Part 2
(Armado af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen en tenten.
De Prinses van Frankrijk, Rosaline, Maria, Catharina, Boyet, Edellieden en verder Gevolg komen op.
BOYET. Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten; Denk, wie uw koninklijke vader zendt, Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is, Uzelf, in 's werelds oog een rijk juweel, Ten mondgesprek met de' een'gen erfgenaam Van al wat ooit een man ten sieraad strekte, Navarra's roem; en dit voor niets geringers, Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat. Wees met uw zeldzaam schoone gratie mild Zooals natuur, die gratie zeldzaam maakte, Toen zij der gansche wereld die onthield, Om in haar mildheid alles u te schenken.
PRINSES. Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering, 13 Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet; Naar 't oordeel van het oog koopt elk de schoonheid, Niet naar de opvijz'ling van eens koopmans tong. Ik ben veel minder trotsch op uwen lof, Dan gij naar roem verlangend om 't vernuft, Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen. Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!-- Gij weet, hoe 't alles meldende gerucht Verbreidde, dat Navarre heeft gezworen, Aleer drie jaar in studie zijn gesleten, Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof; En daarom komt het ons noodzakelijk voor, Aleer we aan zijn verboden drempel treden, Te weten, wat hij wil; en daartoe lezen Wij, zeker van uw kloeken geest, u uit, Als onzen best betrouwb'ren pleitbezorger. Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochter Ter wille van een zaak, die spoed vereischt, Met zijn genade een mondgesprek verlangt. IJl, meld dit; ondertusschen wachten wij Zijn wil als arme smeekelingen af.
BOYET. Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv'rig heen.
PRINSES. Juist; ijver is aan allen trots gemeen.
(Boyet af.)
Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenooten Des wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?
EERSTE EDELMAN. 'k Weet Longaville er van.
PRINSES. Kent gij dien man?
MARIA. Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeest In Normandië, toen graaf Périgord Met de erfgenaam van Jacques Falconbridge In de' echt trad, zag ik dezen Longaville. Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd, In kennis rijk, met wapenroem gesierd, Welslagend steeds in wat hij ernstig wil. 46 Ja, de een'ge vlek op zijner deugden glans,-- Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,-- Is scherp vernuft bij al te plompen wil. Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wil Wil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.
PRINSES. Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?
MARIA. Zijn vrienden zeggen 't; juist is uw besluit.
PRINSES. Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.-- En wie zijn de and'ren?
CATHARINA. Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd, Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint; Met macht, maar zonder 't hart, om kwaad te stichten, Met geest, die ook 't onschoone schoon zou maken, Met schoon, dat harten wint ook zonder geest. Ik zag hem eens bij hertog Alençon, En veel te zwak, bij 't goede dat ik zag, Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.
ROSALINE. Nog één van deze wijsheidzoekers was Daar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is, Heet hij Biron; met opgeruimder man,-- Wiens blijheid toch aldoor betaam'lijk blijft,-- Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld. Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest, Want ieder voorwerp, dat het eene treft, Weet de and're tot een blijde scherts te maken, Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim, In zoo geschikte en schoone woorden kleedt, Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt, En jonger hoorders ras zijn meegesleept; Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.
PRINSES. God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd, Dat elk van u haar liev'ling heeft gesierd Met zulk een rijken schat van eer en lof?
EERSTE EDELMAN. Daar komt Boyet.
(Boyet komt terug.)
PRINSES. Nu, heer, hoe is de ontvangst?
BOYET. Navarre wist reeds van uw lieflijk naad'ren; En stond juist, hooge meesteres, gereed Om met zijn eedgenooten u te ontmoeten, Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds: Hij laat u eer in 't open veld kampeeren, Alsof gij hier zijn hof beleeg'ren kwaamt, Dan hij de strengheid van zijn eed ontduikt En u zijn eenzaam hof betreden laat. Daar komt Navarre. 89
(De Dames doen haar maskers voor.)
(De Koning, Longaville, Dumaine en Biron komen op, met Gevolg.)
KONING. Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!
PRINSES. Het "schoon" geef ik u terug, en het "welkom" heb ik nog niet; het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.
KONING. Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.
PRINSES. Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!
