Veel Gemin, geen Gewin

Part 4

Chapter 43,952 wordsPublic domain

LONGAVILLE (te voorschijn tredend). Dumaine, uw min woont in geen christ'lijk hart. Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart. Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood, Wierd ik aldus betrapt in bitt'ren nood.

KONING (vooruittredend). Zoo bloos dan; zijn geval is 't uwe, heer, Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer; Gij mint Maria niet! nooit van zijn leven Heeft Longaville een rijmbrief haar geweven! Zijn armen op de borst nooit saamgekruist, Tot stilling van een hart, waar liefde in huist! 'k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen, Bespeurde u beide' en moest om beiden blozen, Vernam uw zondig rijm'len, hoorde uw klachten, Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten, "Wee mij!" roept de één, en die: "O Jupiter!" Voor de' een is haar van goud, dien 't oog een ster; (Tot Longaville.) Gij, breken zoudt ge om 't paradijs uw eeden; (Tot Dumaine.) Als gij zou Jupiter een eed vertreden!-- Wat zal Biron wel zeggen bij het hooren Van 't schennen uwer trouw, zoo luid bezworen Wat zal hij spotten, plagen, steek'lig zingen, Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen! 'k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bij Niet willen, dat hij zooveel wist van mij!

BIRON (ter zijde). Nu treed ik op, en geesel huichelarij.-- (Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.) Mijn beste vorst, ik bid u, 't sta mij vrij: Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagen Aan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagen Zijn ooit uw oogen; in uw tranenvliet Kan geen prinses zich spieg'len, zeker niet! Gij breekt geen eed ooit, 't ware u ergernis; En niemand rijm', dan wiens beroep het is! Maar staat gij niet beschaamd?--gij niet in nood, Dat elk van u zoo ver van 't doelwit schoot? Uw' splinter vond de koning, (Op Dumaine wijzend, tot Longaville.) gij den zijnen; Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen. O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik, Van leed en kommer, zuchten en gesnik! Hoe zag ik, spraak'loos van verwondering, Dat een monarch een mug werd, gonzen ging! De groote Hercules een drijftol zweepte, De wijze Salomo met deuntjes dweepte, En Nestor met de knapen paardje speelde, En Timon lachend kinderschaapjes streelde! Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel 't mee! 171 En beste Longavill', waar schuilt uw wee? Waar 't uwe, heer en vorst? Niet waar, in 't hart? Een wijnsoep, hé!

KONING. Te steek'lig is uw gard. Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?

BIRON. Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet. Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken, Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken; Ik ben verraden, wijl ik mij verbond Met mannen, die ik zwak, meineedig vond. Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf? Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijf Met haar en baard? spreek ik ooit opgetogen Tot lof van hand en voet, gelaat en oogen, Van leest en geest, hals, houding, boezem, been, Van kin en knie?--

(Hij ontwaart Dikkop met Jacquenetta en wil ijlings wegloopen.)

KONING. Wat is 't? waar ijlt gij heen? Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?

BIRON. De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!

(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)

(Jacquenetta en Dikkop komen op.)

JACQUENETTA. Heer koning!

KONING (tot Dikkop). Zoo, wat brengt gij voor kaproen?

DIKKOP. O heer, een stuk verraad!

KONING. Wat moet verraad hier doen?

DIKKOP. O heer, het doet u niets.

KONING. Dan wensch ik niets te ontdekken, En mag 't verraad met u in vrede henentrekken.

JACQUENETTA. Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen, Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.

KONING. Biron, kijk hem in.--

(Hij geeft den brief aan Biron.)

Van wien hebt gij den brief?

JACQUENETTA. Van Dikkop.

KONING (tot Dikkop). En gij, van wien gij?

DIKKOP. Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.

(Biron verscheurt den brief.)

KONING (tot Biron). Wat is 't? wat komt u over, dat gij den brief verscheurt?

BIRON. 't Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.

LONGAVILLE. Wij willen 't hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt! 202

DUMAINE (de stukken oprapend). Het schrift is van Biron; ja zie, zijn naam aan 't end!

BIRON (tot Dikkop). O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande en ellend!-- O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.

KONING. Wat dan?

