Van 't viooltje dat weten wilde

Part 6

Chapter 6 4,054 words Public domain Markdown

--Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje zacht.

--Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u, en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven.

Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen.

--God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen.

Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur, en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart, toen hij haar in zijn armen drukte.

--We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man.

De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op.

--Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een goed mensch.

Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte.

Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje.

--Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil!

--Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins.

Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren er niet!

--Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze.

Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en haar vader.

In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn.

Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam....

--Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen.

Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd.

--Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met nadenken.

Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm, en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm, en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd, neerkomt op het hoofd van den geweldenaar.

Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van zichzelf....

Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord: zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt, wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte.

Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast....

Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in 't weifelend licht.

Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand; maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning verwijderd neerknielen.

Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht....

Toen zei de prins:

--Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in 't hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde, het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!...

De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij:

--Men brenge licht!

Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn over de geknielde gestalte uitgoot.

Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid, die zacht stemde zijn goed, oud hart.

--Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij!

Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo statig alsof ze een edelvrouwe was.

Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond gehouden had, nader, en boog zich voor den koning.

--Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons.

--Wie zijt ge? vroeg de koning norsch.

--Elze's vader; en een mensch zooals gij!

--Wie zeide u hier binnen te treden?

--Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw dwaasheid!

--Verklaar u nader!

--Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag!

--Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken als gij!

--Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten....

Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen.

--Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt!

--Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind?

Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand.

--Ziehier! zei hij.

--Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een gunst van uwe zijde?

--Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij ons toereikt als ons deel!

--Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt!

--Dit is een beleediging! riep de koning uit.

--Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is!

Nu lachte de koning, en zei:

--Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft, zal zij een voortreffelijke koningin zijn.

--Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt, en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch.

Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen, terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok.

Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst zag, onwillekeurig de handen vouwde.

De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had.

Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch de zon werend.... Haar vader had alle weldaden die de koning hem wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd, die hem liever was dan het leven onder de menschen.

Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom.

--Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier zou zijn.... Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond, dat hij weg kuste.

Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen.

--'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel zette! had hij gezegd.

Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen, de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid.

--O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet dof wordt bij dit glanzende goud.

--Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank van uw huid, prinses! vleide een tweede.

--Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad, bij het stralen van uw oogen! zei een derde.

Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes; maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig; en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug, zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had, en zich achteraf hield.

--Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten.

Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig aanziende.

Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig, maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's ongepaste handelwijze:

--Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten.

De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning, die haar op het voorhoofd kuste, zeggende:

--Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch:

--Als het dan maar vorstin over uw aller harten is.... Anders begeer ik niets.

--Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins, haar vol ernstige liefde aanziende.

--Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt.

De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder hun minzame lachjes en lieve manieren.

Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar, als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd.

Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt...?

De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk, of er van binnen een lichtje in brandde.

In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde, of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje, door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje, dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden.

Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon; en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte, met een vreemd lachje van steen.

De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder verstand en goed hart te waardeeren.

Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet, en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden droppel mee....

--Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden.

Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden..................

Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker, versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en zachter voor haar was dan vroeger.

Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht; maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder, zeggende:

--Laat ik je niet vermoeien met zaken.

Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang, tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde.

--Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden, zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong ben.... Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed, dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet rondwaart.... Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon van mijn vader moet ik doen.... Zie, dit doet me soms nadenken; en mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen.... Ze zouden je leed doen.

Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was; omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou.

Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding van het volk eens goed waarnemen.

Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve tot gerustheid dwingende.

Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach groette.

--De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven, en bij de laatsten slapen ze nog.

In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide; zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend:

--Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond.

Elze richtte zich hoog op.

--Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen, die u nooit iets misdeed?

Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje, dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een wilde zee van nijdige hoofden.

Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk gerust.

Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen, zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar kleed en haren viel.

Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden allen haar handen en kleederen kussen.

Nu kwamen Elze de tranen in de oogen.

--Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw kinderen, die me liefhebben!

--Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl de menigte zich verstrooide.

--Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen, terwijl hij naar den grond zag.

Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar schuld verbitteren zou.

Lang en ernstig dacht ze na.

--Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter, dan een heel leven vol verdrietelijkheden.

--Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen, dat ze hem alleen liet.

Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze hèm leed zou besparen.

Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning, in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las.

Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou, wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken; en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en bij haar vader te brengen.

Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim haar stond te wachten.

In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten, was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren.

In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou, alsof een hemelziel zich op aarde uitzong.

Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de donker-groene boomen.

De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in 't zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende aarde-sterretjes.

Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze, alle!... alle!... en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes, die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden.

Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht zilveren nachtegalen-lied.

En het woud sliep, en droomde.

En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos; en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk.

Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in den ernst van zijn oogen.

Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht.

Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit.

Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de Boschgeest dat het Elze was.

Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar op, vragende:

--Elze, wat zoekt ge mij?

--Het leed zendt me tot u om hulp en vrede.

--Elze, is er geen ànder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan niemand u helpen dan ik?

--Menschen kùnnen niet troosten in leed!...

--Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten?

--Om de Liefde te volgen.

--Kan die u niet troosten?

--Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk.

--Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de andere menschen: ik kende u, zooals gij mij ... wat kan ik voor u doen?... Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht, daar waar Liefde u leidde.

--Ik kom u den dood vragen!

Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde tegen zijn koel kleed, en zei: