Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
In 1260, vertelt hij, onder de regeering van Alonzo X, vierde Sevilla feest. Er werd een gezantschap verwacht van den Sultan van Egypte, 't welk de opdracht had, voor den oudsten zoon van dien vorst de hand te vragen van Dona Berengaria, de dochter van den christelijken koning. Onder de vele kostbare geschenken, uit het Nijldal medegebracht, was in de eerste plaats een prachtige krokodil, zooals men nog nooit in Spanje had aanschouwd. Zuniga vermeldt niet, welken indruk deze bevallige boodschapper maakte op het hart der jeugdige prinses, en evenmin wat de uitslag der zending is geweest, maar wel zegt hij, dat de krokodil na zijn dood werd opgezet, en onder het kloostergewelf opgehangen, om de herinnering aan deze merkwaardige gebeurtenis bij het volk levendig te houden. Ondanks zijn taaie huid kon het dier den tand des tijds niet weerstaan. Daarop werd uit een boomstam een houten krokodil gesneden, naar het model van zijn voorganger, en in diens plaats in de kerk opgehangen. Zoo begon hij langzamerhand een gewichtige plaats te bekleeden in het klooster, en in een rekening van de kathedraal uit het jaar 1465 wordt een som genoemd, betaald aan Juan Sanchez voor het schilderen van de krokodil, en van de muren van het schip der kerk. Hoewel men de kathedraal van Sevilla binnentreedt door de kapel van de Granaat, en zoodoende geen voldoende overzicht krijgt van het grootsche oorspronkelijke plan, wordt men toch getroffen door de ontzaglijke hoogte der bogen en het indrukwekkende gewelf. In het klooster van Lagarto scheen de mensch nog zijn normale verhoudingen te bewaren, maar hier is het, alsof hij inkrimpt, naast de zware basis van zuilen, wier voetstuk tot ver boven zijn hoofd reikt. Als een nietig wezen staat hij te midden van dit reusachtig werk van menschenhanden, als verloren in de ontzaglijke ruimte, waarin behalve op zon- en feestdagen ongestoorde doodsche stilte heerscht. Het flauwe licht, dat binnendringt door de overigens zeer talrijke vensteropeningen, draagt er nog toe bij, de geheimzinnigheid te verhoogen van dit kerkgebouw, dat tegelijkertijd spreekt tot ziel en zinnen, verbeelding en hart. Somtijds wekt de doffe klank van het openen en sluiten eener deur, of de voorzichtige tred van een bewaker of koorknaap een galmende echo, en daarna heerscht opnieuw dat plechtig en ernstig zwijgen. Het schijnt bijna onmogelijk, dat buiten de lucht blauw is, de zon schijnt, menschen elkander beminnen, dat kinderen lachen en spelen, en bloemen en vruchten hun heerlijke geuren opzenden en kleuren ten toon spreiden.
De kathedraal van Sevilla werd in den gothischen stijl gebouwd, die strenger en eenvoudiger is dan de fransche gothiek uit dat tijdperk, en waarin Juan Guas, Juan Colonia en Alfonso Rodrigues uitmuntten, toen zij de kerken bouwden van San Juan de los Reyes in Toledo, de Cartuja de Miraflores te Burgos, en de universiteit van Salamanca. Zij verving de christelijke kerk, die de heilige Ferdinand op de bouwvallen der mohammedaansche moskee had gesticht, en die door een aardbeving was verwoest. "Bouwen wij een kerk, zoo groot", zeiden de geestelijken, "dat zij die haar voleindigd zien, ons voor krankzinnig moeten houden."
