Part 1
VAN VIJF MODERNE DICHTERS
[VERZEN VAN DR. P.C. BOUTENS WIES MOENS, WILLEM KLOOS MARGOT VOS, CAREL SCHARTEN]
NEDERL. BIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR
AMSTERDAM
1922
VOORWOORD
Deze bundel, bevattende dichtwerk van een vijftal onzer hedendaagsche dichters, is niet volgens een bepaald plan samengesteld. Hij dankt zijn ontstaan eenvoudig aan de overweging dat het, waar wij ieder jaar niet meer dan één dichtbundel plegen te publiceeren, wel wat heel lang zou duren eer de belangrijkste dichters van ons land in onze Nederlandsche Bibliotheek vertegenwoordigd konden zijn. Wij noodigden daarom een aantal dichters, die tot dusver nog geen werk aan ons afstonden uit, aan dezen bundel mee te werken. Het hing dus min of meer van het toeval af welke auteurs voor dezen jaargang iets konden afstaan. Ondanks dit toeval is er toch in zooverre systeem in de bloemlezing dat zij typeerend werk biedt van de drie opeenvolgende dichtergeneraties na 1880.
In volgende bundels hopen wij op dezelfde wijze weer werk van anderen te vereenigen.
DE REDACTIE DER W.B.
VERZEN VAN DR. P.C. BOUTENS
O LIEFDE, LIEFDE, DIE ALS LIJDEN ZIJT
O liefde, liefde, die als lijden zijt, Rijs in mijn oog met iedren nieuwen dag, Dat ik de wereld en haar kindren mag Zien in uw licht, een kind dat u belijd.
En laat mij niet alleen, maar in den nacht Daal in de schaduw van mijn koele borst, Dan zal ik veilig slapen als een vorst, Die rust in 't midden van bevriende wacht.
Zoo moog ik zijn als dun albasten vaas, Boordevol bloed van uwen rooden wijn;
In 't nachtehart als een weekgele schijn, In donkre nis weenlichtende topaas;
Maar in den dag een levende fontein, Die stroomt den dorstenden zijn zoet solaas.
(_Verzen_)
O, ELKEN DAG BEGINNEN
O, elken dag beginnen Dit broze bezinnen Als hartdoorgloedenden wijn,-- Iederen nacht vergeten Dit vorstlijk weten, Dat gij zijt mijn.
Door diepe droomedalen Eenzamen nacht verdwalen Als arm man zonder wijk,-- In morgenpaleizen Den dag zien rijzen Over eigen wonderrijk.
Met avond sterven, Een Koning zonder erven, In koelen nachtedood gebed,-- Met morgen rijden In feesttocht van verblijden Ter kroning naar uw lichtdoorvlagde stad.
Uit iedren nacht herboren, Tot iedren dag verkoren, Een godgeroepen kind zoo vroom, Dat met diepopgetogen Jongheilige oogen Mag opgaan tot steeds nieuwen dagedroom.
(_Praeludiën_)
IK DENK ALDOOR AAN ROZEN
Ik denk aldoor aan rozen, Rozen wit en rood, Tot al gepeinzen overblozen Uw eigen voetjes warm en bloot.
Ik hoor den heelen dag als vogelenkelen, Als fluiten ver, dat krimpt en zwelt, Tot vlak bij huis uw lippen woordespelen En al geluid versmelt.
Ik zie aldoor als blanke sterren stralen Door 't donkerzware middagblauw, Totdat uw oogen naar mij dalen Van boven de'avonddauw.
Van u kan maar bij deelen droomen De lange dag die u verwacht; En wonder blijft uw volle komen Straks aan de hand der jonge nacht.
(_Praeludiën_)
INVOCATIO AMORIS
Dien de blinden blinde smaden, Daar uw glans hun schemer dooft Waar de kroon van uw genaden Weêrlicht om één sterflijk hoofd:
Door de duizenden verloornen Aangebeden noch vermoed: God dien enkel uw verkoornen Loven voor het hoogste goed....
