Part 1
VEEL GEMIN, GEEN GEWIN.
PERSONEN:
Ferdinand, koning van Navarre.
Hovelingen. Biron, Longaville, Dumaine.
Fransche Hovelingen. Boyet, Mercade.
Don Adriano de Armado, een Spanjaard. Nathanaël, een dorpsgeestelijke. Holofernes, een dorpsonderwijzer. Dom, een gerechtsdienaar. Dikkop, een boer. Mot, page van Armado. Een Houtvester. De Prinses van Frankrijk.
Haar hofdames. Rosaline, Maria, Catharina.
Jacquenetta, een boerendeern.
Heeren en verder Gevolg van den Koning en van de Prinses.
Het tooneel is in Navarre.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Het park voor het koninklijk slot te Navarre.
De Koning, Biron, Longaville en Dumaine komen op.
KONING. De roem, dien ieder najaagt in zijn leven, Leve ingebeiteld op ons bronzen graf, En siere ons in de ontsiering van den dood, Wanneer ons, trots de vraatzucht van den tijd, Het streven van den adem dezer ure Een eer mag koopen, die zijn sikkel stomp, En ons tot erven maakt der eeuwigheid. Daarom, gij dappre helden!--want dit zijt gij, Omdat gij krijg voert met uw eigen neiging En 't machtig leger aller aardsche lusten,-- Ons jongst besluit besta in alle kracht: Navarre moet het wonder zijn der wereld, Ons hof beroemd als kleine wijsheidsschool, Waar rustig peinzen wetenschap doet leven. Biron, Dumaine en Longaville, gij drieën, Gij zwoert, drie jaren lang met mij te leven Als schoolgenooten, trouw aan al de regels, Die hier, op deze rol, geschreven staan. 18 Gij deedt den eed, zoo onderteekent ook, Zoodat, wie hier het kleinste deel van schendt, Met eigen hand zijn eigen eere velt. Kent gij u sterk, als gij geloften deedt, Zoo teekent hier en handelt naar uw eed.
LONGAVILLE. Ik ben besloten; 't is maar drie jaar vasten. Al lijdt het lijf gebrek, de geest zal schransen; Een vette buik, een mager brein; fijn eten, De ribben maakt het rijk, bankroet het weten.
DUMAINE. Mijn eed'le vorst, Dumaine is reeds verstorven; Hij laat de groov're vreugden dezer wereld Aan dezer groov're wereld laag're slaven. Voor liefde, rijkdom, luister, ben ik dood; 'k Leef, mèt dat alles, in der wijsheid schoot.
BIRON. 'k Heb enkel hun gelofte te herhalen; Want dit heb ik, mijn vorst, alreeds bezworen, Dat ik drie jaren hier studeeren wil. Edoch, er zijn nog and're strenge regels, Zooals: in al dien tijd geen vrouw te zien, Wat, hoop ik, daar niet neergeschreven staat; En, één dag in de week geen spijs te proeven, En verder slechts één enk'len maaltijd daags, Wat, hoop ik, dat niet neergeschreven staat; En dan, des nachts drie uren slechts te slapen En overdag geen oog toch toe te doen,-- Ik, steeds gewoon des nachts niets kwaads te denken, En van den halven dag een nacht te maken!-- Wat, hoop ik zeer, daar niet geschreven staat. O, dit zijn harde plichten, zware lasten: Geen vrouw ooit zien, studeeren, waken, vasten!
KONING. Gij hebt het met een eed reeds afgezworen.
BIRON. Toch niet, mijn vorst, gelief mij aan te hooren: Ik zwoer met uwe hoogheid te studeeren, En hier aan 't hof drie jaar te resideeren.
LONGAVILLE. Ook 't and're, vriend, met ons in broederschap. 53
BIRON. Bij ja en neen, dan zwoer ik voor de grap.-- Maar zeg, wat is het doel van al 't studeeren?
KONING. Wat anders ons verborgen blijft, te leeren.
BIRON. Dus zaken, die 't gewoon verstand niet vindt?
KONING. Ja, dat is 't godd'lijk loon, dat studie wint.