BIRON. Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man. Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood, Zijn dieven op 't punt van liefde, en wij verdienen den dood. Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.

DUMAINE. 't Getal is nu even.

BIRON. Een vierspan, op mijne eer. Wat doen die tortels hier nog?

KONING. Nu, vrienden, gij kunt gaan.

DIKKOP. Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.

(Dikkop en Jacquenetta af.)

BIRON. Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd! Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen; De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt, En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen; Wij kunnen 's levens oorzaak niet versmoren; Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.

KONING. 't Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?

BIRON. Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen, De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan, Bij 't rijzen van den eersten oostergloed, Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan, En kust den lagen grond met vroom gemoed? Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindt Den moed haar in het hemelsch oog te staren, En wordt niet door haar majesteit verblind?

KONING. Wat dwaze woede is u in 't brein gevaren? Mijn liefde is zelf de maan aan 's hemels boog, Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.

BIRON. Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog. De dag wierd nacht, waar' mijn geliefde er niet! O, de uitgelezenste aller tinten kwamen, Als tot een feest, bijeen op hare wang; En 't eêlste smolt daar met het eêlste samen, En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang'. Leen mij de bloemen aller redekunst;-- Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon! Voor koopwaar bedel' koopmanslof zich gunst, Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon. 241 Een kluiz'naar, wien een honderd winters hind'ren, Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af; Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind'ren, Leent de eerste jeugd der wieg aan 's grijsaards staf; O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!

KONING. Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!

BIRON. Is ebbenhout als zij? dan godd'lijk hout! Een vrouw uit zulk een hout waar' 't heilrijkst lot. Wie reikt mij 't bijbelboek, opdat ik zweer, Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten ware Zij van haar oogen gloedvol blikken leer'; O, schoon is geen gelaat, min zwart dan 't hare.

KONING. Wat paradox! Zwart is de leus der hel, De kleur van krochten, en het kleed der nacht; En blankheid staat bij hemelreinheid wel.

BIRON. De duivel lokt liefst in der englen dracht. Zoo ravenzwart mijn liefste's hoofd bedekt, Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernis Met ijd'len schijn verliefde dwazen trekt; Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is. De mode erkent haar schoonheid; en dit doet Natuurlijk bloed den lof van verf verwerven; En noopt het blank, dat gisping duchten moet, Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.

DUMAINE. Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.

LONGAVILLE. De kolenbrander heeft een blank gezicht.

KONING. En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.

DUMAINE. Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.

BIRON. Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen, Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn'.

KONING. Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen, Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.

BIRON. Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.

KONING. Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.

DUMAINE. Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.

LONGAVILLE (zijn voet vooruitstekend). Zie, 't beeld van uw geliefde is hier mijn schoen.

BIRON. Bestond het straatplaveisel uit uw oogen, Te ruw waar' 't voor haar voet en te gering.

DUMAINE. O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen, 280 Dat die weg opzag, als ze er over ging.

KONING. Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?

BIRON. Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.

KONING. Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig, Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.

DUMAINE. Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!

LONGAVILLE. Voortreff'lijk ja, een sluwe vond, een list, Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!

DUMAINE. Een zalf voor meineed!