Door de kleurgebroken bogen Van de tranen die gij zondt, Worden ziende weêr mijn oogen Als in nieuwen morgenstond:
Zien de matelooze wereld Stralen nog van zoom tot zoom; Heel de matelooze wereld Bleef uw ongerepte droom!
Laat mij onder uw beminden, 't Zij gij zegent of kastijdt: Blijf mij eeuwiglijk verblinden Tot het kind dat u belijdt.
Lust en smart in uwe banden Werd hetzelfde hemelsch brood: Eindloos zoet uit uwe handen Laav' de laatste teug, de dood.
(_Vergeten Liedjes_)
NAMEN
Wat is u of mij een naam, Werelds prijs of werelds blaam, Als de ziel de dingen weet en mint Dieper dan hun naam, mijn kind?
Elk ding krijgt zijn gouden naam Eens in schoonheids vol verzaam Als al schoone dingen zijn Zonneklaar en zonder schijn.
Daar vervalt het schoone woord Hem wien reeds de zaak behoort, Die haar diepst heeft liefgehad Zonder dat.
_(Vergeten Liedjes)_
AVONDWANDELING
Wij hebben ons vandaag verlaat! Pas bij de laatste brug Waar 't voetpad tusschen 't gras vergaat, Daar keerden wij terug.
Achter ons dekt de witte damp De schemerende landen. Zóó zijn wij thuis. Wij zien de lamp In looveren warande ...
Wat gingen wij vanavond ver, Het werd alleen tè laat: Nog verder dan de gouden ster Aan blauwe hemelstraat!
Zoo saam doen twee een korte poos Over een wijd gebied!... Nog liggen wegen eindeloos Voor morgen in 't verschiet!...
O konden we eens zoo samen staan Aan de allerlaatste brug, En saam en blij er overgaan-- Wij kwamen nooit terug!
_(Vergeten Liedjes)_
BIJ EEN DOODE
Lief, ik kan niet om hem weenen Waar hij stil en eenzaam ligt In het schoon doorzichtig steenen Masker van zijn aangezicht Dat de dingen er om henen Met zijn bleeke toorts belicht.
Lief, ik kan geen tranen vinden Als mijn hart hem elders peist, Waar zijn ziel met de beminde Sterren van den avond rijst En ons, dagelijks verblinden, Hooger wegen wijst.
Naar de heemlen van de lage zoden Stijg' de gouden offervlam! Wie kan weenen naar de vroeg vergoden Die de dood ons halen kwam?-- Tranen, lief, zijn enkel voor de dooden Die het leven nam.
_(Vergeten Liedjes)_
MAANLICHT
Het maanlicht vult de zuivre heemlen Met glanzende geheimenis, De luisterblauwe verten weemlen Van Die alom en nergens is.
Alleen de groote zonnen hangen Als feller kaarsen in dien schijn: De ziel herdenkt heur lang verlangen In nietsverlangend zaligzijn.
Alsof van achter diepe slippen Haar dolend tasten eindlijk vond Met hare warme blinde lippen Nog lichter lust dan uwen mond.
Weg boven dood en leven zweven Wij op in duizelhellen schrik: O kort en onbegrensd beleven Van eeuwigheid in oogenblik!...
Het maanlicht vult de zuivre heemlen Met glanzende geheimenis, De luisterblauwe verten weemlen Van Die alom en nergens is.
_(Vergeten Liedjes)_
HERDENKEN
Nimmer zal de ziel vergeten Schoone wereld waar zij leerde Wat gemis niet had geweten Dat zij de eeuwen lang begeerde:
O te lachen, o te weenen, Zich in lach en tranen geven, Tot te lachen of te weenen Wordt der lichte ziel om 't even:
O te weenen, o te lachen Tot de neevlen zijn doorschenen, En haar weenen wordt als lachen, En haar lachen is als weenen:
Land van lachen en van schreien Tot de stille dood haar strekte, Waar haar smart en haar verblijen Al de zuivere echo's wekte,
Nimmer zal de ziel vergeten Schoone wereld waar zij leerde Wat zij zelf niet had geweten Dat zij de eeuwen lang begeerde.
_(Vergeten Liedjes)_
NACHT-STILTE
Stil, wees stil: op zilvren voeten Schrijdt de stilte door den nacht, Stilte die der goden groeten Overbrengt naar lage wacht ... Wat niet ziel tot ziel kon spreken Door der dagen ijl gegons, Spreekt uit overluchtsche streken, Klaar als ster in licht zoû breken, Zonder smet van taal of teeken God in elk van ons.
_(Vergeten Liedjes)_
STERRENHEMEL
Nu kunt gij veilig slapen gaan, Nu al de heemlen openstaan: Ziel, wier verlangen eiken donkren wand In ster aan ster doorzichtig brandt, En in de schoonheid van dit tijdlijk land Al minnen moet uw eeuwig lot, Daar uw verrukking uitziet tot Den troon van God.
_(Vergeten Liedjes)_
NIETS BINDT ZOO ONGELIJKEN
Niets bindt zoo ongelijken, Blijden en droeven, Armen, en rijken, Als dit gedeeld behoeven,
Dit, onbewust van geven, Aldoor ontvangen Tot alle leven Verging in één verlangen
Dat niet meer zijn kan zonder Zijn alle dagen Vernieuwde wonder Van zegen niet te dragen
En zoo verlicht ontstijgen Aan elkander Dat het moet neigen In deernis naar den ander
Die leek omlaaggebleven, Maar rijst ons tegen In blind ontzweven Naar ongekende wegen.
_(Lente-maan)_
ALLE HEEMLEN VULT DE ZOETE ROKE
Alle heemlen vult de zoete roke Van een nooit in bloesem uitgebroken Knoppenzwellende geheimenis: Zon en regen van de lage luchten Voelen wij haar wekken en bevruchten Uit haar beidende bezwijmenis.
Door het licht-en-donkere verglijden Dezer doelloos wisslende getijden Streeft een nieuw en vast seizoen; Achter branden van nabije zonnen Is de groote dageraad begonnen Van een andren, blinden noen.
En de ziel in elk besterft tot luistren Naar het heimlijk lenteluwe fluistren Van een vreemde stem die lokt en vleit: Die het liefste met elkander deelen, Rijzen stil als bloemen op haar stelen In gescheidene verzonkenheid.
Tot hun oogen straks weêr samenneigen En de spiegel van hun eenzaam zwijgen Voor het voorgevoel bezwijkt Dat een nieuwe meester in 't beminnen Ieders hart afzonderlijk komt winnen, En in 't eind dezelfde blijkt.
_(Lente-maan)_
AAN DE SCHOONHEID
Kom niet, Schoonheid, eer we u zijn bereid In ons huis, in ons te ontvangen; Kom niet vóór de Wereld openleit Breede bedding uwer heerlijkheid; Kom niet eerder: ons verlangen Is sterker dan de tijd!
Niet zoolang aan aardes blonde brood Wij ons vloek en smaadheid eten; Niet zoolang met maat van veler nood De overvloed der enklen wordt gemeten; Niet vóórdat ons aller jeugd den dood Om het blijde leven kan vergeten!
Als een zuivre zelfverlichte Zegenzware wolkkolon Doemt gij in de diepe vergezichten Achter zeeën maan en zon: Geen gedachte die met felste schichten Ooit uw glans bereiken kon, Maar geen hart dat zich naar simple blijdschap richtte En uw milden dauw niet won!
Van al templen u gebouwd Uit de marmeren gedachten Van de schooner levende geslachten, Is er géén die u besloten houdt: Als voor steen en goud U de volkren offer brachten, Vond en zong u 't eenzaam smachten Van een kind in lentewoud!
Alwier oogen smartverklaard Aan den einder hunner dagen Uw bestendig weêrlicht zagen, Vreugdes morgen over schemeraard, Hebben vrij en onbezwaard 't Donker menschenhart gedragen:-- Al hun lijden is melodisch klagen Dat gij niet voor allen waart.
Bidden niet en handenwringen Lokt de goôn;-- Waar een hart het uit moet zingen, Daalt het ongebeden loon, Neigt de naaste van de hemelingen Zich tot haar bestemde woon.