KONING. Ach, schoone jonkvrouw, 'k heb een eed gezworen,--
PRINSES. Help, heil'ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!
KONING. Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.
PRINSES. Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.
KONING. Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.
PRINSES. Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer; Want dat gij 't weet, bewijst onwetendheid. Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af; Doodzonde, heer, is 't houden van dien eed; En zonde ook is het, hem te breken.--Maar Vergeef mij, 'k ben hier onberaden driest; Het past mij niet, een leeraar les te geven. Gelief het doel van mijne komst te lezen, En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.
(Zij overhandigt een geschrift.)
KONING. Is 't moog'lijk, ja; wees hiervan overreed.
PRINSES. 'k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet, Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.
BIRON. Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
ROSALINE. Heb ik in Brabant niet met u gedanst?
BIRON. Ik weet, het is zoo.
ROSALINE. Hoe onnoodig dan Mij dit te vragen!
BIRON. Dat is doorgedraafd!
ROSALINE. Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.
BIRON. Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.
ROSALINE. Doch werpt toch eerst den ruiter in de sloot. 121
BIRON. Hoe laat is 't wel?
ROSALINE. Het uur, dat dwazen vragen.
BIRON. Moog' heil uw masker dagen!
ROSALINE. En mijn gelaat beschijnen!
BIRON. Heb minnaars bij dozijnen!
ROSALINE. En beet're, dan gij zijt.
BIRON. Ik ga; 't is meer dan tijd.
KONING. Prinses, uw vader spreekt in zijnen brief Van 't afdoen van een honderdduizend kronen, Wat echter slechts de helft is van de som, Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg. Doch stel, dat hem of ons,--wat niet gebeurde,-- Die som betaald was, dan bleef de and're helft Toch onbetaald, waarvoor aan ons als pand Een deel van Aquitanië is afgestaan, Schoon dit de waarde van het geld niet heeft. Indien uw koninklijke vader ons Die onbetaalde helft nu afdoen wil, Dan staan wij gaarne 't onderpand weer af En blijven zijner hoogheid goede vriend. Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan, Want hij verlangt hier de terugbetaling Van honderdduizend kronen, en vraagt niet, Na kwijting van een honderdduizend kronen, 't Bezit van Aquitanië weer terug, Wat wij veel liever hem weer zouden afstaan Mits ons 't geleende geld wierd uitbetaald, Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden. Prinses, waar' zijne vord'ring niet veel grooter Dan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hart Toegeef'lijker doen zijn dan billijk waar', Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.
PRINSES. Gij doet den koning mijnen vader onrecht, En onrecht aan uw eigen goeden naam, Zoo gij aldus de ontvangst te looch'nen schijnt, Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.
KONING. Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord; Bewijs dit, en ik zal voldoen, of sta U Aquitanië af.
PRINSES. Een man een woord. Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggen Voor deze som, van hen, die volmacht hadden Van Karel zijnen vader.
KONING. Goed, vertoon dit.
BOYET. Verschoon, 't pakket is nog niet aangekomen Met dit en andere overtuigingsstukken; 165 Doch morgen zult gij inzage er van hebben.
KONING. Dit zal voldoende zijn, en dan zal ik Toegeven, wat ik kan in reed'lijkheid. Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan, Als eere, zonder eerebreuk te plegen, Aan uw hooge waarde bieden kan. Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen; Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal, Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont, Al moet ik in mijn huis u herberg weig'ren. Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig; Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.
PRINSES. Verzell' steeds heil en welzijn uwe schreden!
KONING. 'k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!
(De Koning met zijn Gevolg af.)
BIRON. Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.
ROSALINE. Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich mij toone, zooals het is.
BIRON. Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.
ROSALINE. Is 't arme ding dan krank?
BIRON. Mijn hart is hard ziek.
ROSALINE. Onttap het dan wat bloed.
BIRON. Gij denkt dus, dit waar' goed?
ROSALINE. O, dan is 't dra gezond.
BIRON. Zoo prikke uw oog de wond.
ROSALINE. Neen, 'k wil mijn mes u geven.
BIRON. Nu, God behoede uw leven!