BIRON. Nu, hoog noodig is 't. Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne, En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten; Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien: Blijkbaar verraad aan 't koningschap der jeugd! Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magen Veel, veel te jong; onthouding maakte u krank. En wat uw eed nu aangaat van 't studeeren, [Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af; Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen? Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij, De heerlijkheid doorgrond van diepe studie, Zoo niet door 't wonderschoon gelaat der vrouw? Uit vrouwenoogen trek ik deze leer: Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool, Die 't echte Prometheïsch vuur doen vlammen.] Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad'ren De wakk're levensgeesten tot gevang'nen, Zooals beweging, zonder rusten voortgaand, De spierkracht van den reiziger vermoeit. En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien, Hiermeê zwoert gij 't gebruik der oogen af, En ook de studie, 't doel van uwen eed; Want welk een schrijver in de gansche wereld Leert zulk een schoonheid als een vrouwenoog? Het weten toch is slechts een deel van ons, En waar wij zijn, daar is ons weten ook; Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen, Zien wij ons weten daar dan ook niet in? Wij deden de' eed van te studeeren, vrienden, Doch daarmee zwoeren we onze boeken af; Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij, Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevonden Der schoone verzen, die 't bezielend oog Der schoone meesteressen thans u ingaf? 323 De traag're kunsten zeet'len gansch in 't brein, En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden, Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst; Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd, Woont geenszins ingemetseld in het brein, Maar vliegt, met aller elementen leven, Snel, als gedachten 't zijn, naar elke kracht, En geeft aan elke kracht een dubb'le kracht, Ver boven hare taak en dienstverplichting; Zij schenkt aan 't oog een nieuw en kostlijk zien; Het oog des minnaars staart den aad'laar blind; Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid, Zelfs dat aan de' argwaan van den dief ontsnapt; 't Gevoel der liefde is fijner, meer gevoelig Dan bij de huisjesslak de teed're horens; Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak. Is niet de liefde in moed een Hercules, Die in 't geboomt' der Hesperiden klimt? Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziek Als Phoebus' lier, bespannen met zijn haar? Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koor Den hemel met hun harmonie aan 't droomen. Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen, Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd; O! dan verrukt zijn lied der wilden oor, En plant erbarmen in tyrannenharten. Uit vrouwenoogen trek ik deze leer: Zij sprank'len staâg het echt Prometheusvuur; Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool, Die heel de wereld leert, omvat en voedt; En niemand anders is in iets voortreff'lijk. Dies waart gij dwaas, toen gij deez' vrouwen afzwoert, En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas. In naam der wijsheid,--'t woord, dat mannen minnen,-- In naam der min,--het woord, dat mannen streelt,-- In naam der mannen,--scheppers dezer vrouwen,-- In naam der vrouwen,--de oorsprong van ons, mannen,-- Verzaken we onzen eed, tot ons behoud, Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf. De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan, Want menschenmin vervult de hoogste wet, En wie kan menschenmin van liefde scheiden?

KONING. Dan, Sint Cupido! en in 't veld, soldaten!

BIRON. Ontplooit uw standaards, heeren, er op los! Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad, Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!

LONGAVILLE. Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is 't? Wij maken 't hof dus aan de Fransche meisjes?

KONING. En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht! Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.

BIRON. Wij leiden haar dan eerst van 't park daarheen; En voor die wandeling zoek' zich elk de hand Der uitverkoren schoone. Na den middag Vermake haar een geestig tijdverdrijf, Zoo goed de korte tijd het scheppen kan; Want dartele uren, maskerspel en dansen, 't Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.

KONING. Van hier, van hier! Terstond aan 't werk! want tijd, Zoo wij hem niet verbeuz'len, brengt profijt.

BIRON. Allons! wie onkruid zaait, oogst nimmer koren; Gerechtigheid weegt alles even zwaar; Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren; Ons koper geeft geen recht op beter waar.

(Allen af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

In 't park.

Holofernes, Nathanaël en Dom komen op.

HOLOFERNES. Satis quod sufficit.

NATHANAëL. Ik loof den Heer om u, heer magister; uw tafelgesprekken waren puntig en spreukrijk, vermakelijk zonder plompheid, geestig zonder gezochtheid, stoutmoedig zonder driestheid, geleerd zonder zelfverheffing, en eigenaardig zonder ketterij. Ik had een dezer quondam dagen een gesprek met een metgezel des konings, die getiteld, geheeten of genaamd wordt: Don Adriano de Armado.

HOLOFERNES. Novi hominem tamquam te; zijn wezen is hoog, zijn gesprek peremptorisch, zijn tong gepolijst, zijn oog vol ambitio, zijn gang majestueus, en zijn geheele wijze van doen ijdel, belachelijk en thrasoniek. Hij is al te gezocht, te opgesmukt, te gemaakt, te zonderling, als het ware al te peregrinatorisch, als ik het wel zoo noemen mag.

NATHANAëL. Een zeer eigenaardig en uitgelezen epitheton.

(Hij haalt zijn zakboekje te voorschijn.)

