Van 't viooltje dat weten wilde

Part 5

Chapter 5 4,193 words Public domain Markdown

Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud, waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg op den rug een half gevulden linnen zak.

--Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch klonk, als harslucht uit dennen riekt.

--Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig.

--Al vroeg op 't pad! Zoek je iets?

--Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde.

--Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat je haar zoekt!

--Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken.

--Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in 't bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen.

--Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd verdwaald!

--Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit; dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets, denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na.

--Dank je, zei de prins en ging verder.

De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs het pad.

--Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen.

De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt.

Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid, in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in het liedje dat ze zong:

De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, De liefde geeft beide: geluk en ....

Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen.

--Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig.

--Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend!

--Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij wonderlijk beefde.

Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong, lief meisje hem als een openbaring was.

Weer lachte het meisje.

--Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar!

--Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het immers? Waarom zing je het anders?

--Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze maar! Waar ga je heen?

--Ik wil hier blijven!

Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de ernstig-luisterende boom-stammen.

--Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis geweigerd.

Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen.

De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust.

Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje, tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde.

Eindelijk zei Elze:

--Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos naast elkaar.

--Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen hem drukte.

--Omdat jij niets zegt!

Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten boom, een klein huisje met riet gedekt.

--Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik.

Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit.

Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op, toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden.

--Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben.

Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode eikeblaren.

Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje waren hare bewegingen.

De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na lang zwerven eindelijk thuis was.

Toen Elze gereed was, zei ze:

--Vreemdeling, eet en drink!

Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger.

--Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu.

Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt te worden.

Nog altijd zweeg de prins.

--Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk.

--Ik moet zooveel denken!

--Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!...

--Woon je hier altijd?

--Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en....

--Maar dat komt hem toch toe!

--Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan vragen?...

--Maar het is toch zijn recht!

Elze lachte.

--Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe, om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden!

--De prins zal zeker helpen!

--Is hij goed?

--Dat weet hij zelf niet!

--Maar jij? Hoe vindt jij hem?

--Ik ken hem niet!

Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen, opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel zwaar naar voren.

--Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang!

Elze bloosde van genoegen.

--Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik begrijp niet waarom....

--Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken....

Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei:

--Och! waarom niet!

Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme blos zijn wangen kleurde.

De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen, en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel onzichtbaar waren.

--Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend, en vouwde nu stil haar handen.

--Waarom?

--Dat weet ik niet....

Plotseling stond ze op en luisterde.

--Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur open bleef.

De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde, zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had gewezen.

Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang en vast in de oogen.

Toen zei hij langzaam:

--Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen; en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal, als 't u niet te eenvoudig is.

Toen volgde de prins den ouden man in het huisje.

Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den prins voorbij gingen.

--Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl hij opstond.

--Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan!

--Waarheen?

--Dat weet ik niet!

--Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor een vreemde in 't bosch!

--Ik zal meegaan, kind.

De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong, en de prins wendde bevend zijn oogen af.

--Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar buiten ziende.

--Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit.

--Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje aan zijn gloeiende lippen.

Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in.

Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet, wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen.

--Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen, dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel!

--Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen hand geven?

De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de smalle, fijne handen van den prins.

--God zegen u! zei hij, en keerde zich om.

De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen weg.

De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met een ruk recht schoof. Daar op lachte hij:

--Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed, of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene!

En hij ging snel een rechten weg naar huis.

Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich heen, als iemand die ontwaakt.

De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde gedachten.

Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen, bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter het grijze silhouet van de verre stad.

--Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen!

Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan.

Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins, zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen.

Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn naderen.

Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in 't half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken.

De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit, dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood.

--God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast; maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt, maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet zooals ze schijnen.

De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich, en vervolgde zijn tocht.

Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte winkels als vriendelijke oogen blonken.

Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan, en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder tikte.

--Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen vreugde-belovend in de oogen van den prins.

--Dat weet ik niet!

--Ga met mij mee!

--Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna.

--Wat doe je hier! vroeg ze lief.

--Ik zoek!...

--Wat zoek je?

--De Liefde!

Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken.

--Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt!

Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins, moe en eenzaam, vond dit prettig.

--Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend.

En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm, mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde.

--Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend.

--Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig.

--Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem.

Zacht weerde hij haar af?

--Is dit het hoogste geluk?

--Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer.

Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen wist hij niets meer.

Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar was gekomen.

--Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien.

--Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins aan de gekregen zwavelstokjes.

Haastig ontstak hij er een.

En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen, en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde, en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep.

Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten, en snelde heen.

Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde; en een groot verlangen welde in hem op.

--Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit.

Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had opgenomen in zijn groene armen.

Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje, waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was.

--Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop.

En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren naar het helder getril in 't groene loover.

Zoo viel hij in slaap.

Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen.

Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging.

Eindelijk zag hij een geknakten tak.

--Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's huisje moest voeren.

Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje, en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten.

Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd, terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen....

--Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar opzag.

--Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde zeker... want nu ben ik gelukkig!

Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed....

Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd....

De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in.

Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op zijn knieën.

Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden zij zich op den jongen man.

--Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft u geleid?

--Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het sterker was dan uw wil.

--En wat zoekt het hier?

--Liefde, oude man! En die heeft het gevonden!

--Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart?

--Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u verhalen, en oordeel dan.

Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning.

--Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu?

--Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw.

Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog.

Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open.

--Elze! riep hij naar buiten.

Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en toen heen vloog.

Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat van haar vader.

--Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand op haar blond hoofd lei.

--Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig.

--Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den ouden man uit.

--Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem.

Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader met kussen. Ze antwoordde niet.

--Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar de deur.

Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend:

--Blijf bij ons....

--Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen.

--Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht.

--Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat kan ik niet!

En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op.

--Zal de koning haar erkennen als uw vrouw?

--Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen, als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk dat alleen in Liefde is!