BIRON. Nu, dan,--ik zweer 't,--studeer ik dag voor dag, Totdat ik weet, wat ik niet weten mag; Als: hoe ik me aan een lekker maal vergast, Wanneer ik streng bevel heb, dat ik vast; Of, hoe ik eener schoone gunst geniet, Wanneer een stomper oog geen schoone ziet; Of hoe ik, als een drukkende eed mij rouwt, Den eed verbreek en mijn belofte houd. Is dit der studie winst, slechts dit alleen, Dan weet de studie meer dan ooit voorheen; Zweert gij hierop, dan zeg ik nimmer neen.
KONING. Ziedaar nu juist wat ied're studie stoort, En onzen geest tot ijd'len lust bekoort.
BIRON. O, elke lust is ijdel, die het meest, Die, kwelling zaaiend, niets dan kwelling leest: Zooals het turen naar het licht der waarheid In boeken, waar gij 't oog vergeefs op richt, Want waarheid blindt dan 't oog door valsche klaarheid. Licht, dat naar licht zoekt, rooft het licht aan 't licht; En eer gij licht ooit in het duister vindt, Bevindt ge uw licht verdoofd, uw oog verblind. Studeert veeleer, hoe gij uw oog verkwikt, Door in een schooner oogenpaar te staren, Die u ten gids zijn, als gij er in blikt, En, blindend, schooner licht u openbaren. De studie is gelijk des hemels zon, Die niet met driesten blik beschouwd wil zijn; Wat is de schat, dien ooit een boekwurm won, Dan slechten raad uit and'rer hersenpijn? Wie iedere enk'le ster van 's hemels heer Een naam kan geven als een aardsche peet,-- Verheugt een held're sterrennacht hem meer Dan een', die wandelt, opziet en niets weet? Wie veel weet, weet toch niets dan roep en faam, En ied're peet verleent allicht een naam.
KONING. Wat uitgelezen woede tegen 't lezen!
DUMAINE. Wat ijv'ren om ons ijv'ren te genezen!
LONGAVILLE. Hij wiedt de tarwe en kweekt het onkruid aan.
BIRON. 't Wordt lente, als jonge ganzen broeden gaan.
DUMAINE. Hoe komt dit hier te pas?
BIRON. Recht goed ter snede.
DUMAINE. 't Is ongerijmd. 99
BIRON. Het rijmt, erkent dit mede.
KONING. Biron is als een felle vorst, die bijt, En nijdig woedt op lentes eerstelingen.
BIRON. Ja, als de zomer trotsch is voor zijn tijd, En pocht, eer vogels reden zien tot zingen. Zou 'k roemen, wat ontijdig wordt geboren? Bij donk'ren kersttijd kan geen roosje mij, Op 't nieuwe kleed der Mei geen sneeuw bekoren; Wat op zijn tijd verschijnt, begroet ik blij. Wis, wordt te laat studeeren thans uw zwak,-- Gij klimt, om 't huis te ontsluiten, over 't dak.
KONING. Nu, speel niet mee, Biron, en ga; vaarwel!
BIRON. Neen, beste vorst, ik zwoer, en blijf bij 't spel. Heb ik ook voor barbaarschheid meer gesproken, Dan gij voor de' engel "kennis" zeggen kunt, Ik houd mijn eed, mijn woord, nog nooit gebroken, En boet de drie jaar uit, zoo gij 't vergunt. Laat zien, wat in de rol geschreven staat; Ik onderschrijf de wet, hoe streng, hoe kwaad.
KONING. Goed dat gij toegeeft, en de schande ontgaat.
BIRON (leest). "Item: Dat geen vrouwspersoon binnen een mijl afstand van mijn hof mag komen." Is dit afgekondigd geworden?
LONGAVILLE. Vier dagen reeds geleden.
BIRON. Laat zien, op welke boete? (Hij leest.) "Op straffe van de tong te verliezen." Wie dacht dit uit? het is zoo streng als 't kan.
LONGAVILLE. Ik ben de man er van.
BIRON. Waarom, mijn lieve man?
LONGAVILLE. Zij blijven weg als zulk een straf hen wacht.