Het vrome doel scheen de bouwmeesters te behoeden voor een babylonische verwarring. Zonder andere middelen dan vrijwillige giften, aalmoezen van geloovigen, en de opbrengst van aflaten, die daartoe in het geheele koninkrijk werden verkocht, werd het werk voltooid. De eerste steen werd gelegd in 1402, de inwijding had plaats in 1519. De bouw had dus 117 jaar geduurd. Men weet niet, wie het plan heeft ontworpen; daar dit is verloren gegaan bij den brand van het Alcazar in Madrid, waarbij zoovele belangwekkende herinneringen zijn vernietigd. Het was daarheen gebracht op last van Philips II. Sommigen geven de eer van het ontwerp aan Alonzo Martinez, wiens naam voorkomt in de rekeningen, den bouw betreffend, van 1396; anderen aan Pedro Garcia, die in 1421 genoemd wordt. Wie het ook geweest zij, de bouwmeester van de kathedraal heeft uit eerbied, of uit liefde voor de kunst, de minaret der moskee gespaard. Een legende beschermde trouwens dit kunstwerk, en gaf het in de oogen der geloovigen een glorie van heiligheid. Want bij een aardbeving, die vele gebouwen verwoestte, had men de verschijning gezien van twee gestorven meisjes, dochters van een pottebakker uit Triana, Rufine en Justine genaamd, die in haar armen het beeld droegen van de rooskleurige minaret. Een bekoorlijk tafereel, dat vele andalusische schilders hebben gepoogd te vereeuwigen. Ook de kapel van de Granaat, waarvan de zware massa als steun dient voor den trotschen onderbouw der Giralda, lieten de bouwmeesters onaangeroerd, evenals de kapel, waar het lijk begraven lag van den heiligen Ferdinand en andere castiliaansche vorsten. Langen tijd trachtte men te vergeefs toestemming te verkrijgen, om deze laatste af te breken, tot eindelijk Juan II gehoor gaf aan dit verzoek, daar de geestelijkheid beweerde, dat de kapel op het punt stond van in te storten en de grafmonumenten te verwoesten. "Wil men een hond verdrinken, dan noemt men hem dol", zegt een spaansch spreekwoord.
Er werd dus verlof geschonken tot het overbrengen der relieken, en proces-verbaal opgemaakt, benevens een inventaris van den inhoud der graven. De heilige Ferdinand werd aan het licht gebracht, met degen en scepter in de hand, gekleed in een oostersch gewaad, als een kalif of moorsch vorst. Van het lijkkleed, waarin hij was gewikkeld, en waarin op purperen grond de kasteelen en leeuwen van Castilië en Leon waren geborduurd, is nog een klein gedeelte bewaard, dat tentoongesteld is in de Armeria real van Madrid. Het werd in het archief van het paleis gevonden, in een perkament, waarop vermeld stond, wat dit bevatte. Volgens denzelfden inventaris was het kleed met een rand van arabische letterteekens versierd. Dit behoeft ons niet te verwonderen; want in de dagen van Enrique IV, twee honderd jaren na den dood van den overwinnaar van Sevilla, leefden de castiliaansche vorsten en edellieden nog steeds op moorschen trant, en droegen zij moorsche kleederdracht. De baron van Rosmenthal, die toen ter tijd het castiliaansche hof bezocht, schrijft in zijn reisverhaal: "De koning ontving ons, op een tapijt op den grond gezeten, volgens moorsch gebruik. Hij eet, drinkt, kleedt zich, en verricht zijn gebeden op de wijze der Mooren". Uit nauwkeurige beschrijvingen blijkt, dat niet alleen de vorm en versiering van voorwerpen voor dagelijksch gebruik arabisch bleef; maar dat ook nog steeds arabische benamingen werden gebruikt voor stoffen, meubels, wapens, paardentuig en kleederen van mannen en vrouwen. De mohammedaansche gebruiken waren zoo innig vermengd met de christelijke, dat bijvoorbeeld op de graftombe van Don Gomez Manrique het hoofd van het beeld, dat op den steen ligt uitgestrekt, gedekt is met een soort tulband, die xasia genoemd wordt. De heilige Ferdinand, zijn gemalin Beatrix en hun zoon, Alfonso de Wijze, rusten nu onder de gewelven der koninklijke kapel, die in het middenschip der kerk is gebouwd, achter het hoogaltaar. Het bijna ongeschonden lichaam van den overwinnaar van Sevilla is te onderscheiden door het met zilver beslagen glazen deksel van de kist, die slechts bij zeer plechtige en buitengewone gelegenheden wordt vertoond. In hetzelfde grafgewelf bevindt zich ook een ivoren tryptichon, dat de overwinnaar van Sevilla aan zijn zadel placht te bevestigen, wanneer hij ten strijde trok tegen de ongeloovigen. Het beeld der heilige maagd, dat erop is geschilderd, de madonna der gevechten genoemd, bekleedt in de harten der bewoners van Sevilla niet zulk een voorname plaats als de Senora de los Reyes, die in een andere kapel wordt bewaard. Dit oude beeld werd, naar men zegt, door den heiligen Lodewijk, koning van Frankrijk, aan den vromen castiliaanschen vorst vereerd. Geschenken onderhouden de vriendschap, ook bij heiligen. Het is echter niet waarschijnlijk, dat deze gave den band tusschen de beide vorsten nauwer heeft aangehaald. Het is een in vele opzichten zeer merkwaardig kunstwerk. Onder de prachtige gewaden, die afwisselen naarmate van de feestelijke gelegenheden, waarbij zij worden gedragen, is een beweegbare pop verborgen, een automaat, welke in beweging werd gebracht door een uurwerk, dat nu gebroken of verroest is. De goê gemeente was natuurlijk zeer onder den indruk, als de Senora het hoofd genadig nederboog, of het van rechts naar links wendde, als om het oor te leenen aan de smeekingen, die de geloovigen tot haar opzonden. Het hoofd en de handen, uit cederhout gesneden, zijn zeer kinderlijk en primitief behandeld. Van het gouden haar, dat het hoofd bedekte, zijn enkel de gele zijden draden over, die vroeger met goud waren overtrokken. Het beeld schijnt allerlei veranderingen te hebben ondergaan, wat gemakkelijk kon gebeuren, onder de bedekking der prachtige gewaden en mantels, waarmede het omhangen was. De maagd is van een staande tot een zittende houding overgegaan, terwijl het kind Jezus, dat later aan de groep is toegevoegd, eerst op den eenen, en toen op den anderen arm geplaatst werd, en zelfs van een nieuw hoofd is voorzien, toen het oorspronkelijke was gebroken. Van de oudste kleederdracht der Senora zijn alleen de schoenen bewaard. Het kapittel heeft den heer Gestozo y Perez, een geleerd oudheidkundige te Sevilla, in staat gesteld, ze nauwkeurig te bezichtigen. Het zijn schoenen van fijn wit geitenleer van Cordova, waarop gouden leliën zijn geborduurd. Ter weerszijden zijn zij versierd met achtpuntige gouden sterren, waarboven in gothische letters het woord "amor" is aangebracht. Zelfs de binnenzijde vertoont een fraaie teekening van luchtige arabesken. Zij zijn een zeer schoon voorbeeld van de kunstvaardigheid der handwerkslieden van Cordova, en het best bewaarde schoeisel eener edelvrouw uit de 13de eeuw. Uit het feit, dat op deze schoenen leliën zijn aangebracht heeft men gemeend, te moeten opmaken, dat het beeld van franschen oorsprong was. Maar de gothische letters zijn daarvoor te slecht geteekend, en ook de behandeling van het gezicht en de handen doet niet aan fransche kunst denken. Het is niet onmogelijk, dat deze ledepop uit het Noorden afkomstig is, uit Holland of Vlaanderen, waar zulke knappe uurwerkmakers waren, en dat de kleeding in Cordova en Sevilla werd vervaardigd. De Senora de los Reyes is zeker wel de beschermvrouw der kathedraal; maar zij is omringd door een schare van jongere zusters. Zoo vindt men er de Madonna del Pilar, in klei geboetseerd door Pedro Millan, en de Maagd der Rust, beiden kunstwerken uit het einde der 15de eeuw, en geheel in den geest der noordelijke kunstenaars behandeld. De kalme uitdrukking van de laatstgenoemde, de natuurlijke rust van het slapende kind, de gevoelige behandeling van het materiaal, waaraan zelfs de beschildering geen afbreuk kan doen, hebben steeds grooten indruk gemaakt op iederen toeschouwer. Vele legenden zijn in omloop omtrent de wonderdadige kracht van het beeld. Een zeker dapper ridder, Fernando de Contreras, had volijverig gestreden tegen de vijanden der kerk. Maar na een vermoeienden veldtocht voelde hij zijn einde naderen. Hij vreesde den dood niet; maar zag met angst een langdurig ziekbed voor oogen. Op zekeren morgen knielde hij in de kathedraal, en sprak tot de maagd der Rust: "O heilige moeder Gods, als uw knecht u getrouw heeft gediend, roep hem dan aan uwe zijde in het paradijs, en schenk hem vrede in het graf." Als de welriekende geur van voorjaarsbloemen steeg zijn gebed omhoog en de vrome ridder had nauwelijks deze woorden gesproken, of een lange, dunne slang glipte uit zijn mond, en op hetzelfde oogenblik kreeg hij zijn gezondheid terug.
