Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
VAN TOLEDO NAAR GRANADA.
Naar het Fransch van Jane Dieulafoy.
Wanneer men zich van Toledo naar Granada begeeft, zou men bijna geneigd zijn, te gelooven dat men in een andere luchtstreek was verplaatst. Men betreurt de koele nachten van Castilië, wanneer de verschroeiende solano, als een ademtocht uit de afrikaansche woestijn, over het land strijkt. En even verschillend als de beide provinciën, zijn de beide hoofdsteden ervan. Terwijl de oude gothische stad, als een verlaten arendsnest, troont op de rotsen, tegenover de hooge klippen welke de Taag bespoelt, en vol hoogmoed haar vervallen torens, de bouwvallen harer paleizen en hooge sombere kloostermuren doet verrijzen, breidt zich de stad van Abd-el-Rhaman uit langs de oevers van den Guadalquivir, die in grillige bochten door een vruchtbare vlakte stroomt. En wanneer men die menigte lage, kleine witte huisjes ziet, bijna banaal in hun nieuwheid, met de frissche kleuren van hun bloemrijke patios en de geraniums en anjelieren, die bloeien achter de kleine vensters, kan men het slechts als een dichterlijke vrijheid beschouwen, als Victor Hugo spreekt van "Cordove aux maisons vieilles". Trouwens bij nadere beschouwing blijkt ook Cordova nog niet geheel gemoderniseerd te zijn. Overal vertoonen zich sporen van het verleden; romeinsche beelden op de hoeken der straten, latijnsche opschriften, gebeiteld in steenen, die voor moderne bouwwerken gebruikt zijn, samengestelde moorsche boogvormen, en oude wapenschilden boven de poorten van sommige gebouwen, waarvan de kleuren elk voorjaar nieuw worden opgeschilderd.
Toledo vertegenwoordigt het Westen, met zijn feudaalstelsel en zijn kloosters, Cordova het Oosten van na de romeinsche overheersching. De paleizen van Toledo zijn vestingen, die in hun onwerkelijke grootheid te huis schijnen te behooren in een heldendicht, de huizen van Cordova, slechts een verdieping hoog, en rondom een binnenplein gebouwd, doen denken aan de woningen van Herculanum en Pompeï.
Zelfs in het volkstype en de kleederdracht is het verschil merkbaar tusschen Castilië en Andalusië. De oogen der vrouwen zijn hier zwart, haar lippen rooder, haar gelaatskleur donkerder en haar gang fierder, dan bij haar castiliaansche naburen. In het gitzwarte haar der andalusische prijkt altoos een bloem, en een luchtig omhulsel van chenille vervangt de kanten mantilla, die in de noordelijke provinciën gedragen wordt. In plaats van den doek, dien in Castilië de vrouwen met een punt op den rug dragen, en waarvan de slippen op de borst worden geknoopt, wordt hier een shawl van zachte, soupele stof om de schouders geslagen, en om middel en heupen geplooid op een wijze, die aan den griekschen chiton herinnert.
Hoe meer men met Cordova bekend en vertrouwd raakt, des te duidelijker dringen onder de zware laag, waarmede de Islam en de christelijke renaissance ze bedekt heeft, de sporen van het antieke verleden der stad zich aan ons op; zóó duidelijk, dat het, met behulp der geschiedkundige overlevering, mogelijk wordt, zich een vrij juist begrip te vormen van deze verdwenen stad der oudheid.
Silius Italicus bezingt haar in zijn gedicht op den tweeden punischen oorlog en spreekt van haar als een der steden die Hannibal bijstonden; Strabo vermeldt haar vermaardheid als zetel der wetenschap en zegt, dat haar oude wetten op rijm zijn geschreven; Claudius Marcellus geeft haar boven alle andere steden van het schiereiland de eer, een romeinsche kolonie te zijn, met alle voorrechten daaraan verbonden; de beide Seneca's en Lucanus aanschouwen binnen haar muren het levenslicht. Eeuwen later is zij de heilige stad der Visigothen, waar concilies worden gehouden, de stad der geleerden, beroemd om haar scholen en haar welsprekendheid. De arabische overheersching werkt mede tot haar bloei, en haar grootheid stijgt ten top onder Abd-el-Rhaman, die haar tot de hoofdstad verheft van het westersch kalifaat. Haar bevolking stijgt tot een millioen inwoners, haar paleizen, baden, scholen, fonteinen worden bij honderden geteld; zij steekt Bagdad en Damaskus naar de kroon, en geen hoogdravende vergelijkingen zijn bij machte de grootheid uit te drukken van dit "Athene van het Westen, de voedster der wetenschappen, de wieg van helden, de moeder van vorsten, de zetel der vroomheid, de toevlucht der overlevering, en het toonbeeld van schoonheid en schitterende praal".
