# Van vijf moderne dichters

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/van-vijf-moderne-dichters-13326/index.md

Wie ging, met snelle stappen, slank, gebogen Een heel klein beetje 't hoofd, langs 't ruischend strand? Daar heft hij plots zijn Aanschijn en met oogen, Vaag en toch klaar, uitkijkend naar den rand,

Den versten zoom des horizons, waar vlogen Vogels, als vlekken op den heldren wand Des eindloos-wijden hemels, en zijn hand, Als vogel-zelf, zich zwierend naar den hooge,

Leek hij zoo klein daar, in 't heelal-ruim staande, De onsterfelijke Shelley.... Zwaar-diep-luid, Een beest, dat bulkt naar onbereikbren buit, Galmt dof de zee, golven op golven slaande:

Dees wéten 't wel, want, ach, slechts weinig uren later Lag 't goddelijk genie, als lijk, vèr, diep in 't water.

3. DE MOORD

Het ranke lichaam van de boot (de haven Uitschietend als een meeuw opeens, met volle Zeilen, die heftig inderhaast zich bollen) Scheert over 't zeeschuim reeds, waar, in wild draven,

('s Afgrond's mysteriën het doodssein gaven) Zij streeft den stormwind tegemoet te hollen, Wijl, achteraan en naast, twee even dolle (Als, ach! op roof-moord uitgestuurde slaven)

Barken snel reppen. Dan komt Duister vallen: De mist ligt laag op 't water: zien en hooren Vergaan, alleen de horens hoeënd schallen.... Hol-dof een botsing bonst: men raadt een smoren,

Door dichte witheid, van twee lichte gillen[*] En verder niets dan Dood, de diep-in stille....

[Voetnoot *: Van Capt. Williams en Charles Vivian, den scheepsjongen, Shelley's medeschepelingen.]

4. SHELLEY'S STERVEN

Voorover, in het boot-ruim, lang-uit lag Shelley en las.[*] De wilde golven sloegen Luider en luider langs de zijden, droegen Hoog-op het broze vaartuig, met geklag

Van schril zoevend gieren door want en stag, Die knerpten. Hoorde-i niet, hoe de andren joegen Hierheen en daarheen, zuchtten, riepen, kloegen? Hij las maar, las, totdat hij niets meer zag ...

Toen stond hij op, verwonderd: neevlen drongen Overal áán, en plots ... een donker blok Komt dreigend door die misten opgesprongen ... Hij wankelt door den donderenden schok ...

"Is dat de Dood? ontvang me ..." en willig glijdend Valt hij de diepte in, zwijgend, de armen breidend.

[Voetnoot *: In Keats' _Eve of St. Agnes_, dat omgeslagen in zijn zak werd gevonden.]

5. BEKENTENIS VAN DEN MOORDENAAR[*]

Wij waren jonge wilden: o, de vloek, Te moeten jong en dwaas zijn: niet te weten En tòch te doen ... wel gauw weer is 't vergeten.... Maar later ... later.... Ach! 'k ben moede, ik zoek

Naar woorden, om te sussen mijn geweten, Doch vind er gééne.... Zie daar, in dien hoek, Daar staat Hij en hij glimlacht: schijnt te meten Den afstand naar mijn bed ... geef mij dien doek,

'k Moet hoesten weer: bloed is 't: ik voel 't, als rijden Mij duivlen door de borst: 'k zal 't snel belijden, Want haast begeeft mij de adem ... en ik sterf:

'k Heb eens in 't stormen der Toscaansche baren.... ... Geef, geef mij de absolutie of 'k verderf.... Voor geld een Engelsch scheepje omvergevaren.

[Voetnoot 1: Zie W. M. Rossetti's Memoir of Schelley, blz. 126. (London, John Slark 1886).]

