Part 5
MARIA. Die paar'len zendt mij Longaville, en dit: Een brief, een mijl te lang en zonder pit.
PRINSES. Dit zal wel zijn. Gij wenschtet,--biecht het maar,-- Dat die recht kort, het snoer veel langer waar'?
MARIA. Zoo is 't; ik deelde 't, wierd het dan te zwaar.
PRINSES. Hoe wijs, met onze aanbidders zoo te spotten!
ROSALINE. Die spot zoo koopen, zijn nog grooter zotten. 'k Hoop dien Biron hier nog de wiek te knotten! O hadde ik hem ook maar een week tot slaaf! Hoe zou hij kwisp'len, hijgen van 't gedraaf, Naar 't oog mij zien, mij smeeken, stott'ren, lijmen, Zijn geest verkwisten in onnutte rijmen, Mij dienen op mijn wenk, op mijn gedachte, Er trotsch op zijn, als ik hem trotsch belachte! Ik zou hem met mijn oogen zoo belezen, Dat ik zijn noodlot, hij mijn nar zou wezen.
PRINSES. Niets loopt zoo in den val, als wijsheid doet, Die dwaas werd; dwaasheid, die een wijze voedt, Vindt kracht in wijsheid, wetenschap en geest; Wàt nar genot schenk', de geleerde 't meest.
ROSALINE. Geen jeugdig bloed, dat zoo ontvlamt, zoo raast Als deftigheid, door dartelheid verdwaasd.
MARIA. Van minder merk is dwaasheid in de dwazen, Dan in den wijze, wiens vernuft gaat razen; Want al zijn kracht wendt het vernuft dan aan, Om, hoe verdwaasd, voor wijs nog door te gaan.
PRINSES. Daar komt Boyet: zie hoe hij zich verkneukelt.
(Boyet komt op).
BOYET. Prinses, o, 'k ben van 't lachen schier gestikt.
PRINSES. Wat is er? 81
BOYET. Vlug! maakt u gereed! staat klaar! Ten strijd! ten strijd! uw vrede is in gevaar. Met argumenten zwaar gewapend naakt. Vermomde liefde en overvalt u; waakt! Roept, elk, uw geest op, schaart u, weest geducht, Of bergt uw hoofd als lafaards, en ontvlucht.
PRINSES. Sta, Sint Denis, dan Sint Cupido! Spreek, Wie richt op ons zijn adem en gesmeek?
BOYET. In koele schaduw, onder vijgeboomen, Wilde ik een middaguurtje sluim'ren, droomen; Daar kwam, als om mij in mijn rust te kwellen, De koning aan met al zijn eedgezellen, Juist naar dat plekje; zachtkens borg ik mij, En sloop in 't kreupelboschje vlak er bij, En heb, wat gij van mij verneemt, vernomen: Dat zij op 't oogenblik vermomd hier komen. Een kleine schelmsche page is hun heraut, Die goed zijn boodschap weet en vlug ontvouwt. Zij leerden daar hem voordracht en gebaren: "Hier moet ge op drukken, goed dien stand bewaren," Maar vreesden telkens, dat hij, bij 't genaken Der hooge dames in de war zou raken. De koning zeide: "Een engel zult ge aanschouwen, Maar ducht toch niets; spreek moedig, met vertrouwen." Toen sprak de knaap: "Een engel is niet kwaad; Maar was ze een duivel, dan wist ik geen raad." Elk klopt hem op den schouder, lacht, en geeft Door lof hem nog meer moed, dan hij reeds heeft. Éen wreef zich de' elboog en riep lachend uit: "Nooit hoorde ik beter antwoord; 't is een guit;" Een knipt er met zijn vinger en zijn duim, En roept: "Het gaat! elk dralen is verzuim!" Een derde springt, en roept: "Goed, bij mijn ziel!" De vierde maakte een pirouette en viel. En daarop tuim'len allen op den grond, En barst er zulk een lachen uit in 't rond, Dat, als om hunne dolheid te beweenen, Er weemoedsdroppels in hun oog verschenen.
PRINSES. Ons wacht dus een bezoek van 't eedgespan?
BOYET. Zij komen daar reeds aan, en,--'t fraaiste er van,-- Als Russen, Muscovieten; 't schijnt hun plan, Te praten, 't hof te maken en te dansen; Dan waagt in 't minnestrijdperk elk zijn kansen Bij de uitverkoren schoone, kenbaar wis Aan 't minnepand, dat pas gezonden is.