O wij weten wel wat lentedag Al de stille sneeuw die gadert, Van uw bergen dooien moet; Dat zijn uur door de eeuwen nadert, Dat geen hart ontbreken mag Tot zijn gloed!
Vochte koelte zoeft door 't bruine riet; Sappen gisten in het dor geraamte-- Overval ons niet in onze schaamte: Schoonheid, kom nog niet!
_(Stemmen)_
LETHE
"Hoe over 't brandend blind bazalt Vind ik den weg naar Lethe?-- O alles te vergeten Eer de avond valt!
"Ik weet dat dood en donker komen Als dit schel daglicht is gebluscht, Maar ik wil diepe klare rust En zonder droomen.
"Voor wie als ik van kind tot knaap, Van man tot grijsaard derven, Voor die is dood en sterven Maar verontruste slaap....
"De zoete macht tot lach of traan Gaf mij en nam mij 't leven. Alleen mijn oogen bleven Kijken, mijn voeten gaan.
"Hoe vaak sindsdien waar 'k zat en ging, Is langs mijn wakende oogen De lange trein getogen Van aller lust herinnering.
"Wat moet ik aldoor zien wat 'k weet? Al 't reddeloos volbrachte, Al 't reddeloos gedachte: Gelijk is wat ik liet en deed!
"O eer de dood mijn leden bind' En hen voor eeuwig bedde,-- Wat zal mijn oogen redden Van dezen droom die immer nieuw begint?:
"O blanke ziel, o roode bloed, O hart verdwaald daartusschen,-- Wie zal in slaap u sussen Tezamen en voorgoed?
"Mijn voet kan vóor den avondval Nog vele mijlen reizen, Wil één den weg mij wijzen Naar Lethe's dal.
"Wie over 't brandend blind bazalt Brengt mij naar Lethe?-- O alles te vergeten Eer de avond valt!"
_(Stemmen)_
LIEFDES UUR
Hoe laat is 't aan den tijd? Het is de blanke dageraad: De diepe wei waar nog geen maaier gaat, Staat van bedauwde bloemen wit en geel; De zilvren stroom leidt als een zuivre straat Weg in het nevellicht azuur; En morgens zingend hart, de leeuwrik, slaat Uit zijn verdwaasde keel Wijsheid die geen betracht en elk verstaat, Vreugd zonder maat, Vreugd zonder duur.... Hoe laat is 't aan den tijd? 't Is liefdes uur.
Hoe laat is 't aan den tijd? De zon genaakt de middagsteê: In diepte van doorgloede luchtezee Smoort de akker onder 't bare goud; De vonken sikkel snerpt door 't droge graan; De schaduw krimpt terug in 't hout; In hemel-en in waterbaan Geen wolken gaan; Alleen de wit-doorzichte maan Blijft louter in het blauwe hemelvuur ... Hoe laat is 't aan den tijd? 't Is liefdes uur.
Hoe laat is 't aan den tijd? 't Is de avond: in zijn rosse goud Wordt schoon en oud Der wereld dagehel gezicht; Snel aan den hemel valt het water van het licht; En al de windestemmen komen vrij; De laatste wagen wankelt naar de schuur; De dooden wenken aan den duistren Oostermuur; En boven glansbeloopen Westersche schans in groene hemelwei Straalt Venus' gouden aster open Zoo plotseling en puur ... Hoe laat is 't aan den tijd? 't Is liefdes uur.
LEEUWERIK
Blijft gij nooit éen blanken uchtend, Leeuwrik, zingen hier beneên, Die uw nachtlijk nest ontvluchtend Door de zilvren neevlen heen
Vleuglings vindt de gouden wegen Waar uw aadmen juichen wordt, Tot uw zang in vuren regen Naar de koele vore stort;
Zingt gij nooit de roode smarten Van den duistren aardenacht, Wordt het bloeden onzer harten Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...
