Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 4
Ook in de sevillaansche beeldhouwkunst van dezen tijd bespeurt men duidelijk den invloed der italiaansche kunstenaars, die zich in grooten getale naar Spanje begaven, gelokt door de voorspiegelingen van den rijkdom, dien het goud der Nieuwe Wereld had aangebracht, en die al spoedig de vlaamsche en duitsche school aldaar verdrongen. In het werk van Pedro Millan althans zijn klaarblijkelijk sporen van dien invloed te ontdekken. Al blijft de groote kunstenaar de traditie getrouw, zijn werken treffen ons steeds meer door die argelooze weergave der natuur, die juistheid van uitdrukking, en dat machtige gevoel, dat het kenmerk is van een zeker idealistisch realisme, dat de aanraking met italiaansche meesters meer en meer in hem tot ontwikkeling bracht. Vooral in de prachtige beeldenrij, die de beide deuren der kathedraal versiert, bekend onder den naam van Bautismo en Nacimiento, komt dit karakter aan het licht. De hoofden, handen en voeten verraden nauwkeurige studie, vrij van alle conventionaliteit, de plooien der gewaden voegen zich naar de lichaamsvormen, die zij bedekken, zonder ze eng te omsluiten. Het borstbeeld van een bisschop, met zijn uitdrukking van vrome zachtmoedigheid, doet ons den kunstenaar kennen, die een hartstochtelijke vereering gevoelt voor de natuur en daarbij zijn techniek tot de hoogste volmaking heeft gebracht. Omtrent de geboorteplaats en de afkomst van den grooten kunstenaar, die deze werken schiep, is niets bekend; maar hij geniet de eer, voor den grootsten beeldhouwer uit dit tijdperk der andalusische kunst te worden gehouden. Na hem bereikte de italiaansche invloed haar toppunt in den genialen kunstenaar Pietro Torrigiano, een man van een heftig en hartstochtelijk karakter. Hij was in 1470 te Florence geboren. Reeds begon de roem van den jongen kunstenaar zich te verbreiden, toen hij bij een twist met Michel Angelo, die afgunstig op hem was, dezen den neus brak door een slag met een stok.
Daar hij door deze daad den toorn had opgewekt van Lorenzo de Medici, vluchtte hij naar Rome, verwisselde den beitel met het zwaard, nam dienst bij een troep condottieri, en bracht het zelfs tot den rang van luitenant. Daar hij echter niet snel genoeg werd bevorderd, nam hij zijn ontslag uit den krijgsdienst, en keerde terug tot de kunst. Na zich opnieuw door enkele meesterwerken roem te hebben verworven, begaf hij zich naar Engeland, en van daar naar Andalusië, waar hij zich vestigde in Sevilla.
Doch na vergeefsche pogingen te hebben gedaan tot het verkrijgen der opdracht, om de graftombe der katholieke koningen te ontwerpen, stierf hij in 1522, in een der kerkers van de inquisitie, als het slachtoffer van zijn opvliegend karakter. Vasari vermeldt, dat Torrigiano beschuldigd werd, een beeld van de heilige maagd te hebben stukgeslagen, omdat de hertog van Arcos weigerde, den prijs ervoor te betalen dien hij vroeg. Meer was niet noodig om in de klauwen der inquisitie te geraken.
