE. De kop van een speld.

BIRON. Een doodshoofd op een ring.

LONGAVILLE. Een afgesleten kop van een Romeinsche munt.

BOYET. De knop van Cæsars sabel.

DUMAINE. De gesneden beenen knop van een kruithoornstop.

BIRON. Sint George's halve kop van een borstspeld.

DUMAINE. Ja, in een looden rand gezet.

BIRON. Ja, en door een kiezentrekker op zijn muts gedragen. En nu vooruit! wij hebben 't hoofd u opgebeurd.

HOLOFERNES. Gij hebt het hoofd mij doen verliezen.

BIRON. Onwaar; wij hebben elk u 't hoofd geboden.

HOLOFERNES. Maar ik raakte er telkens 't hoofd door kwijt.

BIRON. Al waart gij een leeuw, wij hadden 't gedaan.

BOYET. Maar omdat hij een ezel is, moge hij gaan; Of neen, hij is asch, die verstuift voor den wind. Vaarwel, beste Juud!--Nu, waar wacht gij nog op?

DUMAINE. Hij wenscht voor zijn naam nog den staart bij den kop.

BIRON. Nu Juud, ga maar ras, want die asch maakt u blind.

HOLOFERNES. Dit is niet beleefd, niet grootmoedig, niet edel.

BOYET. Licht Judas eens bij, of hij stoot zich den schedel.

(Holofernes af.)

PRINSES. Ach, arme Maccabæus, wat had hij het daar te kwaad.

(Armado komt op, gewapend, als Hector.)

BIRON. Verberg uw hoofd, Achilles; Hector komt, gewapend.

DUMAINE. Al krijg ik ook mijn spotten thuis, nu wil ik hart'lijk lachen.

KONING. Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.

BOYET. Maar is dit werk'lijk Hector? 641

KONING. Ik geloof, dat Hector niet zoo sierlijk gebouwd was.

LONGAVILLE. Zijn been is te rond voor Hectors been.

DUMAINE. Te malsch, zeker.

BOYET. Neen, hij is op den enkel nog het meest gevleesd.

BIRON. Dit kan Hector niet zijn.

DUMAINE. Hij is of een god of een schilder, want hij trekt gezichten.

ARMADO. "De wonderstrijdb're Mars, almachtig met de speer, Schonk Hector, de' erfgenaam van Ilion, een gave":--

DUMAINE. Een vergulde muskaatnoot.

BIRON. Een Sinaasappel.

LONGAVILLE. Met nagels bestoken.

DUMAINE. Neen, doornageld met nagels.

ARMADO. Stil!-- "De strijdb're Mars, almachtig met de speer, Schonk Hector, de' erfgenaam van Ilion, een gave: In 't veld, van 's morgens vroeg tot 's avonds in de weer Met strijden, werd hij toch nooit ademloos, die brave. Ik ben die bloem,--"

DUMAINE. Die kruizemunt.

LONGAVILLE. Die distel.

ARMADO. Beste heer Longaville, beteugel uw tong.

LONGAVILLE. 'k Moet haar eer den teugel vieren, want zij rent op Hector aan.

DUMAINE. Ja, en Hector is een hazewind.

ARMADO. De dierbare krijgsman is dood en verrot; o mijn lieve duifjes, dorscht niet het gebeente des begravenen; toen hij ademde, was hij een man.--Maar ik wil voortgaan met mijn taak. (Tot de Prinses.) Koninklijke liefelijkheid, neig tot mij den zin uws gehoors.

(Biron fluistert Dikkop iets in.)

PRINSES. Spreek, dappere Hector, gij verlustigt ons zeer.

ARMADO. Ik aanbid uwer liefelijke hoogheid pantoffel.

BOYET. Hij bemint haar bij den voet. 674

DUMAINE. Bij de roede is het hem niet vergund.

ARMADO. "Ik Hector overtrof zeer verre Hannibal,--"

DIKKOP. Zij is ver heen, kameraad Hector, zij is ver heen; zij is al twee maanden op weg.

ARMADO. Wat bedoelt gij?

DIKKOP. Wel als gij niet een eerlijk Trojaan met haar speelt, dan is de arme deerne verloren; zij heeft leven, het kind speelt al op; het is van u.

ARMADO. Infamoneert gij mij voor de potentaten? gij zult sterven.

DIKKOP. Dan zal Hector gegeeseld worden om Jacquenetta, die door hem leven heeft, en gehangen worden om Dikkop, die door hem dood is.

