Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 3
"Mijn vader", schrijft deze, "was forsch en welgebouwd, zijn hoofd was groot, met een fraai gebogen neus, groote grijsblauwe oogen, een frissche kleur, en gebruinde gelaatstint. Zijn haar was rood, maar begon reeds voor zijn dertigste jaar te grijzen. Hij had een eerbiedwekkend voorkomen, gedroeg zich met groote waardigheid, en was tevens zeer vriendelijk en welwillend. Hij sprak gaarne en gemakkelijk. Gematigd in zijn gedrag, koelbloedig in het gevaar, maar uiterst gevoelig voor indrukken, liet hij zich somtijds door drift vervoeren. Matig en afkeerig van wereldsche vermaken, scheen hij te zeer vervuld van de groote taak, waaraan hij zijn leven had gewijd, om deel te nemen aan de genietingen, die andere mannen najagen. Zijn verbeelding, steeds vervuld van grootsche plannen, sleepte hem soms zoozeer mede, dat hij geneigd was, de werkelijkheid uit het oog te verliezen, onoverkomelijke bezwaren gering te schatten en de toekomst te zien in een rooskleurig waas, dat dikwijls maar al te snel verdween." Sevilla mag er trotsch op zijn, belangrijke documenten als deze, een plaats binnen haar muren te verleenen.
Ligt in Sevilla's kathedraal het zedelijk en godsdienstig verleden der stad opgesloten, het naburige Alcazar wekt herinneringen aan een tijdperk vol glorierijke heldendaden, maar ook vol van bloedigen strijd en vervolging. Binnen de zware muren van dit oude gebouw, van buiten een vesting, van binnen een paleis, vertoefden beurtelings Gothen, Arabieren en Castilianen; Ferdinand plantte er zijn standaard op den toren van Sint Thomas, Alfonso de Wijze schreef er zijn geleerde werken, Peter de Wreede koos het tot zijn geliefkoosd verblijf, Isabella van Castilië, Karel V, Philips II en Philips IV bezochten het herhaaldelijk op hun veelvuldige reizen door de verschillende steden van hun koninkrijk; Isabella van Bourbon, haar zoon Alfonsus XII en haar kleinzoon Alfonsus XIII kwamen hier in nauwere aanraking met hun volk, dan in eenige andere residentie. Ik geloof niet, dat eenige stad, noch eenig paleis van Spanje zóó door en door spaansch is, als Sevilla en haar Alcazar.
Als men de toegangspoort binnentreedt, komt men eerst in een voorhof, de Monteria genoemd, ter herinnering aan de Monteros de Espinoza, de oude garde der spaansche koningen, die in de rondom het plein gelegen zalen was gehuisvest. Door een lange galerij komt men in een groote besloten ruimte, het Patio de los Leones. Aan de linkerzijde daarvan rijst de prachtige voorgevel op, met een monumentale, rijk versierde ingangsdeur. Onder een sterk vooruitspringende kroonlijst, die gedragen wordt door dunne met goud en kleuren beschilderde balken, zien wij een fries, waarop de ruimten tusschen de banden met arabische spreuken zijn versierd, die den binnentredende verwelkomen, terwijl op den steenen architraaf met gothische letters de woorden gegrift zijn: "De zeer verheven, machtige, edele en roemruchtige Don Pedro, bij de gratie Gods Koning van Castilië en Leon, beval deze zalen en deze poorten te bouwen, hetgeen geschiedde in het jaar 1364." Pedro I bouwde echter niet het geheele paleis, al veranderde hij veel van wat de Romeinen, de Gothen en Arabieren hadden tot stand gebracht. Het paleis kan zijn oosterschen oorsprong niet verloochenen, en de christelijke kunstenaars, die het voltooiden, zijn geïnspireerd door den arbeid hunner mohammedaansche voorgangers. Pedro I spaarde geen moeite, om het Alcazar tot een grootsch verblijf te maken. Negen jaren lang, van 1355 tot 1364 beijverde hij zich, om hier al de weelde en pracht ten toon te spreiden, die het kenmerk waren van zijn tijd. Kostbare marmeren zuilen, ontnomen aan gebouwen in Cordova, Valencia en Medinah Azahra, werden met groote kosten vervoerd, en aan de bekwaamste werklieden toevertrouwd.