ROSALINE. En 't uwe, voor hooge jaren!
BIRON. Nu kan ik mijn dank wel sparen.
(Hij treedt ter zijde.)
DUMAINE (tot Boyet). Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is die dame?
BOYET. Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.
DUMAINE. Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!
(Dumaine af.)
LONGAVILLE. Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?
BOYET. Een meisje, heer, zoo gij in 't licht haar gadeslaat.
LONGAVILLE. In 't donker wellicht ook. Haar naam is 't, dien ik vraag.
BOYET. Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt, doet laag. 200
LONGAVILLE. Wiens dochter is zij, meende ik.
BOYET. Ik meen wel, van haar moeder.
LONGAVILLE. Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!
BOYET. Bedaard, heer, niet verstoord! Zij is een Falconbridge.
LONGAVILLE. 't Is over, op mijn woord. Ze is lieflijk, zoo maagd'lijk!
BOYET. Op mijn eer, ze is behaag'lijk.
(Longaville af.)
BIRON. Wie is die met den hoed?
BOYET. Catharina, geen bloed.
BIRON. En heeft ze al een man?
BOYET. Ze is zoo mans, als 't maar kan.
BIRON. 'k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!
BOYET. De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.
(Biron af.--De dames ontmaskeren zich.)
MARIA. Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort; Elk woord met hem is een scherts.
BOYET. En elke scherts maar een woord.
PRINSES. Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op 't woord.
BOYET. Zoo graag hij ent'ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.
MARIA. Twee vurige schapen!
BOYET. Neen, schepen zijn we eer beide'; Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.
MARIA. Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.
BOYET. Als gij mij vergunt te grazen.
(Hij wil haar kussen.)
MARIA. Neen, neen, mijn teeder beest! Mijn mond? 't is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.
BOYET. Aan wien behoort het veld dan?
MARIA. Aan mijn geluk en mij.
PRINSES. Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij. Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgild Die roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild. 227
BOYET. Indien mijn scherpe blik,--die zelden valsch besluit,-- Op 's harten stomme taal, die zich in de oogen uit, Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.
PRINSES. Hoe zoo?
BOYET. Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.
PRINSES. En uwe reed'nen?
BOYET. Zijn doen en gebaren, 't was al naar zijn oogen, Als burg, waar 't verlangend door uitkeek, getogen; Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld, Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld; Zijn tong, wie 't verdroot niet te zien, slechts te spreken. Drong stromp'lend om zich in zijn oog te versteken; Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven; De schoonste der schoonen te zien was hun streven. Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht, Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht; Zij toonden hunnen gloed, door 't schitt'rend glas omringd, En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt. Zijn gelaat had als randschrift bewond'ring uitgedrukt; En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt. Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft, Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.
PRINSES. Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.
BOYET. Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt. Hij spot niet--ik zweer het--maar maakt van zijn oog Een mond met een tong, die nooit iemand beloog.
ROSALINE. Hij is een oude kopp'laar, die nooit niet bedroog.
MARIA. Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw'lijk.
ROSALINE. Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is afschuw'lijk.
BOYET. Zottinnen, hoort gij?
MARIA. Neen.
BOYET. En ziet gij ook niets meer?
ROSALINE. O ja, ons pad naar huis.
BOYET. Gij plaagt mij al te zeer.
(Allen af.)
DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het park.
Armado en Mot komen op.
ARMADO. Kweel, kind, breng mijn gehoorzintuig in beweging.
MOT (zingt). Concolinel!
ARMADO. Een liefelijk zangstukje!--Ga jeugdige teederheid; neem dezen sleutel; stel den slungel in vrijheid; breng hem subietelijk hier; ik moet hem bezigen voor een brief aan mijn liefste.
MOT. Meester, wilt gij uw liefste met een Franschen slag veroveren?
ARMADO. Wat meent gij? met een Fransche kloppartij?