Bij al haar macht en heerlijkheid toonde Cordova zich verdraagzaam en edelmoedig. Na de verovering der stad door de Mooren vergolden de laatsten haar die eigenschappen op waardige wijze. Zij deelden hun tempels met de Christenen, en toen zij de bewonderenswaardige moskee bouwden, die thans nog het belangwekkendste schouwspel oplevert van de geheele stad, maakte zij zich niet met geweld meester van den daarvoor benoodigden grond, maar kochten dezen van de bezitters, en stelden hen in staat, hun eigen kerken te bouwen, evenals zij de Joden vergunning verleenden, synagogen op te richten. Misschien is dit de reden, waarom na zooveel eeuwen de oude moskee ongeschonden verrijst, als een herinnering aan een verleden van waarachtige vroomheid. Haar muren zijn niet ondermijnd door godsdiensthaat. In 770, onder het bewind van den beroemden Kalif Abd-el-Rhaman werd de bouw begonnen. Vijftig jaren van overheersching hadden de Mooren vasten voet verschaft in dit land, waaraan zij, behalve hun wetenschap, de kennis van den landbouw hadden geschonken, en de kunst, die de woonplaatsen der menschen veredelt en verfraait. Het oude heiligdom, dat verrezen was op de bouwvallen van een Janustempel, werd afgebroken, en weldra werden uit Afrika en al de romeinsche koloniën in Spanje de tallooze zuilen aangevoerd, aan voormalige bouwwerken der oudheid ontnomen, die het dak van gesneden cederhout zouden schragen. Uit Byzantium zond keizer Leo kostbaar marmer, en het werk werd begonnen. Het plan der moskee was eenvoudig, als al wat waarlijk grootsch en schoon is. Aan de eene zijde van een groot binnenplein, beplant met oranjeboomen, en omgeven door een galerij, verhieven zich negentien zuilengangen, gericht naar Mekka, de godsdienstige pool der mohammedaansche wereld. De middelste, die het rijkst was versierd, leidde naar den mihrab. Deze gangen werden rechthoekig doorsneden door twintig andere gaanderijen, waarvan de zuilen, op gelijke hoogte afgesneden, als een woud vormden van op regelmatige afstanden geplaatste stammen. Met verwonderlijke snelheid ging de bouw voort.
Om strijd beijverde ieder zich, bijdragen te leveren, 't zij door gaven of door persoonlijke deelname aan den arbeid. Abd-el-Rhaman gaf zelf het voorbeeld door elken dag een uur mede te werken aan de grootsche taak. Weinige jaren later bezat Cordova een der schoonste en grootste moskeeën ter wereld. De mihrab was toen nog niet voleindigd; want de prachtvolle mozaieken, waarmede deze is versierd, konden zoo snel niet worden vervaardigd, maar toch konden de Mohammedanen er trotsch op zijn, der wereld een nieuw wonderwerk te hebben geschonken. Zij gingen voort, het te verfraaien met kostbaarheden; lampen, waarin welriekende olie brandde, poorten van brons, marmer en agaat, en werden niet moede, steeds schooner versieringen uit te denken. Het kunstwerk was onovertroffen schoon, toen Ferdinand III zich van Cordova meester maakte, in 1239. Daarmede was het doodvonnis der stad geteekend. Beroofd van haar glorie als hoofdstad, onderworpen in stede van verheerlijkt, verloor zij inwoners, rijkdom en macht, en ging haar ondergang tegemoet. Toch bleef de schoone moskee van Abd-el-Rhaman gespaard. Men vergenoegde zich, met in het midden een kapel op te richten, gewijd aan den heiligen Ferdinand, den schutspatroon des overwinnaars, terwijl de prachtige mihrab, die bedekt was met een kolossale marmeren plaat, in den vorm van een schelp, en waarvan de mozaieken op goudgrond konden wedijveren met die der Sint Markus-kerk in Venetië, verborgen werd achter een smakeloos aanhangsel, dat de geloovigen belette, het heiligdom te aanschouwen, maar dit misschien ook voor gewelddadige vernieling heeft behoed. Meer dan drie eeuwen verliepen; tot in het jaar 1523 bisschop Alonzo Manrique het eerzuchtige plan opvatte, een groote, indrukwekkende, nieuwerwetsche kathedraal te laten bouwen. Had hij daartoe slechts een geschikte ledige plek gekozen, dan zou thans misschien Cordova zijn nagedachtenis zegenen. Maar hij verkoos zijn nieuwe kerk, met het koor voor de kanunniken, die bang waren voor tocht, te bouwen midden in de moskee, naast den koepel van den heiligen Ferdinand. Zijn plan vond echter geen algemeene instemming. De Ayuntamiento was verontwaardigd en verklaarde, dat niemand het gebouw zou schenden, op straffe des doods. De bisschop wendde zich tot Karel V, en het gelukte hem van dien vorst een volmacht te verkrijgen, waartegen niemand zich durfde verzetten. Men brak het beschilderde en gebeeldhouwde dak van cederhout af, men verwijderde de zuilen, die het schraagden, en het zware logge bouwwerk, dat thans de perspectief der zuilengangen breekt, en ook van buiten het gezicht op de moskee bederft, rees triomfantelijk omhoog, tot voldoening van den bisschop en tot verontwaardiging der bewoners van Cordova. Drie jaren later bezocht Karel V op zijn terugreis van Vlaanderen de nieuwe kerk. Toen hij zag, hoezeer hier tegen den goeden smaak was gezondigd, kon hij zijn ontevredenheid niet onderdrukken. "Had ik maar geweten", riep hij, "hoe schoon dit gebouw was! Dan had ik nooit toegestaan, dat het zoo werd geschonden!" En tot de verzamelde geestelijken voegde hij erbij: "Wat ge hadt, vond nergens zijn wederga op de wereld, en wat ge nu hebt gemaakt, vindt men overal."
Thans is Cordova wel doordrongen van de waarde harer schoone moskee, die zoovele vreemdelingen trekt. De bedekkingen, die den mihrab verborgen, zijn weggenomen, de cederhouten zolderingen, die met een laag pleister waren bedekt, zijn weer voor den dag gekomen, de muren zijn afgekrabd, en de oude versieringen in eere hersteld, en al ging dit herstellingswerk langzaam, als alles in Spanje, het werd nogtans met veel zorg en omzichtigheid ondernomen. Of het afschuwelijke uitsteeksel van bisschop Manrique ook zal verdwijnen? Dit is niet waarschijnlijk. De oude moskee wekt ieders bewondering, maar dwingt geen eerbied af; de onaanzienlijke altaren in de kapellen zijn armoedig en slecht onderhouden. Men spreekt vroolijk over alledaagsche zaken in Allah's woning, terwijl men zwijgt en een kruis slaat bij het binnentreden eener kerk, zelfs al slapen onder de steenen die uw voet betreedt, geen lang gestorven grootwaardigheidsbekleeders den eeuwigen slaap. Hier liggen slechts enkele bisschoppen begraven, en de beroemde Dona Maria de Guzman de Paredes, die schitterende lauweren behaalde aan de universiteit van Alcala, onder de regeering van Philips III. De dichter Gongora, wiens gezwollen stijl in de 17e eeuw opgang maakte, rust hier ook, in een kapel, die past bij zijn dichterlijke vlucht, evenals Pedro Cornyo, een achttiende-eeuwsch beeldhouwer uit het vervaltijdperk der kunst.
Van de minaret, die herinnert aan de Giralda van Sevilla, en waarop drie gouden en zilveren bollen prijkten, is alleen de onderste verdieping overgebleven. Aan deze verwoesting had geen menschenhand schuld; de toren is in de 17de eeuw door een aardbeving ingestort. Herman Ruiz, de bouwmeester van het koor, begon hem in 1503 weer op te bouwen, en Gaspar de la Pena voltooide hem in 1653. Van den top heeft men een prachtig vergezicht tot aan de Sierra Morena.
Niet ver van de moskee bevindt zich de groote brug over de Guadalquivir, die leidt naar de vesting Calahora. Men zegt, dat zij gebouwd is door Octavianus Augustus. De Mooren hebben haar echter in 815 opnieuw opgebouwd. Als het water in de rivier hoog is gerezen, en onstuimige golven de plaats innemen van het linnen, dat er in den warmen zomertijd te drogen ligt, dan schijnen de zware pilaren bijna niet bij machte, het geweld van den stroom weerstand te bieden. Cordova moge wereldberoemd zijn door haar prachtige moskee, de stad ontleent eveneens een zekere glorie aan de herinnering aan een harer edelste zonen, Gonzalvo van Cordova, ofschoon deze held het levenslicht aanschouwde in Montilla, een dorp, vlak bij Cordova gelegen. Zoodra men uit het station komt, gaat men door een breede nieuwe straat, die naar den Grooten Kapitein is genoemd. Overal hoort men zijn naam, en het is alsof hij pas is gestorven, zoozeer leeft hij in ieders herinnering. Als men een getrouw verslag wilde leveren van zijn veroveringen, zijn edel karakter, zijn groot verstand, en de praal van zijn levenswijze, zou men een kwart eeuw spaansche geschiedenis moeten schrijven, uit Spanje's roemrijksten tijd. Maar de ondankbaarheid der vorsten zou aan hem, als aan Christoffel Columbus, worden bewaarheid. Zooals Columbus werd vervolgd, omdat hij Spanje een nieuwe wereld had geschonken, zoo werd Gonzalvo vernederd, omdat hij Italië veroverd had. Isabella kon de misstappen van haar baatzuchtigen echtgenoot niet meer goedmaken. Ferdinand ging zoover, van rekenschap te eischen der geldelijke uitgaven, gedurende zware veldtochten, waarbij Gonzalvo zijn geheele fortuin had opgeofferd ter wille van de eer des vaderlands. Zijn antwoord was trotsch, zooals een Spanjaard betaamde. "De koning eischt rekenschap van mij. Ik zal hem zijne en mijne rekening voorleggen, en men oordeele wie van ons beiden de schuldenaar is."
Eenige maanden later zond hij het verslag in van een geheel leven van toewijding en eervolle opoffering.
"De rekening van Gonzalvo van Cordova. 200736 dukaten en negen realen aan monniken, nonnen en aan de armen, om God de zegepraal der spaansche legerscharen af te smeeken. Honderd millioen voor lansen, kogels en strijdbijlen, honderdduizend dukaten voor kruit en kanonskogels; tienduizend dukaten voor geparfumeerde handschoenen, om de troepen te beschermen tegen de lucht der lijken van onze vijanden, op het slagveld uitgestrekt. Honderdzestigduizend dukaten ter vernieuwing van de klokken, versleten door het aanhoudend feestelijk inluiden van onze behaalde zegepralen. Vijftigduizend dukaten aan brandewijn voor de troepen, in één veldslag. Anderhalf millioen voor de bewaking der gevangenen en gewonden. Een millioen voor missen en Te Deums ter eere van den Almachtige. 700494 voor spionnen etc. En honderd millioen voor het geduld, waarmede ik den koning heb aangehoord, toen hij rekenschap eischte van den man, die hem een koninkrijk had geschonken."
Ferdinand las zonder groote ontroering "Las cuentas del Gran Capitan", maar jaloersch van ieder die in de gunst had gestaan der Koningin, liet hij den held sterven in ongenade en der wanhoop ten prooi. Eerst na den dood van Gonzalvo liet hij den man recht wedervaren, die zijn nijd niet meer kon opwekken, en een lijkdienst voor hem vieren in de koninklijke kapel van Granada.
Nog kan Cordova bogen op den roem, de vaderstad te zijn van een groot dichter, Juan de Mena, een der schitterendste hovelingen aan het hof van Juan II, koning van Castilië en vader van de groote Isabella. Hij stierf in 1456. Behalve door hare moskee en den roep harer geleerdheid, was Cordova wereldberoemd door een bijzonderen tak van nijverheid, de vervaardiging van fraai bewerkte en gekleurde ledersoorten, die in de 16de en 17de eeuw veelvuldig werden gebruikt.
Of deze industrie inheemsch was, of door de Mohammedanen is ingevoerd, valt niet met zekerheid te zeggen. De naam _guadamacil_, waarmede van ouds het goudleer werd aangeduid, dat later bekend was onder den naam _brocaderos y cueros_, is van arabischen oorsprong. Hij zou kunnen zijn afgeleid van Ghadames, de afrikaansche stad, waarvan het leder, evenals dat van Tunis en Marokko, in de tiende eeuw beroemd was, als "marokijn van den Levant." Zeker is het, dat in Spanje, misschien door den aard der huiden en het klimaat van het land, de lederfabricatie steeds op een hoogen trap stond. Strenge verordeningen, uitgevaardigd onder de regeering der katholieke vorsten, waarborgden dezen tak van nijverheid een groote toekomst, die op ware verdienste was gegrond. Een leerling mocht geen eigen zaak beginnen, eer hij zich drie jaar had geoefend; het toezicht over het gilde was opgedragen aan vertrouwde meesters; geen werkman werd aangenomen zonder proeven van bekwaamheid te hebben afgelegd, en het was op straffe van zware boeten verboden, huiden te gebruiken van dieren, die door ziekte waren gestorven. Dank zij deze maatregelen was de uitvoer van leder zoo groot, dat in 1552 de Spanjaarden zich over de duurte ervan beklaagden, en eischten dat de uitvoer verboden werd, evenals met zijde en laken het geval was.
In de straten, waar het leder werd toebereid, rook het niet naar rozenolie; maar zij boden een schilderachtig schouwspel aan; want het beschilderde en vergulde leder hing aan de deuren te drogen, 't geen een fraai en afwisselend gezicht opleverde. Sevilla, Cuidad Rodrigo en Valladolid wedijverden weldra in dit opzicht met Cordova. In Cuidad Rodrigo werden alleen met amber geparfumeerde handschoenen vervaardigd "guantes de ambar", die op den rug der hand waren opengewerkt, en aan de europeesche hoven veel werden gedragen. De koning van Spanje gaf ze aan vreemde vorsten ten geschenke, en bij gelegenheid van het huwelijk van Lodewijk XIV zorgde Philips IV, die den smaak der koningin-moeder kende, dat hij haar voorzag van handschoenen, harer vorstelijke hand waardig. Hij gebood aan de koningin te zenden: drie kisten, een varra breed, met goud beslagen op de hoeken, sloten en scharnieren, twee andere, groen en wit geëmailleerd, met versierselen van zilver; vol "cordobans en guantes de ambar." Een afzonderlijke kist voor den hertog van Anjou, broeder des konings.
De markten, die de Spanjaarden voor zich hadden doen sluiten, bleven geopend voor hun mededingers. Vooral in Venetië werd hun werk zeer verdienstelijk nagevolgd en ook in Frankrijk wijdden zich kunstenaars van naam aan de versiering der stof met schilderwerk. In Cordova is thans reeds lang deze tak van nijverheid uitgestorven, en de laatste kostbare overblijfselen van de eens zoo bloeiende industrie, worden thans tegen hooge prijzen op verkoopingen geveild, om over de geheele wereld verspreid te worden.