De muren werden bedekt met een ragfijn kantwerk van vergulde en beschilderde arabesken; kostbare houtsoorten, ingelegd met ivoor en parelmoer, vormden de bedekking der zolderingen en gewelven, en het benedengedeelte der wanden was met een lambrizeering van verglaasde tegels in de prachtigste kleurenharmonieën versierd. De bewerking der met verschillende houtsoorten ingelegde deuren werd aan de beste schrijnwerkers van Toledo opgedragen. Zoo kwam het waarlijk grootsche geheel tot stand, dat echter veel heeft te lijden gehad, door brand, door aardbevingen, en eindelijk door den cycloon van 1775, die muren omver wierp, daken afrukte, en eeuwenoude boomen heeft ontworteld. Thans trekt, onder de vele schoonheden, waarop het gebouw kan roemen, nog altoos het werk van Pedro I de meeste aandacht, en wekt de grootste bewondering op. Een zonderlinge en geduchte verschijning roept het beeld van dezen vorst op voor ons geestesoog. Hij vertoont in menig opzicht verwantschap met Lodewijk XI. De terechtstelling van zijn broeder, Don Enrique, dien hij koelbloedig liet ter dood brengen, ofschoon deze zich vrijwillig in zijn macht had begeven, het lot van zijn ongelukkige echtgenoote, Blanche van Bourbon, die in de gevangenis werd opgesloten, terwijl hij leefde met de schoone Maria van Padilla, hebben de nakomelingschap bewogen tot tranen van medelijden met de ongelukkige slachtoffers, en hun hart vervuld met afgrijzen van den geweldenaar. Omtrent de strengheid, waarmede hij regeerde, zijn nog vele verhalen in omloop.
Volgens de overlevering moet Don Pedro als een tweede Haroun al Rasjid des nachts zijn paleis hebben verlaten, om zelf de ronde te doen in de straten van Sevilla. Hij gaf echter de dienaren der wet meer werk, dan dat hij hen behulpzaam was om de orde te handhaven. Op een zekeren nacht verliet de vorst een huis, dat hij als goed christen beter had gedaan niet te betreden, en een voorbijganger, die hem herkende, kon zich niet weerhouden, een uitroep van verwondering te slaken. Pedro had zeker goede reden om zijn incognito te willen bewaren, want hij trok zijn dolk, dien hij den onvoorzichtigen voorbijganger in het hart stiet, en maakte zich ijlings uit de voeten. Ongelukkig had hij een bekende eigenaardigheid, zijn kniegewrichten kraakten als hij zich snel bewoog.
Den volgenden morgen herinnerde hij zich, wat dien nacht gebeurd was, en liet Don Martin Fernandez Ceron ontbieden, die toen alcade was van Sevilla.
"Weet gij", vroeg hij hem, "dat vannacht een man op straat vermoord is?"
"Ja, Uwe Majesteit".
"Kent gij den schuldige?"
"Ja, Uwe Majesteit", antwoordde de magistraat, die niet minder goed op de hoogte wilde schijnen dan zijn meester. Don Pedro zag hem verontwaardigd aan.
"Goed. Laat het recht zijn loop hebben".
Het was in die dagen gebruik, het hoofd van een moordenaar ten toon te stellen op de plek zelf waar hij de misdaad had begaan, tot geruststelling der brave lieden, en om de schurken schrik in te boezemen. Toen de vorst den dag daarna voorbij de plek ging, waar hij de misdaad had bedreven, zag hij, in een nis geplaatst, zijn eigen borstbeeld, met een roode streep om den hals, om aan te toonen, dat het hoofd van het lichaam was gescheiden. De magistraat, die den boosdoener kende, maar hem moeilijk kon straffen, had zich vergenoegd met het onthoofden van zijn afbeeldsel.