BIRON. 't Is vriendelijk doen bedreigd, en dat niet zacht. (Hij leest.) "Item: Als iemand binnen dit tijdsverloop van drie jaren er op betrapt wordt, dat hij met een vrouw spreekt, zal hij zulk een openbare schande hebben te ondergaan, als de andere heeren van het hof vermogen uit te denken."--
Nu, dit artikel, heer, zelf moet gij 't breken; Want Frankrijks koning zendt,--gij weet dit wis,-- Zijn dochter herwaarts om met u te spreken,-- Een jonkvrouw, die recht schoon en vorstlijk is,-- Van de overdracht van Aquitania Aan de' ouden kranken koning. Dus, gij ziet, 't Artikel hier is ijdel, krachtloos, ja, Of hààr reis is verijdeld en voor niet. 141
KONING. Is 't moog'lijk, heeren, hoe ontging dit mij?
BIRON. Zoo schiet de studie steeds haar doel voorbij; Zij streeft door studie naar het hoogste goed, Maar zij vergeet te doen, wat zij doen moet; En krijgt zij, wat zij wenscht, dan is het iets Als platgebrande steden: iets, maar niets.
KONING. In deze kan ons dit besluit niet binden; Zij moet noodzaak'lijk een verblijf hier vinden.
BIRON. Noodzaak'lijkheid doet ons onze eeden breken, Drieduizendmaal in deze drie jaar tijd; Geen aangeboren lust is ooit bezweken Voor macht of spreuk; genade slechts bevrijdt. Breek ik mijn eed, dit zeggen wint het pleit: Ik breek hem enkel uit noodzaak'lijkheid.-- Ik onderschrijf al, wat ik heb bezworen;
(Hij onderteekent.)
En wie de wet nu schendt, hoe luttel 't zij, Voor eeuwig, ja, heeft hij zijn eer verloren. Ook and'ren wenkt verlokking, zooals mij; Maar,--dit geloof ik,--deed ik 't laatst den eed, De laatste ben ik, die zijn eed vergeet,-- Doch wordt nu alle kortswijl hier geweerd?
KONING. Wel neen; gij weet wel, aan ons hof verkeert Een reiziger uit Spanje, trotsch en edel, In al der wereld nieuwheid uitgeleerd, En met een munt van woorden in zijn schedel; Een man, wien 't raat'len van zijn ijd'le tong Als tooverzang verrukt; en zoo volmaakt, Dat, meent hij, recht noch onrecht, op den sprong Van strijden staand, ooit hem als scheidsman wraakt; Armado heet dit kind der phantasie; Hij moge ons van oud Spanje's bruine helden, Als we ons verpoozen van philosophie, In hoogen stijl de dapp're daden melden. Ik weet niet, valt hij ook in uwen smaak? Mij is zijn leugentaal een zoet vermaak, En hij vervangt mijn troubadours mij vaak.
BIRON. Armado is voor mij een ideaal, De held der mode, fonkelnieuw van taal.
LONGAVILLE. Als hij met Dikkop ons verzet hier wordt, Dan blijken drie jaar studie veel te kort.
(Dom en Dikkop komen op, de eerste met een brief in de hand.)
DOM. Wie is hier de eigen persoon van den vorst?
BIRON. Hier, deze knaap. Wat wilt gij?
DOM. Ikzelf reprehendeer zijn eigen persoon, want ik ben zijn genades gerechtsdienaar, maar ik wilde zijn eigen persoon zien in vleesch en bloed.
BIRON. Dit is zijn hoogheid. 187
DOM. Signor Arm--, Arma--, recommandeert u. Er is schelmerij aan den gang; de brief zal u meer zeggen.
DIKKOP. Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.
KONING. Een schrijven van den roemruchten Armado.
BIRON. Hoe laag het onderwerp moog' wezen, ik hoop in God op hoogdravende woorden.
LONGAVILLE. Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene ons geduld!
BIRON. Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?
LONGAVILLE. Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of ons van beide te onthouden.
BIRON. Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen, als de stijl het toelaat.
DIKKOP. Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.
BIRON. Nu, wat is dan die aardigheid?
DIKKOP. Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt, alle drie. Ik werd met haar gezien, heer, bij het heerenhuis op een aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat, toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer, de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,--en den loop, heer, wel, ik liep haar na.
BIRON. En is er nog een vervolg bij, vriend?