In zijn veelbewogen leven heeft Torrigiano geen groot aantal kunstwerken kunnen scheppen, maar hun schoonheid vergoedt dit gebrek in ruime mate. Behalve het bas-relief van het hospitaal de la Sangre, wordt als de schoonste zijner scheppingen het beeld geroemd van den heiligen Jeronimus in de woestijn, dat hij vervaardigde voor de monniken van Buenavista, en dat na de verwoesting van dit klooster gelukkig naar Sevilla werd overgebracht. Een blik op dit beeld is voldoende, om den naijver van Michel Angelo volkomen gerechtvaardigd te achten. Buonarotti zag in Torrigiano een geduchten mededinger, en niet zonder reden. Goya aarzelt niet, den Jeronimus te Sevilla voor een der grootste kunstwerken, niet slechts van Spanje, maar van Italië en Frankrijk te verklaren. Evenals Pedro Millan boetseerde Torrigiano zijn beelden in klei, en toonde zich een meester in de behandeling van dit zoo bij uitstek plastische materiaal, waarvan de schoonheid door de sobere beschildering met kleuren werd verhoogd. Dat de Italianen in den regel hun beeldhouwwerken niet beschilderden, kan dus niet het gevolg zijn van diep gewortelde overtuiging, als een verblijf in het buitenland reeds voldoende was, om de kunstenaars tot de oude behandelingswijze te doen terugkeeren. Pedro Millan had op zijn werk den stempel gedrukt van een uitstervende school. Torrigiano was de voorlooper der florentijnsche kunst in Spanje; doch de groote Juan Martines Montanes verhief de spaansche beeldhouwkunst tot den allerhoogsten trap, dien zij ooit heeft weten te bereiken, en was de waardige evenknie van Velasquez, Zurbaran en Murillo, zijn beroemde tijdgenooten. Het kenmerkend karakter van zijn werk is de oprechtheid en het diep geloof, dat er in doorstraalt.
Hij staat boven alle aangenomen manier, en al was hij een echte zoon van het land zijner geboorte; al liet hij zich bezielen door de werken zijner groote voorgangers, hij kan niemands navolger worden genoemd, en geeft blijken van grootsche oorspronkelijkheid. Geen beeldhouwer heeft zoo getrouw de natuur tot eenig voorbeeld gekozen, ook bij de weergave der meest ideale voorstellingen. In zijn Christus aan het kruis is ware menschelijkheid vereenigd met de meest verheven opvatting van goddelijk lijden, en dezelfde wonderbare vermenging van het bovenzinnelijke en het zuiver menschelijke spreidt hij ook ten toon in zijn onvergelijkelijke Concepcions. In alle kerken en kloosters van Andalusië zijn zijn werken verspreid, en vele van zijn Christuskinderen worden met de grootste liefde bewaard in arme nonnenkloosters, ondanks het treurige gebrek aan middelen, dat de ongelukkige vrouwen dikwijls noopt haar kostbaarste bezittingen te verkoopen.
Het kruisbeeld van de kapel de los Calices in de kathedraal vindt zijn weerga niet in de italiaansche school en kan wedijveren met den wit marmeren Christus van Benvenuto Cellini, die in het Escuriaal wordt bewaard.
Slechts de Christus van den Gran Poder kan met dit beeld worden vergeleken. Dit kunstwerk, dat Jezus voorstelt op den lijdensweg, werd in 1619 door Montanes ontworpen voor de broederschap van den Gran Poder, die de graven van Medina Sidonia tegen het midden der 15de eeuw hadden gesticht, en wier eigendom het thans nog is.
Het beeld maakt, hoewel eenigszins theatraal ten toon gesteld, toch nog een overweldigenden indruk. Zeer hoog geplaatst, onder een troonhemel, door een traliehek omgeven, grillig verlicht door de flikkerende vlam der brandende kaarsen, die het voortdurend omringen, en weinig afstekend van den achtergrond van rood en goud der stoffen, die de wanden bekleeden, is het beeld te ver van ons verwijderd, om over de schoonheid ervan te kunnen oordeelen, te meer daar het in een wijd gewaad is gehuld van purper en fluweel met zwaar goudborduursel, en slechts het hoofd, de handen en de voeten zichtbaar zijn. Deze vermomming verbergt, wat men helaas niet anders dan een gruwelijke verminking kan noemen. De Christus toch van het Gran Poder droeg niet het kruis op de schouders, zooals Jezus steeds op den lijdensweg wordt voorgesteld, maar omklemde, in hoog opgerichte houding, het kruishout, dat aan zijn voeten leunde. Het ongewone van deze voorstelling gaf aanstoot aan eenige der meest bekrompen leden van de broederschap, en tengevolge hiervan werd een zonderling bevel uitgevaardigd. De armen van het beeld moesten bij de schouders worden afgezaagd, en van een beweegbare spil worden voorzien. Dit geschiedde, en nadat verschillende posities waren beproefd, werden zij ten slotte bevestigd in de houding, zooals men ze thans nog ziet. Uit den zegevierenden Christus, een beeld zoo schoon als in Frankrijk slechts weinige worden aangetroffen, groeide een onder het kruis neergebogen en bezwijkende figuur, die bijna banaal zou schijnen in zijn purperen pronkgewaad, als de schoonheid en de smartelijke uitdrukking van het gelaat niet boven het alledaagsche waren verheven.
