Veel Gemin, geen Gewin

Part 3

Chapter 34,028 wordsPublic domain

PRINSES. Neen, geen blanketsel thans; Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans. Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;

(Zij geeft hem geld.)

Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.

HOUTVESTER. O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.

PRINSES. Mijn schoon vond redding in der werken loon! O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd! Schoon wordt de onschoone hand, die rijk'lijk geeft!-- Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht; En 't beste schot wordt dan voor boos geacht. Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet; Verwond ik niet, de deernis duldde 't niet, Verwond ik, 'k heb alleen mijn kunst getoond; Geen moord-, maar roemzucht is 't, die in mij woont. Wie kan ontkennen, dat niet inderdaad De roemzucht wreede gruw'len soms begaat, Indien naar eer en lof, armzaal'gen schijn, De krachten van ons hart begeerig zijn; Zooals mij enkel lust naar lof het bloed Van herten, die mij lief zijn, spillen doet? 35

BOYET. Is 't roemzucht niet, die booze vrouwen stijft In 't opperste gezag, en die ze drijft Heer van haar heer te zijn?

PRINSES. De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof, Voor wie een heer der schepping kruipt in 't stof.

(Dikkop komt op.)

BOYET. Daar komt een lid van hun gemeenebest.

DIKKOP. Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.

PRINSES. Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen het hoofd kwijt.

DIKKOP. Wie is de grootste dame, de hoogste?

PRINSES. Die het dikst en het langst is.

DIKKOP. Die het dikst en 't langst is? het is zoo; waar is waar. Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw, Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou. Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.

PRINSES. Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?

DIKKOP. Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline te geven. 53

PRINSES. Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; 't is om 't even.-- Verder weg, wakk're bode!--Boyet, gij kunt trancheeren, Snijd dit kapoentje eens voor.

BOYET. 'k Voldoe aan uw begeeren.-- Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor; Hij is aan Jacquenetta.

PRINSES. Toch lezen; ga door! Breek aan 't zegel den hals; en een elk leene 't oor.

BOYET (leest). "Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf, dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker dan bekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen: veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,--o lage en duistere gemeene taal!--luidt, videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens zijde? aan die des konings?--neen, aan die van beiden in één; of aan die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis; gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord, profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en mijn hart aan uw gezamenlijke persoon. 87

"De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,

"Don Adriano De Armado.

"Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen, Lam, die als buit hem in de klauwen vielt; Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen, Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt; Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot? Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot."

PRINSES. Wat voor een veêrbos is 't, die zulk een onzin schreef? Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?

BOYET. Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.

PRINSES. Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.

BOYET. Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in 't park hier een woning; Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koning En voor zijn studiegenooten.

PRINSES. Gij knaap daar, zeg iets meer; Wie gaf u dien brief?

DIKKOP. Ik zeide 't reeds, mijn heer.

PRINSES. Aan wien moest gij hem geven?

DIKKOP. Van mijn heer aan een juffer.

PRINSES. En spreek, van welken heer en aan welke juffer?

DIKKOP. Van de' eedlen heer Biron, dien 'k onderdanig diene, Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.

PRINSES. Gij hebt den brief verwisseld.--Komt, heeren, mij na!-- (Tot Rosaline.) Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.

(De Prinses en haar Gevolg af.)

BOYET. Wie is 't, die jaagt, die jaagt?

ROSALINE. Richt gij tot mij uw vragen?

BOYET. Ja, kort begrip van schoonheid!

ROSALINE. Die gij den boog ziet dragen. Daar zijt gij goed bediend!

BOYET. Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij, 'k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij. Dit was raak! 115

ROSALINE. Nu, ik ben 't zelf, die jaag.

BOYET. En hebt ge een buit op 't oog?

ROSALINE. Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog. Dit was raak, inderdaad!

MARIA. Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.

BOYET. En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.

ROSALINE. Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was, wat dat treffen betreft?

BOYET. Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden, dat al een vrouw was, toen koningin Genevra van Brittanje nog een klein meisje was, wat dat treffen betreft.

ROSALINE. Gij kunt niet raken, raken, raken, Gij kunt niet raken, goede man.