In het ijle blauw verloren Volgt mijn oog niet meer uw vlucht, Maar uw antwoord dwaast mijn ooren Met zijn zaligend gerucht:
Steeds, uit vreugd of smart gerezen, Heeft de ziel uw vreugd verstaan, En tot uwe vreugd genezen, Ons gemeen geheim geraên:
Alle smart omhooggedragen Meerdert vreugdes gouden schat: Slechts de vleuglen die ons schragen, Zijn van aardes tranen nat.
_(Carmina)_
VERZEN VAN WIES MOENS
LIED
Vesperbanken als vlinders komen zich zetten in je haar.
Ik kus je voorhoofd de witte Bethlehemster over dit avondland luidroepend als een klok!
Ik zing de tobogganlijn van je hals.
Eeuwig moet ik het bloedige riet bespelen aan je mond: ik heb het fluitewijsje lief van je ziel!
EROTIEK
Krisdans, fakkeltocht, blinkende skipad hoog:
Leven dat ik je brengen moet lijk het stond van kino en nachthonger opengerukt in straatmeisjes ogen;
achter de wilde honigvelden van mijn hart, Leven lacht kind met blote tanden reikt je zijn melkwitte handen Zo goed, zo goed!
Wees sneeuwster en laat je verslinden in de zachte brand van mijn hand. Ik breng je op mijn tong: wind, hemel en aarde!
Als morgen over de wereld luidt hoor mijn Avé. Op de hemel van je ziel laat me bloeien: boom, van je zon, van je luchten, hij strooit zijn bloesems, zijn vruchten, zijn laatste blad en zijn vogelen alle in je schoot. Je draagt de vracht zo licht. Zo lacht voor je mijn ziel, en zingt als want van schepen in de wind, zon en dauw omzoend-- en ik ben je luit aan alle snaren gesprongen van tranen, van lach, van zaligheid!
[Illustratie: WIES MOENS]
SLAAP
Als je ver afzit in de kring --lamp heeft zich over ons verwonderd: opspringende vond zij blijde zonnen om haar: onze gezichten!-- warm bebroeden je mijn ogen.
Niet nachtelik is mijne liefde: Ophelia-maan dolend langs moren en grachten, maar een Septembermorgen met zon die de mist vaneenklaroent, en de geur van mijn liefde als van een vers gekalefaterde boot.
Ik kom van zo wijd, en telkens weer, de tafel tussen ons in zo onafzienbaar land; de witte berg van je schouder is ver, de zoete klokken over het Meidal van je gelaat.
Nu, lijk de voerman in de vriesnacht, wetend gezellige herberg, stallamp en schelf, de polk in het hooi-- over eindeloze banen dokkert mijn hart naar de slaap die in je moederlik is. En lamp legt honig over je zoete leden!
WINTERLAND
Neer vallen op witte sneeuw de rode roodborstjes als bloedkoralen.
Eindeloos wit is witte winterland, ligt als een witte schoot, monkelt naar de zon: korrel voor korrel moet de bleek-gouden graankoop in deze witte winterschoot worden gepletterd. O maar de kamer is 'n avonds een wonderbaar eiland: in pril groen, in room-milde zon ontluiken wij naar mekaar.
Wimpers over je ogen zijn lijk zijden batik over de lamp. Wijl je mij reikt de witte kelk van je hals, weer ik voorzichtig --rozeblaadjes op wijn-- je lippen, zoekend de koele sneeuw van je tanden.
Ligt eindeloos wit het witte winterland: je liefde kroon ik met witte vogellijmbessen, kransen van roodborstjes slinger ik om je hals!
--Blank in de witte sneeuw geplant staat de blinkende brand van het licht door de ruit. En voor de bruid rinkelen de sleebellen hun lied!--
Knapen en meidekens gaan, reizend met de ster, dragen bonte sjaals, oude soldatemutsen, zingen hun deuntjes van huis tot huis. Worden verwacht alom in de wondernacht roze borelingskens, witte luiers opengestreken, wit als de sneeuw: Kersklokken wijd ik voor allen met chrisma bereid aan je mond!
DE WEG
De lange deemoed is de weg naar u, o Volk, moeder der geslachten.