DUMAINE. Allervoortreffelijkste Pompejus!

BOYET. Roemruchte Pompejus!

BIRON. Grooter dan groot, groote, groote, groote Pompejus! Pompejus de Reus!

DUMAINE. Hector siddert.

BIRON. Pompejus is ontvlamd.--Meer Ate's, meer Ate's! hitst hen aan! hitst hen aan!

DUMAINE. Hector moet hem uitdagen.

BIRON. Ja, al had hij maar zooveel bloed in 't lijf, als een vloo voor haar avondmaal gebruikt.

ARMADO. Bij de morgenster, ik daag u uit.

DIKKOP. Ik wil niet vechten met een morgenster, als een schubbejak; hakken wil ik; ik wil vechten met het zwaard.--Ik bid u, geef mij mijn wapens van straks weer.

DUMAINE. Plaats voor de ontvlamde helden!

DIKKOP. Ik wil in mijn hemdsmouwen vechten.

DUMAINE. Resolute Pompejus!

MOT. Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken. Ziet gij niet, dat Pompejus zich reeds ontkleedt om te vechten? Wat wilt gij? Gij zult uw geheele reputatie te grabbelen gooien.

ARMADO. Edele heeren en soldaten, vergeeft mij; ik wil niet in mijn hemdsmouwen vechten.

DUMAINE. Dit moogt gij niet weigeren. Pompejus heeft u uitgedaagd.

ARMADO. Dierbare vrienden, ik mag en wil weigeren.

BIRON. Welke reden hebt gij er voor? 715

ARMADO. De naakte waarheid er van is, ik heb geen hemd; ik draag de wol op het lijf voor boete.

BOYET. Dat is waar, en het is hem in Rome opgelegd wegens gemis van linnen; en sinds dien tijd heeft hij,--ik wil er op zweren,--geen ander gedragen, dan een van Jacquenetta's vaatdoeken, en dit draagt hij vlak op zijn hart bij wijze van minnepand.

(Mercade komt op.)

MERCADE. God hoede uw hoogheid!

PRINSES. Welkom, vriend Mercade, Hoewel gij ons in onze kortswijl stoort.

MERCADE. Het doet mij leed, vorstin; want wat ik breng, Ligt zwaar mij op de tong.--Uw hooge vader--

PRINSES. Zoo waar ik adem, dood!

MERCADE. Zoo is mijn boodschap.

BIRON. Gij helden, weg! Omwolkt wordt dit tooneel.

ARMADO. Ik voor mijn deel, ik adem den adem der vrijheid. Ik heb het daglicht des smaads door de kleine spleet des verstands ontwaard, en ik zal mij voldoening verschaffen gelijk een krijgsman.

(De Helden af.)

KONING. Hoe gaat het uwe hoogheid?

PRINSES. Zorg voor de reis, Boyet; ik ga deze' avond.

KONING. Zoo haastig niet, vorstin; ik bid u toef!

PRINSES (tot Boyet). Zorg voor de reis.--Ik dank u, waarde heeren, Voor al uw vriendlijke' ijver; en ik bid u, Met versch gewond gemoed, dat uwe wijsheid, In oordeel rijk, ontschuldig' en bedekk', Dat onze dart'le luim u tegentrad; Zoo onze moedwil in gesprek en omgang Te ver ging, was uw gulle hoff'lijkheid De schuld er van.--Vaarwel, doorluchte vorst! Een hart, dat zwaar is, heeft geen gladde tong; Ontschuldig dus, dat ik in dank te kort schiet Voor 't willig toestaan van mijn groot verzoek.

KONING. Vaak voert de tijd, aan 't uiterst eind voleindend, Der dingen loop nog naar 't beoogde doel; Vaak, als hij afscheid neemt, beslist hij plots'ling Wat, lang gewogen, niet werd uitgemaakt; Het treurend voorhoofd van een dochter moge Aan liefdes lachend vleien 't vroom verzoek Verbieden, dat zoo gaarne wierd erlangd, Toch stoote, daar de liefde 't eerst het woord nam, De wolk des kommers haar niet weg van 't doel, Door haar gewenscht. Want om verloren vrienden Te weenen, is veel minder heilzaam, dan De vreugd om vrienden, die men nieuw verwierf.