In de tweede helft der 16de eeuw, het tijdperk van Spanje's hoogsten bloei, leefde te Madrid een advocaat, beroemd om zijn welsprekendheid, Luiz Verez de Guevara genaamd, die buiten zijn pleidooien nog tijd vond om vierhonderd tooneelstukken te schrijven. In een daarvan kiest hij de stad Sevilla tot het voorwerp zijner huldiging en spreekt haar aldus aan: "Grootsche stad, Kaïro van Spanje, Babylon van Castilië, wonderbare huizenmassa, gemeenschappelijk vaderland van hen, die God lief heeft, en waar hij, zooals het spreekwoord zegt, zijn uitverkorenen hun dagelijksch brood schenkt, gij zijt niet het achtste wereldwonder, maar een der eerste, welke de eeuwen hebben verheerlijkt. Gij zijt te groot, om u te spiegelen in de wateren van den Guadalquivir, den zilveren stroom, die u scheidt van Triana, dat kristalheldere water, dat een woud van masten draagt tusschen zijn Gouden Toren en zijn schipbrug. Naar waarheid heet gij, o schoone en rijke stad, de glorie van Andalusië, de eer van den troon, en de schoonste parel die de kroon eens vorsten kan sieren." Al schijnt deze uitbundige lof eenigszins overdreven, nog altijd is het oude Hispalensis een edelsteen, in goud gevat. Alles is aan haar even liefelijk en bekoorlijk, de omgeving, de ligging, de rivier, die de stad besproeit, de heerlijke zon aan den blauwen hemel, de palmen, die in de tuinen hun kroon met zijn wuivend gebladerte verheffen naast de onbewegelijke oranjeboomen, de prachtige gebouwen, waarboven de rooskleurige Giralda oprijst in het azuur van den hemel, het heldere klokgelui, dat de geloovigen oproept tot het gebed, de woelige, drukke straten, de vrouwen met haar matte gelaatskleur, het donkere haar, waarin vurige anjelieren gloeien of zilveren jasmijn blinkt, en wier slanke gestalte zich drapeert in de bevallige plooien van geborduurde krippen omhulsels, de mannen met hun vurigen oogopslag, en de halfnaakte kinderen, welgevormd, als jeugdige godengestalten. Geen enkel tragisch voorval of heldhaftige daad in Spanje's geschiedenis, of Sevilla was erin betrokken.
Bij elken stap rijzen beelden uit het verleden voor ons op; kalifen, overwinnaars, helden, heiligen, machtige vorsten, schilders, beeldhouwers, pottebakkers, schrijvers, toonkunstenaars, vormen een glorierijken optocht, en al deze mannen droegen bij tot het vermeerderen van den roem der heerlijke stad. Een figuur in deze groote schaar treedt vooral op den voorgrond, de heilige Ferdinand, die de stad in 1248 aan de Mooren ontrukte, en voor wiens nagedachtenis Sevilla de diepste vereering is blijven koesteren. Naar den heiligen Ferdinand is het schoonste harer pleinen genoemd, dat zich, met palmen beplant, uitstrekt vóór het Ayuntamiento, een zeer fraai stadhuis, in renaissance-stijl gebouwd, en de geest van den heiligen Ferdinand schijnt nog in de kathedraal te zweven, waar zijn stoffelijk overschot rust. Zoodra de castiliaansche vorst de stad had veroverd, wijdde hij aan den dienst van den God, dien hij vereerde, de gebouwen, waarin de Mohammedanen hun godsdienstplechtigheden vierden.
De oude moskee Djouma werd het eerst vernietigd. Zij was in 1171 opnieuw herbouwd door den emir Yusuf ben Jacob, en voltooid door zijn zoon Jacob ben Yusuf al Mansour, te gelijkertijd met de Giralda. Van het oorspronkelijke bouwwerk is alleen deze beroemde toren, de minaret der moskee, overgebleven, verder de deur der Vergiffenis, waarboven een bas-relief prijkt van Miguel Fiorentino, de kapel van de Granaat, en het klooster van Lagarto, zoo genoemd naar een krokodil, die er aan het gewelf is opgehangen. Waaraan dit dier, welks gehuichelde droefheid spreekwoordelijk is, de eer heeft te danken, de geloovigen en bezoekers bij hun binnentreden in het gebouw te mogen begroeten? Ondanks zijn leelijkheid is het monster niet meer of minder dan een huwelijksgeschenk geweest, waaromtrent Zuniga in zijn kroniek nadere bijzonderheden vermeldt.