MOT. Neen, mijn onvergelijkelijke gebieder! maar stoot een melodie van het tongtipje af, maak er een capriool bij met de voeten, geef er geest aan door uw oogleden opwaarts te keeren; zucht een noot en zing een noot, nu eens door den gorgel, alsof gij bij uwen liefdezang liefde verzwolgt, dan weder door den neus, alsof gij bij het ruiken van liefde liefde opsnooft, met uw hoed als een luifel over de winkelkast uwer oogen, met uw armen gekruist op uw afgedragen kamizool, als een konijntje aan het spit, of met uw handen in de zakken als een zeeman op het oude behangsel. En blijf niet te lang in één toon, maar snip snap en weg er mee. Dit heet naar den aard, dit heet geestrijk, dit verleidt u aardige deernen, die ook zonder dat te verleiden zijn, en maakt hèn tot opmerkelijke mannen,--merkt gij dit wel op?--die van zulke dingen het meest werk maken.
ARMADO. Hoe zijt gij aan die ondervinding gekomen?
MOT. Voor mijn stuiver opmerkzaamheid.
ARMADO. Maar o, maar o! 29
MOT. Het stokpaard is vergeten!
ARMADO. Noemt gij mijn liefste een stokpaard?
MOT. Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan vergeten?
ARMADO. Bijna had ik dit gedaan.
MOT. O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.
ARMADO. Met de borst en in de borst, knaap!
MOT. En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.
ARMADO. Wat wilt gij toonen?
MOT. Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar, omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.
ARMADO. Ik ben het, alle drie.
MOT. En driemaal zooveel,--en toch volstrekt niets.
ARMADO. Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.
MOT. Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!
ARMADO. Ha, wat zegt ge?
MOT. Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is zeer langzaam ter been. Maar ik ga.
ARMADO. De weg is niet lang. Ga!
MOT. Zoo snel als lood, heer.
ARMADO. Wat meent gij, jeugdig vernuft? Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?
MOT. O minime, goede meester; of liever, meester, niet waar.
ARMADO. Wat! lood niet traag? dat is het wel.
MOT. Gij zegt dit, meester, veel te snel. Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?
ARMADO. O, zoete rook der redekunst! Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;-- Ik schiet u naar den boer.
MOT. Dan poef! zie, 'k ben voorbij!
(Mot af).
ARMADO. Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!-- Met verlof, ik zucht u in 't gelaat, firmament! Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.-- Mijn heraut weer terug? 70
(Mot komt terug, met Dikkop.)
MOT. Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!
ARMADO. Een wonder, een enigma; kom, de pointe meteen!
DIKKOP. Neen, niets van igma of van pointe! geen zalf uit de doos, heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geen pointe, geen pointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!
ARMADO. Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!
MOT. Houden de wijzen het voor iets anders? Is een pointe niet iets, dat snijdt?
ARMADO. Neen, page, 't is een toespraak, een epiloog, om zaken, Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken. Ik wil een voorbeeld geven:
Een vos en een aap en een hommel er bij Waren drie in getal; oneven waren zij.
Ziedaar de moraal, nu volgt de pointe.
MOT. Ik wil er de pointe aanzetten. Zeg de moraal nog eens.
ARMADO. Een vos en een aap en een hommel er bij. Waren drie in getal; oneven waren zij.
MOT. Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren, Die bracht het in 't effen; zij waren met hun vieren.
Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volg gij dan met mijn pointe.
Een vos en een aap en een hommel er bij Waren drie in getal; oneven waren zij.
ARMADO. Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren, En bracht het in 't effen; zij waren met hun vieren.
MOT. Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer verlangen?
DIKKOP. Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.-- Gij zijt niet bekocht, heer, is 't gansje maar vet.-- De knaap is een leeperd, en hem veel te mans; Laat zien: een vette pointe, dat is een vette gans.
ARMADO. Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan? 106
MOT. Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan. Toen riept gij om de pointe.
DIKKOP. En ik om de weegbree, ja, zoo is 't gegaan. Toen kwam dien knaap zijn pointe, de vette gans, die gij kocht; En de markt was gedaan.
ARMADO. Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?
MOT. Dat zal ik u tastbaar maken.
DIKKOP. Neen, gij hebt er het gevoel niet van, Mot; ik wil deze pointe zeggen:
Ik, Dikkop, zat in 't hok, zag 't open en liep heen; Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.
ARMADO. Nu spreken wij niet verder van 't geval.
DIKKOP. O, van dat vallen heb ik al genoeg.
ARMADO. Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.
DIKKOP. Een vrijman met welk meisje?--O, ik ruik alweer een pointe, een gans hierin.
ARMADO. Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld, gelibereerd; gij waart ingekerkerd, ingesperd, gecaptiveerd, met boeien belast.
DIKKOP. Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?
ARMADO. Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u, in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie, want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!
(Armado af.)
MOT. Als een vervolg, ja; ik kom.--Vriend Dikkop, adieu.
DIKKOP. Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!
(Mot af.)
Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.--"Wat kost dat lint?" "Twee stuivers."--Neen, ik geef er een remuneratie voor"; nu, ik krijg het er voor.--Remuneratie!--Wel, het is een mooier naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen zonder dit woord. 143
(Biron komt op.)
BIRON. O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.
DIKKOP. Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor een remuneratie?
BIRON. Wat is een remuneratie?
DIKKOP. Wel, heer, twee blanken.
BIRON. Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.
DIKKOP. Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.
BIRON. Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken. Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn. Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.
DIKKOP. En wanneer moet ik 't doen, heer?
BIRON. O, dezen nadenmiddag.
DIKKOP. Zeer goed, heer, 'k zal het doen, vaarwel!
BIRON. Wat! en gij weet niet, wat het is.
DIKKOP. Ik zal 't wel weten, heer, als ik 't gedaan heb.
BIRON. Wel, kerel, van te voren moet gij 't weten.
DIKKOP. Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.
BIRON. 't Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, 't is slechts dit:-- Van middag jaagt hier de prinses in 't park; Zij heeft in haar gevolg een schoone dame; Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil, Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. Vraag Naar haar; en dit verzegelde geheim Reikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed; Hier hebt gij een douceur.
(Hij geeft hem een schelling.)
DIKKOP. Douceur!--O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!--Ik zal het doen, heer, alsof het gedrukt was.--Douceur!--remuneratie!
(Dikkop af.)
BIRON. O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel! Een echte speurhond van verliefde zuchten, Een censor, ja, een nachtpatrouilleman, Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske, Van trotscher stof dan eenig menschenkind! Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje, Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido, Sonnettenkoning, vorst van armenkruising, Gezalfde souverein van o's en ach's, Patroon der pruttelaars en lanterfanters, 185 Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt, Machthebber, op wiens wenk de boden draven Van 't echtsgerechtshof,--o, mijn klein, zwak hart!-- Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem, En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel! Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw? Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt, Steeds na te zien en eeuwig in de war, Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg'len, Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg'ling eischt! Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles! En van de drie, dan de ergste juist te minnen! Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw, Met twee pikballen in 't gelaat voor oogen, En, bij mijn ziel, ja, een, die 't kwaad zou doen, Al had zij Argus tot eunuuk en wachter! En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar! Ik smeek om haar! Maar 't zij zoo, 't is een straf, Die mij Cupido oplegt om 't verachten Der almacht van zijn schrikb're, kleine macht. Nu, 'k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier'; Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!
(Biron af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Voor de tenten in het park.
De Prinses, Rosaline, Maria, Catharina, Boyet, Edellieden, Gevolg en een Houtvester komen op.
PRINSES. Was dat de koning, die zijn paard zoo spoorde, De steile helling van den heuvel op?
BOYET. Ik weet niet, maar mij dunkt, hij was het niet.
PRINSES. Wie 't wezen mocht, hoogdravend was zijn streven. We ontvingen, heeren, ons bescheid vandaag, En keeren Zaterdag naar Frankrijk weer.-- Houtvester, spreek, waar is nu dat geboomte, Waarin wij voor ons moordspel moeten staan?
HOUTVESTER. Vlakbij, daar aan den hoek van 't kreupelhout; Die stand is goed, daar hebt gij 't schoonste schot.
PRINSES. Gij denkt, het is de schoonheid, die daar schiet; En daarom spreekt gij van het schoonste schot.
HOUTVESTER. Vergeef, vorstin, dat is 't niet, wat ik meen. 13
PRINSES. Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij "neen"? Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!
HOUTVESTER. Zeer schoon, prinses.