Al betoont zich de moeder Gods medelijdend en genadig jegens haar getrouwen, zij straft de ongeloovigen, die het wagen, haar te beleedigen, met onverbiddelijke gestrengheid.
Ten minste, dit moet men afleiden uit een ander verhaal, teekenend voor de onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, die zoo treurig is in Spanje. Een rijke Jood, die tot het Christendom heette bekeerd te zijn, ging elken dag naar de kathedraal, om in 't geheim de Heilige Maagd te beleedigen. Als het scheen alsof hij geheel in gebed en beschouwing verzonken was, prevelde hij binnensmonds afschuwelijke verwenschingen. Op zekeren avond, toen hij schijnbaar in vervoering voor het beeld geknield lag, en het reeds donker begon te worden, wilden de bewakers, die de deuren moesten sluiten, hem herinneren, dat het tijd was zich te verwijderen. Toen zij zagen, dat hij niet opstond, naderden zij hem, en bespeurden, dat hij zich niet kon bewegen, en zelfs niet kon worden weggedragen, want zijn lichaam was zoo zwaar als lood. Doodelijk verschrikt biechtte hij zijn misdrijf. "Elken dag", riep hij uit, "beleedigde ik deze vrouw; thans heeft zij mij gestraft."
De vrome Sevillanen geven de voorkeur aan de drie bovengenoemde Madonnas, de kunstenaar bewondert nog meer de Concepcion van Juan Montanes, achter het koor, en een andere Concepcion door Murillo, die in de sacristie wordt bewaard. De eerste, een heerlijk kunstwerk van den andalusischen beeldhouwer, heeft altoos algemeene bewondering gewekt, in 1779 ging men zelfs zoover, het beeld te ontdoen van de overtollige kleedingstukken, waarmede de geloovigen hun geliefkoosde heiligen opsieren. Ongelukkig dateert uit dien tijd de beschildering in kleuren en goud, die echter niet bij machte is, de zuivere lijnen der draperie te verstoren. Deze madonna is niet de moeder Gods, zij is de onbevlekte maagd, de zuivere roos. Geen kunstenaar had vóór Montanes deze symbolische voorstelling in beeld gebracht, en behalve Murillo heeft geen schilder de schoonheid ervan zoo treffend doen uitkomen. Behalve zijn madonna ziet men hier van Murillo de afbeeldingen van den heiligen Isidorus en den heiligen Leander in bisschopsgewaad, benevens meerdere medaillons en wandbeschilderingen. Een zijner schoonste werken, de onvergelijkelijke St. Antonius van Padua, geschilderd in 1649, bevindt zich in de kapel van het baptisterium. In de schemering der kapel dringt een zonnestraal, zóó schitterend, dat hij de duistere ruimte schijnt te verlichten. Dit licht, dat uit een hemel vol lachende engelen straalt, beschijnt een kind, dat reeds in zijn blik de verlossing der wereld schijnt aan te kondigen, en een monnik, die in geestvervoering de armen uitstrekt naar het goddelijk visioen. Een klooster verrijst op den achtergrond. Wij zullen trouwens nog andere Murillo's aanschouwen in het hospitaal de la Caridad, en ons daar beter rekenschap kunnen geven van zijn groote gaven, die hem in staat stellen, het bovennatuurlijke, den droom, de zinsverrukking in zoo innig verband te brengen met de eenvoudigste handelingen van het werkelijk leven.
Evenals de kathedraal van Toledo is die van Sevilla een verzamelplaats geworden, waar in den loop der eeuwen een bonte mengeling van meesterwerken en schatten van kunst zijn vergaard. Zoo het prachtige altaarstuk in de Capilla Mayor; in de kapel der Kelken het bewonderenswaardig beeld van den gekruisten Christus door Montanes, in de sacristie kostbare historische herinneringen, wierookvaten, altaarkleeden en priesterlijke sieraden van onschatbare waarde. Hier zijn ook de sleutels bewaard, volgens de overlevering den heiligen Ferdinand aangeboden bij de overgave der stad door de Mooren. De eene is in streng Oosterschen stijl gehouden; de andere draagt in sierlijke gothische letters het hoopvolle en geloovige inschrift: "God zal openen, de koning binnentreden". Een beker van rotskristal vindt men hier, waaruit de vorst heeft gedronken, een tryptichon, dat aan zijn zoon Alfonso den Wijze heeft toebehoord, zilveren en gouden kelken en een prachtig geïllumineerd misboek, een geschenk van kardinaal Mendoza. Wanneer men de kathedraal weder binnentreedt, nog verblind door de pracht van al die kostbaarheden in nevengebouwen en zijkapellen, doet de rust der statige gewelven en het gedempte licht, dat door de beschilderde boogramen dringt, aangenaam aan. Een van die beschilderde vensters, die boven de poort de los Palos is geplaatst, vertoont een merkwaardige voorstelling. Onder een door zuilen gesteunden boog, ziet men het beeld van den heiligen Sebastiaan. Maar in plaats van dezen heilige volgens de traditioneele opvatting voor te stellen met een door pijlen doorboord lichaam, heeft men tot model niemand anders dan keizer Karel V gekozen, met het bekende kapje en de baret, den tot op de knieën afhangenden mantel, het wambuis en de korte broek.
In de rechterhand houdt hij twee pijlen, en in de linker den palmtak der martelaren. De gelijkenis der gelaatstrekken, de vooruitstekende kin en het roode haar zijn zoo karakteristiek, dat het onmogelijk is, het portret van den keizer niet te herkennen. Er onder staan de letters A. y. V., 't geen beteekent: Arnao y Vergara. In 1535 begonnen, werd dit fraaie geschilderde venster, dat in de rekeningen der kathedraal wordt vermeld, hier eerst geplaatst in 1571. Thans is voor de oude kathedralen van Spanje, die zulk een veelbewogen verleden achter zich hebben, een tijdperk van volslagen rust aangebroken, waarin slechts groote verwoestingen of nationale rampen veranderingen brengen. In Augustus 1888 is een der geweldige pilaren van het ciborium ingestort en heeft het prachtige koorhek van brons en geciseleerd zilver verbrijzeld, een werk van Sanchez Nunos. Hij had daaraan gearbeid van 1570 tot 1581. Gelukkig is het hek der Capilla Mayor, dat ook van zijn hand afkomstig was, gespaard. De steenen van den pilaar hadden bij hun val een eenvoudige koperen plaat bedolven, waarop een beroemde naam was gegraveerd, die van Fernando Columbus. De zoon van den grooten admiraal lag hier begraven en eerst na het verlies van Cuba is de asch van zijn vader naar de kathedraal van Sevilla overgebracht. Treurig was het lot van den beroemden man, die niet eens mocht rusten in den bodem van de nieuwe wereld, die hij had ontdekt. Maar schoon zijn laatste wensch niet werd vervuld, Spanje heeft thans zijn stoffelijk overschot een plaats aangewezen, die de nagedachtenis van den grooten man waardig is. De schepper van het gedenkteeken op zijn graf, Nelida, heeft een machtig en oorspronkelijk werk tot stand gebracht, waarin rijkdom van kleur zich paart aan grootschheid van vorm. Vier kolossale figuren dragen trotsch op hun schouders de lijkkist van den held.
Castilië bekleedt de eereplaats, gekleed in een zilveren koorhemd en bronzen mantel, waarop de torens van het koninkrijk zijn afgebeeld. Een gekanteelde kroon omsluit het voorhoofd, en in de hand draagt de figuur de roeispaan der zeelieden. Het bronzen gewaad ligt in zware plooien op het voetstuk van het monument. Op den linker hoek staat Leon, in dezelfde kleeding, waarop echter andere heraldieke figuren zijn afgebeeld. De leeuw vervangt den toren, en om het hoofd draagt Leon een band, waarop de leeuw afwisselt met den granaat, zinnebeeld van den strijd van het oude koninkrijk tegen het laatste bolwerk van den Islam. Fier houdt de eene hand het kruis omhoog geheven, dat de christelijke legerscharen voorging in den strijd. De beide andere figuren zijn Arragon en Navarre, in maliënkolders; de krijgers, naast de priesters.
Over de lijkkist is een kleed gespreid, geborduurd met de wapens van Ferdinand en Isabella en met het inschrift in den rand, dat de koningin met eigen hand schreef ter eere van den "onderkoning en gouverneur der eilanden, ontdekt in de Indische Zee."
A Castilla y Leon Nuevo mundo dio Colon.
(Aan Castilië en Leon Schonk Columbus een nieuwe wereld.)
De herinneringen, die het graf van den grooten ontdekker en zijn zoon opwekt, zijn de beste voorbereiding voor een bezoek aan de bibliotheek van Columbus, waar boven de deur het volgende opschrift is aangebracht: "Ter herinnering aan Don Fernando Colomb, zoon van Don Cristobal Colomb, den eersten admiraal, die Indië ontdekte, gestorven op den leeftijd van 50 jaren, 10 maanden en 27 dagen. Nadat hij naar zijn beste vermogen voor de wetenschap had gearbeid, stierf hij den 12den Juli 1539, drie en dertig jaren na zijn vader. Bidt voor hun zielen."
Als kenner en liefhebber van boeken was de zoon op zijn wijze een ontdekker. Van 1510 tot 1537 reisde hij door Spanje, Italië, Duitschland, Nederland, Engeland en Frankrijk, om geschiedkundige, wetenschappelijke en letterkundige werken te verzamelen. Hij genoot van het bezit dezer schatten en huiverde bij het denkbeeld, ze uit te leenen, uit vrees, dat anderen den band of het papier zouden bederven. Bij zijn dood liet hij een bibliotheek na van 15370 werken; sommigen noemen zelfs het getal 20000. Hij vermaakte deze verzameling aan zijn neef Luis Columbus, die na zijn dood het hoofd der familie zou zijn, op voorwaarde, dat deze jaarlijks een groote som aan het onderhoud ervan zou besteden. Zoo hij die verplichting niet nakwam, moest de bibliotheek aan het kapittel van de kathedraal worden geschonken. Don Luis was nog een kind, en zijn voogden schijnen geen bijzondere zorg te hebben gedragen voor de Fernandina, zooals de verzameling genoemd werd.
Later werd Luis door Philips II uit Spanje verbannen, omdat hij vier vrouwen had getrouwd, zonder ooit weduwnaar te zijn geworden, en stierf in Marokko.
Na vele zwarigheden en eindelooze processen vond de bibliotheek eindelijk een onderkomen in het moorsche klooster van de kathedraal, maar voor de verzameling werd weinig zorg gedragen. In 1592 schreef Argote de Molina: "De boeken van Fernando Columbus zijn weggesloten in een afgelegen zaal van het klooster Lagarto en niemand heeft er nut van." Toch verdwenen vele exemplaren, om nooit terug te keeren. Columbus zelf had eens gezegd: "Ik weet zeer goed, dat niemand kan beletten, dat er boeken worden gestolen, al werden ze ook aan honderd ijzeren kettingen vastgelegd."
In de achttiende eeuw was het met de bibliotheek van Columbus een tijdlang treurig gesteld. De sleutels werden overgelaten aan de lieden, die de kathedraal moesten schoonhouden, en zij gebruikten het heiligdom als bergplaats voor hun gereedschap.
Rafaël Tabarès zegt, dat hij er als kind dikwijls met andere jongens ging spelen, en veel pleizier had in de plaatwerken en miniaturen. Toch bleef, door herhaalde schenkingen, de bibliotheek in stand, en op het einde der 18de eeuw bevatte zij, volgens den catalogus van Tabarès, nog vele merkwaardige werken. Eenige der oudste, waarin Columbus zelf aanteekeningen heeft gemaakt, worden onder glas bewaard, en kunnen gelukkig niet worden geschonden. Zoo ziet men hier ook den bijbel, waarin Columbus de profetieën omtrent de herovering van Jeruzalem en het ontdekken eener nieuwe wereld heeft aangestreept, profetieën, waaraan hij groote waarde hechtte, evenals koningin Isabella, nadat hij haar de beteekenis had verklaard. Hij scheen zijn onwankelbaar vertrouwen vooral uit godsdienstige, althans mystieke openbaringen te putten, 't geen strookt met de levendige beschrijving, zoowel van zijn zedelijke eigenschappen, als van zijn voorkomen, die wij danken aan zijn zoon.