De vorst maakte geen aanmerkingen, en verdroeg zwijgend de hem toegediende les. Hij liet niet eens de buste verwijderen, die bijna drie eeuwen bleef staan op dezelfde plek, en waarnaar de straat: "Straat van het hoofd van Don Pedro" genoemd is. Hij schonk zelfs de oude vrouw genade, die uit het venster van een naburig huis getuige was geweest van zijn misdrijf, den moordenaar herkende aan het kraken zijner kniegewrichten, en hem aan den schout verraden had. Misschien was het volk Don Pedro eer genegen dan het tegendeel; want hij onderdrukte met ijzeren vuist de trotsche edelen, en was toegevend voor zijn geringere onderdanen. Vandaar, dat hem twee benamingen werden geschonken, die van Peter de Rechtvaardige, naast dien van Peter de Wreede. Het historisch onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat de strengheid van dezen vorst haar oorsprong vond in den toestand van anarchie, die bij zijn troonsbeklimming heerschte, en ingrijpende, strenge maatregelen van zijn kant noodzakelijk maakte.
Zeker is het, dat Isabella de Katholieke, meer dan een eeuw na Pedro's dood, naar Sevilla kwam, met het doel de twisten te beslechten, die in Andalusië waren ontstaan tusschen twee families, Pons en Guzman genaamd, en dat zij daarin enkel kon slagen, door met groote gestrengheid op te treden. Uit stukken, in het stedelijk archief bewaard, blijkt dat gevechten werden geleverd tusschen de verschillende wijken, straten, ja zelfs huizen. Elk paleis was een vesting geworden en van de transen der torens schoot men op het volk. De stad ging op deze wijze haar ondergang tegemoet.
De opstand was zoo ernstig, dat kardinaal Mendoza Isabella ten zeerste afried, zich naar Andalusië te begeven. Doch de Koningin kende geen vrees, waar de plicht haar riep. "Ik weet, welk gevaar mij dreigt", zeide zij; "doch ik stel mijzelve in Gods hoede. Ik zal beslist optreden; aan mij de taak om recht te oefenen." Terwijl zij het aan Ferdinand overliet, de oproerige edelen in het Noorden in bedwang te houden, trok zij bij korte dagreizen naar Andalusië, zonder militair geleide, slechts vergezeld van een talrijk gevolg van bisschoppen, pages en edelvrouwen. De beschrijving van haar intocht werd onlangs in het archief der stad ontdekt. Men kan den stoet volgen van de poort van Macarena, die met goudlaken was behangen, tot aan de Kathedraal en het Alcazar, waar de vorstin verblijf zou houden. Men vindt hier zoowel den prijs vermeld van het brokaat, de zijden kwasten, en het passementwerk van den troonhemel, waaronder de vier en twintig raadsleden de Koningin tegemoet traden, als de som, die Pedro Nunez de Guzman betaalde voor het ros, waarop hij gezeten was, in de hand den Pendon van Sevilla dragend, de beroemde koninklijke banier, die als kostbare reliek in het Ayuntamiento wordt bewaard. Het was niet voor de eerste maal, dat Isabella dat prachtige vaandel mocht begroeten, het was veeleer een herinnering aan blijde zegepraal, want het ging de troepen voor bij de inneming van Granada en had den val van het moorsche rijk aanschouwd. Bij het lezen van die oude documenten met hun aanschouwelijke beschrijving, hoort men het klokgelui, het gezang der priesters, en de kreten der luidruchtige menigte; men ziet die bonte mengeling van typen, Joden, Mooren en een geheele kolonie van negers, die mede door de vorstin waren opgeroepen. De blijde ontvangst, die haar te beurt viel, versterkte Isabella in de overtuiging, dat het vorstelijk gezag nog werd geëerbiedigd in de stad, aan wier trouw zij niet getwijfeld had. Doch zij was niet enkel gekomen om zich te laten huldigen. Drie maanden lang wijdde zij zich aan de taak van het verzoenen der twistende partijen, en onderzocht persoonlijk elk rechtsgeding. Met groote strengheid ging zij hierbij te werk, en weldra had zij onder de schuldigen zulk een heilzamen schrik weten te verbreiden, dat vierduizend inwoners de stad ontvluchtten en in het gebergte of in Portugal een schuilplaats zochten. De geestelijkheid had niet verwacht, dat de jeugdige vorstin zoo krachtig zou optreden. Vreezende, dat de stad ontvolkt zou worden, smeekten zij den aartsbisschop van Cadix, Don Pedro de Solio, hun voorspraak te zijn bij de Koningin, haar de van ouds bekende trouw der stad in herinnering te brengen, en vergiffenis te verkrijgen voor de schuldigen, om zoodoende althans de onschuldigen te sparen. De Vorstin liet zich ten langen leste verbidden, en de stad, eindelijk van den druk der burgeroorlogen bevrijd, kon weder ruimer adem halen, dank zij de krachtige wijze, waarop Isabella de rust had hersteld.
Na de poort, door Don Pedro gebouwd, treden wij door een vestibule in een klein patio, waarin eenige jaren geleden een trap ontdekt werd, overwelfd door een stalactietenzoldering, waarin een lofspreuk prijkt op dienzelfden vorst. Daarop volgt het patio de las Doncellas, waar Karel V in de gepleisterde friezen de keizerlijke adelaars met uitgespreide vleugels heeft aangebracht, en de zuilen van Hercules, het wapen van zijn huis.
Gelukkig heeft hij de lambrizeering gespaard, die een bepaalde periode vertegenwoordigt in de geschiedenis der Spaansch-Moorsche keramiek. Gedurende den tijd dat de Mooren in Andalusië heerschten, waren de tegelbekleedingen der wanden nog echt mozaïekwerk, een samenvoeging van onregelmatige veelhoeken van wit, groen, blauw en zwart email, zoo kunstig aaneengevoegd, dat de grenslijn bijna onzichtbaar werd. Het werk was tijdroovend, moeilijk en kostbaar, maar niet minder volmaakt dan de perzische mozaïken uit hetzelfde tijdperk. Op deze wijze was de lambrizeering van het Patio de las Doncellas vervaardigd, evenals die van meerdere gebouwen uit de 14de eeuw. Later, in de 15de en 16de eeuw, maakten de emailwerkers gebruik van platen, waarop de lijnen van het patroon in smalle opstaande randen waren aangegeven, en de hierdoor ontstane verdiepingen werden met email van verschillende kleur gevuld. Deze wijze van behandeling werd cuerda seca genoemd.
Aan dit Patio grenst de zaal der Gezanten, een der grootste wonderen van het Alcazar. De hoefijzervormige bogen, die, in groepen van drie naast elkander geplaatst, aan de vier zijden toegang tot de zaal verleenen, rusten op prachtig gebeeldhouwde kapiteelen, gedragen door kolommen van een zeldzame marmersoort. Boven die bogen is het muurvlak als met een fijn netwerk van gouddraad bedekt, tot aan de fries, die een reeks portretten vertoont van alle koningen, die over Spanje hebben geregeerd. Deze zijn echter te dikwijls overgeschilderd, dan dat men over hun artistieke waarde thans nog zou kunnen oordeelen. Ook de schoone Maria van Padilla is hier binnengeslopen. Maar zij ziet er niet bekoorlijker uit dan al de andere sombere mansportretten. Men moet het ijzeren balkon beklimmen, dat Karel V heeft laten bouwen, en dat rondom de zaal loopt, op de hoogte der portretten, om de trekken te herkennen der schoone minnares van Pedro I, die hij na haar dood tot koningin liet uitroepen, een eer, waaraan zij haar tegenwoordigheid in dit schitterend gezelschap heeft te danken.
De overigens wel wat nietige balkons van Karel V stellen ons in staat om van nabij den prachtvollen koepel van cederhout te bewonderen, die de zaal overwelft, en waarin op de meest volmaakte wijze het hout in alle denkbare samenstellingen van geometrische lijnen en vlakken is aaneengevoegd. Men wist niet, uit welken tijd dit wonderwerk afkomstig was, en evenmin kende men den naam van den maker, toen in 1842 een architect, die de sterkte van het gewelf wilde onderzoeken, den sluitsteen liet losmaken. Op de plaat, die deze bevestigde, stond in gothische letters: "De meester der Koninklijke Werken, Don Diego Roiz, maakte mij. Het werk werd voleindigd in de maand Augustus van het jaar onzes Heeren 1427."
Don Pedro stierf in 1369; en dus was het onder zijn opvolger, dat die fraaie koepel werd voltooid.
Uit de zaal der Gezanten treedt men binnen in dat gedeelte van het paleis, dat door Karel V en zijn voorouders is herbouwd. De ontvangzaal van den grooten Keizer is grootsch van ontwerp, en bedekt met een prachtige caissonzoldering. De omlijstingen der vakken zijn in oosterschen stijl gehouden, maar op de kruispunten zijn menschelijke koppen aangebracht, in haut-relief, die zeer forsch en krachtig zijn behandeld. De wanden zijn met een lambrizeering van beschilderde tegels bekleed. De deuren en vensters zijn betrekkelijk klein, doch de deurposten en vensterkozijnen zijn fraai bewerkt en versierd met inlegwerk, waarin spreuken tusschen de geometrische teekening zijn gevlochten. Met de tapijten, die werden opgehangen tusschen de fries en de lambrizeering, en waarmede ook de vloeren waren bedekt, tryptieken en reliquieënkastjes, eenige meubelstukken, die de vorsten medenamen op hun reizen, kisten, waarin kostbaarheden, boeken en kleedingstukken waren geborgen, was het ameublement compleet, dat voldeed aan de eischen van koningen als Karel V en Philips II. Sommige meubels bleven in de bewaarplaatsen van het paleis geborgen, anderen werden geleverd door de stad, zooals bij voorbeeld bedden en bedgordijnen. In de rekeningen der stad wordt de som vermeld, door Sevilla besteed aan den aankoop van het genueesch fluweel, dat aan Isabella de Katholieke werd aangeboden, om de gordijnen te laten vervaardigen voor het bed, waarop haar eenige zoon, prins Juan, geboren werd.
Het zou jammer zijn, niet een blik te werpen in het bekoorlijke patio de las Munecas, of der Poppen, dat ondanks de herstellingen, die het heeft ondergaan, nog een kunstwerk is van den eersten rang. Men zou dan trouwens ook niet de beruchte bloedvlek zien, die de moord van den ongelukkigen Don Enrique op het marmer heeft achtergelaten, en die de tijd noch de menschenhand heeft kunnen uitwisschen. Maar wij behoeven ons daarover niet al te zeer te bekommeren, want de kroniekschrijver, die den gids in dit geval tegenspreekt, beweert, dat de prins buiten het paleis door den dolk van den moordenaar werd getroffen.
Wanneer men in de gunst staat bij den paleisbewaarder, en dit was in hooge mate het geval met onzen geleerden metgezel, den archeoloog, José Gestoso, mag men ook de vertrekken der eerste verdieping bezoeken, die de leden der Koninklijke familie bewonen, als zij Sevilla met een bezoek vereeren. Behalve de plafonds, die dagteekenen uit den tijd van Philips II en Philips IV, en verschillende fraaie tapijten uit Madrid, uit de achttiende eeuw, zijn hier meest intiemere herinneringen bijeengebracht. Zoo ziet men hier fraaie portretten van Isabella II en haar zuster, later hertogin van Montpensier, als meisjes. Vier groote doeken stellen forsch gebouwde Asturische vrouwen voor met regelmatige trekken, landelijke schoonheden. Het zijn de minnen, die de eer hebben gehad den kleinen Alonzo XII en de infanta's, zijn zusters, als voedster te dienen.
Ook bevindt zich hier een kostbare merkwaardigheid, het met email versierde altaar uit het bidvertrek van Isabella van Castilië, waarbij, volgens de overlevering, het huwelijk werd voltrokken van Karel V met Isabella van Portugal, de toekomstige moeder van den somberen Philips II, wier blonde schoonheid door het penseel van Titiaan is vereeuwigd. De emailbekleeding is een voorbeeld van het cuerda seca, de vulling tusschen opstaande randen, waarover wij reeds vroeger hebben gesproken.