PRINSES. Is dit hun plan, dan willen wij hen plagen 126 En meisjes, elk van ons een masker dragen; En geen der mannen zal van een der vrouwen, Hoe roerend hij ook smeek', 't gelaat aanschouwen. Hier, Rosaline, neem gij mijn juweelen; Des konings eed moge uw gehoor nu streelen; Hier, neem; en dat uw sieraad mij nu diene; Dan houdt Biron wis mij voor Rosaline.-- En gij ruilt ook; bedrogen door den schijn, Zal 't minnen van uw ridders kruiswijs zijn.
ROSALINE. Ja, ja; en 't minnepand vall' goed in 't oog.
CATHARINA. Maar wat is bij die ruiling wel uw doel?
PRINSES. Mijn doel is enkel, 't hunne te weêrstreven. Zij scheppen, zoo gij ziet, in spot vermaak; Mijn doel is spot voor spot; ziedaar de zaak. Zoo stoot een ieder aan 't verkeerde hart Zijn boezem uit; en spot wordt hun een gard, Wanneer wij onvermomd elkaâr ontmoeten En zij op nieuw met minnetaal ons groeten.
ROSALINE. En dansen wij met hen, wanneer zij 't vragen?
PRINSES. Bij halsstraf, neen; dit hebt gij niet te wagen! Ook hun proloog wordt niet door ons geëerd; Wij maken, als die aanvangt, rechtsomkeert.
BOYET. Zulk een verguizing brengt den spreker om, Doet hem zijn rol vergeten, maakt hem stom.
PRINSES. Dit wensch ik juist; ik weet, als hij blijft steken, Is ook bij de and'ren wis de moed geweken. Dit noem ik scherts, als scherts een scherts verdrijft, De hunne vlucht en 't veld aan de onze blijft. Wij blijven en bespotten hun complot, En zij, zij trekken af met schimp en spot.
(Trompetgeschal achter het tooneel.)
BOYET. Hoort! snel de maskers voor; de maskers komen!
(De Dames doen de maskers voor.)
(De Koning, Biron, Longavllle en Dumaine komen op, gemaskerd en in Russische kleederdracht, verder Mot, Muzikanten en Gevolg.)
MOT. "Heil u, glansrijkste schoonheden der aard!"
BOYET. Schoonheid, zoo glansrijk als een glansrijk taf!
MOT. "Gij, heilig viertal van de schoonste dames,"
(De Dames keeren hem den rug toe.)
"Die ooit den--rug--naar mannenoogen keerden."
BIRON (ter zijde tot Mot). "Den blik", gij lomperd, "den blik!"
MOT. "Die ooit den blik naar mannenoogen keerden! 161 "Uit--uit--"
BOYET. Zoo, zoo; 't is uit, naar 't schijnt.
MOT. "Uit hemelgoedheid moge 't u behagen, Niet aan te zien,"--
BIRON (ter zijde tot Mot). "Ons aan te zien", schavuit!
MOT. "Ons aan te zien met heerlijk zachten blik,--met heerlijk zachten blik,--
BOYET. Zij vinden dit epitheton niet goed; Eer moest gij zeggen: vrouw'lijk zachten blik.
MOT. Zij luist'ren niet, dit brengt mij in de war.
BIRON. Is dat uw wakker leeren? voort, schavuit!
ROSALINE. Wat wenschen deze vreemden? vraag 't Boyet. Verstaan zij onze taal, dan melde een hunner Eenvoudig weg, wat zij hier komen doen; Vraag dit.
BOYET. Wat wenscht gij, spreekt, van de prinses?
BIRON. Een heuschen groet en vriendelijke ontvangst.
ROSALINE. Wat is, naar wat zij zeggen, hun verlangst?
BOYET. Een heuschen groet en vriendelijke ontvangst.
ROSALINE. 'k Verleen die beide; dat ze in vrede gaan!
BOYET. Zij zegt, die hebt gij, en kunt gaan in vrede.
KONING. Meld haar, wij maten vele, vele mijlen herwaarts, Om 't veld hier maatvast met haar rond te gaan.
BOYET. Zij zeggen: vele mijlen maten ze af Om 't veld hier maatvast met u rond te gaan.