In 1610, bij de heiligverklaring van Ignatius van Loyola, ontwierp Montanes het hoofd, de handen en de voeten van twee beelden, bestemd om als candeleros (kandelabers) dienst te doen, die den stichter der Jezuïten-orde en den heiligen Franciscus van Assisi voorstelden. Later kwam men op het denkbeeld, de gewaden, die de ledepoppen omhulden, op te vullen en te beschilderen. Men moet dit werkelijk van te voren hebben geweten, om te kunnen zien, dat de beide beelden, die in de kerk der Universiteit worden bewaard, op deze wijze zijn voltooid. De hoofden dezer standbeelden zijn gelijkende portretten, zooals men die weinig aantreft in de spaansche beeldhouwkunst.
De groote sevillaansche kunstenaar is zeer oud geworden. In 1635 had hij reeds een hoogen leeftijd bereikt, toen hij door den groothertog van Toskane, die voornemens was Philips IV een ruiterstandbeeld aan te bieden, dat in Florence zou worden gegoten, naar Madrid werd ontboden, om de buste van den Koning te vervaardigen. Het ontwerp in klei, dat naar Italië werd gezonden, is verloren gegaan; maar het bronzen beeld, gegoten door Pietro Tocca, prijkt thans midden op het plein de l'Oriente, vlak bij het paleis en den koninklijken schouwburg. Gedurende zijn verblijf te Madrid heeft Velasquez een portret van Montanes geschilderd, dat zich in het museum te Madrid bevindt.
Alle werken van dezen meester zijn polychroom. De eer der kunstvaardige beschildering komt toe aan den schilder Pacheco, die echter van Montanes' zijde geringen dank daarvoor inoogstte. Zooals bekend is, waren de kunstenaars der 16de eeuw in de beoefening hunner kunst aan strenge wetten onderworpen, door de gilden voorgeschreven. Al was het een beeldhouwer of imaginero veroorloofd, een beeld te boetseeren in klei, het te snijden in hout, of te beitelen in marmer, hij mocht het zelf niet beschilderen of vergulden; die taak was opgedragen aan de encarnadores en de estofadores, waarvan de eersten het lichaam, de tweeden de bekleeding ervan voor hun rekening namen. Pacheco, een begaafd schilder, muntte hierin uit. Doch Montano stelde er prijs op, zelf zijn werken te beschilderen, uit vrees dat een vreemde hand de zuiverheid der lijnen of de juistheid der gelaatsuitdrukking zou bederven. Dit verschil van meening was de oorzaak van meerdere processen tusschen de beide tegenstanders, en een bron van voortdurende oneenigheid. Pacheco, die leefde van 1571-1664, was, behalve een groot kunstenaar, een schrander en ervaren beoordeelaar. Maar daar hij zich uitsluitend liet leiden door zijn voorkeur voor de meesters der italiaansche renaissance en er, bij zijn groote geleerdheid en belezenheid, een wijsgeerig stelsel op nahield, waarmede hij de kunst wilde dwingen zich naar zijn bekrompen stelregels te voegen, terwijl hij bovendien vurig katholiek was, ging hij in zijn schoolschen ijver buitensporig ver; zóó ver, dat hem zelfs in 1618 de taak werd opgedragen ervoor te waken, dat godsdienstige onderwerpen ook in streng godsdienstigen zin werden opgevat.
De spaansche schilderschool zou waarschijnlijk door Pacheco's bemoeiingen in haar hoogevlucht zijn gestuit, als hij zelf niet tot andere gedachten was gekomen. Zijn dochter was gehuwd met Velasquez, die uit Sevilla naar Madrid was getrokken. Toen Pacheco zijn schoonzoon in de hoofdstad bezocht, deden de aanblik van diens werken en zijn gesprekken met den meester hem een nieuw licht opgaan. Hij begreep dat de kunst, om waar te blijven, vóór alles vrij moet zijn, en de behandeling van zijn latere schilderstukken getuigt van zijn veranderde zienswijze.
