Van 't viooltje dat weten wilde

Part 7

Chapter 7 4,146 words Public domain Markdown

--Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister, en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen, ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort in mijn rijk.

--Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel.... Ik kom u vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer te ontwaken.

Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben aan degenen die ik liefheb ... om later weer terug te keeren tot het leven dat vrede was ... al was het geen gelùk.

Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer.

--Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief ... dáárom wil ik u helpen.

Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge veilig zult zijn: bij uw vader.

Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar Elze toe.

--Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles aan mij over.

Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar schat door niemand opgemerkt het paleis binnen.

Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter zij hun onkunde verborgen.

Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in stelde, te hooren hoe haar toestand was.

--Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden, schreien!... dacht ze bitter.

Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen in haar handen, en zei ernstig:

--Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning; maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet weigeren zult, nietwaar?

Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange, blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede afhingen. Ook de koning wischte een traan weg.

--Spreek, mijn kind! zei hij.

--Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven, begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn liefste herinneringen zijn daaraan verbonden.... Niet waar: gij zult doen wat ik u vraag?... Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit paleis binnentrad.... Zweert ge me dit?

--We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult leven en gelukkig zijn.

Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen:

De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, De liefde brengt beide: geluk en leed.

Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor 't eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor 't laatst.

--Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten, en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn!

De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning verwijderde zich met hem.

Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze:

--Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als ik u noodig heb.

Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins te verzekeren.

De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in.

Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn.

Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over haar heengebogen.

--Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw verstand. Ge doet een goede daad.

--Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze, dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond dat naar de woning van haar vader voerde.

Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog; en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen kuste ze hem op het voorhoofd.

Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach:

--Zoo, ben je daar al?... Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet wonen bij spreeuwen, uilen en valken.

Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal was gekomen, zei ze:

--Nu wil ik mijn haren afknippen.

Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud; en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist.

--Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer....

Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende Christusbeeld aan den muur.

--Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren.

Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest; en werkelijk leek het haar zoo.

Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde zóó, dat ze duizelde.

--Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast.

De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's vader zien.

Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende flank, denkende: het paard herkent me; hij niet!

--Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets te zeggen.

--Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is ... antwoordde Elze met veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen.

--Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken uitbarstend.

--Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed te houden.

--Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet hij niet denken!... Nu zal ik maar gaan!... Goeden dag!... Je zult de boodschap wel overbrengen, niet waar?

--Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels over. Zonder haar aan te zien reed hij weg ... terwijl Elze op haar knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten.

Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten Christusbeeld neerknielde.

--Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!...

Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd.

Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen: een jongen en een meisje.

--Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn!

Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken; maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking."

Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant te lijken.

Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning, waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar, wat ze wilde.

--Den koning zien, zei ze.

--Je bent moe!

--Ja; ik kom van heel ver.

Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten.

Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw; en de koning zag er tevreden en gelukkig uit.

Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond, dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig voorbij reed.

--Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter.

Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen tranen meer had.

Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen graf geschreid!

Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden.

Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf.... Het is goed zoo.... Ik heb dit gewild.... Het was dus goed wat ik deed!

Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen.

--Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen glans in de vriendelijke oogen.

--Waarom vader?

--Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst is!... Gij, Elze, zijt een heilige!

--Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw.... Ik heb hem méér lief dan mezelve.... En nu is Elze tweemaal dood; want eerst heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen.

--Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen, van een die géén begeerte meer heeft.

En zoo was het.

DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE.

In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende; en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen, waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende.

Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen, daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol, zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft naar hoogste kracht van uiting.

Door het dal gleed een beekje.

Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging.

Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende.

Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen brug over hem heen, het dal met den molen verbindende.

Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen; en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad, dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde.

Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als de wind hen even streelde.

Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje, groeiden sierlijke brandnetels.

De menschen houden niet van de brandnetels, nu.

Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi.

En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij, dat de menschen hen ook mooi zouden vinden.

Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die zich naar hen uitstrekt.

Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit, en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft!

De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten: dat de brandnetels leelijk waren.

De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten, tot de lieve God-zèlf hen plukt.

Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare on-verwinbaarheid durvende.

En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen, en het dal te verbinden met den watermolen.

Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij 't werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in 't water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop, deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in, en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken damp in het dal.

De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen, vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun graf: de zwijgende aarde.

De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf, en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan.

Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen.

Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in 't midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen wilden laten....

Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker.

Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren.

Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een watervalletje dichtbij gevende.

Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende, dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet.

Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom.

Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan den winter; net als jij!

En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen, vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst, die geen macht over hem had.

Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook, als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen.

Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in winterslaap kwijnde.

Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal, langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan ... mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen.

Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed, moe van 't werk-doen.

Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind, en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water wevende molenrad.

Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille, bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge, gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen, die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant, waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende.

En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag, stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras, hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het kindje komen zou in het dal.

Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte, niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen, niet verder zeiden.