6. SHELLEY'S VERSCHIJNING

Stil was 't, toen Shelley snellijk tot mij trad.... Ik zag hem nauw, maar voelde zijn nabijen Bovenaardsche' adem om mijn hoofd zich vlijen, Zóó zacht, alsof er op een buiten-pad,

Waar niemand loopt, een zoeltje gaat: geen blad Omhoog beweegt: men merkt alleen zachtblij een Vreemde verfrissching langs zijn slapen glijen.... Eerbiedig wachtte ik roerloos, waar ik zat:

"Hoor naar uw Ziel, die gij nauw weet, die binnen, Ver achter 't aardsche schimmenspel, zich wiegt Op eigen levensdiepte, waar 't beminnen Eindeloos-door om 't Eeuwig-Schoone vliegt,

Lijk in 't Heelal-ruim om de nooit te kennen, Der zonnen Zon, al andre zonnen rennen."

7. VERVOLG

Zóó voelde ik: Shelley zeide 't, en een vrede Van veilig weten zeeg er door mijn heele Wezen tot in mijn diepste ziel, die 'k spelen Hoorde van ver, stil-eenzaam op de breede

Weiden der eindeloosheid, en haar beden, Om één te wezen met het Al-zijn, kweelen Weer ging, heel diep-inwendig, als zoovelen Dat sinds hun vroegste, droefste jaren deden....

Doch Shelley lachte en riep, terwijl hij schudde 't Jong hoofd--dat lachen scheen als zilvren bellen:-- "Gij moet niet langer meer uw Zelf wreed kwellen, "Gij liept nooit mede met de doffe kudde

"Van wie graag, door den Dood, in 't Niet vervlogen: "Gij zijt U-zelf, strikt-vrij van Schijn of Logen."

8. VERVOLG

"Gij wist, als Ik, van deinzen niet noch wijken, "Gij stoordet nooit aan dwazen u, die smaadden, "Maar gingt, door niets weerhouden, vroeg en spade, "Uw eigen echten weg naar 't hoog Bereiken ...

"Naar 't Diepste dalen en naar 't Verste reiken, "Naar 't niet te noemen Eerste, Oneindge raden "En, schoon met Denken's eeuwgen last beladen, "Toch nimmer, geen sekonde ook maar, bezwijken.

"Wijs-zijn, niet hopen maar ook geenszins vreezen, "Terwijl men stil-gestuwd omhoog blijft dringen "Op 't pad, u door uw diepste Zijn gewezen ...

"Dát was de weg, dien alle dichters gingen, "Die niet om zelfs-wil maar om Zielswil zingen ... "Zoo blijf, wat gij steeds zijn woudt, een van dezen."

9. ANTWOORD VAN MIJ

Meester!... vergeef, dat 'k U zoo noeme in schromen, Maar met een diepe, als bovenaardsche vreugd, Sinds 'k als een vaag-ontroerend na-geneugt Van overschoone en lang-geleden droomen,

Die in 't koud daglicht plots weer vóór ons komen, Uw naam--o, hoe dat oogenblik mij heugt!-- In de' allereersten opgang mijner jeugd Met wijdingsvolle ontroering heb vernomen.

Ik zag hem ... lás hem ... wist niet, hoe mij wierd.... Groeide er een verre erinnring in mij wakker, Dat ik, in vroeger Zijn, met U als makker, Heb vrij door 't Engelsch heuvlenland gezwierd?

O, is de heele Menschheid, hier op aard verschenen, Eén bonte ontbloeiïng van het diep-in Eeuwig-Eéne?

10. VERVOLG

Spiegelt, wat elk beleeft, terug in 't Groote, 't Oneindig-diepe Al-wezen (achter 't schijnen Van dit en dat en wéér wat, 't Uwe en 't mijne) In 't Eeuwge Denken, waar, in durend stooten

Van Neen op Ja, van 't Kleine tegen 't Groote, Onder steeds reddeloos geleden pijnen, Waar zich vergaan in voelt het Teêre en Fijne, Het Levensraadsel uit is opgeschoten?

Moet men getroost dus, weg van ál vergeefsche Klachten om heel ons klein, persoonlijk Lijden, 't Al-eenig eeuwiglijk-bestaand goed-geefsche,

Het God-genoemd goed-nemende te al tijden Machteloos eerend, verder in goed-leefsche Koelheid het Goede doen, het Slechte mijden?

11. SHELLEY'S OORDEEL

Doch Shelley's stem zei, klinkend als het golven Van wind door slank-getopte popel-takken: "De aarde werd woonoord voor gespeende wolven, "Die met hun jonge tanden alles pakken.