PRINSES. Ik kan u niet verstaan; mijn leed is dof. 762

BIRON. 't Eenvoudig woord dringt best in 't oor van 't leed; Erkent des konings hart uit deze teekens: Om uwentwil verspilden we onzen tijd En speelden met onze eeden. Uwe schoonheid Heeft ons vervormd, ons denken en ons doen In 't tegendeel verkeerd van onze ontwerpen; En wat in ons belachlijk schijnen mocht,-- Zooals de liefde vol verkeerdheid is, Moedwillig, rustloos, ijdel als een kind, Door 't oog verwekt, en daarom, als het oog, Vol vreemde vormen, hulsels en gestalten, Veranderlijk van richting, zooals 't oog Van beeld tot beeld in stâge wiss'ling rolt,-- Indien het bont gewaad van dart'le liefde, Dat wij aantogen, in uw hemelsche oogen Niet goed stond aan onze' eed en onzen erns Welnu, die hemelsche oogen, die ons gispen, Verleidden ons er toe. Zoo onze liefde U toebehoort, behoort u ook de dwaling, Die liefde pleegt. Wij zijn ons zelve ontrouw, Zijn eens ontrouw, om eeuwig trouw te zijn Aan haar, die beide ons maken,--schoonen, u! En deze trouwbreuk, zondig op zichzelf, Wordt zóó gelouterd, wordt de reinste deugd.

PRINSES. We ontvingen uwe brieven, vol van liefde, Uw gaven, de afgezanten uwer liefde, En achtten die, in onzen juff'ren-raad, Als luchte scherts, galanterie en spel, Als opsmuk, die den tijd een aanzien geeft; Maar verder moest bij ons, naar onze schatting, 't Geloof niet gaan; en daarom hebben wij Uw min met de eigen munt, met scherts, betaald.

DUMAINE. In onze brieven was veel meer dan scherts.

LONGAVILLE. In onze blikken ook.

ROSALINE. Wij dachten 't anders.

KONING. Zoo schenkt ons nu, in de uiterste minuut, Uw liefde nog.

PRINSES. De tijd is veel te kort Om zoo voor 't leven een verdrag te sluiten. Neen, neen, mijn vorst, gij steekt te diep in schuld, In zwaren meineed; daarom, hoor mij aan. Zoo ge om mijn min,--schoon zonder een'gen grond,-- 802 Iets wilt volbrengen, doe dan dit om mij: Uw eeden, neen, vertrouw ik niet,--maar ijl Fluks naar een woeste, kale kluiz'narij, Recht ver van al de vreugden dezer wereld; Toef daar, tot met het twaalfde hemelteeken Éénmaal de zon haar kringloop heeft voleind. Indien dit streng en afgezonderd leven Het aanbod van uw vurig bloed niet dooft, Zoo koude en vasten, dun gewaad, hard bed, De bonte bloesems van uw min niet knakken, Als die de proef doorstaat en liefde blijkt, Kom dan na de' afloop van het jaar mij vord'ren, Mij vord'ren als het loon, door u verdiend; En bij deez' maagdenhand, die de uwe kust, Dan wil ik de uwe zijn; maar tot dien tijd Begraaf ik in een rouwhuis nu mijn kommer, En regen daar de tranen van mijn leed, Bij 't droef herdenken van mijns vaders dood. Wilt gij dit niet, dan scheide hand van hand, En geen van ons heeft woord en hart verpand.

KONING. Indien ik dit, en meer dan dit, niet doe, En traag aan rust mijn krachten prijs wil geven, Dan drukk' terstond de dood mijn oogen toe! Mijn hart zal enkel in uw borst nog leven.

BIRON. [En wat voor mij, mijn liefde? wat voor mij?

ROSALINE. Gij moet gelouterd worden van uw zonden; Besmet zijt gij met feilen en met eedbreuk; Daarom, zoo gij mijn gunst verwerven wilt, Moet gij tot boete een jaar lang, zonder rust, Het smart'lijk bed van kranken gaan bezoeken.]

DUMAINE. En wat gunt gij, mijn lief, wat gunt gij mij? Een vrouw?

CATHARINA. En, driewerf lief, deez' drie er bij: Welzijn, een baard, en echte mannentrouw.

DUMAINE. O, mag ik zeggen: "Dank u, lieve vrouw?"

CATHARINA. Geenszins, mijn heer. Een jaar lang hoor ik niet, Wat liefde een minnaar, glad van wang, mij biedt; Kom, als de koning komt tot zijn juweel, Dan krijgt gij, heb ik rijk'lijk liefde, uw deel.