ROSALINE. Dit is zoo niet. Maar vraag hun, hoeveel duim Één mijl bevat; zoo zij er vele maten, Is dit van ééne mijl terstond gezegd.
BOYET. Hebt ge op uw reize mijlen uitgemeten,-- En vele mijlen,--dan vraagt de prinses, Te zeggen, hoeveel duim één mijl bevat.
BIRON. Zeg haar, wij maten die met moede schreden.
BOYET. Zij hoort u zelve.
ROSALINE. Hoevele moede schreden, Bij vele moede mijlen, die gij gingt, Hebt gij bij 't reizen in één mijl geteld? 197
BIRON. Wij tellen niets, wat wij om u verrichten; Ons plichtsbesef is zoo onmeet'lijk rijk, Dat wij dit zonder reek'nen kunnen kwijten.-- Gun ons den zonneschijn van uw gelaat, Opdat wij, als de wilden, dien aanbidden.
ROSALINE. Een maan is 't, en bewolkt: geen zweem van schijn.
KONING. O zaligheid, een wolk als die te zijn! Maar schijn, o maan, met deze uw sterren, hel, Van wolken vrij, op onzer tranen wel.
ROSALINE. Wensch beter! dit is ijdel klankgeklater; Wat vraagt gij dan wat maneschijn op 't water?
KONING. Zoo wissel dansend passen met uw gast; Gij zegt mij, vraag! die bede is wel gepast.
ROSALINE. Het zij; muziek! Maar vang gij daadlijk aan.
(De muziek begint.)
Nog niet?--Geen dans dan!--'k Wissel als de maan.
KONING. Nu weer geen dans? waarom zoo streng en straf?
ROSALINE. 't Was juist daar volle maan; nu neemt zij af.
KONING. Toch blijft zij steeds de maan, en ik de man. Hoor die muziek; laat haar beweging groeten.
ROSALINE. 'k Begroet haar met mijn oor.
KONING. Doe 't met de voeten.
ROSALINE. Gij zijt hier vreemd; en daarom zijn wij thans Niet preutsch; reik ons de hand;--neen, neen, geen dans!
KONING. Gij reikt de hand?
ROSALINE. Tot afscheids-gunstbetuiging;-- De dans is uit; nu, meisjes, volge uw buiging.
KONING. Geef nog wat toe; wat karig gunstbewijs!
ROSALINE. Neen, gij bekomt niets meer voor dezen prijs.
KONING. Gij prijst uzelf? Wat koopt uw vriendschap dan?
ROSALINE. Uw heengaan slechts.
KONING. Het een'ge, wat niet kan.
ROSALINE. Geen zaken dus. En ons vaarwel volgt nu, Een dubbel voor uw mom, een half voor u.
KONING. Wilt gij niet dansen, praten wij dan meer. 228
ROSALINE. Bij paren dan.
KONING. O dit behaagt mij zeer.
(De Koning wandelt met Rosaline voort.)
BIRON. O leliehand, één zoet woord van uw mond!
PRINSES. Melk, honig, suiker, drie voor één terstond.
BIRON. Twee drieën dan; ik doe 't u aanstonds na: Mee, most en sek.--'t Is goed geworpen, ja; Een zoete zes!
PRINSES. Vaarwel dan, zoete zeven; Niets meer! gij zijt me in 't dobb'len te bedreven.
BIRON. Één heim'lijk woord nog.
PRINSES. Dit zij dan niet zoet.
BIRON. Gij maakt mij gallig.
PRINSES. Bitter dus?
BIRON. 't Waar' goed.
(Biron en de Prinses wandelen voort.)
DUMAINE. Vergun mij 't wiss'len van een woord of twee.
MARIA. Spreek!
DUMAINE. Schoone jonkvrouw!
MARIA. Schoone cavalier! Daar hebt ge er twee voor twee.
DUMAINE. O gun mij snel Nog één vertrouw'lijk woord; en dan, vaarwel!
(Dumaine en Maria wandelen voort.)
CATHARINA. Uw masker heeft geen tong dus in den mond?
LONGAVILLE. 'k Weet, jonkvrouw, wel den grond, waarop gij 't vraagt.
CATHARINA. O vlug dan, spreek, heer! noem mij eens den grond.
LONGAVILLE. Wijl gij een dubbele in uw masker draagt; Die wenschte ik in mijn stomme masker half.
CATHARINA. Recht fraaie vaerzen:--is niet vaars een kalf?