DIKKOP. Het vervolg, heer,--dat zal mijn straf wel zijn; en God behoede de onschuld!
KONING. Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?
BIRON. Alsof het een orakel ware.
DIKKOP. Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat het vleesch zegt.
KONING. (leest). "Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf, en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel, voedster-vader van mijn lichaam,"--
DIKKOP. Nog geen woord van Dikkop.
KONING. "Zoo is het,"--
DIKKOP. 't Kan zijn, dat het zoo is; maar als hij zegt, dat het zoo is, dan is hij op het punt van waarheid spreken toch--
KONING. Stilte! 228
DIKKOP. Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.
KONING. Geen woord!
DIKKOP. Van een andermans geheimen, bid ik u.
KONING. (leest). "Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie, schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt, beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap, dit gering elzenvorentje van uwen spotlust,"--
DIKKOP. Mij.
KONING.--"deze ongeletterde, luttelwetende ziel,"--
DIKKOP. Mij.
KONING.--"dezen onnoozelen vazal,"--
DIKKOP. Nog altijd mij.
KONING.--"die, naar ik mij herinner, Dikkop heet,"--
DIKKOP. O, mij!
KONING.--"vergezeld en vergezelschapt, trots uw vastgesteld en afgekondigd besluit en onthoudingswet, met--, met--, o! met--, maar ik huiver te zeggen, waarmede,"--
DIKKOP. Met een meisje.
KONING.--"met een kind onzer grootmoeder Eva, een wijfjesmensch; of, voor uw liefelijker begrip, een vrouw. Hem heb ik,--zooals mijn altijd waakzame plicht mij aanspoort,--tot u gezonden, om zijn welverdiende tuchtiging te ontvangen, door uwer beminnelijke hoogheid dienaar Antonius Dom, een man van goeden roep, gedrag, wandel en naam."
DOM. Door mij, als het u behaagt, ik ben Antonie Dom. 274
KONING. "Jacquenetta daarentegen,--zoo heet het zwakkere vat,--die ik met den bovengenoemden herdersknaap aantrof, bewaar ik als een vat van de grimmigheid uwer wet, en zal haar, bij den minsten liefelijken wenk van u, voor het gerecht stellen. De uwe, in alle graden van toegewijden en hartverzengenden dienstijver,
Don Adriano de Armado."
BIRON. Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat ik ooit gehoord heb.
KONING. Ja, het beste onder het slechtste.--Knaap, wat zegt gij hierop?
DIKKOP. Heer, de deerne beken ik.
KONING. Hadt gij de afkondiging gehoord?
DIKKOP. Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.
KONING. Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met een deerne werd aangetroffen.
DIKKOP. Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt met een meisje.
KONING. De afkondiging sprak ook van meisjes.
DIKKOP. Zij was ook geen meisje, heer, zij was een maagdeke.
KONING. Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.
DIKKOP. Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig maar een maagd.
KONING. Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!
DIKKOP. Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.
KONING. Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten met zemelbrood en water.
DIKKOP. Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.
KONING. En Don Armado zal uw wachter zijn.-- Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd. Komt, vrienden, nu aan 't werk met frisschen moed; Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.
(De Koning, Longaville en Dumaine af.)
BIRON. Mijn hoofd verwed ik tegen ied'ren hoed, Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken. Vooruit, knaap!
DIKKOP. Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust, o kommer!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Armado's huis in het park.
Armado en Mot komen op.
ARMADO. Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest melancholiek wordt?
MOT. Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig zal uitzien.
ARMADO. Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief entrijs.
MOT. O neen, heer; God beware, neen.
ARMADO. Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander scheiden, mijn teedere juvenalis?
MOT. Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie senior.
ARMADO. Waarom taaie senior? waarom taaie senior?
MOT. Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?
ARMADO. Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton, dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.
MOT. En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag, welken wij als taai mogen munten.
ARMADO. Aardig en vaardig.
MOT. Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of ik vaardig en mijn praten aardig?
ARMADO. Gij aardig, omdat gij klein zijt.
MOT. Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?
ARMADO. En vaardig, omdat gij vlug zijt.
MOT. Zegt gij dit tot mijn lof, meester?
ARMADO. Tot uw rechtmatigen lof.
MOT. Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.
ARMADO. Wat! dat een aal scherpzinnig is?
MOT. Dat een aal vlug is.
ARMADO. Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij het bloed.
MOT. Ik heb mijn antwoord, heer. 33
ARMADO. Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.
MOT (ter zijde). Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.
ARMADO. Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.
MOT. Dit kunt gij wel in één doen, heer.
ARMADO. Onmogelijk.
MOT. Hoeveel is één, driemaal geteld?
ARMADO. Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van een tapper.
MOT. Gij zijt een edelman, en een speler, heer.
ARMADO. Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de wereld.
MOT. Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.
ARMADO. Een meer dan twee.
MOT. Wat het lage gemeen drie noemt.
ARMADO. Juist!
MOT. Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen; en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij het woord drie, en drie jaar in twee woorden te studeeren, kan het dansende paard u wel zeggen.
ARMADO. Een recht fraai voorbeeld!
MOT (ter zijde). Dat u een nul doet blijken.
ARMADO. Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten; mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke groote mannen zijn verliefd geweest?
MOT. Hercules, meester.
ARMADO. Die allerliefste Hercules!--Meer voorbeelden, beste knaap, noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van naam en gedrag.
MOT. Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier, en hij was verliefd. 76
ARMADO. O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?
MOT. Een vrouw, meester.
ARMADO. Van welke complexie?
MOT. Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.
ARMADO. Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.
MOT. Van de zeegroene, meester.
ARMADO. Is dat een van de vier complexies?
MOT. Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.
ARMADO. Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij, weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.
MOT. Zoo was het, heer, want haar geest was groen.
ARMADO. Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.
MOT. Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen zijn.
ARMADO. Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!
MOT. Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!
ARMADO. Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en pathetisch!
MOT. Is eenig meisje rood en wit, Niets brengt haar ooit van streek; Maak' schaamte ook and'rer wang verhit, En bange vreeze bleek,-- Of zij al vreest of kwaad bedrijft, Zij draagt dit niet te pronk; Wijl hare kleur dezelfde blijft, Als die natuur haar schonk.
Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.
ARMADO. Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?
MOT. De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs. 119
ARMADO. Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen, om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.
MOT (ter zijde). Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar dan mijn meester.
ARMADO. Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.
MOT. Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.
ARMADO. Zing, zeg ik.
MOT. Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.
(Dom, Dikkop en Jacquenetta komen op.)
DOM. Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is tot dagloonster benoemd. Vaarwel.
ARMADO. Ik verraad mij door mijn blozen.--Meisje!
JACQUENETTA. Man!
ARMADO. Ik wil u aan de hut komen opzoeken.
JACQUENETTA. Dat is er na.
ARMADO. Ik weet die wel te vinden.
JACQUENETTA. Heere, Heere, wat zijt gij knap!
ARMADO. Ik zal u wonderen vertellen.
JACQUENETTA. Daar ziet ge wel naar uit.
ARMADO. Ik bemin u.
JACQUENETTA. Wat gij zegt!
ARMADO. En nu, vaarwel!
JACQUENETTA. Ik wensch u mooi weer!
DOM. Kom, Jacquenetta, vooruit!
(Dom en Jacquenetta af.)
ARMADO. Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij vergiffenis krijgt.
DIKKOP. Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een volle maag zal doen.
ARMADO. Gij zult zwaar gestraft worden.
DIKKOP. Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden maar licht beloond.
ARMADO. Voer den booswicht weg, sluit hem op.
MOT. Kom, gij lage zondaar, voort!
DIKKOP. Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.
MOT. Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in de gevangenis.
DIKKOP. Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie, die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien--
MOT. Wat zullen sommige menschen zien?
DIKKOP. Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.
(Mot en Dikkop af.)
ARMADO. Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen, die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle is, treedt. Ik zal meineedig zijn,--wat toch een groot bewijs is van trouweloosheid,--indien ik verliefd ben. En hoe kan dat trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest, dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij had een zeer goed verstand. Cupido's pijl is voor Hercules' knots te sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard. De eerste en tweede reden tot een tweegevecht helpen mij niets; den passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is, dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg, trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een of ander extempore rijmgod mij bijsta! want ik voel, dat ik een sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb plan op geheele boekdeelen in folio.