"Dra zullen dichters wonen in barakken, "Waar, als zij daags hebben gespit, gedolven, "Zij worden heengedreven door de kolven "Van vunze Bolsjewistische Kozakken.

"'t Menschdom is als Natuur, waar allen strijden, "Geroofd wordt eeuwig-door: 't gaat op en neder, "Dees wint of die, maar 't is tot schâ voor beiden. "O, vlieg, vriend, met mij mede, als lichte veder....

"Hierboven is het zalig, waar in wijden "Kring alle blauwingen zich om ons breiden!"

12. SLOT

Toen lachte ik. "Meester, in die hooge streken, "Waarheen mijn droomen ging in kinderjaren, "Wanneer ik zat lange avonden te staren, "Wijl alle sterren naar me, als oogen, keken....

"Voel _ik_ mij, die maar 'n aardling ben, een zware, "Veel minder thuis dan Gij." Gelijk een bleeke Straal van de maan, dien bladbeweeg kwam breken, Was Shelley, als een waan, plots heengevaren....

"Illusie, gingt gij?" zei ik zacht. "Waar bleeft gij? "Muziekvolle ademing uit beetre sferen, "Die eenmaal 'n oogwenk hier op aard verkeeren "Kwaamt, om te vlieden, óók te gauw toen ... streeft gij

"De oneindigheid der Ruimte dóór weer, om te ontmoeten "'t Verbeelde Kernpunt van dees Chaos,datwij groeten ...?"

TER GEDACHTENIS AAN ALPHONS DIEPENBROCK

I

Ofschoon Gij ligt nu, wit als sneeuw, geloken Die levende oogen, o, voor goed, en 't woord, Het aardsche dat hier spreekt, niet wordt gehoord Door wie als Gij, als élk eens, diep gedoken

In 't grondloos-Eéne-en-Eeuwige-ongebroken, Leeft, maar met alles saam, onsterflijk voort ... O, 'k roep U toe--Uw rust wordt niet gestoord-- En 'k roep dus, nógmaals, woorden wáár gesproken

Vóór 't Hooge en Onaanschouwbare Aangezicht Van 't Eeuwge Zijn in 't allerdiepst des Levens: Gij waart een Hooge, een Goede en Wijze tevens: Diep in Uw Binnenst leefde Uw ziel in 't licht,

En wat in dat diepst Eigne zong als 't Levend-schoone Schiept ge om in 't heerlijk-klagend juublen Uwer tonen.

II

't Allerdiepst Raadsel dezes Levens nam Uw innigst In-zijn óp weer in zijn schoot, Dat altijd, sinds het uit dat Eeuwge vloot, Terug verlangde naar waar 't eens van kwam.

Wij andren dwalen verder, tot de vlam Ook van òns Zijn vervaagt tot avondrood. Wat is de mensch? Wat weenen we om zijn dood? Want staan blijft steeds ons aller Moederstam,

De Menschheid, die staêg groeit en bloeit, en bladen Na bladen vallen laat in 't kerkhof-zand, Maar nieuwe komen weer aan allen kant.

De onpeilbre Kern des Zijns leeft, diep geladen, En eindloos, door der eeuwigheden tal, 't Al-zijn zich wiegt zoo, stijgende na val.

III

Maar is er dan geen Troost? De Troost is deze: Hij, die der Ruimte oneindigheid bespiedt, Weet, dat heelallen daar vergaan en ziet Een nieuw opvlamme' als men die taal kan lezen: Maar éens komt toch 't ontzachlijk uur gerezen, In der aeonen onbeperkt verschiet, Dat alles saam vernevelt tot een Niet En ná dien zal er _niets_ meer, _niets_ meer wezen.... Niets? Ja, toch Eén, het Eenge, wat bestaat, Dat droomt, zichzelf genoeg en nooit vergaande, Het Absolute, bóven Goed en Kwaad; Diep in-zich weet het zich 't Alleen-Bestaande. De wijsgeer noemde 't God, met kalme stem: Wij voelen, weten, denken niets dan Hèm.

IV

Want uit Zijn Geest zijn we allen voortgekomen, Glanzend of walmend voor een korten duur, Als vonk of damp uit dat Ondoofbre Vuur, Dat scheppend baart Zijn eigen Wezensdroomen.