LONGAVILLE. Een kalf, mejonkvrouw?
CATHARINA. Neen, een jonkheer-kalf.
LONGAVILLE. O deel het woord. 249
CATHARINA. Neen, 'k wil met u niets half. Neem 't gansch en breng het tot een os dan groot.
LONGAVILLE. Uw spot gaf daar uzelf den ergsten stoot! Gij horens geven, jonkvrouw? 't Zou niet passen.
CATHARINA. Sterf dan als kalf, aleer uw horens wassen.
LONGAVILLE. Ik sterv', maar zegge u eerst een woord in 't oor.
CATHARINA. Bulk zacht dan, dat de slager u niet hoor'!
(Longaville en Catharina wandelen voort.)
BOYET. Spotzieke deernen hebben tongen, fijn Als scheermessneden, die onzichtbaar haar Afmaaien en ook zelf onzichtbaar zijn; Scherpzinnig, fijn, en onberekenbaar Is haar gesprek, en haar vernuft heeft vleug'len, Pijl-, kogel-, bliksem-snel, door niets te teug'len.
ROSALINE. Mijn meisjes, breekt nu af; geen woord nu meer!
BIRON. Gestriemd door spot! Verloren is onze eer.
KONING. Moge u, dol volk, uw dolheid nooit verdrieten!
(De Koning, Biron, Dumaine, Longaville, Mot, Muziek en Gevolg af.)
PRINSES. Twintig adieu's, bevroren Muscovieten!-- Stak geest voor deze bent zijn loftrompet?
BOYET. 't Zijn kaarsen, door uw adem uitgeblazen.
ROSALINE. Wat weldoorvoede geest! plomp, plomp, vet, vet!
PRINSES. O poov're geest! armzaal'ge koningsphrasen! Zegt, zouden zij niet fluks zich op gaan hangen, Of gaan zij zonder masker ooit nog uit? Biron, die schelm, wist niet wat aan te vangen!
ROSALINE. Aan wanhoop was de gansche troep ten buit! De koning weende schier, om geest verlegen.
PRINSES. Bij 't zweren wrong Biron zich scheef en krom.
MARIA. Dumaine bood zijn dienst mij aan en degen; Ik zeide: "trek!" toen bleef mijn dienaar stom.
CATHARINA. Het is aan 't hart, dat Longaville lijdt; Hij noemde mij--raad, hoe?
PRINSES. Zijn hartekwaal?
CATHARINA. Waarachtig, juist. 280
PRINSES. Weg, ziekte, die gij zijt!
ROSALINE. Van dorpers hoort men vaak een gladder taal. Doch weet: mij heeft de koning trouw gezworen.
PRINSES. Biron verpandde mij zijn mannewoord.
CATHARINA. En Longaville is voor mijn dienst geboren.
MARIA. Dumaine is mijn, zoo schors den boom behoort.
BOYET. Prinses en schoone dames, hoort mij aan: Zij zullen zoo terstond weer voor u staan, En onvermomd, want nimmer,--weet dit wel,-- Getroosten zij zich kalm een hoon, zoo fel.
PRINSES. Zij komen weer?
BOYET. Ja, ja, hoe kunt gij 't vragen? En lustig springend, schoon pas lam geslagen. Ruilt dus uw panden; en,--zoodra ze er zijn,-- Ontluikt als rozen in den zonneschijn.
PRINSES. Ontluikt, ontluikt? Geef ons geen raadsel op!
BOYET. Vermomd, zijn schoonen rozen, maar in knop; Doch zoo zij zonder masker lieflijk blozen, Zijn ze eng'len zonder wolk, ontloken rozen.
PRINSES. Loop heen, gij sphinx!--Maar wat nu te beginnen, Als zij ontmomd hier keeren om te minnen?
ROSALINE. Mij dunkt, prinses, nog eens den spot gedreven, Of zij vermomd zijn of bekend, om 't even! Wij klagen van 't bezoek, aan ons gebracht, Door Muscovieten, in een dwaze dracht; En gissen niet wie toch die narren waren, Met zulk een niets-proloog, met die gebaren, Zoo plomp en ruw, en waartoe onze tent Met zulk vertoon bezocht werd door die bent.
BOYET. De helden komen; haast u, heengesneld!
PRINSES. Wip, wip, en weg! als reeën over 't veld.
(De Prinses, Rosaline, Catharina en Maria af.)