In uw wijde mantel bergen de zachte kinderkens nog hun bang gezicht. Uw grote zonen en dochters wenkte gouden gewuif gij ziet hen van u gaan, die schreiende geboren uit uw vrolik vlees dat uw lach als een golf naar de sterren hees!
Uw hart is een zoet tabernakel, blauw Als het kleed van de Lieve-Vrouw. Maar in uw dromen, die rood en goud aan de einder staan, moeten gehelmde krijgers, koninginnen in kanten gewaad, bonte stoeten over de aarde gaan.
Uit u ontspringen jaar op jaar als van een heilige eik twijgen wier teer uitlopen het land verjongt. --O Moedige, die steeds uw verdriet wegzongt!-- En voor de zwerver spilt gij iedere dag, de nooit-gestremde rijkdom van uw moedermelk: want diep is de bron van uw kracht, dieper dan elke weëekelk.
De lange deemoed is de weg naar u, o Moeder-Volk! Wij voelen stille zegeningen trillen in ons handen, vlammen die vredig in ons als havenlichten branden, nu moeten wij komen een voor een:
naar uw mantel die van peerlen als een toren rondt, naar het kwelende lied van uw oerfrisse mond, naar uw melk-overdaad, uw blanke wonder van toeverlaat, O Moeder, eeuwige moeder, Volk!
DRIELUIK
Loopt hij met zijn meisje langs witte maanpaden-- ver ronken de kermisorgels en de Bengaalse vuren zieltogen in het dorp-- hij vooist haar al de zoete wijsjes van zijn hart, want zijn hart is een weke occarina. Ronde boomkruintjes, haar ogen, waaien gestaag hun bloesems in zijn hand.
Maar hij is soldaat die op nachtwake staat-- nacht: blauwe cowboyfilm; zeebrand blikvuurt: alle einders langs, de opalen, buitelen de nachtegalen!-- Drievoudig ontbloeit zijn heimwee: Zondag-dorp-meisje, en hij loopt een pas of wat, kuchend als het treintje dat hem naar huis voert ... Dan, onder de sterrewielingen staat hij verloren, en kijkt scherp uit, als een stuurman.
Drinkt hij zijn pint met de dorpskameraden, brult zijn keel schor, danst vonken uit de vloerkarelen-- een plotse, koele dronk doet hem opspringen: "mijn lief!" en hij wipt de straat over als een jonge haas!
APOTHEOSE
_Aan E. L. T. Mesens_
Volbrachte taak, o vrij zijn, heiliging. Nu gaan liggen met de wind om torens en achter hagen, vertrouwde luiken sluiten, uitbreken met de fluiten van de regen die aanzet als een eskadron. Als in de stad je vreugde ontsprong met de lichten alle. God keurt de stad als een diamant zij brandt tussen Zijn vingeren. Hij is het die de aarde heeft gezet ronkende bij in de kelk der hemelen en schept de vloed der straten: Ganges voor de vlekken van een ganse volle dag op je ziel!
In het ordinaire spijshuis waar alles je vreemd was, je maal en de mensen, hebben een oude cel en zijn partner, een bleek violonist, je vreugd opgewacht en haar onthaald op een lied dat zoet is als de wijn waarop men de dorpsbruid onthaalt, zoet--en gebarsten van honger als de mond van een krantevrouw in de vriesnacht! En of iemand je zegt: "het zijn maar vulgaire stadsmuziekanten"
Tziganen zijn zij voor jou, hun spel is van liefde en honger, eindeloze hemel over de steppen!
En het is deze zelfde avond dat op je weg wordt gezet een moedertje, en je ziet hoe de regen op haar mantel gestolde paarlen laat, de laatste bries, waarin de dag uitblies, heeft al het goud der herfstblaren aan haar voeten gewaaid, al het goud van je verering aan haar oude, wankele voeten!
Op je bloed, als een vloot triomfant: wil de stad te zetten blok na blok tot een kathedraal over haar; uit het gonzen der stemmen millioenen, tinkelen der trems: kinderen roepend mekaar van ver en nabij (je ziel gewerkt door alle geruchten als rook die in de regen slaat) bronzen klok voor haar lof, en de lichten van je liefde van pijler tot pijler!