Wij meenen dat wij zijn: wij voelen stroomen, Door hersnen, aêren, als een levend vuur: En tòch wij zijn slechts wanen van een uur, En worden aan het eind weer opgenomen

In de eeuwig-ondoorgrondbre Bron des Zijns, De Vlak-nabije en Onbereikbaar-verre, Waar elk naar haakt in onbewust gepeins, Wanneer hij ziet in mensche-ooge' of in sterren, In stil vermoeden van iets Hoogs en Reins, Van uit de schaûwen dezes aardschen Schijns.

V

Dit laatste woord, niet voor mijn binnenleven Maar voor de wereld, jegens U van mij, Op aarde hier. Want, wat ons nu nog schei, 't Gordijn des Levens, met een rustig beven Zal _ik_ ook eenmaal zien omhoog-geheven En naar Uw beeltnis in der Eeuwgen rei Staren, tot stil Uw wenk mij roept, waar zij, Die 't diep-in meenden, eeuwig zullen leven. Dan zal ons spreken zijn van 't stil-vermoede, Dat woordloos door ons beiden werd gevoeld, Het eindloos hoog-uit Klare, Zuivre en Goede, Dat glanst, óók waar de wereld woedt en woelt.... Maar, mocht het eeuwig nacht zijn, waar Gij zijt, Blijf, òns toch heilig, diep gebenedijd!

VI

Maar neen, mijn laatste woord mag zóó niet scheiden Van U, die zwijgend ligt in stilte Uws hofs; Eer dan iets koels hier, passen diep-geschreide Tranen, ras wijkend voor iets stils en dofs, Dat diep in 't hart met onweerbarstig lijden Peinst, tot het òpvloeit in een zang des lofs; Wij leven allen in den Droom der Tijden, Dien 't Eeuwige ons boetseert uit schijn des stofs. Wij zelf zijn droomen van een dag slechts, wetend Zelfs niet het Diepere onzes eignen Zijns, Zwevend op 't eeuwiglijk-onpeilbre, metend Haarfijn àl lengten, breedten onzes schijns, Maar voelen 't Eindelooze niet daarachter, Dat zwoegend werken moet, in weene'? of lacht er?

[Illustratie: WILLEM KLOOS--NAAR ANTOON VAN WELIE]

VII

Alweêr een weifeling? Weg, weg ... wij voelen, Omdat zij dieper dan ons denken gloeit En, lichte bloem, omhoog naar 't zonlicht bloeit, De zekerheid, (ondanks dien schijnbaar-koelen Heelal-storm van ontstaan, die komt bespoelen Ook 't aanzicht dezer aarde nooit vermoeid) Dat, schoon de mensch zijn Aanzijn soms verfoeit, Het Al-zijn schoon moet wezen van bedoelen. Daarom zingt lof, al ziet gij schreiensrood Om al de ellende dezer wereld tevens, En laat ons kalm, in 't eind-uur onzes snevens Omhoog zien, als we ons-zelf zien geestlijk bloot.... Hij maakt àl goed. De diepste Grond des Levens, Voor wien wij schijnen zijn, is naamloos groot.

AAN DE ONBEKEND-BLIJVENDEN

God-dronkenen, die diep-in zingend leven Altijd-maar-door, al zwijgt hun mond, die wonen Sinds hun geboorte in 't onuitspreeklijk-schoone, Waarin hun ziel stil droomt: hun zinnen streven

Naar altijd dieper-voelend schoon-ziend beven Bij al wat aarde en hemelen hun toonen Aan visioenen die hen heerlijk loonen Voor àl des Levens pijnen, tot hun sneven.

O, mijne broeders al, gij, Onbekenden, Die kwaamt en gingt, maar zonder ooit te spreken, Daar gij verkoost met geen geluid te schenden De heil'ge stilte van het diep-in leken

Der onder oogenrand gebleven tranen Om mensch-verdwazing en der aarde wanen.