In de teekening der ornamenten volgden hierbij de Spanjaarden steeds oostersche voorbeelden, doch zij brachten nieuwe motieven aan, door tusschen de geometrische lijnen kleine plaatjes in te voegen, waarop, tegen een melkwitten grond, schilden, wapens en fantastische diervormen zijn afgebeeld, die aan de monsters der gothiek herinneren. Na den aanvang der 16de eeuw echter greep in de behandeling dezer versieringskunst een groote verandering plaats. Inplaats van de aaneengevoegde stukken, of de verhoogde vakken van vroeger, wordt nu de vlakke plaat uit de hand beschilderd, wat den kunstenaar een veel grootere vrijheid liet. De heer José Gestoso deelt in zijn studie over de sevillaansche keramiek belangrijke bijzonderheden mede omtrent de wijze, waarop deze omkeer heeft plaats gegrepen. Door de betrekkingen, die tusschen Spanje en Italië waren aangeknoopt, deed zich ook in het iberisch schiereiland de invloed der renaissance gevoelen. Aangelokt door de macht en den rijkdom der katholieke vorsten, trokken vele kunstenaars naar Sevilla, dat langzamerhand een der voornaamste steden van Spanje was geworden. Vasari verhaalt, dat Lucca della Robbia meerdere van zijn werken aan den koning van Spanje zond, en dat Antonio Pallando in 1480 een groot bronzen bas-relief, voorstellende een groep worstelende mannen, eveneens voor dien vorst vervaardigde. In Andalusië ontmoetten de italiaansche kunstenaars schilders en beeldhouwers, die den invloed der vlaamsche school hadden ondergaan, en uit die gelukkige vereeniging werd de sevillaansche kunst geboren. Het altaarstuk in het hierboven vermelde bidvertrek van Isabella is een treffend voorbeeld van dit samensmelten van de italiaansche en vlaamsche richtingen. Boven het altaar verrijst een plaat van vierkante tegels, beschilderd met een voorstelling van het bezoek der heilige Maagd bij haar nicht Elizabeth, dat in zijn naïeve bekoorlijkheid aan de primitieve gratie der werken van Van Eyck herinnert. Beneden, aan den rand van het tafereel, rust de patriarch Isaï, in diepen slaap verzonken, het hoofd steunend op de rechterhand. Uit zijn borst ontspruiten twijgen en lofwerk, dat met zijn bloeiende ranken de figuren omslingert van profeten en voorvaderen van Christus. Deze guirlande eindigt boven het midden der schilderij in de figuren van de heilige maagd en het Christuskind. Onder het beeld van Maria staat: _Francisco Niculoso me fecit_. En op den linker pilaster het jaartal 1503. Deze versieringswijze, waarbij de kunstenaar op het effen tegelvlak zijn verbeelding vrij spel kon laten, wordt pisano genoemd, naar den kunstenaar van dien naam, die kort voor den dood van koningin Isabella haar vertrouwen en haar bescherming wist te winnen. Hij versierde, met den beroemden Pedro Millan, de poort van Santa Paula, waarbij de twee kunstenaars op wonderbare wijze de vlakke tegelbeschildering wisten te vereenigen met het bas-relief.
Ook Karel V koesterde, evenals zijn voorgangers, een bijzondere voorliefde voor deze versieringswijze. De groote feestzaal, die hij op het oudste gedeelte van het Alcazar liet bouwen, levert hiervan het bewijs. De lambrizeering van tegels in deze zaal is een triomf van de italiaansche kunst. Levensgroote, nobel gedrapeerde figuren worden afgewisseld door medaillons, grotesken, vogels, fantastische diervormen, die zich ontwikkelen uit sierlijke ranken en bloemguirlanden. Deze lambrizeering beslaat, met die der vestibule, die aan de zaal grenst, eene oppervlakte van 589 meter en draagt het monogram van den maker, Cristobal de Augusta. Daar de feestzaal van Karel V thans niet is bevloerd, zoodat men er rondwandelt in het stof, en enkel dienst doet als bewaarplaats voor oude badkuipen en de versieringen, die bij volksfeesten worden gebruikt, is de toegang verboden. Vreemdelingen hebben zelfs geen vermoeden van haar bestaan; wat niet te verwonderen is, daar zij bij een bezoek aan het paleis door strenge gidsen worden rondgeleid langs een weg, die eens voor al is afgebakend.