BOYET. Zoo ik, zoo ik, zoo ik 't niet kan, Dan komt een ander, die het kan.

(Rosaline en Catharina af.)

DIKKOP. Op mijn woord, recht vermaak'lijk; 't ging hard tegen hard!

MARIA. De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen 't zwart.

BOYET. De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten, Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.

MARIA. Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.

DIKKOP. Ja, om in 't zwart te treffen, is de afstand te wijd.

BOYET. Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.

DIKKOP. 't Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.

MARIA. Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.

DIKKOP. Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.

BOYET. Ik vrees te veel poedels.--Nu, uiltje, slaap wel!

(Boyet en Maria af.)

DIKKOP. Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed! 142 Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed! Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug, En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!-- Armado aan de' eenen kant,--o wat suikeren man! Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan! Een kushand te geven en aardig te zweren weet!-- En zijn page aan de' anderen kant, die handvol geest, die aap! O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!

(Jachtgedruisch achter het tooneel.)

Halloo! halloo!

(Dikkop af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander gedeelte van het park.

Holofernes, Nathanaël en Dom komen op.

NATHANAëL. Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder de getuigenis van een goed geweten.

HOLOFERNES. Het hert was, zooals gij weet, sanguis, met vurig bloed;--rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het oor van coelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,--en dan nedervalt als een gewone appel op het gelaat van terra, den grond, het land, het aardrijk.

NATHANAëL. Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker u, heer magister, het was een voljarig hert.

HOLOFERNES. Heer geestelijke, haud credo...

DOM. Het was geen haud credo, het was een spitser.

HOLOFERNES. Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van insinuatie, als het ware in via, op den weg der explicatie, om een replicatie, als het ware, te maken, facere, of veeleer zijn inclinatie te toonen, ostentare,--volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste, ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of veeleerder ongeconfirmeerde manier,--van wederom mijn haud credo voor een hert te insereeren.

DOM. Ik heb gezegd, dat het dier geen haud credo, maar een spitser was.

HOLOFERNES. O tweemaal gezoden onnoozelheid, bis coctus! O gij monster Ignorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit! 24

NATHANAëL. Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een boek omsluit;

hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is slechts een animal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;

Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen wezen,-- Gelijk wij bij 't proeven en voelen ook zijn,--voor de gaven, in ons geprezen; Want mij zou 't slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek; Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid een vlek; Doch omne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind; Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.

DOM. Gij tweeën zijt geleerden; is 't uw vernuft reeds gebleken, Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?

HOLOFERNES. Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.

DOM. Wat is Dikdunna?

NATHANAëL. Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.

HOLOFERNES. De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar, Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar. De allusie houdt steek bij de naamsverandering.

DOM. 't Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de maansverandering.

HOLOFERNES. God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie houdt steek bij de maansverandering.

DOM. En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering, want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien, dat het een spitser was, wat de prinses geschoten heeft.

HOLOFERNES. Heer Nathanaël, wilt gij eens een extempore epitaphium op den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.

NATHANAëL. Ja, perge, beste magister, perge; en maak zoo een eind aan alle onhebbelijke aardigheid.

HOLOFERNES. Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt van vaardigheid.

"De schoone schietster spande, en schoot een spitser, schuw en slank; Een spitser is gespitste nu, gespietst met hare spies. De spitser kreeg een tweede spits; twee ellen was die lank; En zeg eens, of de spitser nu niet tot een gaff'laar wies. Maar ik voeg bij een hert één L, dan zijn 't er vijftig, man; En 't wonder is: met één L meer maak ik er honderd van."

NATHANAëL. Een merkwaardig talent voor verzen! 64

DOM. Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.

HOLOFERNES. Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren, beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen; deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoed in den schoot der pia mater, en aan 't licht gebracht, als de gelegenheid ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik ben er dankbaar voor.

NATHANAëL. Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger, en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van het gemeenebest.

HOLOFERNES. Mehercle! als uw zoons ingenium hebben, aan instructie zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn, zal ikzelf trachten op haar te werken. Doch vir sapit, qui pauca loquitur.--Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.

(Jacquenetta en Dikkop komen op.)

JACQUENETTA. God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij toe u eens aan te spreken.

HOLOFERNES. Heer eerwaarde, quasi herwaarts! Als nu iemand hier aangesproken moet worden, wie is het dan?

DIKKOP. Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.

HOLOFERNES. Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg voor een zwijn; 't is aardig, 't is goed.

JACQUENETTA. Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen brief. Hij werd mij gegeven door Dikkop en mij toegezonden door Don Armado; ik bid u, lees hem.

(Nathanaël leest den brief.)

HOLOFERNES. "Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra Ruminat"--en zoo voorts. O goede oude Mantuaan! ik mag van u zeggen, wat de reiziger van Venetië zegt: 98

"Venetia, Venetia, Chi non ti vede, non ti prezia."

Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.--Ut, re, sol, la, mi, fa.--Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever, zooals Horatius zegt in zijn--Wat, bij mijn ziel! verzen?

NATHANAëL. Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.

HOLOFERNES. Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren; lege, domine.

NATHANAëL (leest). "Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde zweren? Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt! Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren; Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet. Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen, Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft; Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen; Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft, Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder; En dat ik u vereer, is 't goede in mijn natuur. Uw oog voert 's hemels flits, uw stem zijn schrikb'ren donder, Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur. O godd'lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig, Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig."

HOLOFERNES. Gij vindt de apostropha's niet en mist daardoor het ware accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de maat in acht genomen, maar wat elegantia, zoetvloeiendheid, de gulden cadans betreft,--caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist, Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht? Imitari is niets: dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte paard zijnen ruiter.--Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?

JACQUENETTA. Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.

HOLOFERNES. Ik wil het superscriptum bezien. "Aan de sneeuwwitte hand van de overschoone Rosaline." Ik wil nog eens letten op het begrip van den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de persoon, aan welke geschreven werd. "Uwer edelheid zich toewijdend voor alle begeerde diensten, Biron." Heer Nathanaël, deze Biron is een van 's konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.--Trippel van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel! 148

JACQUENETTA. Beste Dikkop, ga met mij mede.--God behoede uw gezondheid, heer!

DIKKOP. Ik ga mede, meisje.

(Dikkop en Jacquenetta af.)

NATHANAëL. Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods, recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,--

HOLOFERNES. Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u, mijnheer Nathanaël?

NATHANAëL. Zeer goed, wat het schrift betreft.

HOLOFERNES. Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd den disch met een gratias te gratificeeren, krachtens mijns privilegii bij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uw benvenuto op mij wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik verzoek om uw gezelschap.

NATHANAëL. En ik ben u dankbaar, want gezelschap,--zegt de tekst,--is het geluk des levens.

HOLOFERNES. En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den tekst.--(Tot Dom.) Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen neen zeggen; pauca verba.--Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.

(Allen af.)

DERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het park.

Biron komt op, met een papier in de hand.

BIRON. De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,--pik dat besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! want zoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen, vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen, zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer, ik wil niet. Ach! maar haar oog!--bij het licht der zon, als het niet om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij, en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar, allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven, als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte! 20

(Hij klimt in een boom.)

(De Koning komt op, met een papier in de hand.)

KONING. Wee mij!

BIRON (ter zijde). Aangeschoten, waarachtig!--Ga zoo voort, allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den linkervleugel geraakt.--Op mijne eer, geheimen!

KONING (leest). "Zoo lieflijk kust de gouden zonne niet De morgendruppen, die aan 't roosje hangen, Als uw, uw oog, dat held're stralen schiet, De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen; Niet half zoo helder schijnt de zilv'ren maan Door 't held're water van de diepte heen, Als uw gelaat mij gloort door meen'gen traan; Gij straalt door elken druppel, dien ik ween; En elke druppel wordt tot zegewagen, Waarin gij,--zie den stroom, die in mij welt,-- Op mijner tranen golven wordt gedragen; Ja, 't is mijn leed, dat uwe glorie meldt. Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ik U in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik. Uw schoon, o koningin der koninginnen! Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen."

Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers! Zoet loof, beschaduw dwaasheid!--Wie komt daar?

(Hij verschuilt zich.)

Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!

(Longaville treedt op, met een papier in de hand.)

BIRON (ter zijde). Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!

LONGAVILLE. Wee mij, ik brak mijn eed!

BIRON (ter zijde). Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt een papier er van vóór zich! 48

KONING (ter zijde). Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!

BIRON (ter zijde). Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.

LONGAVILLE. Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?

BIRON (ter zijde). Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend; Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen, Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.

LONGAVILLE. Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin. Maria, o mijns harten koningin! In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.

BIRON (ter zijde). Met rijmen belint is 't pak van Venus' wicht; Verscheur zijn pofbroek niet!

LONGAVILLE. Ik zend dit toch.

(Hij leest.)

"Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,-- Daartegen stuiten aardsche reed'nen af,-- Mij niet tot breken van mijn eed gebracht? Maar brak ik dien voor u, 't verdient geen straf. Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij; Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld; Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij; Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld. Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht; O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet, Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht; Is die gebroken, mijne schuld is 't niet. En waar' 't mijn schuld, wat dwaas waar' niet zoo wijs, Dat hij hem brak, voor 't heil van 't paradijs?"

BIRON (ter zijde). 't Is gisting in 't bloed; die maakt het vleesch tot god, Een groen gansje, een godin: 't is afgodische spot. Wij zijn allen aan 't malen; God geve ons herstel!

(Dumaine treedt op, met een papier in de hand.)

LONGAVILLE. Hoe zend ik dit?--Wie komt? ter zijde! snel!

(Hij verschuilt zich).

BIRON (ter zijde). Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel! 'k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen, En schouw 't geheim der narren, die hier dolen. Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit; Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit! 82

DUMAINE. O allergodd'lijkst Kaatje!

BIRON (ter zijde). O allergodslasterlijkste dwaas!

DUMAINE. Bij 't hemelrijk! een wonder voor het oog!

BIRON (ter zijde). Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt te hoog.

DUMAINE. Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!

BIRON (ter zijde). Een amberkleur'ge raaf waar' meer dan raar.

DUMAINE. Slank als de ceder.

BIRON (ter zijde). Krom! haar schouder, ach! Moet zeker kind'ren.

DUMAINE. Schoon gelijk de dag.

BIRON (ter zijde). Als meen'ge dag; dan moet de zon niet schijnen.

DUMAINE. O, hadde ik mijnen wensch!

LONGAVILLE. (ter zijde). En ik den mijnen!

KONING (ter zijde). En ik den mijnen, hemel!

BIRON (ter zijde). Amen, zeg ik voort, Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?

DUMAINE. Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in 't bloed, Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.

BIRON (ter zijde). Een koorts in 't bloed? Nu, die tapt u in schalen Een aderlating af; o lieflijk dwalen!

DUMAINE. Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.

BIRON (ter zijde). Nog eens hoor ik, hoe min 't verstand verdreef.

DUMAINE (leest).

"Op een dag,--o booze dag Van de zoete Meie!--zag Liefde een roosje met genugt' Spelen in de dart'le lucht; Door 't fluweelen loof der heg Vond de onzichtb're wind zijn weg, En de knaap, in stervenspijn, Wenschte 's hemels aâm te zijn. "Lucht," zoo sprak hij, "kust haar vrij; Zaal'ge lucht, ware ik als gij! Wee! 'k verpandde woord en trouw, Dat ik nooit u plukken zou! Ach, wat eed voor teed're jeugd, Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd! Neen, geen zonde zij 't geacht, Zoo 'k mijn eed om u verkracht, U, die Jupiter zoudt nopen Juno een moorin te doopen, En zijn godheid te verzaken, Om als mensch voor u te blaken."" 120

Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemd Mijn leed, het hong'ren van mijn hart, haar noemt. O waar' de vorst, Biron en Longaville Nu ook verliefd! Besmette ook hunne ziele Meineed! dit wiesch van 't voorhoofd mij de vlek; Want niemand valt in 't oog, zijn allen gek.