VERZEN VAN MARGOT VOS

LENTELUST

Zoo in den zingenden hof Met de merels en madelieven Met het blijmoedige lof En de harige honigdieven, Zoo als een doeniet den dag Uit den zondronken hemel te kijken, Dwars door het feestlijk gevlag Der bloeiende appelrijken,

Vind ik de zaligheid weer Die de wereld verloren waande, Ben ik bevrijd van begeer, Houd ik den hemel staande Op mijn gezuiverd bloed Waarover de winden wimp'len, Ben ik van blijdschap gevoed: De simpelste onder de simp'len.

Boven mijn hoofd sluit de tijd Zijn eeuwig-bloedende wonde, Heft mij in 't zorgeloos krijt Van de fluitende vagebonden, Houdt mij van schoonheid omschuimd, Van zil'vren zangen volzongen, Stuwt de groot-golvige ruimt' Aan 't klein eiland mijner longen.

Mijn wordt het gansch gewelf; Daar is geen raadsel, geen wonder. Ik ben de schepper zelf, De wereld duikt in mij onder. De dagen stijgen uit mij Als hel-klapwiekende duiven, De nachten komen in mij Den zomersenen wierook wuiven.

Ik draag de wel en de wolk, Ik draag de ster en de rozen, Ik draag 't opstandig volk Van winden en waterhoozen. Aan mij de zachte borst En de zwarte vlerken der eeuwen Aan mij de levensdorst En het eindloos stille sneeuwen.

Zoo is het evenwicht Over mijn tweelingoogen, Zoo is al last en licht Even zwaar uitgewogen. Zoo is er geest noch stof, Wijsheid noch wereldweten, Zoo in den zingenden hof Ben ik van God vergeten.

ONTWAKING

Onder de zon wordt een wonderdroom, Weidsch als een waaierboog. Merkt ge onzen machtigen onderstroom? Wij heffen de zee omhoog! Zwaar rollen de golven, aan ruischingen groot, Als de storm die te nacht in den horen stoot.

Al wat we zagen was eeuwig grijs. Binnen gesloten schulp Werden we en wiesen we op ééne wijs; Ons rijk was de smalle stulp! Wat dreef ons begeeren naar ruimer gewelf? De groei onzer ziel, ons ontwaakte zelf!

Boven ons wijken de wolken weg, Zeilen de zon voorbij. Keert ons nog heden het oud beleg, Toch worden we morgen vrij. Toch zullen we morgen ontbonden staan En ver boven 't kleine de vleug'len slaan!

HET IS MEI

O de zonne de zonne die danst op de wei En de leeuw'rik die danst in de lucht, En de perelaars breiden zoo breidelloos blij Naar den hemel hun sneeuw-witte vlucht! En het rozige schuim aan den appelaar ruischt Of de zee door zijn juichende takkenschaar bruist; En de zonne de zonne die danst op de wei ... _Het is Mei, het is purperen Mei!_

O de zefir de zefir die zingt in het licht En de bij zingt de bloei-hagen door; Over stekel en naald, tusschen dorens en blad Zoekt zij zoemend het goudgele spoor. En het honingzwaar huis aan den stengel dat juicht Van geluk als ze binnen zijn vensteren buigt, Waar de blonde kaboutertjes oop'nen den rei _Van den Mei, van den purperen Mei!_

O de beke de beke die huppelt voorbij, Of 't een spelensreê makkertje waar', Dat met grillige kransen van schaduw en licht Heeft doorvlochten het goudelend haar! En heur kirrelend lachje dat luidt er zoo zoet Of een torteltje roept uit den perelenvloed Met een perelenkeeltje, zoo zorgeloos vrij: _"Het is Mei, het is purperen Mei!"_

O de zonne de zonne die danst in de wei Op de maat van den lustigen wind, Die de bloemekens zoent op de blozende wang En den wolken den gordel ontbindt! En geen boom in het veld waar geen vreugde-doen huist; Slechts de knotwilg bolt grimmig zijn zwart-bruine vuist Tegen 't twijgjen dat sprong uit zijn greep met een blij _"Het is Mei, het is purperen Mei!"_

GRAUW WEDER

Zonne zonne, zet aan, zet op! Steek toch die taaie slemp in tweeën! Stoot uw goudzwaard de wolken in Dat ze bloeden als roode zeeën! Zend uw rankvoetige stralekens Met de starren in 't glinsterhaar! Laat ze kloppen en wederkloppen Aan de weerbarstige winterknoppen, Groot wond're wonderkens liggen daar In vast versloten schalekens.... Zonne zonne, zet aan, zet op! Dinder die wonderkens uit den dop!