HOLOFERNES. Hij spint den draad zijner verbositeit fijner uit dan de vezel zijner argumenta. Ik verafschuw dusdanige fanatieke fantasten, zulke insociable en haarkloovende makkers, zulke radbrakers der orthographie, dewelke gezocht jongen uitspreken als zij jon-gen moesten zeggen, mens als zij mensch moesten uitspreken,--m, e, n, s, c, h, en niet m, e, n, s; hij noemt een nestjen nesje; eigentlijk eigenlik; weereld wèreld; hoofdpijn vocatur hoofpijn; hoofd wordt geabbrevieerd tot hoof. Dit is abhominabel, waarvoor hij abominabel zou zeggen; het doet mij gedenken aan insanie; ne intelligis, domine?--waanzinnig, delireerend. 29

NATHANAëL. Laus deo, bone intelligo.

HOLOFERNES. Bone?--bone voor bene; een kleine schram voor Priscianus; maar het kan dienen.

(Armado, Mot en Dikkop komen op.)

NATHANAëL. Videsne quis venit?

HOLOFERNES. Video et gaudeo.

ARMADO (tot Mot). Gnaap!

HOLOFERNES. Quare gnaap, en niet knaap?

ARMADO. Mannen des vredes, blijde u te recognosceeren.

HOLOFERNES. Salutem, strijdhaftige heer.

MOT. Zij zijn op het een of ander groot taalfeest geweest en hebben de klieken gestolen.

DIKKOP. O, zij hebben al lang op de aalmoezenmand van zulke woorden geteerd. Het verwondert mij, dat uw meester u nog niet voor zulk een woord heeft opgegeten; want gij zijt op geen hoofd na zoo groot niet als honorificabilitudinitatibus; gij zijt gemakkelijker in te slikken dan een vlamwiekje.

MOT. Stil, het gelui begint.

ARMADO (tot Holofernes). Monsieur, zijt gij niet een geletterde?

MOT. Ja zeker, hij leert jongens het A-B-boek.--Wat is a, b, andersom gespeld?

HOLOFERNES. Dat is b a, pueritia; maar wat volgt?

MOT. En B met den volgenden klinker, en gehoornd?

HOLOFERNES. Dat is b e, jongeling;--maar gehoornd?

MOT. Bè! onnoozel schaap, gehoornd.--Gij ziet, hoe geleerd hij is. 54

HOLOFERNES. Quis, quis, gij consonant?

MOT. Dat zal ik u zeggen; als gij maar eens begint mij de voornaamwoorden op te noemen, dan zal ik vervolgen.

HOLOFERNES. De pronomina? Ik--

MOT. --schaap, gij schaap, en zoo vervolgens.

ARMADO. Nu, bij de zilte baren der Middellandsche Zee, een aardige stoot en een kostelijke uitval van den geest! Snip, snap; stoot en raak! Het verlustigt mijn intelligentie; echte geest!

MOT. Van een jong lam tegen een ouden ram; ja, ja!

HOLOFERNES. Wat is dat voor een allusie, voor een figuur?

MOT. Een gehoornde.

HOLOFERNES. Gij disputeert als een infans. Ga uw tol liever drijven.

MOT. Leen mij uw hoorn, om er een uit te maken, en ik zal uw schande rondzweepen, circum circa. Een tol van zulk een hoorn!

DIKKOP. Als ik maar één stuiver in de wereld had, dan zoudt gij hem hebben om peperkoek te koopen. Hier, daar hebt gij de eigenste remuneratie, die ik van uw meester gekregen heb, gij halve-stuiversbeurs van geest, gij duivenei van slimmigheid. O, als het den hemel behaagd had, dat gij al was het maar mijn basterd waart, welk een gelukkig vader zoudt gij mij maken! Ga voort; gij hebt het ad ongelem, gij zuigt het uit uw duim, zooals men zegt.

HOLOFERNES. Ha! daar ruik ik vervalscht Latijn, ongelem voor unguem.

ARMADO. Vrijekunsten-man, proeambula; wij willen afgezonderd van de barbaren zijn. Leidt gij de jeugd niet op in het opvoedingsgesticht op den top des bergs?

HOLOFERNES. Of montis, des heuvels.

ARMADO. Naar uw liefelijk welgevallen, wat den berg betreft.

HOLOFERNES. Alzoo doe ik, zeker, senza dubbio.

ARMADO. Mijn heer, het is des konings hoogstliefelijk welgevallen en affectie, de prinses in haar paviljoen te congratuleeren tegen de posteriora van dezen dag, wat de onbeschaafdheid der menigte den achtermiddag noemt.

HOLOFERNES. De posteriora van den dag, zeer grootmoedige heer,--dit is verantwoordelijk, congruent en toepasselijk voor achtermiddag; het woord is welgekozen, uitgelezen, liefelijk en geschikt; ik verzeker het u, heer, ik verzeker het u. 99

ARMADO. Mijn heer, de koning is een echt edelman en mijn intimus; dit kan ik u verzekeren, goede vriend.--Wat onze vertrouwelijkheid aangaat, zwijgen wij daarover;--ik bid u, neem uw hoffelijkheid met den geest in acht; ik bid u, omhul uw hoofd!--en onder andere dringende en hoogst gewichtige plannen,--en van groote belangrijkheid, inderdaad, bovendien,--maar zwijgen wij daarvan;--want ik moet zeggen, dat het zijne genade,--bij het heelal, ja!--somwijlen behaagt op mijn nederigen schouder te leunen, en met zijn koninklijken vinger, aldus, te spelen met den uitwas mijner lippen, met mijn knevel; maar, lieve hart, zwijgen wij daarvan. Bij het heelal, ik vertel geen fabel; ettelijke bijzondere eerbewijzen behaagt het zijner grootheid toe te deelen aan Armado, den soldaat, den veelbereisden man, die de wereld gezien heeft; maar zwijgen wij daarvan.--De summa van de geheele som is,--maar, lieve hart, ik smeek u om uw stilzwijgendheid,--dat de koning verlangt, dat ik de prinses, dat gesuikerd lam, op eenige vermakelijke vertooning, of voorstelling, of oogenverlustiging, of klucht, of vuurwerk regaleer. En nu, nademaal ik vernomen heb, dat de geestelijke hier en uw eigen liefelijke persoon u verstaat op dusdanige erupties en plotselinge ontploffingen van vroolijkheid, om zoo te zeggen, zoo heb ik u hiervan in kennis willen stellen om uw bijstand in te roepen.

HOLOFERNES. Mijn heer, gij moet "de negen helden" voor haar laten optreden.--Heer Nathanaël, ten opzichte van een tijdverdrijf, een vertooning voor de posterioribus van dezen dag, te bewerkstelligen met uw bijstand,--op verlangen van den koning en van dezen zeer dapperen, doorluchtigen en geleerden edelman,--ten aanschouwe van de prinses, zeg ik, is niets zoo geschikt als de negen helden te laten optreden.

NATHANAëL. Waar wilt gij dan de mannen vinden, heldhaftig genoeg om ze te laten optreden?

HOLOFERNES. Jozua, gijzelf; ikzelf of deze dappere edelman, Judas Maccabæus; deze boer,--uit hoofde zijner groote leden oftewel schonken,--moet Pompeius den grooten voorstellen; de page, Hercules.

ARMADO. Vergeef, heer: een dwaling; hij is niet quantiteit genoeg voor den duim dezes helds; hij is niet zoo dik als het uiteinde zijner knots.

HOLOFERNES. Mag ik om gehoor verzoeken? Hij moet Hercules als zuigeling voorstellen; zijn opkomen en zijn heengaan zal zijn het verwurgen eener slang, en ik zal te dien behoeve een apologie vervaardigen. 143

MOT. Een heerlijke inval! Als dan een van de toeschouwers sist, kunt gij roepen: "Goed zoo, Hercules! nu verbrijzelt gij de slang! Dit is de manier om aan een gebrek de hand boven het hoofd te houden, schoon weinigen er handig genoeg toe zijn.

ARMADO. En het overschot der helden?

HOLOFERNES. Drie wil ik er zelf spelen.

MOT. O, driemaal heldhaftig heer!

ARMADO. Zal ik u iets zeggen?

HOLOFERNES. Wij luisteren.

ARMADO. Wij willen, als dit niet slaagt, een klucht vertoonen. Ik bid u, gaat mede.

HOLOFERNES. Via!--Vriend Dom, gij hebt al dezen tijd geen woord gesproken.

DOM. En evenmin er geen verstaan, heer.

HOLOFERNES. Allons! Wij willen ook u aan het werk zetten.

DOM. Neem mij voor een danser; of ik roere u de trom, Dat de helden gaan dansen en draaien om en om.

HOLOFERNES. Komt, allen aan 't werk! Gij domme, goede Dom!

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

In het park, voor de tent der Prinses.

De Prinses, Catharina, Rosaline en Maria komen op.

PRINSES. Nu, meisjes, eer we op reis gaan, zijn wij rijk, Als zooveel kermisgaven op ons reeg'nen; Een jonkvrouw, gansch omschanst met diamanten!-- Kijkt, wat mij de verliefde koning zendt!

ROSALINE. En heeft uw hoogheid niets er bij gekregen?

PRINSES. Niets anders? zeker: zooveel liefde op rijm, Als op een vel papier is saâm te dringen, Ter wederzij beschreven, rand en alles, Zoodat hij op Cupido's naam moest zeeg'len.

ROSALINE. Zoo kwam in 't eind zijn godd'lijkheid tot wasdom, Die steeds, vijf duizend jaar, een knaapje bleef.

CATHARINA. Ja juist, en een recht booze galgeschelm.

ROSALINE. Gij haat hem, ja; wijl hij uw zuster doodde. 13

CATHARINA. Hij maakte 't hart haar droevig, zwaar, bekommerd: Daar stierf zij aan; waar' zij als gij geweest, Zoo licht en lucht van hart, zoo dol en dartel, Zij had het wis tot grootmama gebracht, Als gij; want lichte harten leven lang.

ROSALINE. Wat, lieve, is 't duist're doel van 't lichte woord?

CATHARINA. Een licht gemoed, in donk're schoonheid stralend.

ROSALINE. 'k Behoef meer licht voor 't vatten van uw meening.

CATHARINA. Dan snooft gij in uw drift het licht wis uit; 'k Wil daarom het bewijs in 't donker laten.

ROSALINE. Ja, wat gij doet, gij laat het staâg in 't donker.

CATHARINA. Gij niet, 't is waar; wie licht is, kan dit niet.

ROSALINE. Wees gij zoo zwaar gij wilt, mij zal 't niet deren.

CATHARINA. U niet? Nu, dan weeg ik niet zwaar bij u.

ROSALINE. Iets wat niet deugt, zal nimmer bij mij wegen.

PRINSES. Nu, beiderzijds den bal wèl toegekaatst!-- Maar Rosaline, ook gij hebt een geschenk; Van wien is 't? wat?

ROSALINE. Ik wenschte, dat gij 't wist; Al ware mijn gelaat zoo schoon als 't uwe, Dan waar' de gaaf nog groot; zie slechts en oordeel. Ja, en ook verzen heb ik, dank Biron! De versmaat juist; en, is de telling 't ook, Dan is er geen godin, zoo schoon, op aard; Aan twintig duizend schoonen won ik 't af. O, in zijn brief is mijn portret geteekend!

PRINSES. En is 't zoo wat gelijkend?

ROSALINE. Het schrift zeer goed, de lof niet in het minst.

PRINSES. Zoo schoon als inkt dus; nu, een juist besluit.

CATHARINA. Schoon, stralend als een groote B in 't schrijfboek.

ROSALINE. Een letterstrijd? gerust maar, ik betaal, Mijn gouden letter, roode initiaal! Hoe jammer, al die O's op uw gelaat!

PRINSES. Krijg zelf de pokken, zoo uw jok haar smaadt!-- Wat, Catharina, zond Dumaine aan u?

CATHARINA. Zie dezen handschoen. 48

PRINSES. Wat, geen paar? hoe nu?

CATHARINA. Gewis, een paar, mejonkvrouw en dan nog. Veel duizend verzen, vol verliefd bedrog, Van eeuw'ge trouw,--maar alles huich'larij; Bijeengeflanst, schijndiepe zotternij!