De invloed van Pacheco had zich ook in de opvatting van profane onderwerpen doen gevoelen; terwijl de schilders dier stukken zich beijverden de natuur getrouw te volgen, bleven zij steeds iets ernstigs en eenvoudigs behouden, dat de spaansche schilderschool een eigenaardig karakter verleende. Dit vertoont zich vooral in de werken van Murillo, die in Sevilla schitterend vertegenwoordigd is.
Deze groote kunstenaar scheen aanvankelijk niet onder een gelukkig gesternte geboren. Zijn vader, een eenvoudig werkman, stierf toen hij nog slechts elf jaar was, en hij werd groot gebracht door zijn stiefvader, Antonio Lagardes, een heelmeester. Al spoedig aan zijn lot overgelaten, koos hij zelf een meester en een werkplaats. Zijn meester was Juan Castillo, in wiens atelier hij den geheelen dag arbeidde. Maar toen Castillo Sevilla verliet en naar Cadix trok, bleef de jonge man zonder middel van bestaan achter. De jongere leerlingen in de werkplaatsen der sevillaansche schilders moesten op grof doek, sergas genaamd, leeren schilderen, met een mengsel van verf en gom, met water vermengd. Dit was goedkooper en gaf hun spoedig een vaste hand en een zekere bedrevenheid. Op deze sergas begon Murillo nu, om zijn dagelijksch brood te verdienen, heiligen, madonnas en kinderen te schilderen, naar de modellen die hij om zich heen zag, en verkocht deze op de feria's of jaarmarkten, waar de lieden, die handel dreven met de Nieuwe wereld, hun waren kwamen opdoen, waar de boeren uit den omtrek hun inkoopen deden, en kleine winkeliers wel gaarne een afbeeldsel kochten van hun beschermheiligen waarmede zij hun winkel konden versieren. Aan zulk werk verspilde Murillo zijn krachten, toen Pedro de Maya, een zijner kameraden, hem copieën liet zien naar werken van Rubens en van Dijck, die hij in Vlaanderen had geschilderd. Murillo was hierdoor zoo getroffen, dat hij volstrekt naar Antwerpen wilde reizen, om die groote meesters nader te leeren kennen. Door ijveriger dan ooit te werken, verschafte hij zich het noodige reisgeld, en begaf zich op weg naar het Noorden. In Madrid vertoefde hij, tot zijn geluk, ten huize van Velasquez, die veel van hem verwachtte, hem goeden raad gaf, en hem in staat stelde, de schilderijen te bezichtigen van het Alcazar, Buen Retiro en het Escuriaal. Hij copieerde dan ook weldra Titiaan, Veronèse, Rubens en van Dijck met zooveel ijver, dat hij zich nog in langen tijd niet van hun invloed kon losmaken.
Toen hij, na den val van den minister Olivarès, den beschermer van Velasquez, naar Sevilla terugkeerde, was hij reeds de onsterfelijke Murillo, de "engel" der spaansche schilderkunst, zooals Velasquez, volgens de treffende vergelijking van Edmondo de Amicis, de "adelaar" ervan zou kunnen genoemd worden. Door geheel Spanje waren de talrijke werken van zijn hand verspreid, die thans nog de glorie der spaansche en buitenlandsche musea uitmaken. Tusschen 1658 en 1670 schilderde hij een drietal stukken, dat ook in later tijd niet is gescheiden en zijn roem tot in lengte van dagen zal blijven handhaven. Deze trilogie was hem opgedragen door de broederschap der heilige Hermandad de la Caritad, die zich ten doel stelden, de lijken der ter dood gebrachte misdadigers te begraven, uit den Guadalquivir aangespoelde drenkelingen een behoorlijke begrafenis te geven, zieken te verplegen, en ongelukkigen bij te staan. Aan hun hoofd stond Don Miguel de Manara, die in zijn jeugd een uiterst losbandig leven had geleid, doch door waarschuwende visioenen tot inkeer was gebracht, en thans niet rustte, eer hij door een leven van barmhartigheid zijn bedreven zonden had uitgewischt. Op zijn verzoek schilderde Murillo, die zich in de broederschap had laten opnemen, voor de kapel van het hospitaal zijn drie groote werken: Het wonder van de vermenigvuldiging der brooden; Mozes water slaande uit de rots, en den heiligen Johannes de Deo, die een zieke draagt, en door engelen wordt ondersteund.