Zonne zonne, waar zit ge toch! Hadde ik uw gulden riddersporen, 'k Sprong de grauwe almachtigheid Dwars door naar uw verstoken toren. 'k Luidde al lustig het belleken Tegen de karmozijnen poort: Ik zou klinken en wederklinken Heel het hemeldom oprinkinken Van Oost tot West en van Zuid tot Noord In één hooveerdig relleken.... Zonne zonne, waar zit ge toch? Zijn uw oogschellen geloken nog?

Zonne zonne, zet op, zet aan! Word toch de wereld welgenegen! Laat uw doorluchten levenslust Over de aarde flikkervegen. Tik met uw blinkende hamerkens Hier en ginds en in al 't getij; Laat ze springen en wederspringen Op en neer, tot vermetel zingen De lucht doortrilt als een sterk en blij Gejoel van vrije kramerkens! Zonne zonne, zet op, zet aan! Zet ons midde' in de Meiebaan!

AVONDZWIJGEN

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn.... Komt het van 't zwijgen der wilde merels, Of van de peinzende sterreperels, Of doet het de stervende zonneschijn Die zachtkens zachtkens de kim toespreidt Zijn vlinderteêre doorzichtigheid?

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn.... Liggen de luide dingen versloten Achter verzegelde zilveren sloten Die over de verten genageld zijn? 't Is al zoo zwijgend omneêr gegaan En weggeborgen en afgedaan.

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn, Als had ze een heerlijk kind verloren En roerloos zat in heur blauwen toren Van eenzaamheid bij heur roode pijn Die dieper dieper vervloeien ging Tot zwaarmoeds-duist're herinnering.

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn.... Worden de zonden zoo zwaar gewogen Dat neêrwaarts neigen de trotsche bogen In donker-purperen deemoedslijn En wacht doodstil het ontroerd heelal Of de genade ook komen zal?

WAT LOK JE

Wat lok je, Wat mok je, Wat glans en gok je, Klein stommetje uit het oogeland! Als 'n klokje, 'n Klein klokje, 'n Glinstervlokje, 'n Blauw blommetje van het hooge zand.

Wat vlei je, Wat blij je, Wat spelemei je; Wat oogel je uit dat blond kozijn! Als leien Te vrijen In rozeweien Blauw vogeltjens met den zonneschijn.

Wat blink je, Wat pink je, Stout smeekelinkje; Princesseke bedelt erbarmen maar. Want 'n vinkje, 'n Klein vinkje, 'n Heel klein vinkje Wil nestelen in mijn armenpaar.

BOETEGANG

Het belken klept de kerstenrij Uit held're verten naderbij.... Aan 't altaar is 't zoo vroom en stil Bij 't kindeke en de vrouwe zoet; En 't kleen bescheiden keerske brandt Zijn wond'ren, zacht-zachtblauwen gloed.... Aan 't altaar heerscht zoo hooge rust Die 's werelds wee al overwaakt En staeg de wonde voeten kust Van Christus, nederig en naakt.

Daar ruischt een volte in de poort Die aan Maria's ruste stoort.... Een weelderige kleurenvloed Golft door Gods heilig bruidsvertrek En purper en sameet beschaamt Het kindeke in zijn poover dek. 't Is of het kleine keersken bangt, Van schitteringen overblaakt, Of armer aan het kruishout hangt De Christus, nederig en naakt.

Gaat zoo de ootmoedigheid ten zoen Om donk're zonden af te doen? Zoekt zoo de ziel de ijle sfeer Der godd'lijkheden, overberst Van pronkselen en wereldpraal Die loodzwaar op de vlerken perst? Hij zwerft wel ver van 't vrome land Die goudzwaar ter ontferming naakt! Hoe luttel weegt de lendenband Van Christus, nederig en naakt!...

DE MAAIERS

De maaiers komen in de blauwe kielen Met de vroegzon vreugd'loos uit het heideland, Met loome lijven en verslapen zielen, Met de hooge zeisen aan den gordelband.

