# Van 't viooltje dat weten wilde

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/van-t-viooltje-dat-weten-wilde-10334/index.md

Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke, slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol; tè angstig.

Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager.

Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over 't zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht, op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende, dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind zag het niet.

En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende.

En traag gleed het beekje dan heen.

Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen de oogen te raden....

Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde, weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan.

Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd 't blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw, met donkere stralen.

De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en "Moedertje ... moedertje!" snikte.

Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden.

Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen àl dieper, àl dieper werden, en verhaaltjes vertelden.

Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal, en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam.... De witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet, niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende.

Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad; en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen, en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer, die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen op het donkere kleedje lagen.

Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de witte man het roepen, en het ging.

En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger, en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke, stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden.

Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer, en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm.

Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de dennen, sloeg het boek open, en las.

En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen in 't leven.

En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat àl maar las, langzaam nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek met sprookjes.

Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht.

Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg, en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes.

Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken moesten worden opgeladen, of leeg gedragen.

Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend.

De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons!

De hooge dennen zongen: Bij ons!... en het blonde kind zag op naar de blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde.

Dit had het beekje gedaan.

Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen; maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht verkorten, dat Hij wilde laten voortduren.

De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij 't molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief, droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen, zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie, wondere dingen rond-dwaalden.

Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog, zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den glooienden oever aan ... den prins ... uit haar sprookjesboek. Hij lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht; maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs, dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje, dat hen meenam, het dal in.

De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone, wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen.

Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende.

Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen, en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag.

Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen, in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los, die nu tusschen hem en haar dicht sloeg.

Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen.

Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes, zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek, doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast; en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins, die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog.

En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden, en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was.

--Wat lees je? vroeg eindelijk de prins.

Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las, zijn oogen nu geheel openend:

--Sprookjes?

--Ja. Jij bent zeker een prins?

Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins.

--Ja; zei hij.

Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord, dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende.

--Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je al eens betooverd geweest?

--Ja; zei de prins, en hij jokte niet.

--Vertel eens!

Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het gezicht van den prins.

Hij sloot weer de oogen.

--Even denken, wat ik je vertellen zal.

Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in 't gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem hield ze soms in ... dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje, half open, luisterde mee.

Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden.

Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend aanziende:

--Je woont zeker in een kasteel?

--Ja; zei de prins.

Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen; want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren, binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag, trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde van schoonheid alleen.

--Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind.

--Misschien; later.... Woon jij hier?

--In den molen?... Ja ... eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel: ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders.

--Je woont hier toch niet alléén, wel?

--Neen ... mijn vader nog.

De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in zich komen.

--Ben je veel alleen?

--Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de knechts ook.... En dan ... ze mógen me niet graag; ze noemen me prinsesje.... Ze denken dat ik trotsch ben ... maar, dàt is het niet!

--Wie heeft je lezen geleerd?

De mooie, heldere oogen zagen hem aan ... en in hun diepten smeekte het.

De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu een stroeve trek om haar mondje kwam.

--Lees je veel? vroeg hij verder.

--Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel het beekje ook wel eens wat.

--Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi!

--Verhaaltjes zijn altijd mooi.... Heb je wel eens kabouters gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen; en ze zingen ... soms heel treurig ... meestal wel treurig ... maar dat is juist zoo mooi!... Wanneer neem je me mee naar je kasteel?

--Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen.

Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot een gelijke.

--Waarom niet? vroeg ze.

--Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug vinden.... Ik kan nu ook niet zoeken.

--Waarom niet?

--Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden.

--Hier?

--Neen, in 't dorp, achter de bosschen.

Het kind dacht na.

--Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze.

--Neen.

--Weet ik het dan alleen?

--Velen gelooven het niet!

--Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins!

--Waarom?

--Je hebt het gezicht van een prins!... Ben je erg ziek?

--Ik weet het zelf niet. Misschien wel.

--Zou het mogelijk zijn dat je dood ging?

--Ik weet het niet.... Misschien wel.

--Vóórdat je weer in je kasteel bent?

--Misschien wel!

Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind: angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met hoopvolle oogen:

--Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er mij dan brengen?

--Ja: dàt zal ik!

De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien sterven zou....

En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes, en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder was dan tien.

Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn, en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje, met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk afstak bij het kinderlijke van haar manieren.

Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft, waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen.

Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot den jongen man, die haar als een wonder aanzag.

Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat, hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang...?

Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen.

--Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze.

--En je vader dan?

--Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!... En... er is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben.

--Moeder zeker..., zei de jonge man zacht.

Het kind knikte.

--Nu moet ik weg!--een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je gaat zeker ook heen straks.

--Ja, straks.

--Zal je weer komen?

--Ja, ik zal komen... als ik kan.

--Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi?

--Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn... en... wij zijn toch ook menschen?

--Neen, dat geloof ik niet!

--Wat zijn wij dan?

--Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook wel, en jou ook... dan geloof ik niet dat jij een mensch bent!

--Misschien niet!

--Waarom zeg je altijd misschien?

--Omdat ik zoo weinig weet.

Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer het blonde hoofdje.

--Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid!

Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze tusschen de wilde rozen.

En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe.

En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins, en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder wachtte.............

Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste, donkere dennen.

Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte tusschen de rozenstruiken op den prins.

De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek.

--Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt hij niet ... zei ze, zich vooroverbuigend om te zien.

Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder, tot zij ze niet meer zien kon.

--De prins komt niet ... zei ze, neerzittende onder de dennen, bij 't bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte.

--De prins komt niet ... herhaalde het beekje en gleed heen.

--De prins komt niet ... zongen de wilde rozen.

En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien; en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver, zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij 't rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek, zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en àl maar tuurde naar 't donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte, en àl maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond.

Den volgen dag kwam de prins.

't Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden.

Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek.

Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende.

Toen keek ze rond.

--Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in.

De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij den molen verlicht werd.

--Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen.

Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst gezien hadden.

--Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik.

En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve van zijn moe gezicht heen.

--Is 't héél mooi? vroeg hij.

Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen.

--Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht.

De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de wilde rozen in 't donker van de dennen.

Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen.... En 't zwarte rad woelde donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier daalde over het dal en over den molen.

De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag.

--Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende.

Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder, en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen gedachten.

De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze hem haar grootste geluk mee deed genieten.

Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen, en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote vraag-oogen recht in de zijne zagen.

--Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen.... Begrijp je me?

De ernstige oogen, droevig, zeiden ja....

--En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij.... Misschien zullen wij er dan óók mooie boeken van maken.... Later ... want ik zal je niet vergeten!--Zul je het doen?

--Ik zal het probeeren!... zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals, en kuste hem.

--En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer een brengen, zoolang ik kan ... zoolang ik kan.... Maar nu moet ik gaan. Dag prinsesje!

--Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij 't molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen.

Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad; maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam ze niet meer; maar bleef in den molen.

En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind, dat maar niet kwam.

En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde, van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar àl wegbleef.