In 1660 had Murillo te Sevilla, misschien hiertoe geleid door de herinnering aan de beproevingen, welke hij in zijn jeugd had ondergaan, een openbare teekenacademie gesticht. Wat Velasquez in Madrid te vergeefs had beproefd, bracht hij tot stand, met, of liever gezegd, ondanks de medewerking van zijn tijdgenooten Herrera de Oude en Valdes Leal. De laatste was echter zoo hoogmoedig en eigenzinnig van aard, dat Murillo ten slotte de leiding der school aan hem overliet, en alleen in zijn atelier onderricht gaf. Het einde van den grooten kunstenaar was zeer treurig. Bij het beschilderen van de kapel in het capucijner klooster te Cadix viel hij van een steiger, en bezeerde zich zoo, dat hij na eenige maanden van hevig lijden overleed.
Na Murillo's dood was het met de sevillaansche school, in eigenlijken zin, gedaan.
Verlangend om nog meer van de kunstschatten te bewonderen, waaraan het schoone Andalusië zoo rijk is, verliet ik op een Zondag Sevilla, om het klooster van Santiponce te bezoeken en de plek te zien, waar vroeger het oude Italica lag. Wij kwamen voorbij het thans geheel vervallen klooster van San Isidor del Campo, aan de rivier gelegen, dat in 1595 door een vreeselijke overstrooming van den Guadalquivir geheel werd verwoest, maar door de monniken op een hooger gelegen plek weder opgebouwd. Het kleine klooster van Santiponce, het doel van onzen tocht, dat niet ver van de wallen van het oude Italica is gelegen, wordt thans bewoond door een ouden geestelijke, die er waarschijnlijk van honger zou moeten omkomen, als hij zijn jachthond en zijn geweer niet had. Want er komen weinig bezoekers te Santiponce, en Sevilla heeft dan ook zooveel kerken, dat de vromen der stad hun heil niet buiten haar muren behoeven te zoeken.
Juist kwam de pastoor met een volle weitasch thuis, toen ik zijn woning naderde, en hij ontving zeer vaderlijk en welwillend de welkome gast, die hem in zijn eenzaamheid eenige afleiding kwam bezorgen.
Hij had mij veel merkwaardigs te vertoonen. Vóór den ingang der kerk bevindt zich een put, waarvan de steenen rand is uitgesleten, daar ieder geloovige, die er voorbij gaat, den vinger in de holte wrijft, en dien daarna eerbiedig aan de lippen brengt, 't Is de plaats, naar de oude pastoor mij verhaalde, waar eens de heilige Isidorus, die in zijn jeugd een wilde knaap was, de wanhoop zijner ouders, en de plaag zijner leermeesters, een oude vrouw water zag putten, en op zijn vraag, hoe het mogelijk was dat het touw, waaraan de emmer hing, zulk een diepe holte in den rand had geschuurd, ten antwoord kreeg: "Tegen aanhoudende wrijving is zelfs de hardste steen niet bestand." Dat woord bracht den toekomstigen heilige tot inkeer; hij deelde zijn broeder, die later Sint Leander werd, mede, dat hij van plan was zich te beteren, en werd van toen af aan een der vlijtigste leerlingen van zijn school. Later bouwde hij, als bisschop van Sevilla, een klooster op de plek, die zijn Damaskus was geweest. In de kerk van Santiponce bevindt zich een prachtige Jeronimus in de woestijn, van Montanes, en bekoorlijke bas-reliefs van denzelfden meester, die de geboorte van Christus en de aanbidding der wijzen voorstellen.