DUMAINE. Ik dien zoolang u trouw en onbezweken.

CATHARINA. Zweer niet, om niet nog eens een eed te breken.

LONGAVILLE. Wat zegt Maria?

MARIA. Na een jaar van rouw Ruil ik voor 't zwart een vriend, mits waar en trouw.

LONGAVILLE. Dan wil ik wachten; maar de tijd is lank.

MARIA. Als gij; slechts weinig knapen zijn zoo slank. 846

BIRON. Mijn jonkvrouw peinst? Voogdesse, zie mij aan. Lees in het venster van mijn hart, mijn oog, Wat need'rig aanzoek daar uw antwoord wacht: Leg een'gen dienst mij op voor uwe liefde.

ROSALINE. 'k Had vaak, mijn heer Biron, van u gehoord, Eer ik u zag; de groote tong der wereld Verklaart u voor een man, vervuld van spot, Van steek'lig vergelijken, scherpe zetten, Die gij voor alles in gereedheid hebt, Wat in 't bereik komt van uw geestigheid. Om de' alsem uit uw weeld'rig brein te wieden En daardoor mij te winnen, zoo gij 't wenscht,-- Want zonder dit, neen, ben ik niet te winnen,-- Moet gij dit gansche jaar, en dag aan dag, Spraaklooze kranken troosten, steeds verkeeren Met arme kermers; en ik leg u op, Met al het drieste vuur van uw vernuft Aan krachtloos leed een glimlach af te dwingen.

BIRON. Den strot des doods een wilden lach te ontpersen? Dit kan niet zijn; 't is een onmoog'lijk doen; Geen ziel in doodstrijd geeft aan scherts gehoor.

ROSALINE. Nu, zoo wordt best een spotgeest uitgebannen, Wiens krachten uit den voozen bijval stammen, Dien dwaze lachers schenken aan een nar; Heel de opgang van een scherts ligt in het oor Van wie haar hoort, niet in de tong van hem, Die haar bedacht; dus, zoo eens kranken oor, Doof voor de kreten zijner eig'ne smart, Uw ijd'len spot verwelkomt,--ga dan voort, Ik neem u dan met dit gebrek en al; Maar is 't zoo niet, werp dan den spotgeest uit, En ik zal, om uw beet'ring recht verblijd, U van dit boos gebrek gereinigd vinden.

BIRON. Een jaar? Nu, 't loopt ten eind; geen hinderpaal! Twaalf maanden scherts ik in een hospitaal.

PRINSES (tot den Koning). Ja, waarde vorst, en hiermeê neem ik afscheid.

KONING. Neen, gun dat wij een eindweegs u geleiden.

BIRON. Niet als een blijspel-einde is dit ons scheiden, Hans heeft Griet niet; doch met der dames gunst Wierd onze klucht een blijspel, hoog're kunst.

KONING. Nu, slechts een jaar, dan eindt dit in geluk.

BIRON. Een jaar! te lang voor een comediestuk!

(Armado komt weder op.)

ARMADO. Beminnenswaardige majesteit, vergun mij,-- 888

PRINSES. Was hij niet Hector?

DUMAINE. De edele Trojaansche ridder.

ARMADO. Ik wil uw doorluchten vinger kussen en afscheid nemen. Ook ik heb een gelofte gedaan; ik heb aan Jacquenetta gezworen voor haar zoete min drie jaren den ploeg te voeren. Maar, hooggeschatte grootheid, wilt gij de samenspraak hooren, dewelke de twee geleerde mannen hebben opgesteld tot lof van den uil en den koekoek? Zij had op het eind onzer vertooning moeten volgen.

KONING. Roep vlug hen hier; wij willen dit nog hooren.

ARMADO. Hé daar! treedt nader.

(Holofernes, Nathanaël, Mot, Dikkop en Anderen komen op.)

Deze zijde is Hiems, de Winter; deze Ver, de Lente; de een door den uil, de ander door den koekoek bijgestaan.--Ver, begin.

LIED.

DE LENTE.

Als 't madeliefje wit en geel Met sleutelbloem de velden kleurt, De winde gluurt door 't jong struweel En 't blauw viooltje lieflijk geurt,-- Dan schuilt de koekoek in het woud, En plaagt de mannen met zijn kout: "Koekoek! Koekoek, koekoek!"--o boos geluid, Waar meen'gen man het oor van tuit!