O te zijn in dit avonduur om haar van de Stad de grote minnaar --je draagt haar op je hand zo men ziet heiligen dragen kerken en kloosters op hun handen, lach van je ziel doolt met de blauwe wierook uit je pijp door alle straten, En de muziek van je ogen hommelt ver het land in dat zich alom heeft gezet aan de stad als een lief aan haar Hoogliefs voeten.
LIED VAN DE ARBEID
Vandaag is het over mij gekomen en het is zo groot, mijne vrienden laat mij het verhalen. Ons woord is anders geworden, vaste klank kwam in onze stem, en ons gebaar tekent de komende visioenen op de lucht-- wij: bouwers met horizonnen!
De grote wind die komt van de zee en de vlakte hij brak het water los, de pleinen heeft hij witgevaagd. Meeuwen tuimelden over de stad, de zon is uit de wolken gevallen. Dit is het grote Hosannah: de mensen laten zich dragen op de wind, dit is het grote Hosannah van de wind en de wolken die zingen door de mensen --en de ongeboren kindertjes zijn als dolende sterren in de schoot hunner moeder! De grote wind die komt van de zee en de vlakte.
Zo is dit lied gevaren uit mijn ziel --mijn ziel was de warme, ronkende haven, luw nest voor de tochten en de tijen-- als een galjoot geschoten in zee, als een ranke galjoot ten dans gevoerd, dans van de baren en de kimmen, dans van het land waarin de baaien zich hebben vastgebeten.
Overal waar deze galjoot voorbijdanst zullen de mensen samenlopen op het strand, en een jubel zonder einde zal zich leggen over de wereld.
Want mijn galjoot draagt het evangelie van al mijn dwalen en van mijn berouw, de goede, vreugdevolle tijding --schalt de wereld, stem is overal van de daken en de telefoonpalen, van de elevators, klimmasten voor het havendiet!-- Ik vond mijzelf in de sterke, smartenrijke Arbeid, en niets is meer van mij-zelf maar alles is van u, en u, en van allen; het is éne goddelike ritme dat ons allen beweegt, de liefdegolf in de vrouw, het loerend instinkt in de man, het is alles één: wat de grashalm richt naar de zon, het meisje doet knielen aan haar lief, alles één in de grenzeloze, meteloze omarming Liefde!
Zo, lijk een kind dat al de wonderen van zijn moeders gelaat ontdekt, de dauwige ogen, de kittelende wimpers, de mond, en ook dit groefje dat aan haar mond ontspringt, en er zijn nog zovele wonderen in haar warme hals en onder het haar over haar slapen, zo machtig vele-- o weer dit leven te ontdekken, mirakel achter mirakel!
Als een die in het witte vlees van zijn lief zich voelt als een zwemmer in wentelende wateren --uitrukken! uitrukken!-- het is zo ver, en zo ver, en het is zo goed!
Zo goed als een klokje diep in het dal, de lauwe geur van veevoeder overal 's avonds over de dorpen lijk een offerande.
VERZEN VAN WILLEM KLOOS
PERCY BYSSHE SHELLEY
_AAN CO REYNEKE VAN STUWE_
I. PROÖIMION
Soms, als men diep in zijn gedachten klimt Naar de aan het zwarte azuur te ziene plekken, De veel licht-eeuwen verre nevelvlekken, Wier magisch scheemren weifelend verschimt,
Verlangt men naar omhoog, waar 't vonkt en glimt, Beide armen ijlings voor zich op te strekken In forschen uitzwaai, 'of ons vleuglen dekken, Die daarheen voeren, waar aan verdre kim 't
Paleis komt rijzen, en onsterflijk wonen Al wie op aarde in 't Onverderflijk-Schoone Leefden, en schiepen wat niet kán vergaan.
Ach! 't menschdom ging hen voor hun hoogheid loonen.... Aischulos vluchtte voor der burgren hoonen, En Shelley is op zee door moord vergaan.
2. VÓÓRGEVOEL