In de zijkapellen zag ik de beelden van Don Guzman de Goede en zijn vrouw Dona Maria Coronel; die de benoodigde som voor den bouw van het klooster hadden geschonken. De schenkingsacte werd met de regels der orde tweemaal in het jaar de monniken voorgelezen, een gebruik, waarvan nimmer mocht worden afgeweken. De waardige pastoor zou echter thans geen ander gehoor hebben bij deze plechtigheid, dan zijn huishoudster en zijn hond; en de nagedachtenis van Don Guzman wordt beter geëerd door de herinnering aan zijn dappere daden en zijn trouw aan den koning. Alfonso de Wijze had om zijn oudsten zoon, Don Sanchez, voor een daad van verzet te straffen, aan een zijner jongere zonen, Don Juan, de steden Sevilla en Badajoz nagelaten. Maar daar Don Sanchez na zijn vaders dood weigerde, zijn broeder in het bezit te laten van deze erfenis, en de Cortez zich verzette tegen een splitsing, ging Don Juan over tot de Mooren, en verzaakte zijn plicht als Christen, om zijn eerzuchtige plannen te verwezenlijken. De opstandelingen belegerden eerst Tarifa, met het voornemen later Sevilla in te nemen.
De stad werd verdedigd door Don Alonzo Perez de Guzman. Daar het beleg dreigde langdurig te zullen worden, zond Don Juan aan den bevelhebber in 't geheim een bode, die hem 1000 doblos bood, als hij de stad wilde overgeven. Doch Don Guzman antwoordde: "Zeg aan hem, die u gezonden heeft, dat het een groote schande zou zijn, de zege te verkoopen aan overwonnenen, en een nog grootere lafhartigheid, als soldaten de vrijheid kochten met geld."
Daarop wilde Don Juan zien, wat bedreigingen vermochten. Door het verraad van een spion gelukte het hem, zich meester te maken van Don Guzman's oudsten zoon, een knaap van tien jaren. Hij bracht zelf het kind voor de wallen van de stad.
"Don Guzman, herkent gij dit kind?"
"Het is mijn eigen zoon, Don Pedro Alonzo de Guzman."
"Geef bij het aanbreken van den dag de stad over, of uw zoon moet sterven."
Don Guzman wierp een blik vol droefheid op zijn kind, en zeide: "Ik geef Tarifa niet over; want het behoort aan koning Sanchez, die het mij heeft toevertrouwd; maar in de plaats van mijn zoon zal ik u zijn gewicht in goud en in zilver geven."
"Ik eisch de overgave der stad."
"Mijn zoon is niet geboren om het werktuig te worden van opstandelingen, maar om te strijden voor de eer van zijn vaderland. Als gij mijn zoon doodt, schenkt gij hem het leven, mij de zegepraal, en overlaadt uzelf met schande."
Hij trok zijn dolk uit de scheede, wierp dien naar beneden en riep: "Als gij een wapen noodig hebt, om uw laaghartig plan te volvoeren, zie hier dan het mijne! Eer zou ik mijn vijf andere zonen voor mijn oogen laten dooden, dan Tarifa overgeven."
Daarop verliet hij de wallen en begaf zich naar zijn woning ("daar het de tijd was van het middagmaal" voegt de kroniekschrijver erbij). Zijn houding was zoo kalm en vastberaden, dat zijn vrouw niet bespeurde door welk een angst hij werd gekweld. Plotseling werden luide kreten vernomen. Don Guzman stond van de tafel op, en trad naar buiten.
"Wat beteekent dit rumoer?"
"O edele heer, men heeft uw zoon gedood!"
"Was het noodig, dat gij mij kwaamt storen? Ik dacht dat de vijand de stad was binnengedrongen."
De belegeraars waren wreed genoeg, om het hoofd van het kind met een slinger over den wal te werpen, maar toen Don Juan begreep, dat de stad zich niet zou overgeven, hief hij het beleg op. Don Guzman liet het hoofd van zijn zoon met groote plechtigheid begraven en later vervoeren naar het klooster van Isidor del Campo.
Alles spreekt van verval rondom het oude klooster Santiponce, ook het romeinsche circus, waarvan de steenen gebruikt worden voor de bestrating der naburige landwegen.
De zon ging onder en wierp een rooden gloed op de oude muren, toen ik het circus verliet langs een weg, waar anjelieren, jasmijn, geraniums en rozen bloeiden, en hooge cactussen hun vleezige bladeren en stekelige stengels verhieven.
Uit de verte klonk het geblaat der kudden, die afdaalden naar den Guadalquivir, en de melancholieke tonen van het gezang der herders. De schemering valt snel in Andalusië. Reeds glinsterden sterren aan den hemel, en in de verte verried een lichtgloed aan de lucht, waar het schoone Sevilla lag, dat ik thans ging verlaten om mij te begeven naar Granada.