De gele haver zal geen avond vieren Maar gesikkeld liggen in het late licht; De moede maaiers als gedreven dieren Gaan zich woordloos wijden aan hun zwaren plicht.

En ze maaiemeien en ze zwaaiezweien Als witmolenwieken door het volle graan; En het ritselruizelt aan hun struische zijên Of windvlagen wiss'lings langs hen nederslaan.

Zoo vroeg in de koelte en in groeiende zoelte Gaan ze felgebogen door den flikkerdag, Tot de zeise zwijgt en het goudgewoel te Verstarren ligt van zijn laatsten slag.

En de maaiers trekken in hun blauwe kielen Met de avondstarre naar het heideland, Met versloopte lijven en versloerde zielen, Met de hooge zeisen aan den gordelband.

CANTECLEER

Bonte trompetter, Bloeiender lust Blinkende ketter, Kort is uw rust. Steekt g' in de luchtsmoor Brandende taal, Schemering vlucht voor Uw hoornsignaal.

Relt ge de belle, Wekkert een vlucht Klinkende schellen Wakker de lucht, Woelt er een stoutvlerk, Hemelgenoot, Al het schoon goudwerk Open en bloot.

Zilveren schalen Storten in 't land; 't Regent koralen, 't Regent briljant. Waar is de muiter, Waar is de dief? Vang je, hoogfluiter, Gouden gerief?

Bonte trompetter, Boven den tijd Wekt uw geschetter Werelden wijd! Wekt ze, tot leven, Zonnig en blond, Boven den beven- -Den horizont!

STORMLIEDEREN

I

Zie, de luchten waaien tot een duister ruim En de wind wordt vrijheer van den vloed En de bladers dansen op z'n dolle luim De muziek der regens tegemoet.

Uit de zomerstilte barst het herfstjolijt: Elke boom een feestzaal vol gedruisch, Elke beek een doorgang vol bedrijvigheid, Ieder dal een open lustig huis.

In z'n Oostersch tooisel trekt de laatste trein Van genot en leven door den dag; 'k Zie de vlinders varen op het stormrefrein Onder rijke overzeesche vlag.

Schelle najaarskelken bloeien wild en bont Aan de zwarte steilten van den dood, Of de laatste leefkracht door hun koop'ren mond Op uitdagend zingen henenvlood.

Dit is heerlijk einden, dit is nedergaan Zonder ijd'le klacht en zonder spijt Op de donkre hobo's van den nachtorkaan Tot den diepsten burcht der eeuwigheid.

II

De stormbruid ruit de bladers op Tegen het oude woudgezag: Beter in één roes te vergaan Dan te verdruilen dag aan dag. Hoor je dat ruischen, breed en frisch? Hoor je dat golven, zwaar en groot? Dat is de opstandigheid die luid Aan de verstarring weerstand bood.

Wie nu niet tot de daad ontwaakt Moet tot de pit verschimmeld zijn. Daar is geen lust, geen droefenis Te machtig voor dit hoog gedein. Daar is geen enk'le ziel te zacht, Daar is geen enk'le borst te broos; Daar is maar één meesleepend lied Van stormgeluk, al eindeloos.

En wat nog nooit gevlogen heeft Schiet slank en snel de wolken in; En wat nog nooit bewogen heeft Rukt van zijn vastgeroeste pin. En uit de vlakte en den vloed En over zee en bergbazalt Borrelt en breekt de bende baan Die duisternis en nevel spalt.

Waarheen dit luisterrijke spel, Waarheen dit weergaloos gewiel? Tot d'opperste vollustigheid, Tot de bestemming van de ziel; Tot stillen hermelijnen nacht, Volmaakt van lijn en tinteling, Waar alles alles is gevuld Van glanzende verzadiging.

III

O groote ruischelaar, Snelwiekig wonder; Hoe wordt de kranke dag Zevenmaal gezonder Als g'uit de wolken scheert, Als g'aan de vlakte veert, Als ge de golven keert Over en onder.

O groote ruischelaar, Breedvlerkig wezen, Nauw staat de hemel vol Regen gerezen, Of met een schuddering Van uw gezwaaiden zwing Zwiept gij de zonnesching Over de vreezen.