(De Koning, Biron, Longaville en Dumaine komen weder op, in hun gewone kleeding.)
KONING. Behoede u God, heer!--waar is de prinses?
BOYET. Ze is in haar tent. Behaagt het uwe hoogheid Mij een'ge boodschap voor haar op te dragen?
KONING. Vraag dan gehoor voor mij; ga, wees zoo goed! 313
BOYET. Dit wil ik doen, en 'k weet, dat zij het doet.
(Boyet af.)
BIRON. Die schelm pikt geest op als de duif een boon, En geeft dien weer, ziet hij de kans maar schoon. Marskramer in vernuft, vent hij zijn waar Bij burger, boer, op kermis, markt, hier, daar; En ons, die hand'laars zijn in 't groot, bij God, Bij ons gaat de verkoop niet half zoo vlot; De meisjes zijn als schaapjes, die hij weidt; Als Adam had hij Eva wis verleid. Voorsnijden kan hij, lisp'len ook; hij is 't, Die door hoofsch kussen al zijn vingers mist; Hij is een smaakvolle aap, een monsieur Sierlijk, Ja, als hij dobbelt, scheldt hij recht manierlijk De steenen uit; hij zingt sopraan-tenoor, En niemand stelt aan 't hof zoo hoff'lijk voor; Geen dame, die hem niet "de lieve" heet; Zijn voeten kust de trap, die hij betreedt. Hij is een bloem, die ieder tegenlacht, En toont daarmee zijn elpen tandenpracht. Wie zonder schuld wil sterven in zijn bed, Geeft hem zijn recht met "honigtong Boyet".
KONING. Nu, 'k wenschte, waar' zijn honigtong behekst! Die bracht Armado's page van zijn tekst.
(De Prinses komt met Rosaline, Maria, Catharina en Gevolg terug, voorgegaan door Boyet.)
BIRON. Ziet hèm weer! Hoofschheid, wat waart gij voor dezen, Wat nu, sinds hij aan de aard u heeft gewezen!
KONING. Veel heil en zegen zij uw deel, vorstin!
PRINSES. Met zegens vischt men niet te land, zoo meen ik.
KONING. O, vat mijn zeggen op in beet'ren zin!
PRINSES. Uit beet're wenschen, en gehoor verleen ik.
KONING. Wij bidden u, ons slot nu te betreden; En u daarheen te leiden, is ons plan!
PRINSES. Ik houd me aan 't park; houd gij u aan uw eeden! Noch God noch mij behaagt een trouwloos man.
KONING. O gisp ons niet, door u zijn wij bezweken; De deugd, uw oog ontstraald, verbrak onze' eed.
PRINSES. Gij smaalt de deugd, en moest van ondeugd spreken; Geen deugd, die ooit tot trouwbreuk overreedt. Ja, bij mijn maagdlijke eer, zoo onbesmet Als 't blank der reinste lelie, hoor mij aan: Eer ik een voet in uwe huizing zet, Zou ik de wreedste mart'lingen doorstaan; Zoo schrikk'lijk ware 't mij, de grond te heeten, Dat and'ren ooit hun heil'gen eed vergeten.
KONING. Gij leeft hier, ach! als in een woestenij, Onzichtbaar, onbezocht, tot onze schande. 358
PRINSES. Dit niet, mijn vorst! dit niet, geloof dit vrij; Wij vonden scherts en kortswijl hier te lande. Zoo even waren nog vier Russen hier.
KONING. Vier Russen, jonkvrouw?
PRINSES. Ja, voorwaar, mijn vorst, Recht hoff'lijk, prachtig uitgedost, en fier.
ROSALINE. Prinses, spreek toch de waarheid.--Neen, mijn vorst, Beleefd, en naar den smaak van tijd en hof, Schonk mijn meest'res daar onverdienden lof. Waar is 't, er kwamen bij ons vieren vier, Als Russen uitgedost; en praatten hier Een uurtje lang, en veel; maar geen vroed woord Werd in dat uur uit hunnen mond gehoord. 'k Noem hen geen narren, neen; maar ik vermoed, Zoo 't hùn dorst, dan doet drinken narren goed.
BIRON. Een droge scherts.--O lieve schoone, uw geest Maakt wijsheid dwaas;--elk oog, dat onbevreesd, Hoe scherp ook, 's hemels vurig oog durft groeten, Zal door verlies van licht dit licht-zien boeten; Zoo schijnt, naast uwe kostb're geestesgave, Het wijste dwaas, en arm de rijkste have.
ROSALINE. Dan moet gij wijs en rijk zijn, want voor mij--
BIRON. Schijn ik een nar en beed'laar; zeg het vrij.
ROSALINE. Gij naamt daar 't uwe slechts, of 't waar' gefaald, Dat gij het woord zoo van de tong mij staalt.
BIRON. O ik ben de uwe, al 't mijne, ja, mijn leven--
ROSALINE. De gansche nar?
BIRON. Niets minder kan ik geven.
ROSALINE. Zeg mij, welk masker was het, dat gij droegt?
BIRON. Wat masker? waar? wanneer? waartoe die vraag?
ROSALINE. Dat masker, toen en daar; een hulsel, dat Zelf beter trekken, dan 't omhulde, had.
KONING. Wij zijn herkend, nu spotten zij ons dood.
DUMAINE. Komt, opgebiecht en 't in een grap verkeerd!
PRINSES. Gij ziet onthutst; zijt gij niet wel, mijn vorst? 391
ROSALINE. Help! steun hem, hij bezwijmt. Waarom zoo bleek?-- Zeeziek misschien, wijl hij van Moskou komt.
BIRON. Zoo straft den meineed streng een wrekend God! Welk voorhoofd van metaal, dat dit weerstaat? Hier sta ik, jonkvrouw; richt op mij uw spot, Kwets mij met hoon, verpletter mij door smaad! Doorboor met fijn vernuft mijn onverstand; Snijd mij in stukken met uw scherpen geest; En nimmer vraag ik voor een dans uw hand, En Russisch minnaar ben ik ééns geweest. Op geen geschreven toespraak bouw ik meer; Schooljongenstongen wil ik diep verachten; 'k Vermom mij nimmer voor mijn liefste weer; Noch rijm, als blinde harp'naar, minneklachten; Tafbloempjes, zijden phrasen, glans-tiraden, Fluweelen grootspraak, schoolsche hemelval, Al deze zomervliegen wekten maden Mij in het brein, en vulden 't gansch en al. 'k Zweer alles af en thans zeg ik voor eens, Bij dezen handschoen van nog blanker hand: Alleen met linnen ja's en baaien neens Zijn nu voortaan mijn liefde en trouw verpand; En ik begin nu: "heksje,--help mij God!-- Ik min u teer en trouw, spijt scherts en spot."
ROSALINE. 'k Wensch minder letterspel.
BIRON. 't Is slechts een vlaag Van de oude kwaal; ik bid u dus, verdraag Een feil, die slijten zal. Maar zie eens, zie, Roep Gods erbarmen in voor deze drie.-- Zij zijn besmet, in 't hart, gij staakt hen aan; Uw oogen hebben hun dit aangedaan; Zij hebben 't weg; doch, naar ik zie, bleeft gij,--
(Hij wijst op de geschenken.)
Uws heeren teekens zeggen 't,--ook niet vrij.
ROSALINE. Nu, vrij en gul is elk, die zoo kan geven.
BIRON. Gevang'nen zijn wij, ja! voor heel ons leven.
ROSALINE. Meer vrij dan wij; en zoo gij vrijer zijt, Hoe zegt gij dan, wij zijn de vrijheid kwijt?
BIRON. Ik ben geboeid door u en staak den strijd.
ROSALINE. Ik houd u niet, dus loop waarheen gij wilt.
BIRON (tot den Koning). Spreek gij voor u; ik heb mijn geest verspild.
KONING. Ons zwaar vergrijp, mejonkvrouw, zij geboet; Leer gij ons hoe.
PRINSES. Bekennen staat u goed. Zijt gij zoo juist niet hier geweest, verkleed?
KONING. Ja, ik beken 't. 434
PRINSES. En wist gij, wat gij deedt?
KONING. Zeer goed, prinses.
PRINSES. Beken dan meer, ga door. Wat ruischtet gij uw dame toen in 't oor?
KONING. Dat ik haar hooger eer dan iets ter aard.
PRINSES. Gij gaat terug, als zij uw hulde aanvaardt.
KONING. Neen, op mijn eer, neen, neen!
PRINSES. O stil toch, stil! Na éénen meineed zweert men wat men wil.
KONING. Veracht mij, zoo ik dezen eed ooit breek.
PRINSES. Ik zal 't; dus, houd hem.--Rosaline, spreek, Wat fluisterde u de Rus wel in het oor?
ROSALINE. Hij zwoer mij, jonkvrouw, dat hij mij verkoor Ver boven 's werelds schatten, 't licht der oogen; Hij voegde er bij: ik zou zijn gade zijn, Of hij verkwijnde en stierf van minnepijn.
PRINSES. God schenke u heil met hem! De vorst houdt wis Zijn mannewoord, dat zoo bezworen is.
KONING. Hoe meent gij dit? 'k Verpand mijn eer: ik deed, Neen nooit, aan deze jonkvrouw zulk een eed.
ROSALINE. Bij God, gij deedt het; met uw eigen hand Gaaft gij mij dit; maar neem het weer, uw pand.
KONING. Dit, en mijn woord, ik gaf ze aan de prinses; Aan de' armband daar kende ik mijn hartvoogdes.
PRINSES. Vergeef mij, dit kleinood droeg zij zoo even; Mijn ridder is Biron, voor heel zijn leven.-- Aanvaardt gij mij, of wilt ge uw paar'len weer?
BIRON. Noch 't een noch 't ander; al te groot is de eer.-- 'k Doorzie het spel; er was hier een complot, Dat lucht kreeg van ons plan, en dit door spot In 't riet stuurde als een vastenavondspel. Een nieuwtjesventer, vleier, schuddebel, Voorsnijder, grappensmid, die zijn gelaat In rimpels heeft gegrinnikt, met zijn praat Zijn meesteres begoochelt, tot zij lacht, Die heeft vooraf ons plan aan 't licht gebracht; De panden werden fluks verruild; en wij Aanbaden, blind, voor 't lief, haar snuisterij. O schrik! tweemaal meineedig! neergebogen Door dubb'le schuld, eens willens, nu bedrogen! Zoo is 't;--(Tot Boyet.) En gij, kondt gij dit valsch'lijk zweren 472 En die mislukte mommerij niet keeren? Kent gij de voetmaat van uw jonkvrouw niet? En ziet gij haar bij 't lachen niet steeds aan? En als gij schertsend haar een schotel biedt, Gaat gij dan niet steeds voor den vuurgloed staan? De page kwam; gij bracht hem in de war! Nu, 't is uw vak, ga voort en sterf als nar! Gij grijnst mij aan? die blik van u,--'t is mooi!-- Snijdt als een looden zwaard.
BOYET. Een fraai tournooi! De rit was goed, goed tot het eind der baan.
BIRON. Zie, zie, hij velt de lans!--Nu, 'k heb gedaan.
(Dikkop komt op.)
Welkom, gij echt vernuft! gij scheidt een schoon gevecht.
DIKKOP. O Heer, ik had gaarne van u vernomen, Of de drie dappere Helden nu op moeten komen.
BIRON. Wat! zijn er dan maar drie?
DIKKOP. Neen, heer, sta niet verlegen; Want ieder hakteert er voor drie.
BIRON. En driemaal drie is negen.
DIKKOP. Dat niet, heer; 'k hoop van niet; vergun mij, 'k ben het reek'nen niet vergeten; Wij zijn niet onnoozel, heer, dit zeg ik u; wij weten, wat wij weten; Ik hoop, heer, dat driemaal drie, heer--
BIRON. Wat! niet negen is?
DIKKOP. Onder verbetering, heer, wij weten, hoeveel het bedraagt.
BIRON. Nu, ik dacht altijd, driemaal drie is negen.
DIKKOP. Lieve God, heer, als gij met rekenen uw brood moest verdienen, dan was het er droevig mee gesteld.
BIRON. Hoeveel is het dan?
DIKKOP. O heer, de personen zelf, de hakteurs, heer, zullen u wel laten zien, hoeveel het is; ik voor mijn part, ik moet, hebben zij gezegd, maar één persoon met mijn geringe persoon presiteeren:--Bombejus de Groote, heer.
BIRON. Zijt gij dus één van de helden?
DIKKOP. Zij hebben goedgevonden, dat ik wel een held als Bombejus de groote kon wezen; ik voor mijn part weet den rang van den held niet, maar ik moet voor hem instaan.
BIRON. Ga; maak u gereed en waarschuw de rest.
DIKKOP. Wij brengen het er mooi af, heer; wij doen wel een beetjen ons best.