Als herders spelen op hun riet, En leeuw'rikzang den ploeger wekt, En Griet haar zomerkleed begiet, Duif, roek en meerkol trekkebekt,-- Dan schuilt de koekoek in het woud, En plaagt de mannen met zijn kout: "Koekoek! Koekoek, koekoek!--o boos geluid, Waar meen'gen man het oor van tuit!

DE WINTER.

Als ijzel hangt aan goot en muur, En scheper Piet blaast in de hand, En Klaas de blokken brengt voor 't vuur, De melk bevroren komt van 't land, De weg vol sneeuw is, kil het bloed,-- Dan roept de nachtuil welgemoed: "Toehoe! Toewit, toehoe!"--een blij geluid, Als Trui de bierpap roert en kruidt!

Als luid de windvlaag wordt gehoord, De musch verkleumd zit en verstijfd, En hoesten heerooms preêk versmoort, Katrijn haar paarsen neus vaak wrijft, De ketel appels sissen doet,-- Dan roept de nachtuil welgemoed: "Toehoe! Toewit, toehoe!"--een blij geluid, Als Trui de bierpap roert en kruidt!

ARMADO. De woorden van Mercurius zijn hard en ruw na de gezangen van Apollo.--Gij dien weg, wij dezen!

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

De eerste uitgave, die wij van dit blijspel bezitten, verscheen in 1598, in quarto, en draagt den volgenden titel: A Pleasant Conceited Comedie Called, Loues labors lost. As it was presented before her Highnes this last Christmas. Newly corrected and augmented. By W. Shakespeare. Imprinted at London bij W. W. for Cutbert Burby. 1598 [1]. De uitgever, Burby, heeft zijn recht op dit stuk, blijkens de registers van het boekverkoopersgilde, in 1606, aan een ander overgedragen; dat deze het op nieuw heeft uitgegeven, blijkt niet. De tekst der eerste quarto-uitgave is in de folio-uitgave voor het eerst weder afgedrukt, en er in overgegaan met de meeste drukfouten: enkele oude drukfouten zijn verbeterd, maar er komen ook slechtere lezingen in voor; de folio-uitgave voegt de slotwoorden: "Gij dien weg, wij dezen" bij den tekst der quarto-uitgave, maar laat, zeer ten onrechte, in het eerste tooneel van het derde bedrijf reg. 84-93 (blz. 203: "Ik wil u een voorbeeld geven" enz.) uit, en kent in de woordenwisseling tusschen Biron en Rosaline (II. 1. 180. blz. 200) "Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen" enz. de gezegden van Biron verkeerdelijk aan Boyet toe. De folio-uitgave moge iets zorgvuldiger gedrukt zijn, eenige drukfouten verbeterd hebben, zij is geenszins beter dan de quarto-uitgave.

Het stuk was alzoo in 1598 reeds geschreven; de vermelding, dat het op Kersttijd voor de Koningin gespeeld is, kan doen denken, dat het in 1597 gereed was, doch dit is niet zeker, daar het jaar 1598 eerst 24 Maart 1599 eindigde. Ondertusschen ook Meres vermeldde het in dat zelfde jaar in zijn Palladis Tamia. (Zie blz. 121.) Naar alle waarschijnlijkheid was het stuk verscheiden jaren ouder. De bijvoeging op den titel der quarto-uitgave: "Newly corrected and augmented" zou dit doen vermoeden, als die uitdrukking niet zoo vaak, bij voorbeeld bij de afzonderlijke uitgaven van Richard III, alleen uit speculatie ten onrechte ware bijgevoegd; ondertusschen is het hier mogelijk, dat een paar plaatsen ter gelegenheid van de vertooning voor de Koningin, door den dichter meer zijn uitgewerkt, zooals nader in de aanteekeningen wordt aangewezen. Maar het stuk zelf draagt de blijken, dat het tot de eerstelingen des dichters behoort, tot het tijdperk, waarin hij ook de "Twee Edellieden van Verona" en "De Klucht der Vergissingen" schreef; de geheele geest van het stuk, de knuppelverzen, de vele afwisselend rijmende regels enz. bewijzen dit ten duidelijkste; hierbij komt nog, dat het dansende paard, waar I. 2. 57 van gesproken wordt, reeds in 1589 in Londen vertoond werd; de toespeling zou eenige jaren later niet begrepen zijn.--Dat het stuk langen tijd door het publiek gaarne gezien werd, kan hieruit blijken, dat het in 1631, naar den tekst der folio-uitgave, nog eens in quarto werd gedrukt.